Rechtspraak
Parket bij de Hoge Raad
2025-05-20
ECLI:NL:PHR:2025:928
Strafrecht
1,515 tokens
=== CONCLUSIE ===
B.F. Keulen
In de zaak
[betrokkene] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1970,
hierna: de betrokkene
Het gerechtshof 's-Hertogenbosch heeft bij arrest van 12 januari 2023 het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant van 8 november 2018 bevestigd waarin het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel is vastgesteld op een bedrag van € 114.657,04 en aan de betrokkene de verplichting tot betaling van dat bedrag aan de Staat is opgelegd. Het hof heeft daarbij de duur van de gijzeling die maximaal kan worden gevorderd bepaald op 1080 dagen.
Er bestaat samenhang met de zaak 23/00138. In deze zaak zal ik vandaag ook concluderen.
Het cassatieberoep is ingesteld namens de betrokkene. B.Th. Nooitgedagt, advocaat in Amsterdam, heeft één middel van cassatie voorgesteld.
Het middel bevat de klacht dat het hof ten onrechte, althans ontoereikend gemotiveerd, heeft geoordeeld dat sprake is van slechts een geringe overschrijding van de redelijke termijn waarop kan worden gereageerd met de enkele constatering dat die overschrijding heeft plaatsgevonden en/of dat een deel van de overschrijding in hoger beroep is toe te schrijven aan de verdediging.
Het hof heeft in het bestreden arrest het volgende overwogen met betrekking tot de overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep:
‘Aanvulling van de overwegingen ten aanzien van de op te leggen betalingsverplichting aan de Staat
Het hof heeft vastgesteld dat de redelijke termijn in hoger beroep is overschreden. Namens de betrokkene is op 13 november 2018 hoger beroep ingesteld, terwijl het hof op 12 januari 2023 – en derhalve niet binnen twee jaren na het instellen van het hoger beroep – arrest zal wijzen. De redelijke termijn in hoger beroep is hierdoor overschreden.
Gelet op de geringe mate van overschrijding volstaat het hof met de enkele constatering ervan. Het hof overweegt daarbij dat een deel van de overschrijding in hoger beroep is toe te schrijven aan de verdediging.’
6. In cassatie kan niet met vrucht worden geklaagd over de overschrijding van de redelijke termijn als gevolg van het tijdsverloop voor de bestreden uitspraak wanneer de zaak in laatste feitelijke aanleg in tegenwoordigheid van de verdachte en/of diens raadsman is behandeld en ter terechtzitting een dergelijk verweer niet is gevoerd. Dat geldt ook indien het hof ambtshalve heeft vastgesteld dat de redelijke termijn is overschreden.
7. Ik heb bij de stukken van het geding niet een proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep in de ontnemingszaak aangetroffen. Op grond van de stukken van het geding die wel beschikbaar zijn in de ontnemingszaak en in de samenhangende strafzaak, waarin ik vandaag eveneens concludeer, kan het volgende worden vastgesteld. Het hof overweegt in het bestreden arrest: ‘Namens betrokkene is, gelet op de bepleite vrijspraak in de onderliggende strafzaak, geen verweer gevoerd tegen de vordering ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel’. De overweging inzake de redelijke termijn in het bestreden arrest refereert niet aan een verweer dat gevoerd zou zijn. De aanhef van de pleitnota, die zich in het dossier van de strafzaak bevindt, vermeldt het parketnummer van de hoofdzaak en van de ontnemingszaak en heeft daarmee kennelijk op beide zaken betrekking. Deze pleitnota bevat geen verweer inzake de redelijke termijn en vermeldt inzake de ontnemingszaak slechts: ‘Om die reden zal ik niet toekomen aan een bespreking van de eveneens nog aanhangig zijnde vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.’ Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep in de strafzaak vermeldt niet dat in aanvulling op de pleitnota nog iets naar voren zou zijn gebracht. In de cassatieschriftuur wordt geen melding gemaakt van een gevoerd verweer. En de steller van het middel heeft niet om aanvulling van de processtukken verzocht (art. 4.3.6.3 procesreglement Hoge Raad).
8. In het licht van een en ander meen ik dat ervan kan worden uitgegaan dat in hoger beroep in de ontnemingszaak niet een verweer inzake schending van het vereiste van berechting binnen een redelijke termijn is gevoerd.
9. Het middel faalt en kan worden afgedaan met de aan artikel 81, eerste lid, RO ontleende formulering. Ambtshalve merk ik op dat Uw Raad meer dan twee jaren nadat het cassatieberoep is ingesteld uitspraak zal doen. Tot cassatie behoeft dat echter niet te leiden. Ook in de strafzaak met nummer 23/00138 die met deze ontnemingszaak samenhangt en waarin ik vandaag eveneens concludeer, is de redelijke termijn in de cassatiefase overschreden. In die zaak kan worden beoordeeld of deze overschrijding tot compensatie moet leiden. Ook overigens heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
10. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Zie HR 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578, NJ 2008/358 m.nt. Mevis, r.o. 3.9. Zie voorts onder meer HR 30 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2850; HR 7 november 2017, ECLI:NL:HR:2017:2817; HR 23 juni 2020, ECLI:NL:HR:2020:1094, en HR 1 februari 2022, ECLI:NL:HR:2022:47.
Vgl. in dit verband A.J.A. van Dorst en M.J. Borgers, Cassatie in strafzaken, Deventer: Wolters Kluwer 2022, p. 244-245, waar wordt aangegeven dat het proces-verbaal van de terechtzitting niet meer de enige kenbron is van alles wat op de terechtzitting van de feitenrechter is voorgevallen. De bijzondere omstandigheden van dit geval brengen naar het mij voorkomt mee dat op basis van de genoemde stukken een vaststelling kan worden gedaan inzake wat daar (niet) is voorgevallen zonder dat sprake is van een situatie waarin deze stukken als correctiemiddel dienen.