Rechtspraak
Parket bij de Hoge Raad
2025-02-18
ECLI:NL:PHR:2025:326
Strafrecht
523 tokens
=== CONCLUSIE ===
D.J.C. Aben
In de zaak
[betrokkene] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1989,
hierna: de betrokkene
1. Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Zwolle, heeft bij arrest van 27 oktober 2023 het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel vastgesteld op een bedrag van € 5.185,80 en aan de betrokkene de verplichting opgelegd tot betaling van dat bedrag aan de Staat ter ontneming van dat wederrechtelijk verkregen voordeel. De duur van de gijzeling is daarbij bepaald op 103 dagen.
2. Er bestaat samenhang met de zaak 23/04376. In deze zaak zal ik vandaag ook concluderen.
3. Het cassatieberoep is ingesteld namens de betrokkene. K.W. van Nieuwkerk, advocaat in Utrecht, heeft één middel van cassatie voorgesteld.
4. Het cassatiemiddel is ingediend naar aanleiding van een brief van de president van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 26 februari 2024, die kort gezegd inhoudt dat een van de raadsheren van de zittingscombinatie ten tijde van de behandeling van de zaak niet in de hoedanigheid als raadsheer-plaatsvervanger de ambtseed had afgelegd. Volgens de steller van het middel kan daardoor niet gezegd worden dat de uitspraak is gedaan door het door de wet vereiste aantal rechterlijke ambtenaren met rechtspraak belast.
5. Op de gronden als vermeld in de conclusie van de procureur-generaal d.d. 23 april 2024 in de zaak met het nummer 23/04238 is het middel terecht voorgesteld.
6. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
7. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
ECLI:NL:PHR:2024:435.
Uitspraak Hoge Raad 2 juli 2024, ECLI:NL:HR:2024:956.