Rechtspraak
Parket bij de Hoge Raad
2024-08-27
ECLI:NL:PHR:2024:826
Strafrecht
1,850 tokens
Conclusie
E.J. Hofstee
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1960,
hierna: de verdachte
Inleiding
De verdachte is, nadat hij door de rechtbank integraal was vrijgesproken, bij arrest van 13 april 2022 door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, in de zaak met parketnummer 96-305815-20 wegens “overtreding van artikel 9, tweede lid, van de WVW 1994” (feit 1) – op 28 november 2020 – veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier weken. Voorts heeft het hof een in beslag genomen en nog niet teruggegeven Volkswagen verbeurdverklaard.
Er bestaat samenhang met de zaken 22/01553 en 22/01555. Ook in die zaken zal ik vandaag concluderen.
Namens de verdachte heeft D.L.A.M. Pluijmakers, advocaat in Almere, een middel van cassatie voorgesteld.
Het cassatiemiddel en de bespreking daarvan
Het middel
4. Bezien in samenhang met de toelichting daarop klaagt het middel met verwijzing naar bewijsmiddel 2 (enkel) dat het hof op onjuiste en/of ontoereikende gronden tot de bewezenverklaring is gekomen doordat ’s hofs oordeel dat de verdachte op 2 augustus 2019 door de politie persoonlijk en ondubbelzinnig op de hoogte is gesteld van de ongeldigverklaring van zijn rijbewijs onjuist, althans niet voldoende gemotiveerd is.
De bewezenverklaring en bewijsvoering
5. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:
“hij op 28 november 2020 te [plaats] terwijl hij wist of redelijkerwijs moest weten dat een op zijn naam gesteld rijbewijs voor een of meer categorieën van motorrijtuigen, te weten categorie B, ongeldig was verklaard en aan hem daarna geen ander rijbewijs voor het besturen van een motorrijtuig van de betrokken categorie of categorieën was afgegeven, op de weg, Rijksweg A7 Links (hmp 249.5), als bestuurder een motorrijtuig, (personenauto), van die categorie of categorieën heeft bestuurd.”
6. Deze bewezenverklaring berust op onder meer het volgende bewijsmiddel:
“[…]
2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal ZSM Artikel 9 WVW d.d. 2 augustus 2019 met nummer 020820190137151166 en bijbehorende bijlagen, opgenomen op pagina 1 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer PL0200-020820190137151166 d.d. 19 september 2019, inhoudende als verklaringen van [verbalisant 1] en [verbalisant 2] :
Ik, verbalisant, zag dat op 2 augustus 2019 om 01:37 uur op de [a-straat] te [plaats] , verdachte: [verdachte] […] als bestuurder reed op genoemde weg/locatie. Na onderzoek bleek dat deze bestuurder een op zijn naam gesteld rijbewijs voor een of meer categorieën van motorrijtuigen dan wel voor een gedeelte van de geldigheidsduur ongeldig is verklaard. Zie de als bijlage bijgevoegde uitdraai BV1- IB.
Verdachte werd verhoord door verbalisant. Verklaring verdachte:
X U heeft mij medegedeeld dat de volgende rijbewijsmaatregel van toepassing is: mijn rijbewijs
in ongeldig verklaard.
X Ik begrijp dat dat ik met deze rijbewijsmaatregel niet mag rijden met een motorrijtuig van de
categorie waarop die maatregel van toepassing is.
X De verdachte is medegedeeld dat de volgende rijbewijsmaatregel van kracht is: het rijbewijs
is ongeldig verklaard.
X Verdachte heeft kennisgenomen van de aangekruiste zinnen en aanvullingen en volhardde
daarbij.
Handtekening verdachte: getekend
[…].”
7. De bewijsoverweging van het hof houdt onder meer het volgende in:
“Oordeel van het hof
[…]
In het strafdossier bevindt zich tevens een proces-verbaal waaruit blijkt dat verdachte op 2 augustus 2019 is aangehouden op verdenking van artikel 8 lid 2 van de Wegenverkeerswet 1994. Uit dit proces-verbaal blijkt dat door de politie op voornoemde datum aan verdachte is medegedeeld dat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard. Ook heeft verdachte bij die gelegenheid verklaard te begrijpen dat hij met deze rijbewijsmaatregel niet mag rijden en blijkt voorts uit het proces-verbaal dat verdachte kennis heeft genomen van de aangekruiste zinnen op het proces-verbaal en dat hij deze verklaring vervolgens heeft ondertekend.
Het hof stelt, gelet op voorgaande, vast dat verdachte op 2 augustus 2019 door de politie persoonlijk en ondubbelzinnig op de hoogte is gesteld van de ongeldigverklaring van zijn rijbewijs. De enkele omstandigheid dat verdachte stelt dat hij tijdens een aanhouding eerder in november 2020 van een verbalisant te horen heeft gekregen dat zijn rijbewijs niet ongeldig was verklaard, maar dat alles "prima in orde was", maakt dit - wat daar ook van zij - naar het oordeel van het hof niet anders. Nu niet is gesteld en evenmin is gebleken dat het rijbewijs in een later stadium, en voor de tenlastegelegde pleegdatum, aan verdachte is verzonden dan wel teruggegeven, is het hof derhalve van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte op 28 november 2020 wist dat zijn rijbewijs ongeldig was en dat hij desondanks op die datum toch als bestuurder in een auto heeft gereden.”
Beoordeling
8. In de toelichting op het middel wordt ter onderbouwing daarvan aangevoerd, ik citeer: “Hoewel het op basis van dit formulier (A-G: ik begrijp het ZSM proces-verbaal als bedoeld in bewijsmiddel 2) alleszins voorstelbaar lijkt dat verzoeker door de betrokken politieambtenaren op 2 augustus 2019 is voorgehouden dat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard, lijkt dit mede gelet op de dubbelzinnige "en/of"-formulering die uw Raad hanteert, zonder nadere uitleg van het Hof, die ontbreekt, onvoldoende om aan te nemen dat verzoeker op 2 augustus 2019 wist, dan wel redelijkerwijs moet hebben geweten dat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard.”
9. Allereerst merk ik op, dat deze toelichting mij niet duidelijk is. Wat bedoelt de steller van het middel precies met “lijkt dit mede gelet op de dubbelzinnige "en/of"-formulering die uw Raad hanteert, zonder nadere uitleg van het Hof, die ontbreekt, onvoldoende om aan te nemen dat” etc.? Naar enige rechtspraak van de Hoge Raad wordt hier niet verwezen.
10. Hoe dan ook, ik denk dat de klacht – zoals in de schriftuur geformuleerd – doel mist. Naar het mij voorkomt volgt uit het tot het bewijs gebezigde bewijsmiddel 2 zonder meer dat de verdachte "wist of redelijkerwijs moest weten” dat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard. Anders dan de steller van het middel meent, is het oordeel van het hof in zoverre niet onjuist, noch onvoldoende gemotiveerd.
Conclusie
11. Het cassatiemiddel faalt.
12. Ambtshalve merk ik op dat de behandeltermijn in cassatie is overschreden nu de Hoge Raad de zaak niet binnen de daarvoor gestelde termijn van twee jaren kan afdoen.
13. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.
14. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG