Rechtspraak
Parket bij de Hoge Raad
2025-04-01
ECLI:NL:PHR:2025:645
Strafrecht
504 tokens
=== CONCLUSIE ===
B.F. Keulen
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2005,
hierna: de verdachte.
De verdachte is bij arrest van 15 maart 2024 door het gerechtshof 's-Hertogenbosch wegens ‘medeplegen van feitelijke aanranding van de eerbaarheid, meermalen gepleegd’, veroordeeld tot 100 uren taakstraf, bestaande uit een werkstraf, subsidiair 50 dagen jeugddetentie, waarvan 40 uren taakstraf subsidiair 20 dagen jeugddetentie voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren. Daarbij heeft het hof bijzondere voorwaarden opgelegd, een en ander als in het arrest vermeld.
Er bestaat samenhang met de zaak 24/01175. In deze zaak zal ik vandaag ook concluderen.
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. J. Boksem, advocaat in Leeuwarden, heeft twee middelen van cassatie voorgesteld.
Met betrekking tot de ontvankelijkheid van het onderhavige cassatieberoep merk ik het volgende op. De aanzegging ingevolge art. 435, eerste lid, Sv is op 20 september 2024 betekend. Art. 437, tweede lid, Sv schrijft voor dat, op straffe van niet-ontvankelijkheid, binnen twee maanden na betekening van de aanzegging als bedoeld in art. 435, eerste lid, Sv, door een raadsman een schriftuur houdende middelen van cassatie wordt ingediend. De schriftuur is eerst binnengekomen op 21 november 2024.
Nu de verdachte niet binnen de bij de wet gestelde termijn bij de Hoge Raad door een raadsman een schriftuur houdende middelen van cassatie heeft doen indienen, is het voorschrift van art. 437, tweede lid, Sv, niet in acht genomen, zodat de verdachte in het beroep niet kan worden ontvangen.
Deze conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van de verdachte in het beroep.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG