Rechtspraak
Parket bij de Hoge Raad
2025-04-25
ECLI:NL:PHR:2025:488
Civiel recht; Burgerlijk procesrecht
2,601 tokens
Conclusie
P. Vlas
In de zaak
[eiseres]
(hierna: [eiseres] )
tegen
[verweerder]
(hierna: [verweerder] )
In deze zaak staat de procesrechtelijke vraag centraal of het hof ’s-Hertogenbosch de hoofdzaak had moeten aanhouden in verband met een aanhangig voorlopig getuigenverhoor.
Procesverloop
1.1
In cassatie kan, voor zover thans van belang, van het volgende procesverloop bij het hof ’s-Hertogenbosch worden uitgegaan.
1.2
Bij appeldagvaarding van 11 oktober 2022 is [eiseres] in hoger beroep gekomen van het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant van 13 juli 2022, waarin de rechtbank de vorderingen van [eiseres] heeft afgewezen, met veroordeling van [eiseres] in de proceskosten.
1.3
Bij tussenarrest van 4 april 2023 heeft het hof een mondelinge behandeling na aanbrenging bepaald, die op 26 juni 2023 heeft plaatsgevonden. Van deze mondelinge behandeling is een proces-verbaal opgemaakt.
1.4
De memorie van grieven van [eiseres] is op 3 oktober 2023 bij het hof ingediend, waarna de memorie van antwoord van [verweerder] op 14 november 2023 is ingediend.
1.5
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 8 april 2024. Hierbij heeft de advocaat van [eiseres] spreeknotities overgelegd. Er is kennelijk geen proces-verbaal van deze mondelinge behandeling opgemaakt.
1.6
Bij arrest van 30 april 2024 heeft het hof het vonnis van de rechtbank bekrachtigd, met veroordeling van [eiseres] in de proceskosten. Het hof heeft daartoe, voor zover in cassatie relevant, het volgende overwogen:
‘6.9.1. Gelet op het voorgaande falen alle grieven. Nu [eiseres] niet heeft voldaan aan haar stelplicht, komt het hof aan bewijslevering niet toe. Overigens heeft [eiseres] ook niet een voldoende gespecificeerd bewijsaanbod gedaan. Zij heeft geen concrete feiten en omstandigheden te bewijzen aangeboden die, indien bewezen, tot een ander oordeel leiden. De advocaat van [eiseres] heeft niet verzocht om aanhouding van deze zaak, zodat in het (nog aanhangige) voorlopig getuigenverhoor getuigen kunnen worden gehoord. Het hof ziet daar ook ambtshalve geen aanleiding voor.’
1.7
[eiseres] heeft (tijdig) cassatieberoep ingesteld tegen het arrest van het hof. Tegen [verweerder] is verstek verleend.
2Bespreking van het cassatiemiddel
2.1
Het cassatiemiddel bestaat uit twee onderdelen.
2.2
Onderdeel 1 bevat valt uiteen in zes subonderdelen en is gericht tegen rov. 6.9.1 van het bestreden arrest. Het onderdeel klaagt dat het hof blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting dan wel zijn oordelen onvoldoende heeft gemotiveerd. Daartoe voert het onderdeel (onder 1.1 en 1.2) aan dat het bewijs dat via het voorlopig getuigenverhoor wordt verkregen onder meer zou worden gebruikt voor het voldoen aan de stelplicht. Ook is sprake van strijd met de goede procesorde, omdat het hof de zaak had moeten aanhouden vanwege het aanhangige voorlopig getuigenverhoor (onder 1.3). Het hof heeft in strijd gehandeld met het gesloten stelsel van rechtsmiddelen door het voorlopig getuigenverhoor niet af wachten (onder 1.4) en had de zaak ambtshalve moeten aanhouden (onder 1.6).
2.3
Bij de bespreking van deze klachten stel ik voorop dat de hoofdzaak en het voorlopig getuigenverhoor procedureel los van elkaar staan. De rechter in de hoofdzaak is niet verplicht om de behandeling van de hoofdzaak aan te houden totdat het voorlopig getuigenverhoor is afgerond. Het kan wel in de rede liggen dat een rechter de behandeling van de hoofdzaak aanhoudt, omdat de uitvoering van een voorlopig getuigenverhoor nog niet is afgerond. Ook kunnen partijen om die reden verzoeken tot aanhouding. Dat het voorlopig getuigenverhoor door een partij kan worden gebruikt voor het voldoen aan haar stelplicht in de hoofdzaak, betekent niet dat de rechter in de hoofdzaak niet zou kunnen of mogen oordelen dat een partij niet heeft voldaan aan haar stelplicht zolang het voorlopig getuigenverhoor nog niet heeft plaatsgevonden. De door het onderdeel verdedigde opvatting dat de rechter ambtshalve verplicht zou zijn om de behandeling van de hoofdzaak aan te houden, is ook onjuist. Van strijd met het gesloten stelsel van rechtsmiddelen en met de goede procesorde is geen sprake. De klachten onder 1.1 t/m 1.4 en 1.6 falen daarom.
2.4
Het onderdeel (onder 1.5) betoogt dat de advocaat van [eiseres] wél heeft verzocht om aanhouding in afwachting van het voorlopig getuigenverhoor waardoor het andersluidende oordeel van het hof onbegrijpelijk is. Het onderdeel wijst op verschillende passages in de processtukken, die zowel afzonderlijk als in onderling verband niet anders kunnen worden gelezen dan dat om aanhouding is verzocht in afwachting van het voorlopig getuigenverhoor.
2.5
Het onderdeel faalt. Ik licht dat toe aan de hand van het procesdossier en de door mij ambtshalve bij de griffie van het hof opgevraagde rol- en archiefkaart, waaruit de volgende gang van zaken blijkt.
2.6
Op 26 juni 2023 heeft de mondelinge behandeling na aanbrengen plaatsgevonden. Uit het daarvan opgemaakte proces-verbaal blijkt dat de advocaat van [eiseres] heeft opgemerkt dat op 14 juli 2023 (dus binnen drie weken na de mondelinge behandeling na aanbrengen) een voorlopig getuigenverhoor gepland staat en dat hij heeft medegedeeld dat het voor [eiseres] belangrijk is om de uitkomst van die zitting af te wachten. Uit hetzelfde proces-verbaal blijkt echter ook dat het hof de zaak na deze mondelinge behandeling heeft verwezen naar de rol van 25 juli 2023 voor akte uitlating voortprocederen aan beide zijden. Door het verwijzen van de zaak naar een datum die is gelegen ná het geplande voorlopig getuigenverhoor voor akte uitlating voortprocederen, heeft het hof de zaak (feitelijk) aangehouden in verband met het geplande voorlopig getuigenverhoor op 14 juli 2023, waarna partijen zich konden uitlaten over (de wijze van) voortprocederen in de hoofdzaak.
2.7
Uit het procesdossier blijkt dat het op 14 juli 2023 geplande voorlopig getuigenverhoor geen doorgang heeft gevonden, omdat de getuige niet was verschenen.
2.8
Uit de rol- en archiefkaart van het hof blijkt dat de advocaat van [eiseres] zich op de rol van dinsdag 25 juli 2023 niet tijdig heeft uitgelaten, waarna het hof de zaak op de rol van 8 augustus 2023 heeft geplaatst voor ‘Beraad partijen/uitlaten omtrent voortprocederen’.
2.9
Op de rol van 8 augustus 2023 heeft de advocaat van [eiseres] een H16-formulier ingediend ‘m.b.t. uitstel memorie van grieven i.v.m. voorlopig getuigenverhoor zaak 200.318.741’ en is de zaak op de rol van 5 september 2023 geplaatst voor memorie van grieven.
2.10
Op de rol van 5 september 2023 heeft de advocaat van [eiseres] verzocht om vier weken uitstel voor memorie van grieven, waarna de zaak op de rol van 3 oktober 2023 is geplaatst voor memorie van grieven.
2.11
Op de rol van 3 oktober 2023 is de memorie van grieven genomen.
2.12
In de memorie van grieven staat, zoals het onderdeel aanvoert, opgenomen dat het horen van de getuige ‘wat [eiseres] betreft altijd de eerste stap is geweest tot het vaststellen van de feiten’, dat het horen van de getuige ten tijde van het opstellen van de memorie van grieven helaas nog niet heeft plaatsgevonden, dat [eiseres] afhankelijk van de uitkomst van het verhoor van de getuige nog een andere getuige wil horen en dat ‘[d]oor het – gedwongen – voortijdig (althans wat [eiseres] betreft!) nemen van de onderhavige memorie beginnen verschillende proceshandelingen door elkaar te lopen’. Uit de memorie van grieven blijkt dat er nog geen nieuwe datum voor het voorlopig getuigenverhoor is vastgesteld.
Conclusie
De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G
Zie het bestreden arrest van het hof ’s-Hertogenbosch van 30 april 2024, ECLI:NL:GHSHE:2024:1519, rov. 5. In verband met de in cassatie voorliggende (procesrechtelijke) vraag wordt vermelding van de feiten en vermelding van het procesverloop bij de rechtbank achterwege gelaten. Zie voor de door het hof vastgestelde feiten: rov. 6.1 t/m 6.1.6 van het bestreden arrest.
Rechtbank Oost-Brabant 13 juli 2022, zaaknummer C/01/375178/ HA ZA 21-702.
In het bestreden arrest staat niet vermeld dat een proces-verbaal is opgemaakt en een proces-verbaal is ook geen onderdeel van het procesdossier.
Zie ook E.F. Groot, Voorlopige bewijsmaatregelen, Mon. Burgerlijk Procesrecht, red. Klaassen/Hammerstein (2018), p. 140.
Conclusie
G. de Groot, Groene Serie Burgerlijke Rechtsvordering, art. 186 Rv, aant. 1.
Verwezen wordt naar ‘het proces-verbaal van de mondelinge behandeling na aanbrengen d.d. 25 juni 2023’ (bedoeld is 26 juni 2023) en naar de memorie van grieven van 3 oktober 2023.
In het proces-verbaal van mondelinge behandeling na aanbrengen staat opgenomen: ‘Op 14 juli 2023 staat een voorlopig getuigenverhoor gepland. Mr. Steensma [advocaat van [eiseres] , A-G] deelt mee dat [de getuige] als getuige is opgeroepen. Hij deelt verder mee dat het voor [eiseres] belangrijk is om de uitkomst van die zitting af te wachten. Nadat partijen de zaal hebben verlaten, verwijst de raadsheer-commissaris de zaak naar de rol van 25 juli 2023 voor akte uitlating voortprocederen aan beide zijden.’
Zo blijkt uit de memorie van grieven, onder 23, in samenhang gelezen met de memorie van antwoord, onder 3 en 19.
Zie de memorie van grieven, onder 22 t/m 25.
Zie de memorie van grieven, onder 26.
Zie de memorie van grieven, onder 27.
Zie de memorie van antwoord, onder 3 en 19.
Zie de spreeknotities van de advocaat van [eiseres] t.b.v. de mondelinge behandeling van 8 april 2024.
Vgl. in iets ander verband: HR 2 maart 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU8176, NJ 2012/158, rov. 3.5.1.