Rechtspraak
Parket bij de Hoge Raad
2025-04-01
ECLI:NL:PHR:2025:402
Strafrecht
2,025 tokens
=== CONCLUSIE ===
M.E. van Wees
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1970,
hierna: de verdachte.
De verdachte is bij arrest van 2 mei 2023 door het gerechtshof Den Haag wegens “handelen in strijd met een opdracht als bedoeld in artikel 7 van de Wet openbare manifestaties” veroordeeld tot een geheel voorwaardelijke geldboete van € 250, subsidiair vijf dagen hechtenis, met een proeftijd van twee jaren.
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en mr. R. Dijkstra, advocaat in Utrecht, heeft twee middelen van cassatie voorgesteld.
3.1
Met betrekking tot de ontvankelijkheid van het onderhavige cassatieberoep merk ik het volgende op. Het hof heeft bewezenverklaard dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het in art. 7 jo. art. 11 lid 1, aanhef en onder b, WOM omschreven feit, welk feit zoals blijkt uit art. 11 lid 2 WOM een overtreding is. Het hof heeft ter zake van dat feit een geheel voorwaardelijke geldboete opgelegd van € 250, subsidiair vijf dagen hechtenis, met een proeftijd van twee jaren. Ingevolge art. 427 lid 2, aanhef en onder b, Sv staat tegen de bestreden uitspraak in beginsel beroep in cassatie niet open.
3.2
In de schriftuur wordt echter gewezen op art. 427 lid 3 Sv. Deze bepaling luidt:
“Tegen de arresten, bedoeld in het tweede lid, onder a en b, staat niettemin beroep in cassatie open indien zij een overtreding betreffen van een verordening van een provincie, een gemeente, een waterschap of een met toepassing van de Wet gemeenschappelijke regelingen ingesteld openbaar lichaam.”
Deze uitzondering zou volgens de steller van het middel hier van toepassing zijn omdat een samenstel van de WOM en de Algemene Plaatselijke Verordening van de Gemeente Den Haag aan de orde is.
4.1
Voor de bespreking van dit punt haal ik eerst de relevante wetsbepalingen aan, te beginnen met artikel 4 WOM:
“1. De gemeenteraad stelt bij verordening regels vast met betrekking tot de gevallen waarin voor vergaderingen en betogingen op openbare plaatsen een voorafgaande kennisgeving vereist is.
2. De verordening voorziet ten minste in:
a. regels betreffende de gevallen waarin een schriftelijke kennisgeving wordt vereist van degene die voornemens is een vergadering of betoging te houden;
b. regels betreffende het tijdstip waarop de kennisgeving moet zijn gedaan, de bij de kennisgeving te verstrekken gegevens, en het verstrekken van een bewijs van ontvangst aan degene die de kennisgeving doet.
3. Over de inhoud van de te openbaren gedachten of gevoelens worden geen gegevens verlangd.“
4.2
Artikel 7 WOM luidt:
“De burgemeester kan aan degenen die een samenkomst tot het belijden van godsdienst of levensovertuiging, vergadering of betoging houden of daaraan deelnemen opdracht geven deze terstond te beëindigen en uiteen te gaan, indien:
a. de vereiste kennisgeving niet is gedaan, of een verbod is gegeven;
b. in strijd wordt gehandeld met een voorschrift, beperking of aanwijzing;
c. een van de in artikel 2 genoemde belangen dat vordert.”
4.3
Artikel 11 lid 1 sub b WOM luidt:
“1. Met hechtenis van ten hoogste twee maanden of geldboete van de tweede categorie wordt gestraft:
(…)
b. handelen in strijd (…) met een opdracht als bedoeld in artikel 7 (…).”
4.4
Artikel 2:3 lid 1 van de Algemene plaatselijke verordening voor de gemeente Den Haag luidde ten tijde van het gepleegde feit:
“1. Degene die het voornemen heeft op een openbare plaats, als bedoeld in artikel 1 Wet openbare manifestaties, een betoging of vergadering te houden, als bedoeld in de artikelen 3 en 4 Wet openbare manifestaties, moet vóór de openbare aankondiging van deze vergadering of betoging en tenminste 4 x 24 uur voordat deze zal worden gehouden, de burgemeester hiervan schriftelijk kennis geven.”
5.1
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:
“zij op 10 oktober 2020 te [plaats] , niet heeft voldaan aan de door de burgemeester op grond van artikel 7 Wet openbare manifestaties gegeven| opdracht de betoging terstond te beëindigen en uiteen te gaan, door nadat krachtens artikel 7 sub a Wet openbare manifestaties en/of artikel 7 sub c Wet openbare manifestaties door de burgemeester de opdracht was gegeven om de demonstratie te beëindigen en uiteen te gaan, zich niet te verwijderen van die betoging.”
5.2
Aan de bewijsoverwegingen van het hof kan het volgende worden ontleend:
“Het samenstel van de WOM en de Algemene Plaatselijke Verordening van de gemeente ‘sGravenhage (hierna: APV Den Haag) houdt in dat in de gemeente Den Haag ter bescherming van de gezondheid, in het belang van het verkeer en ter bestrijding of voorkoming van wanordelijkheden vóór de openbare aankondiging van een betoging schriftelijk daarvan aan de burgemeester moet worden kennis gegeven.
In dat stelsel past als sluitstuk dat bij het achterwege blijven van een vereiste kennisgeving, de burgemeester op grond van artikel 7 WOM gebruik kan maken van zijn bevoegdheid opdracht te geven de betoging terstond te beëindigen en uiteen te gaan. Daaraan doet niet af dat de burgemeester van het hanteren van die bevoegdheid ook kan afzien, indien de eerder genoemde belangen zich daartegen niet verzetten.
Op grond van het verhandelde ter terechtzitting en de stukken in het dossier stelt het hof vast dat op 10 oktober 2020 een betoging heeft plaatsgevonden op en nabij [a-straat] te [plaats] en dat van deze betoging niet vooraf een kennisgeving is gedaan aan de burgemeester als bedoeld in artikel 4 van de WOM en artikel 2.3 van de APV, zodat de burgemeester bevoegd was opdracht te geven de bijeenkomst op grond van artikel 7, sub a, WOM te beëindigen en opdracht te geven uiteen te gaan.”
6.1
Uit het voorgaande volgt dat het gerechtshof heeft vastgesteld dat de verdachte een gebod van de burgemeester heeft genegeerd om de betoging te beëindigen. De bevoegdheid van de burgemeester om dit gebod uit te vaardigen berust op de WOM (art. 7). De strafbaarstelling van handelen in strijd met dit gebod berust eveneens op de WOM (art. 11). Ik zie dan ook niet in dat het arrest een overtreding ‘betreft’ van een verordening van een gemeente als bedoeld in art. 427 lid 3 Sv. Zowel de materiële norm als de strafbaarstelling staan immers in een wet in formele zin.
6.2
Dit wordt niet anders doordat in de toepassingsvoorwaarden voor deze bevoegdheid wordt verwezen naar een gemeentelijke verordening. Het hof beschrijft de bevoegdheid de betoging te beëindigen als het “sluitstuk” van een stelsel dat de voorafgaande melding van betogingen eist, waarbij die meldingseis is opgenomen in een gemeentelijke verordening. Bij een dergelijke ‘handhavingsbevoegdheid’ is deze verordening echter slechts indirect aan de orde.
6.3
Aan de tekst noch aan de totstandkomingsgeschiedenis van art. 427 lid 3 Sv kan ik aanwijzingen ontlenen dat de uitzondering op het cassatieverbod zich ook uitstrekt tot dergelijke indirect relevante regelgeving van lagere overheden. Deze uitzondering is tot twee keer toe bij amendement in de wet opgenomen, eerst in art. 68 RO (oud) en daarna in het huidige art. 427 Sv. Uit de toelichting op deze amendementen volgt dat het doel van de bepaling is de Hoge Raad controle te laten houden op lagere regelgeving. De toelichting op het amendement van art. 68 RO (oud) vermeldde daarbij dat het ging om “boetes die door de kantonrechter op grond van lagere regelgeving worden opgelegd”. De toelichting op het amendement van art.