Rechtspraak
Parket bij de Hoge Raad
2025-06-17
ECLI:NL:PHR:2025:648
Strafrecht
7,877 tokens
Conclusie
V.M.A. Sinnige
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [plaats] op [geboortedatum] 1993,
hierna: de verdachte
1Inleiding
1.1
De verdachte is bij arrest van 22 september 2023 (parketnummer 20-002919-19) door het gerechtshof 's-Hertogenbosch wegens “diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak”, veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 200 uren, subsidiair 100 dagen vervangende hechtenis, met aftrek van het voorarrest. Het hof heeft daarnaast de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding toegewezen tot een bedrag van € 4.200,- en heeft aan de verdachte een schadevergoedingsmaatregel opgelegd.
1.2
Er bestaat samenhang met de zaak 23/03707. In die zaak zal ik vandaag ook concluderen.
1.3
Namens de verdachte hebben J.C. Reisinger en R.L. Vermeulen, beiden advocaat in Utrecht , twee middelen van cassatie voorgesteld. Het eerste middel behelst de klacht dat het hof heeft verzuimd te responderen op een namens de verdachte uitdrukkelijk onderbouwd standpunt ten aanzien van de herkenningen van de verdachte door de verbalisanten. Het tweede middel houdt in dat de bewezenverklaring onbegrijpelijk, althans onvoldoende is gemotiveerd.
2De bewijsvoering van het hof
2.1
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:
“hij op 9 september 2018 te [plaats] , tezamen en in vereniging met anderen, een hoeveelheid geld en een handtas en sieraden, die aan een ander dan aan de verdachte en/of zijn mededaders toebehoorden, te weten aan [benadeelde] , heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl de verdachte en zijn mededaders zich de toegang tot de plaats van het misdrijf hebben verschaft door middel van braak.”
2.2
De bewezenverklaring steunt – voor zover hier van belang – op de volgende bewijsmiddelen:
“1.
Het proces-verbaal aangifte d.d. 12 september 2018, dossierpagina's 18-20, voor zover inhoudende als verklaring van [benadeelde]:
Op 9 september 2018, omstreeks 19:40 uur, is mijn vrouw bij onze woning aangekomen. Onze woning is gelegen aan de [a-straat 1] te [plaats] . Mijn vrouw hoorde stemmen afkomstig vanuit de woning. Mijn vrouw zag plotseling drie mannen op haar af komen lopen en mijn vrouw is uit angst de woning uitgerend.
Mijn woning is voorzien van vier camera’s in de woning. Deze camera’s nemen beelden op welke ook opgeslagen worden. Deze beelden kunt u gebruiken voor uw onderzoek. Op de beelden is te zien dat er vandaag rond 19:09 uur drie mannen de woning betreden via de voordeur. Op de camerabeelden zie ik dat de voorste persoon een lange schroevendraaier vast heeft in zijn rechterhand. Op de camerabeelden zie ik dat de mannen mijn gehele woning doorzoeken. Op de camerabeelden zie ik vervolgens omstreeks 19:40 uur mijn vrouw de voordeur van onze woning opendoen en in de voordeur blijft staan. Ik zie op de camerabeelden dat de drie mannen in de richting van de voordeur en mijn vrouw rennen en de woning verlaten.
Mijn vrouw zag dat de mannen in een grijze personenauto wegreden. Uit de woning is weggenomen een bedrag van 1950 euro.
(…)
4.
Het proces-verbaal herkenning persoon door opsporingsambtenaar d.d. 10 april 2019, dossierpagina 70, voor zover inhoudende als relaas van [verbalisant 1]:
Op 10 april 2019 zag ik een aandachtvestiging van Districtrecherche Zeeland, waarin afbeeldingen werden getoond van personen.
De jongen bij de voordeur, met een zwart petje achterstevoren op zijn hoofd en kijkend in de camera herken ik als [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1993.
Ik ken de bovengenoemde persoon ambtshalve.
Ik herkende hem aan zijn gezicht, zijn opvallende dikke wenkbrauwen en zijn ingevallen neuslijn. Ik ken de persoon vanuit mijn werkzaamheden in [plaats] . Jaren geleden was hij vaak in beeld bij verdachte situaties, diefstallen en tevens stond hij regelmatig op de briefing.
Ik herkende de persoon onmiddellijk toen ik de afbeeldingen zag. Over zijn identiteit was mij door anderen geen informatie verstrekt.
5.
Het proces-verbaal herkenning persoon door opsporingsambtenaar d.d. 11 april 2019, dossierpagina 73, voor zover inhoudende als relaas van [verbalisant 2]:
Op 11 april 2019 zag ik een aandachtvestiging van Politie Zeeland, waarin afbeeldingen werden getoond van personen.
De persoon die bij de deur staat en recht in de camera kijkt, herken ik als [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1993.
Ik ken de bovengenoemde persoon ambtshalve.
Ik heb [verdachte] afgelopen 6 april aangehouden. Ik herken hem aan zijn snorretje, dikke wenkbrauwen en oogopslag. Ik herkende de persoon onmiddellijk toen ik de afbeeldingen zag. Over zijn identiteit was mij door anderen geen informatie verstrekt.
6.
Het proces-verbaal van verhoor getuige van de raadsheer-commissaris d.d. 24 november 2022, voor zover inhoudende als verklaring van de getuige [verbalisant 1]:
Ik weet van mezelf dat als ik een herkenning opmaak, ik het op dat moment 100% zeker weet.
Het gezicht van de verdachte was voor mij een hele bekende.
De camerabeelden worden getoond.
Ik herken hem weer als [verdachte] . Zijn wenkbrauwen zijn heel opvallend. Dat sikje ken ik ook zo. Hij heeft gewoon een heel kenmerkend gezicht.
7.
Het proces-verbaal van verhoor getuige van de raadsheer-commissaris d.d. 24 november 2022, voor zover inhoudende als verklaring van de getuige [verbalisant 2]:
Ik kan mij herinneren dat ik de verdachte heb moeten aanhouden, volgens mij was dat kort voor de herkenning. Ik heb zijn foto wel regelmatig op de briefing zien staan, dus zijn foto heb ik wel vaker gezien.
De camerabeelden worden getoond.
De achterste persoon is [verdachte] . Ik herken hem aan zijn gezicht, de baardgroei en het snorretje.
(…)
10.
Het proces-verbaal Relaas onderzoek Confucius d.d. 19 mei 2019, dossierpagina 9-10, voor zover inhoudende als relaas van [verbalisant 3] :
Tip 4 referentie 181122-107268108520 (s)
De eerste verdachte met de witte shirtje van lacoste die halfnaakt rond loopt is [medeverdachte 1] adres [b-straat 1] te [plaats] de grijze voertuig is een alfa romeo uit de jaar 2000 tot met 2003 die stond op een kattenvangers naam de auto is in beslag genomen door de politie met als bestuurder [medeverdachte 1] . De tweede persoon de dunste van de groep is [verdachte] wonend in [plaats] . De andere is [medeverdachte 2] die woont in [plaats] . Deze groep zijn bekende van de politie en landelijke inbrekers ze deinsen niet terug om andere pijn te doen ofte stoppen voor politie. Deze groep zijn criminele organisatie.
Uit de bevraagde politiesystemen blijkt dat met [medeverdachte 2] wordt bedoelt:
[medeverdachte 2] , geboren op [geboortedatum] 1993, wonende te [plaats] [c-straat 1] .
11.
Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 17 mei 2019, dossierpagina 81, voor zover inhoudende als relaas van [verbalisant 3] :
Uit mutatierapportages van de politie Landelijke Eenheid blijkt dat op 21 augustus 2018 en op 24 augustus 2018 een controle heeft plaatsgevonden van een grijze personenauto.
Dictum
De verdediging heeft bepleit dat het hof de verdachte vrijspreekt. Daartoe heeft de raadsman – kort en zakelijk weergegeven – aangevoerd dat de nodige kanttekeningen te plaatsen zijn bij de herkenningen van de verdachte door de verbalisanten en dat deze herkenningen dientengevolge niet kunnen bijdragen aan het bewijs dat de verdachte betrokken is geweest bij de tenlastegelegde inbraak.
Het hof overweegt allereerst dat het niet gaat om de vraag of het hof zelf de verdachte op de beelden of stills herkent, maar dat het vooral aankomt op het beantwoorden van de vraag of de positieve herkenningen van de verdachte door de opsporingsambtenaren voldoende betrouwbaar zijn te achten om voor het bewijs te worden gebruikt. Het hof immers heeft, anders dan de opsporingsambtenaren die de verdachte hebben herkend, de verdachte niet zelf in persoon gezien.
Bij de beoordeling van de betrouwbaarheid van herkenningen staat steeds voorop dat daarbij behoedzaamheid betracht dient te worden. Factoren zoals intensiteit en frequentie van eerdere contacten met de verdachte, de vraag hoe recent die contacten zijn geweest, de vraag of bewegende beelden dan wel foto’s (stills) zijn bekeken, de kwaliteit van de beelden en wat daarop van de verdachte is te zien en de wijze waarop de herkenning tot stand is gekomen (in onderling overleg of onafhankelijk van elkaar en met of zonder voorinformatie) zijn in dit verband van belang.
Daarnaast overweegt het hof dat herkenning van een persoon op beeld plaatsvindt op basis van een in het geheugen opgeslagen beeld en niet slechts op basis van een gezicht, maar ook op grond van andere kenmerken zoals haardracht, lengte, postuur, houding, kleding en accessoires en – wanneer het bewegend beeld betreft – de manier van bewegen. Aldus spelen verschillende elementen daarbij een rol, waarbij steeds sprake is van een ‘holistisch’ proces, dat naar zijn aard moeilijk in objectief verifieerbare elementen is op te delen en niet altijd onder woorden is te brengen. Dat moeilijk te rationaliseren holistische karakter maakt ook dat het enkele feit dat de kwaliteit van de camerabeelden te wensen overlaat of dat de verdachte daar maar ten dele op valt te zien, niet hoeft te betekenen dat de herkenning onbetrouwbaar is. Een van de factoren die de betrouwbaarheid van een herkenning positief kunnen beïnvloeden, is de mate van bekendheid met de waargenomen persoon. Hoe meer men van de betrokken persoon een beeld heeft/hoe beter men de betrokken persoon kent, des te minder visuele informatie nodig is voor een betrouwbare herkenning. Wie iemand goed kent, heeft immers maar weinig nodig om hem of haar te herkennen. Het is niet zo dat een opsporingsambtenaar beter in staat is om personen te herkennen dan een rechter, het is wel zo dat een opsporingsambtenaar die de verdachte goed kent, een completer herinneringsbeeld heeft van de verdachte dan de rechter die de verdachte niet of alleen op de zitting heeft gezien.
Het hof heeft geen enkele reden om te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de ter zake opgemaakte en tot het bewijs gebezigde processen-verbaal van herkenning van de politieambtenaren, alsook aan hun herkenning van de verdachte gedaan tijdens hun verhoor bij de raadsheer-commissaris waar zij de bewegende beelden hebben bekeken. De camerabeelden zijn van zeer goede kwaliteit en de daarop afgebeelde door hen herkende persoon is duidelijk waarneembaar. De stelling dat de beelden onvoldoende duidelijk zouden zijn om daarop een betrouwbare herkenning te kunnen baseren, volgt het hof dus niet. De verbalisanten zijn in hun verklaringen ook duidelijk op grond waarvan zij de verdachte herkennen.
Daarnaast is het hof op grond van de processen-verbaal van getuigenverhoor bij de raadsheer-commissaris d.d. 24 november 2022 gebleken dat de betreffende verbalisanten voorafgaand aan hun herkenningen niet beschikte over voorinformatie en dat de verdachte een bekende van hen was. Weliswaar heeft de [verbalisant 2] de verdachte kort voor zijn herkenning aangehouden ten aanzien van de verdenking van het thans tenlastegelegde feit, doch het hof is niet gebleken dat de verbalisant wist dat de beelden zagen op dat feit. Het enkele feit dat de verbalisanten andere kenmerken noemen waaraan zij verdachte herkennen, rechtvaardigt naar ‘s hofs oordeel niet de gevolgtrekking dat de herkenning daardoor niet betrouwbaar is, nu er sprake is van een ‘holistisch’ proces, dat naar zijn aard moeilijk in objectief verifieerbare elementen is op te delen en niet altijd onder woorden is te brengen.
Het hof acht derhalve de herkenningen van de verbalisanten betrouwbaar en bruikbaar tot het bewijs. Het hof wordt in zijn overtuiging dat de verdachte één van de daders van deze woninginbraak is nog gesterkt door het volgende.
De bewoonster van de woning waarbij de woninginbraak heeft plaatsgevonden, heeft de drie inbrekers zien wegvluchten in een grijze personenauto. Enkele weken voor deze woninginbraak zijn de verdachte en zijn medeverdachte bij gelegenheid van een tweetal controles gecontroleerd terwijl zij in een grijze personenauto zaten. Hieruit leidt het hof af dat de verdachte en zijn medeverdachte korte tijd voor de woninginbraak gebruikt maakte van een grijze personenauto alsook dat zij in die tijd kennelijk regelmatig met elkaar optrokken.
Gelet op het voorgaande is naar het oordeel van het hof boven redelijke twijfel verheven dat de verdachte de persoon betreft die zich samen met twee anderen schuldig heeft gemaakt aan de tenlastegelegde inbraak, voor zover dat hieronder bewezen is verklaard.
Ook voor het overige is het hof niet van andere feiten en/of omstandigheden gebleken die tot een ander oordeel zouden moeten leiden.
Conclusie
5.1
Beide middelen falen. Ik merk in verband met de afdoening in cassatie op dat de rechtbank de verdachte in eerste aanleg heeft vrijgesproken van het tenlastegelegde. Afdoening van de middelen met de aan art. 81 lid 1 RO ontleende motivering ligt daarom niet in de rede.
5.2
Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
5.3
Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
plv. AG
De rechtbank heeft de verdachte in eerste aanleg integraal vrijgesproken.
HR 11 april 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU9130, NJ 2006/393, m.nt. Y. Buruma, rov. 3.8.4.
Zie HR 17 maart 2020, ECLI:NL:HR:2020:454, rov. 2.4, waarin het hof bij zijn oordeel dat de herkenning van de verdachte door de verbalisanten betrouwbaar was omstandigheden in aanmerking had genomen die niet rechtstreeks betrekking hebben op de herkenning. De Hoge Raad overwoog dat een en ander niet afdeed aan de begrijpelijkheid van het oordeel van het hof over de betrouwbaarheid van de herkenningen, omdat het hof deze omstandigheden mocht betrekken bij zijn oordeel omtrent de betrokkenheid van de verdachte bij het bewezenverklaarde feit.
Dictum
Het hof verwerpt derhalve het verweer.”
3Het verweer van de verdediging
3.1
Op de terechtzitting in hoger beroep van 9 augustus 2021 heeft de raadsman van de verdachte gepleit overeenkomstig de inhoud van de door hem aan het hof toegezonden pleitnota, die aan het proces-verbaal van de terechtzitting is gehecht. Deze pleitnota houdt – voor zover hier relevant – het volgende in:
“- Als we daarom nader richten op de ‘herkenningen’:
o Eerste herkenning is niet van cliënt (door verbalisant), zie p 30 voorgeleidingsdossier
o De naam van cliënt komt allereerst enkel uit anonieme tips
Enerzijds te verklaren vanwege combinatie met andere verdachten
Maar evengoed: op basis van even slecht bronmateriaal (als in dossier)
Zonder referentiemateriaal
Tips blijven anoniem en niet te toetsen
Terwijl bovendien: vele andere namen nog genoemd (p 41 t/m 44 rdkdossier), die allemaal zouden zien op de laatste persoon van het filmpje, diegene die cliënt zou moeten betreffen:
[naam 1]
[naam 2] (uit Zeeland)
[naam 3] (uit Zeeland)
[naam 4] (uit Zeeland)
[naam 5] (uit Zeeland)
Als we de herkenningen dus waarde willen laten toekomen: tenminste beschikken over foto’s van voornoemde personen om onderscheidend vermogen te toetsen
Anders leert rechtspsychologie ons: bij gebrek aan alternatief, zeer verleidelijk om in fuik te komen: wie anders dan de verdachten voor ons? Daarom illustratief wat collega deed: foto's anderen en weerspreekt suggestie AG: reden afwezigheid om herkenning te voorkomen
o Datzelfde geldt voor herkenningen door verbalisanten:
Gebruikelijk om te wijzen op ‘ambtseed’, maar ‘ambtseed’ is niet meer dan inspanningsverplichting, geen resultaatsverplichting!
Dat mogen we ook niet vragen van politiemensen: dat zijn ook maar mensen en echt geen betere ‘herkenners’, herkennen van mensen is geen vaardigheid die je kan of niet, zoals fietsen. Vgl. collega: vergissen is menselijk = bias
Belangrijker nog is de constatering: de foto van cliënt is getoond in combinatie met de foto’s van de andere verdachten/daders zo u wil
Het PV meldt: “geen nadere informatie verstrekt over identiteit, maar [verbalisant 2] weet wel dat dit degene is die hij paar dagen eerder voor deze zelfde zaak heeft aangehouden! En dan gebruikt hij alsnog verouderd referentiemateriaal!
[verbalisant 1] merkt expliciet op dat zijn wetenschap van “jaren geleden” is, toen cliënt in beeld was in ‘verdachte situaties’
Maar beide herkenningen in feite gebaseerd op niets méér gebaseerd dan: dikke wenkbrauwen en snorretje... Collega: raciale kenmerken
Nb, neuslijn of oogopslag écht niet te zien!
Dan ken ik er nog wel een paar, niet-limitatieve voorbeelden:
[naam 1]
[naam 2]
[naam 3] ?
[naam 4] ?
[naam 5] ?
o Wat te doen met die andere herkenningen? Negeren? Nee, dat is definitie van twijfel!
o Geldt te meer nu eea in elk geval niet anders wordt door:
redengevende relaties tussen verdachten: maar niet zelfde datum, niet eens duidelijk of het gaat om dezelfde ‘grijze auto’, laat staan terzake dit feit
zelfs maar een fragmentje DNA, enkele dactyloscopische punten of telecombevindingen die wijzen op betrokkenheid cliënt
normaliter geldt dan: ‘gebrek aan bewijs is geen bewijs voor gebrek’, maar juist in deze zaak wel een indicatie voor een bewijsprobleem en dan past maar één slotsom: vrijspraak, reden waarom ik u verzoek daartoe over te gaan”
3.2
Ter terechtzitting in hoger beroep van 8 september 2023 heeft het hof – in een andere samenstelling dan op de terechtzitting van 9 augustus 2021 – met instemming van de procesdeelnemers het onderzoek van de zaak hervat in de stand waarin het zich op die datum op het tijdstip van de sluiting bevond. Blijkens het proces-verbaal van die terechtzitting heeft zich aldaar onder meer het volgende voorgedaan:
“De raadsman voert het woord tot verdediging als volgt.
Ik heb deze zaak door omstandigheden pas laat overgenomen van mijn kantoorgenoot zodat ik mijn pleidooi niet op papier heb kunnen stellen. Ik denk niet dat ik er onderuit kom om een aantal punten die op de zitting van 9 augustus 2021 zijn aangevoerd te herhalen. De punten waarover discussie bestaat komen op hetzelfde neer als op laatstgenoemde zitting naar voren gebracht door mijn kantoorgenoot. De zaak is destijds gestrand op het verzoek van de verdediging om de betrokken verbalisanten nogmaals te horen in het geval uw hof voornemens zou zijn de gewraakte herkenningen voor het bewijs te bezigen. Ik wil graag verwijzen naar hetgeen in dat kader eerder is aangevoerd en vraag uw hof om de betreffende punten uit ons pleidooi d.d. 9 augustus 2021 als hier voorgedragen te beschouwen.
De voorzitter deelt de raadsman mede dat het hof daarmee instemt.
De raadsman vervolgt zijn pleidooi als volgt.
Het is de vraag of de verklaringen van de in hoger beroep gehoorde verbalisanten afbreuk hebben gedaan aan hun eerdere herkenningen van cliënt en of deze verklaringen uw hof meer reden geven om daaraan te twijfelen. In de visie van de verdediging maken de nadere verhoren van de verbalisanten eens te meer duidelijk dat herkenningen door verbalisanten niet zonder meer betrouwbaar zijn, in casu zelfs onbetrouwbaar.
In de visie van de verdediging is de herkenning van cliënt door [verbalisant 2] bij uitstek onbetrouwbaar. Hij zegt dat hij cliënt kort daarvoor heeft aangehouden voor betrokkenheid bij deze zaak. Hij had dus heel duidelijk voorkennis voordat hij de herkenning deed. Wat de invloed daarvan is geweest en of dat bewust of onbewust heeft meegespeeld, maakt niet uit, want het is in ieder geval sturing geweest. Dat is in strijd met de waarborgen die een herkenning deugdelijk en krachtig maken. Verbalisanten zijn ook maar mensen en het feit dat het een ambtshalve herkenning betreft, maakt de herkenning niet beter. Verbalisanten kunnen overtuigd zijn van een herkenning, terwijl zij zich toch vergissen. Zij zouden rekening moeten houden met de Bayesiaanse beginselen, omdat zij putten uit een poel van personen die vaker in contact zijn geweest met justitie. Als we kijken naar waarop de herkenning heeft plaatsgevonden, dan is dat een oude foto van cliënt en niet de meest recente foto. Het is bovendien opmerkelijk te noemen dat de verbalisant heeft verklaard dat hij heeft doorgeklikt naar de oudere foto van cliënt en zich niet heeft gehouden aan de meest recente foto. Bovendien heeft hij cliënt een paar dagen eerder gezien bij de aanhouding, dus waarom zou je dan kiezen voor een oudere foto? Er is aldus sprake van een bepaald niveau van voorkennis, zodat geen sprake kan zijn van een onafhankelijke herkenning. Daarbij kan in het midden blijven of sprake is van een juiste herkenning of een onjuiste en gestuurde herkenning of van een herinnering.
Mijn primaire conclusie luidt dat een dergelijke herkenning niet kan of mag worden gebruikt voor het bewijs. Ik verwijs naar het arrest van de Hoge Raad met nummer ECLI:NL:HR:2020:1889, in het bijzonder naar rechtsoverweging 2.4.5.
In de visie van de verdediging geldt hetzelfde voor de in hoger beroep afgelegde verklaring van [verbalisant 1] . Haar herkenning van cliënt maakt het niet anders. Een goede herkenning hangt af van twee of meer herkenningen. Het betreft een verenigd plaatje. Ik heb dus getoetst wat het tijdsverloop is geweest tussen haar eerste ontmoeting met cliënt en de gewraakte herkenning. Haar eerdere ervaringen met cliënt heeft plaatsgevonden in de jaren 2010 en 2016. Ik vond het een treffende vraag wanneer haar laatste contact met cliënt had plaatsvond en zij antwoordde daarop dat dat weleens 2016 kon betreffen.
Dictum
Vervolgens wordt de herkenning verankerd in een foto van cliënt die niet recent is. Dat is op zich al vreemd. Ik zie een bevestiging voor mijn standpunt in het tussenarrest van uw hof d.d. 23 augustus 2021, waarin op pagina.3 is overwogen:
‘Het hof zal het voorwaardelijk gedane verzoek van de advocaat-generaal afwijzen. De noodzaak dat de verdachte alsnog ter terechtzitting verschijnt zodat het hof een vergelijking zou kunnen maken tussen een persoon op de camerabeelden van 9 september 2018 en de verdachte, is het hof reeds gelet op het tijdsverloop niet gebleken.’
Uw hof zegt daar ongeveer dat het 3 jaar later niet meer relevant is om een herkenning te doen. Het hof ziet de noodzakelijkheid daarvan niet. Dat betreft dus dezelfde toets waar 3 jaren tussen zitten. Hier gaat het om een herkenning van een verdachte op een screenshot die met dezelfde terughoudendheid moet worden benaderd. De verbalisanten hebben gedacht: ‘We zullen als eerste eens bij mensen gaan kijken die eerder contact met justitie hebben gehad’. Dat is dus een manier van ‘self fulfilling prophecy’. Hoeveel mensen zijn er met oren die dicht bij het gezicht staan? Overigens zie ik dat zelf niet bij cliënt. Hoeveel mensen hebben dikke wenkbrauwen en een strakke kaaklijn? Ook als je kijkt naar wat de andere verbalisant daarover zegt, is dat twijfelachtig. De andere verbalisant noemt andere kenmerken van cliënt, maar die kloppen ook niet met de foto van cliënt in het dossier. Dat is ook wat de verdediging eerder heeft gezegd, te weten dat de door de verbalisanten genoemde kenmerken van cliënt niet met elkaar overeenkomen. De verdediging begrijpt het holistische proces, maar de verbalisanten lijken niet naar holistische aspecten te kijken. Er zullen veel meer personen op de wereld zijn die deze kenmerken hebben, onder wie ook familieleden van cliënt. De verdediging heeft eerder ook al gewezen op andere personen die in beeld zouden komen als verdachte. Ik herhaal hier de namen die wij eerder hebben genoemd. Deze personen komen als concreet alternatief in beeld, zodat gesproken moet worden over gerede twijfel over de herkenningen van cliënt hetgeen moet leiden tot vrijspraak.
(…)
Ik kan nog opmerkingen maken over de kwaliteit van de camerabeelden en dat iemand die zo zeker is over een herkenning, er vaak juist naast zit. We moeten holistisch toetsen, maar de zaak niet uithollen en realistisch bekijken.
(…)
De raadsman dupliceert als volgt.
Als wij het hebben over Sinterklaas en allerlei dingen over zijn uiterlijk opmerken, maar niet zeggen of hij een baard heeft, dan heeft iedereen daar wel wat over op te merken. In de kern komt het neer op de vragen wat de voorkennis bij de getuige was, wat hij heeft gezien en wat hij daaruit heeft kunnen concluderen. Sommige waarnemingen zijn zo duidelijk en dan vind ik het opvallend dat geen van de door de verbalisanten genoemde kenmerken met elkaar overeenkomen. De herkenningen door de verbalisanten matchen niet. Ik vind dat daarom kritisch naar die herkenningen moet worden gekeken.”
4De bespreking van de middelen
4.1
De verdachte is veroordeeld voor het in vereniging plegen van diefstal met braak in een woning. De betrokkenheid van de verdachte bij deze woninginbraak heeft het hof in de eerste plaats doen steunen op de herkenning van de verdachte door verbalisanten op beelden van camera’s die in de woning hingen. Daarnaast heeft het hof de betrokkenheid van de verdachte gebaseerd op de omstandigheid dat de bewoonster van de woning heeft verklaard dat ze de drie inbrekers heeft zien wegvluchten in een grijze personenauto. Uit het opsporingsonderzoek is naar voren gekomen dat de verdachte en een medeverdachte een aantal weken vóór de woninginbraak bij een tweetal controles zijn gecontroleerd in een grijze personenauto. Het hof heeft daaruit afgeleid dat de verdachte en de medeverdachte korte tijd voor de woninginbraak gebruikmaakten van een grijze personenauto en in die tijd kennelijk regelmatig met elkaar optrokken.
4.2
De verdediging heeft – blijkens het hiervoor weergegeven pleidooi – in hoger beroep de betrouwbaarheid van de herkenningen uitvoerig betwist. Dat verweer kan bezwaarlijk anders worden verstaan dan als een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt in de zin van art. 359 lid 2, tweede volzin, Sv. Ter staving van dat standpunt is door de verdediging onder meer naar voren gebracht dat:
- de door de verbalisanten genoemde kenmerken van de verdachte niet met elkaar overeenkomen;
- de [verbalisant 2] voorkennis had voordat hij de verdachte herkende op de beelden;
- de herkenning door [verbalisant 2] plaatsvond op basis van een oude foto van de verdachte;
- de verdachte in het opsporingsonderzoek betrokken is geraakt door een anonieme tip, die niet te toetsen is;
- in het opsporingsonderzoek ook namen van andere personen genoemd zijn die mogelijk te zien zouden zijn op diezelfde camerabeelden.
4.3
Het eerste middel voert aan dat het hof – in strijd met art. 359 lid 2, tweede volzin, Sv – niet heeft gerespondeerd op het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt van de verdediging, voor zover dat luidt dat mogelijk sprake is geweest van ‘sturing’ in het totstandkomingsproces van de herkenningen. Die opvatting deel ik niet.
4.4
Het hof heeft in zijn bewijsoverwegingen uitgebreid stilgestaan bij de betrouwbaarheid van de herkenningen door de verbalisanten. Aan zijn oordeel dat er geen enkele reden is om te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de herkenningen heeft het hof in de eerste plaats ten grondslag gelegd dat de camerabeelden van zeer goede kwaliteit zijn en de daarop afgebeelde persoon duidelijk waarneembaar is. Ook heeft het hof meegewogen dat de verbalisanten duidelijk hebben verklaard op grond waarvan zij de verdachte herkennen en overwogen dat het enkele feit dat de verbalisanten verschillende kenmerken noemen waaraan zij de verdachte op de beelden herkennen, niet de gevolgtrekking rechtvaardigt dat de herkenning niet betrouwbaar is. Daarbij heeft het hof vooropgesteld dat het totstandkomingsproces van een herkenning een ‘holistisch’ proces betreft, dat naar zijn aard moeilijk in objectief verifieerbare elementen is op te delen en niet altijd onder woorden is te brengen. Voorts heeft het hof bij zijn oordeel betrokken dat de verbalisanten voorafgaand aan hun herkenningen niet beschikten over voorinformatie en dat de verdachte een bekende van hen was. Tot slot heeft het hof in aanmerking genomen dat de [verbalisant 2] de verdachte weliswaar kort voor zijn herkenning had aangehouden ten aanzien van de verdenking van het thans tenlastegelegde feit, maar dat niet is gebleken dat de verbalisant wist dat de beelden zagen op datzelfde feit.
4.5
Hiermee heeft het hof naar mijn inzicht voldoende gerespondeerd op het hiervoor bedoelde standpunt van de verdediging over de betrouwbaarheid van de herkenningen. Anders dan het middel voorstaat, heeft het hof – door onder meer stil te staan bij het al dan niet bestaan van voorinformatie – ook gereageerd op de door de verdediging gestelde ‘sturing’ in het totstandkomingsproces van deze herkenningen. Dat het hof mogelijk niet nadrukkelijk is ingegaan op alle omstandigheden die de verdediging ter onderbouwing van dat standpunt naar voren heeft gebracht, maakt het voorgaande niet anders. De motiveringsplicht van art. 359 lid 2, tweede volzin, Sv strekt immers niet zover dat op ieder detail van de argumentatie die ten grondslag ligt aan een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt moet worden ingegaan.
4.6
Het eerste middel faalt.
4.7
Het tweede middel keert zich tegen de begrijpelijkheid van het oordeel van het hof dat de verdachte de persoon betreft die zich samen met (onder meer) de medeverdachte schuldig heeft gemaakt aan de woninginbraak.