Rechtspraak
Parket bij de Hoge Raad
2025-09-09
ECLI:NL:PHR:2025:760
Strafrecht
2,411 tokens
Conclusie
T.N.B.M. Spronken
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1999,
hierna: de verdachte.
1Het cassatieberoep
1.1
De verdachte is bij arrest van 12 juli 2023 door het gerechtshof Amsterdam (parketnummer 23-002476-22), niet-ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep omdat het niet binnen de wettelijk voorgeschreven termijn van art. 408 lid 2 Sv is ingesteld.
1.2
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. S.F.W. van 't Hullenaar, advocaat in Arnhem, heeft één middel van cassatie voorgesteld.
2Het middel
2.1
Het middel bevat de klacht dat het hof de verdachte niet het recht heeft gelaten om als laatste het woord te voeren.
2.2
Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 12 juli 2023 houdt onder meer het volgende in:
“De voorzitter deelt mede dat op de terechtzitting van heden eerst de ontvankelijkheid van het hoger beroep aan de orde is. Daarbij merkt de voorzitter op dat uit de mailcorrespondentie met de raadsman en de advocaat-generaal is gebleken dat zij van standpunt verschillen over de vraag of de verdachte tijdig hoger beroep heeft ingesteld.
Gevraagd naar haar standpunt deelt de advocaat-generaal mede:
Op 13 oktober 2021 heeft de rechtbank Noord-Holland, locatie Alkmaar, de verdachte bij verstek veroordeeld. Blijkens een akte van uitreiking is het verstekvonnis op 1 september 2022 om 11:45 uur in persoon aan de verdachte uitgereikt. De verdachte heeft deze akte van uitreiking ondertekend en heeft zich daarbij gelegitimeerd met zijn rijbewijs. Op de akte van uitreiking staat alleen het parketnummer van eerste aanleg vermeld en wel 96-193182-20, er staat dus niet expliciet vermeld welk stuk is uitgereikt. Ik heb geprobeerd te achterhalen welk stuk is betekend. Het CVOM heeft te kennen gegeven dat in het systeem van de politie als te betekenen stukken staat: mededeling uitspraak met daarin alle parketnummers van het vonnis waar het in deze zaak om gaat (het hof begrijpt: 96-193182-20, 96-290587-20 en 96-325837-20). Bij deze mededeling uitspraak is een bijsluiter gevoegd, waarin staat dat de verdachte na het betekenen van de stukken, binnen twee weken hoger beroep kan instellen. Vervolgens is namens de verdachte op 16 september 2022, dus één dag te laat, hoger beroep ingesteld. Derhalve vorder ik niet-ontvankelijk verklaring van de verdachte in zijn hoger beroep.
Gevraagd naar zijn standpunt deelt de raadsman mede:
Ik heb zojuist met mijn cliënt gesproken en hem de stukken laten zien die op 1 september 2022 aan hem zouden zijn uitgereikt. Mijn cliënt heeft verklaard dat hij staande is gehouden op zijn scooter waarna hij mee moest naar het politiebureau. Vervolgens is zijn scooter inbeslaggenomen en mocht hij weer gaan. Hij heeft toen wel iets moeten tekenen, maar heeft geen uitspraak uitgereikt gekregen en hem is toen ook niet verteld dat hij binnen twee weken hoger beroep kon instellen. De akte van uitreiking van 1 september 2022 zegt niet veel over welk stuk is uitgereikt. Mijn cliënt stelt dat hij niets uitgereikt heeft gekregen, ook geen kennisgeving van inbeslagname van zijn scooter. Ik raakte op de hoogte van het vonnis doordat dit ter sprake kwam op een terechtzitting op 7 september 2022. Vervolgens zijn wij binnen veertien dagen in hoger beroep gekomen. Gelet op het voorgaande verzoek ik u mijn cliënt ontvankelijk te verklaren in zijn hoger beroep.
Op vragen van de voorzitter en de advocaat-generaal verklaart de verdachte:
Op het politiebureau moest ik in eerste instantie iets tekenen in verband met de inbeslagname van mijn scooter. Toen ik die papieren getekend had, vroeg ik aan de agent of ik de stukken gelijk uitgereikt mocht krijgen. Mijn vader houdt namelijk post achter, waardoor ik mijn post vaak niet ontvang. De agent heeft mij gezegd dat hij de stukken niet gelijk kon geven en dat hij deze op zou sturen. Ik vind dit vreemd, want in het verleden heb ik wel direct stukken uitgereikt gekregen.
Ik snap ook niet waarom ik de akte van uitreiking van 1 september 2022 heb ondertekend, terwijl daar niets over de inbeslagname van mijn scooter staat. Ik was in die tijd niet bekend met het openbaar ministerie en parketnummers, dus ik wist het niet. Ik heb op dat moment geen stukken uitgereikt gekregen.
De advocaat-generaal merkt op dat de verbalisant de akte van uitreiking op ambtseed heeft opgemaakt en dat zij dus waarde hecht aan die akte.
Het hof onderbreekt de behandeling voor beraad in raadkamer.
Nadat de behandeling is hervat verklaart de voorzitter het onderzoek gesloten en deelt mede terstond mondeling arrest te zullen wijzen.
De voorzitter spreekt het arrest uit ter openbare terechtzitting.”
2.3
In eerste instantie werd door de steller van het middel in de cassatieschriftuur aangevoerd dat sprake is van schending van art. 311 lid 4 Sv. Hij betoogde dat de wet niet voorziet in de mogelijkheid om op grond van art. 408 Sv de niet-ontvankelijkheid uit te spreken zonder onderzoek ter terechtzitting, zodat het hof de verdachte op grond van art. 311 lid 4 Sv het recht had moeten worden gelaten om als laatste te spreken. In een nadere toelichting op het middel heeft hij echter verzocht om het middel te verstaan als een schending van art. 283 lid 6 jo. lid 3 Sv.
2.4
Dat is een terechte aanpassing. Zoals ik in een conclusie van 8 oktober 2024 heb aangegeven, kent het Wetboek van Strafvordering zowel in art. 283 lid 3 als in art. 311 lid 4 Sv een recht aan de verdachte toe om als laatste het woord te voeren. Art. 311 Sv geldt specifiek in de context van de inhoudelijke behandeling van de zaak en art. 283 Sv gaat over het voeren van het woord in het kader van een preliminair verweer over de nietigheid van de dagvaarding, de onbevoegdheid van de rechtbank of de niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie. Volgens de Hoge Raad is art. 283 Sv echter niet alleen in het kader van de in lid 1 en 6 genoemde gevallen van toepassing, maar geldt die bepaling ook als de vraag aan de orde is of de rechter in hoger beroep kan toekomen aan een beoordeling van de zaak zelf. Overigens geldt voor zowel art. 311 lid 4 Sv als voor art. 283 lid 3 Sv dat schending van die regel leidt tot nietigheid van het onderzoek en het naar aanleiding daarvan gewezen arrest.
2.5
In de onderhavige zaak was op de terechtzitting de vraag aan de orde of de rechter in hoger beroep kon toekomen aan een beoordeling van de zaak zelf. Het hof heeft namelijk zonder onderzoek in de zaak het door de verdachte ingestelde hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard omdat het te laat is ingesteld. Het recht van de verdachte om op de terechtzitting in dat kader als laatste het woord te voeren vloeit daarmee voort uit art. 283 lid 3 Sv.
2.6
Uit het hiervoor geciteerde proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep blijkt dat de advocaat-generaal niet-ontvankelijkverklaring heeft gevorderd en dat de raadsman en daarna de verdachte hebben kunnen reageren op dat standpunt. Vervolgens heeft de advocaat-generaal naar aanleiding van het betoog van de raadsman en de verklaring van de verdachte echter nog opgemerkt dat de akte van uitreiking op ambtseed is opgemaakt en zij dus waarde hecht aan die akte, waarna het hof het onderzoek na beraad in raadkamer heeft gesloten. Hieruit blijkt dat niet de verdachte maar de advocaat-generaal degene is geweest die als laatste het woord heeft gevoerd op de terechtzitting van 12 juli 2023. Uit het proces-verbaal blijkt niet dat het hof de verdachte nog de mogelijkheid heeft gegeven om op die laatste opmerking van de advocaat-generaal te reageren.
Conclusie
3.1
Het middel slaagt.
3.2
Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
3.3
Deze conclusie strekt tot vernietiging van de uitspraak van het hof en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Amsterdam, opdat de zaak opnieuw wordt berecht en afgedaan.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Die conclusie ging vooraf aan het arrest van de Hoge Raad van 10 december 2024, ECLI:NL:HR:2024:1730.
Zie ECLI:NL:PHR:20241018, onder 2.4 en 2.5.
HR 10 november 2015, ECLI:NL:HR:2015:3250, rov. 2.3.2, waarin wordt verwezen naar HR 5 april 2005, ECLI:NL:HR:2005:AS7542.
Voor art. 311 Sv volgt dat expliciet uit de tekst van lid 4 en voor art. 283 Sv volgt dat uit de jurisprudentie van de Hoge Raad. Zie HR 10 november 2015, ECLI:NL:HR:2015:3250, rov. 2.4.
HR 19 november 2024, ECLI:NL:HR:2024:1674, rov. 2.3 en HR 10 december 2024, ECLI:NL:HR:2024:1730, rov. 2.3.
Zie HR 10 november 2015, ECLI:NL:HR:2015:3250, rov. 2.4.
Kamerstukken II 2022/23, 36 327, nr 3 p. 1238. Zie in dit verband ook Thijs Kelder,’Het laatste woord. Een vorm met inhoud.’, in: Petra van Kampen e.a. red., Vooruit verdedigen. Liber amicorum Stijn Franken, Boom 2025, p. 159-165.