Rechtspraak
Parket bij de Hoge Raad
2025-11-04
ECLI:NL:PHR:2025:1161
Strafrecht
1,700 tokens
Conclusie
D.J.C. Aben
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1988,
hierna: de verdachte
Het cassatieberoep
1. De verdachte is bij mondeling arrest van 8 oktober 2024 door de enkelvoudige (straf)kamer van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, wegens:
- ten aanzien van de zaak met parketnummer 08-195032-23, onder 1 “diefstal” en onder 2 “in het besloten lokaal bij een ander in gebruik, wederrechtelijk binnendringen”, en
- ten aanzien van de zaak met parketnummer 08-222132-23, “diefstal”
veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van drie weken. Daarnaast heeft het hof, een niet voor dit cassatieberoep relevante, beslissing genomen over de schadevergoedingsvordering van de benadeelde partij, en over de vordering tenuitvoerlegging (08-085124-23).
2. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. V.P.J. Tuma, advocaat in Arnhem, heeft één middel van cassatie voorgesteld.
Een nadere omschrijving van het middel
3. Het middel bevat onder meer de klacht dat het hof heeft verzuimd in het bijzonder de redenen op te geven die hebben geleid tot het opleggen van de onvoorwaardelijke gevangenisstraf.
De strafmotivering
4. Het hof heeft blijkens de ‘aantekening van het mondeling arrest’ dat op de voet van artikel 425 lid 3 Sv is opgenomen in het proces-verbaal van de terechtzitting d.d. 8 oktober 2024 onder “Oplegging van straf” overwogen (met onderstreping mijnerzijds):
“De hierna na te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.
Het hof heeft bij zijn straftoemeting in het bijzonder
het volgende
in aanmerking genomen en vindt daarin de redenen die tot de keuze van een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van de hierna aan te geven duur leiden.”
5. In deze aantekening van het mondelinge arrest zocht ik tevergeefs naar ‘het volgende’ dat het hof in aanmerking heeft genomen en naar de redenen voor de keuze van de onvoorwaardelijke vrijheidsstraf voor de duur van drie weken.
Het beoordelingskader
6. Krachtens artikel 425 lid 3 Sv en artikel 3 van de aldaar bedoelde Regeling aantekening mondeling vonnis moet de aantekening van het mondelinge arrest in het proces-verbaal van de terechtzitting van de enkelvoudige kamer van het hof onder meer de navolgende gegevens bevatten:
“opgelegde straf(fen) of maatregel(en) met vermelding van de bijzondere redenen die de straf(fen) hebben bepaald of tot de maatregel(en) hebben geleid. Verder in de voorkomende gevallen opgave van de strafmotiveringseisen, genoemd in art. 359, vierde, zesde, zevende en achtste lid, Sv;”
7. Artikel 359 Sv luidt voor zover thans relevant:
“6. Bij de oplegging van een straf of maatregel die vrijheidsbeneming medebrengt, geeft het vonnis in het bijzonder de redenen op die tot de keuze van deze strafsoort, dan wel tot deze soort maatregel hebben geleid. Het vonnis geeft voorts zoveel mogelijk de omstandigheden aan, waarop bij de vaststelling van de duur van de straf is gelet. (…).
7. (…).
8. Alles op straffe van nietigheid.”
De bespreking van het middel
8. Voor zover het middel de klacht bevat dat het hof de oplegging van de onvoorwaardelijke gevangenisstraf niet heeft gemotiveerd overeenkomstig het bepaalde in artikel 359 lid 6 Sv, is het terecht voorgesteld., De overige klachten van het middel behoeven daarom geen bespreking.
Conclusie
9. Het middel slaagt.
10. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
11. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de betreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de strafoplegging en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, opdat de zaak ten aanzien daarvan opnieuw wordt berecht en afgedaan.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Volledig: de Regeling aantekening mondeling vonnis door de politierechter, kinderrechter, economische politierechter, de kantonrechter en de enkelvoudige kamer voor behandeling van strafzaken in hoger beroep van 2 oktober 1996, Stcrt. 1996, 197 (hierna: de Regeling).
Hoewel de tekst van de Regeling niet is geactualiseerd, heeft de Hoge Raad duidelijk gemaakt dat in de aanhef van lid 3 van art. 425 Sv bedoeld wordt te verwijzen naar art. 3 van de Regeling. Vgl. HR 19 juni 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA0421, NJ 2007/356; HR 5 februari 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC2922, NJ 2008/396, en vgl. HR 6 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2026, NJ 2017/128, rov. 2.2.1, 2.2.3 en 2.5, bevestigd in HR 14 februari 2023, ECLI:NL:HR:2023:177.
Zie HR 5 juli 2022, ECLI:NL:HR:2022:975, NJ 2023/129 m.nt. Ten Voorde, rov. 3.4-3.5.4; HR 19 oktober 2022, ECLI:NL:HR:2022:1472, rov. 2.3.2; HR 15 november 2022, ECLI:NL:HR:2022:1641, rov. 2.3; HR 18 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:900, rov. 2.3.1.-2.5 (en de conclusie van Frielink van 9 april 2024, ECLI:NL:PHR:2024:404, die daaraan voorafging). Zie daarnaast de conclusie van voormalig a-g Hofstee van 15 oktober 2024, ECLI:NL:PHR:2024:1733, randnummers 9-10.
Een vergelijkbaar geval deed zich voor in de zaak die ten grondslag lag aan HR 17 december 2024, ECLI:NL:HR:2024:1733. Ook in die zaak had de enkelvoudige kamer van het hof ten aanzien van de strafoplegging in zijn mondelinge arrest volstaan met de volgende overweging: “De hierna na te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. (…) Het hof heeft bij zijn straftoemeting in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen en vindt daarin de redenen die tot de keuze van een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van de hierna aan te geven duur leiden.”
In cassatie werd (onder meer) geklaagd dat het hof de oplegging van de onvoorwaardelijke gevangenisstraf niet had gemotiveerd overeenkomstig het bepaalde in artikel 359 lid 6 Sv. Voormalig a-g Hofstee concludeerde dat die klacht terecht was voorgesteld, en ook de HR oordeelde dat het middel (in zoverre) slaagde.