Rechtspraak
Parket bij de Hoge Raad
2025-01-14
ECLI:NL:PHR:2025:52
Strafrecht
2,037 tokens
=== CONCLUSIE ===
M.E. van Wees
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1967,
hierna: de verdachte.
Inleiding
1.1
De verdachte is bij arrest van 24 februari 2023 door het gerechtshof 's-Hertogenbosch wegens “medeplegen van om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen, stoffen voorhanden hebben, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit, meermalen gepleegd.", veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van achttien maanden, waarvan zes voorwaardelijk en met een proeftijd van één jaar, met aftrek van voorarrest. In eerste aanleg is de verdachte vrijgesproken.
1.2
Er bestaat samenhang met de zaken 23/00943 en 23/00848. In deze zaken zal ik vandaag ook concluderen.
1.3
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en E.E.W.J. Maessen, advocaat in Maastricht, heeft twee middelen van cassatie voorgesteld.
Het eerste middel
2.1
Het middel is gericht tegen een deel van de bewezenverklaring en valt uiteen in twee deelklachten.
2.2
Ten laste van de verdachte is bewezen verklaard dat:
“hij in of omstreeks de periode van 5 februari 2015 tot en met 22 februari 2015 binnen de arrondissementen Limburg en Oost-Brabant, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken, van een hoeveelheid van een materiaal bevattende amfetamine een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, voor te bereiden en/of te bevorderen, voorhanden heeft gehad:
101 zakken x 25 kilogram Caustic Soda (totaal: 2525 kilogram Caustic Soda), en
40 x 25 literjerrycan(s) met opschrift ‘M’ (totaal: 1000 liter mierenzuur), en
38 x 25 literjerrycan(s) opschrift ‘ZZ’ (inhoud: zoutzuur), en 1 jerrycan x 25 liter (inhoud: zoutzuur) en 1 jerrycan x 30 liter (totaal: 990 liter zoutzuur),
(alle) aangetroffen te [plaats] op 20 februari 2015,
en/of
22 jerrycans met in totaal 520 Iiter ethanol, en
3 metalen vaten met in totaal 600 liter isopropylalcohol, en
2 jerrycans met in totaal 7 liter formamide,
(alle) aangetroffen te [plaats] op 22 februari 2015,
waarvan verdachte en verdachtes mededader(s) wist(en) of ernstige redenen had(den) te vermoeden, dat die goederen bestemd waren tot het plegen van dat feit”
2.3
De twee deelklachten hebben uitsluitend betrekking op de aangetroffen chemicaliën in [plaats] , oftewel op het bovenste gedeelte van de bewezenverklaring. De eerste deelklacht houdt in dat een overweging in de bewijsoverweging over een “huurcontract” niet gedragen wordt door de bewijsmiddelen. De tweede deelklacht houdt in dat het bewezenverklaarde medeplegen niet uit de bewijsmiddelen kan volgen. Ik ga hieronder eerst in op de klacht over het medeplegen en daarna nog kort op de eerste deelklacht.
2.4
Voor de bewijsoverwegingen en bewijsmiddelen verwijs ik naar het (gepubliceerde) arrest. In het kort komt de bewijsvoering op het volgende neer.
2.5
Het hof heeft vastgesteld dat op twee locaties, te weten in een loods in [plaats] en in een garage in [plaats] , producten zijn aangetroffen die bestemd waren voor de productie van amfetamine (respectievelijk bewijsmiddel 1 en 2 en bewijsmiddel 10, 11 en 12). Dat deze producten op deze locaties zijn aangetroffen en dat zij waren bestemd voor de productie van amfetamine staat in cassatie niet ter discussie. De loods in [plaats] is doorzocht op 20 februari 2015 om omstreeks 13:30 uur. Dat was ongeveer een halfuur nadat een bestelbus, die werd gevolgd door een observatieteam en waarvan het hof heeft vastgesteld dat deze eerder chemicaliën vervoerde, uit de loods kwam rijden na daar twintig minuten ervoor te zijn binnengereden (bewijsmiddel 3). Die bestelbus werd reeds gevolgd vanaf het moment dat hij was weggereden van een locatie in België. Twee dagen na het doorzoeken en ontmantelen van de loods in [plaats] is de garage in [plaats] doorzocht.
2.6
Uit de bewijsvoering van het hof blijkt dat, voor zover in cassatie van belang, drie personen bij het bewezenverklaarde betrokken waren. Dit betreft [verdachte] (de verdachte), [medeverdachte 1] (de verdachte in de samenhangende zaak 23/00943) en [medeverdachte 2] . De rol van de laatstgenoemde [medeverdachte 2] heeft er onder meer in bestaan dat hij de genoemde bestelbus heeft gehuurd (bewijsmiddel 5 en 7) en samen met [medeverdachte 1] chemicaliën heeft opgehaald in België (bewijsmiddel 4 en 6). De bewijsmiddelen bevatten verder tapverslagen van gesprekken tussen [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] en tussen [medeverdachte 1] en [verdachte] (de verdachte) rondom het precursorentransport met deze bestelbus richting [plaats] (bewijsmiddel 4). Daarin staat dat [medeverdachte 1] en de verdachte voorafgaand aan het transport bespreken dat [medeverdachte 2] dient vrij te nemen en een bus moet klaarzetten, laat de verdachte merken dat hij weet wanneer [medeverdachte 1] over dit onderwerp wordt gebeld en noemt hij de mogelijkheid dat hij en [medeverdachte 1] zelf rijden. Na het transport spreken zij over het aantal door [medeverdachte 2] gereden kilometers. Het hof leidt uit deze gesprekken af dat de verdachte betrokken was “bij de organisatie van het transport” (bewijsoverweging).
2.7
Over het aantreffen van voor de productie van amfetamine bestemde chemicaliën in [plaats] merk ik nog het volgende op. Het hof heeft vastgesteld dat de garage waarin de amfetamineprecursoren zijn gevonden, hoorde bij een huis waar [medeverdachte 2] stond ingeschreven (bewijsmiddel 10). Uit de bewijsmiddelen blijkt verder dat deze [medeverdachte 2] in het op de doorzoeking volgende politieverhoor de naam van de verdachte heeft genoemd als degene die hem had gevraagd de chemicaliën bij hem op te slaan, omdat hij (de verdachte) hem had gezegd dat hij “een probleem had” (bewijsmiddel 13). Vervolgens blijkt uit een tapverslag dat [medeverdachte 2] later die dag in een gesprek met [medeverdachte 1] aangeeft dat hij “ [verdachte] zijn naam genoemd [heeft]” (tegenover de politie), omdat [medeverdachte 2] naar eigen zeggen niet anders kon. Hieruit leidt het hof het daderschap en het medeplegen af van de verdachte ter zake van de aangetroffen precursoren in [plaats] . Hierover bevat het middel als gezegd geen (bewijs)klachten en dit staat in cassatie dus vast.
2.8
De klacht over de bewijsvoering van het medeplegen ten aanzien van de aangetroffen precursoren in [plaats] komt naar het mij voorkomt neer op een te beperkte en daarmee onjuiste lezing van het arrest. Het hof bespreekt namelijk eerst het bewijs ten aanzien van de precursoren aangetroffen in [plaats] en daarna het bewijs ten aanzien van hetgeen zich in [plaats] bevond. Dit geldt zowel voor de bewijsmiddelen (onderscheidenlijk 1-9 en 10-16), als voor de wijze waarop het hof de bewijsoverwegingen heeft gestructureerd. In deze bewijsoverwegingen gaat het hof in op achtereenvolgens (i) de aangetroffen stoffen, (ii) het vereiste van het voorhanden hebben, (iii) de bestemming en (iv) het medeplegen voor de precursoren in [plaats] en doet daarna hetzelfde en in dezelfde volgorde voor de precursoren in [plaats] . Als gevolg van deze redactionele keuze heeft het hof de overwegingen over het medeplegen in tweeën geknipt.
2.9
Anders dan de steller van het middel kennelijk aanneemt, meen ik evenwel dat beide overwegingen over het medeplegen uiteindelijk in onderlinge samenhang moeten worden bezien (zoals het hof overigens ook zelf doet in een ander verband onder het kopje C3 van het arrest).