Rechtspraak
Parket bij de Hoge Raad
2024-08-27
ECLI:NL:PHR:2024:824
Strafrecht
8,695 tokens
Conclusie
E.J. Hofstee
In de zaak
[verdachte],
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1994,
hierna: de verdachte
I. Inleiding
1. De verdachte is bij arrest van 10 november 2022 door het gerechtshof Amsterdam wegens “medeplegen van opzetheling” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 75 dagen, met aftrek van het voorarrest.
2. Er bestaat samenhang met de zaken 22/04229 en 22/04243. Ook in die zaken zal ik vandaag concluderen.
3. Namens de verdachte hebben J. Kuijper en D.W.E. Sternfeld, beiden advocaat in Amsterdam, een middel van cassatie voorgesteld.
II. Het cassatiemiddel
4. Het middel klaagt dat ’s hofs bewezenverklaring van medeplegen van opzetheling onjuist en/of onbegrijpelijk is, dan wel onvoldoende met redenen is omkleed. Het middel valt uiteen in de volgende deelklachten:
- de voor art. 416 lid 1, onder a, Sr vereiste wetenschap van de verdachte volgt niet uit de bewijsvoering van het hof;
- het oordeel van het hof dat sprake is van medeplegen getuigt van een onjuiste rechtsopvatting en/of is ontoereikend gemotiveerd.
III. De bewezenverklaring, de bewijsmiddelen en de bewijsoverwegingen van het hof
5. Ten laste van de verdachte is onder 2 bewezenverklaard dat hij:
“omstreeks 26 juni 2018 in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, een personenauto (merk Audi, type RS5, met originele kentekenplaten [kenteken 1]), voorzien van kentekenplaten [kenteken 2], heeft verworven en voorhanden heeft gehad, terwijl hij, verdachte en zijn mededaders ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen wisten, dat het een door misdrijf verkregen goed betrof.”
6. De bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:
“1. Een proces-verbaal bevindingen onderzoek VIN Audi RS5 van 25 september 2018, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar T-737, doorgenummerde pagina ZD05 0163.
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergeven, als de bevindingen van voornoemde verbalisant:
Op 27 juni 2018 is door Forensische Opsporing onderzoek verricht aan de in de brand gestoken Audi RS5 met het kenteken [kenteken 2]. Tijdens dit onderzoek werd o.a. het Voertuig Identificatie Nummer achterhaald, te weten: [VIN].
Dit nummer is door mij bevraagd in de door mij beschikbare politiesystemen. Hieruit bleek dat het VIN behoorde bij een Audi RS5 Quattro met het bijbehorende kenteken [kenteken 1] en tenaamgestelde [betrokkene 1], geboren [geboortedatum] 1990.
Op maandag 5 maart 2018 is door de kentekenhouder [betrokkene 1] aangifte gedaan van diefstal van voornoemd voertuig.
2. Een geschrift dat slechts tot het bewijs wordt gebezigd in samenhang met de andere bewijsmiddelen, te weten een niet ondertekend proces-verbaal van aangifte van 5 maart 2018, opgemaakt door verbalisant [verbalisant], doorgenummerde pagina’s ZD05 0164-0166.
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de tegenover verbalisant [verbalisant] afgelegde verklaring van de aangever [betrokkene 1]:
Voor mijn bedrijfspand gevestigd aan de [a-straat 1] te Woerden, had ik mijn auto, een Audi, met kenteken [kenteken 1], geparkeerd. Mijn auto is weggenomen tussen 4 maart 2018 omstreeks 21:00 uur en 5 maart 2018 omstreeks 10:15 uur.
Aan niemand werd het recht of de toestemming gegeven tot het plegen van het feit.
Bijlage goederen
Goednummer: PL0900-2018062891-215193 7
Voertuig: Personenauto
Merk/type: Quattro Audi Rs5
Kleur: Zwart
Land: Nederland
Kenteken: [kenteken 1]
Chassisnummer: [VIN]
Bouwjaar: 2011
Waarde: EUR 45000,00
3. Een proces-verbaal van bevindingen ANPR camera’s van 30 juni 2018, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar T-033, doorgenummerde pagina ZD05 0100.
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergeven, als de bevindingen van voornoemde verbalisant:
Op het kenteken [kenteken 2] ontving ik de volgende hits:
- 25 juni 2018, 22:49 uur, locatie A16 links, hectometer 69.9 Breda NL in.
- 26 juni 2018, 03:15 uur, locatie N200 Haarlemmerweg Amsterdam, kruising Burgemeester de Vlugtlaan.
4. Een proces-verbaal van bevindingen van 3 juli 2018, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar T-312, doorgenummerde pagina’s ZD05 01060108.
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergeven, als de bevindingen van voornoemde verbalisant:
Op 27 juni 2018 omstreeks 03:56 uur werd melding gemaakt van een brandend voertuig aan de Noordkaperweg te Amsterdam. Uit onderzoek is vast komen te staan dat de vluchtauto een Audi RS5 betrof, voorzien van kenteken: [kenteken 2]. Dit kenteken behoort echter bij een Toytoya (het hof begrijpt: Toyota) Yaris waarvan de kentekenplaten waren gestolen te Nijmegen tussen 16 juni 2018 14:00 uur en 19 juni 2018 12:00 uur. Hiervan werd aangifte gedaan onder proces-verbaalnummer: PL0600-2018269919-1.
Het originele kenteken dat volgens het chassisnummer bij de Audi Rs5 hoort, betreft: [kenteken 1]. Dit voertuig was gestolen vanaf de [a-straat 1] te Woerden.
5. Een proces-verbaal van bevindingen ter beschikkingstellen onderzoeksgegevens aan onderzoek 13Puurs van 25 september 2018, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar Rechercheur 690, met als bijlage de uitwerking telefoongesprekken, pagina’s ZD060019 e.v.
Beller: [telefoonnummer 1]
Naam: [betrokkene 2]
Tnv: no-hit CIOT
Datum: 25-06-2018 21:36:00
Duur: 00:00:50
Sessienr: 2838
Aard: Spraak
Gebelde: [telefoonnummer 2]
Naam: [betrokkene 3]
Tnv: no hit CIOT
[…]
N: Jo
D: He
D: Joh, staat je chikie daar nu?
N: Nee man. Wat voor auto hebben ze?
D: He
N: Welk auto?
D: Euh nee alleen die at ik tegen je zei die moet je daar zoeken.
N: Die chickie? oh ja
D: Ja ik ga die hele .. ntv…
N: Die chickie, even kijken. Die chickie zie ik niet man.
D: Kijk goed. Die nummer die ik tegen je zei daarom mohim. Of hij komt zo of hij gaat … ntv…
N: Nee man ik zie geen chickie hier man
D: Ewa wacht. Niet naar die chappie toelopen ofzo ja
N: Nee, nee. Mohim colle colle ik ben wel sneaky geparkeerd je weet toch
D: Saaf is goed
Beller: [telefoonnummer 1]
Naam: [betrokkene 2]
Tnv: no-hit CIOT
Datum: 25-06-2018 22:57:32
Duur: 00:00:26
Sessienr: 2845
Aard: Spraak
Gebelde: [telefoonnummer 2]
Naam: [betrokkene 3]
Tnv: no hit CIOT
[…]
N: Ja man
D: En
N: Ja
D: En gelukt?
N: Ja
D: Is klaar toch?
N: Ja. Ik weet waar de …ntv om lachen
D: He?
N: Je bent met die andere toch?
D: Ja ja ja
N: Je bent met hem
D: Ja
N: Waar heb je het ntv
D: He?
N: Mohim mohim yeliah we vertrekken nu vanaf hier
D: Safi
N: Yellah later
6.
Overwegingen
Naar het oordeel van het hof heeft de verdachte samen met [betrokkene 4] en [betrokkene 2] de Audi verworven en voorhanden gehad. Daarbij is van belang dat [betrokkene 4] en de verdachte op verzoek van [betrokkene 2] in een auto naar Breda zijn gereden om daar de Audi op te halen en dat [betrokkene 4] gedurende de reis met [betrokkene 2] in contact stond en van [betrokkene 2] aanwijzingen kreeg. Voorts is van belang dat [betrokkene 4] de Audi naar Amsterdam heeft gereden en dat de verdachte de auto heeft teruggereden waarmee ze samen naar Breda waren gegaan. In Amsterdam hebben de verdachte en [betrokkene 4] de Audi achtergelaten. Beiden hebben hiervoor een beloning gekregen. Er was aldus sprake van een nauwe en bewuste samenwerking, met een duidelijke taakverdeling, waarbij de rollen van de verdachte en [betrokkene 4] inwisselbaar zijn.
Het hof leidt uit de omstandigheden waaronder de Audi in Breda is opgehaald en de inhoud van de contacten tussen [betrokkene 2] en [betrokkene 4] af, dat de verdachte ten tijde van het verkrijgen van de Audi wist dat deze van misdrijf afkomstig was. Hierbij is van belang dat de verdachte laat in de avond voor een beloning samen met [betrokkene 4] naar Breda rijdt en daar een zeer kostbare auto ophaalt, zonder dat hij zich ervan heeft vergewist van wie de auto is en waarom zij de auto op moeten halen. De Audi wordt vervolgens door [betrokkene 4] in ontvangst genomen van een onbekend persoon.
Dat de verdachte ten tijde van het verkrijgen van de Audi wist dat deze van diefstal afkomstig was leidt het hof voorts af uit een hiervoor genoemd telefoongesprek. Voordat [betrokkene 4] de Audi overgedragen krijgt zegt [betrokkene 2] tegen hem dat hij niet naar “die chappie” (het hof begrijpt: de persoon van wie hij de Audi overgedragen zou krijgen) mag toelopen. [betrokkene 4] bevestigt dat hij dit niet zal doen en zegt verder tegen [betrokkene 2] dat hij “sneaky” staat geparkeerd, waaruit het hof begrijpt dat [betrokkene 4] de auto waarin hij en de verdachte zaten in Breda onopvallend heeft geparkeerd. Het hof gaat er van uit dat de verdachte in de auto het telefoongesprek tussen [betrokkene 4] en [betrokkene 2] heeft gehoord. Indien de verdachte niet wist dat de Audi van diefstal afkomstig was, bestond er voor hem en [betrokkene 4] geen reden om op een dergelijke wijze deze auto in ontvangst te nemen. Tot slot betrekt het hof bij zijn oordeel nog het feit dat de verdachte nimmer voor deze omstandigheden – die redengevend kunnen zijn voor het bewijs van het aan hem tenlastegelegde feit – een aannemelijke, die redengevendheid ontzenuwende, verklaring heeft gegeven.
Gelet op het voorgaande acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich tezamen en in vereniging met [betrokkene 2] en [betrokkene 4] schuldig heeft gemaakt aan opzetheling.”
IV. Het verweer van de verdediging
8. De raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep van 12 oktober 2022 overeenkomstig de door hem aan het hof overgelegde en aan dat proces-verbaal gevoegde pleitnotities het woord tot verdediging gevoerd en vrijspraak bepleit. Deze pleitnotities houden – voor zover van belang – het volgende in:
“[betrokkene 4] heeft verklaard op verzoek van [betrokkene 2] de Audi RS5 te hebben opgehaald in Breda, dat hij daarvoor een paar honderd euro zou krijgen, en dat [verdachte] met hem mee is gegaan. Daarover is [betrokkene 4] later bij de politie nog een keer bevraagd en dan verklaart hij dat hij gevraagd is door [betrokkene 2] om de auto op te halen en dat [verdachte] niet door [betrokkene 2] is gevraagd maar door [betrokkene 4]. Verder blijkt uit zijn verklaring niet dat [verdachte] erbij was toen hij door [betrokkene 2] werd gevraagd en blijkt ook dat hij later de auto van zijn oom heeft afgetankt, kennelijk de auto waarmee hij en [verdachte] naar Breda zijn gereden. En verder is van belang op te merken dat [betrokkene 4] niet vermoedde dat de opgehaalde auto van misdrijf afkomstig was (verklaring bij de rechter-commissaris en bij de politie (PD 04 04 0012)).
[verdachte] heeft die verklaring van [betrokkene 4] in raadkamer bevestigd: [betrokkene 4] heeft hem gevraagd mee te gaan om een auto op te halen en hij, [verdachte], wist niet dat die auto gestolen was.
Van belang hierbij is dat [verdachte] wetenschap omtrent de criminele herkomst van die auto van [betrokkene 4] zou moeten hebben krijgen, omdat [betrokkene 4] hem mee vroeg om de auto op te halen maar [betrokkene 4] zegt niets van een criminele herkomst te hebben geweten en het ook niet te hebben vermoed. Indien er geen bellen gingen rinkelen bij [betrokkene 4], dan kan (ook) niet worden aangenomen dat [verdachte] dat wel had moeten vermoeden, zeker omdat het enkele verzoek was om mee te gaan om een auto op te halen, hetgeen in algemene zin een redelijk onschuldig verzoek is.
Bovendien blijkt uit niets dat [verdachte] wist dat het verzoek van [betrokkene 2] afkomstig was. De vraag of de combinatie van [betrokkene 2] en een dergelijke Audi RS5 tot vraagtekens had moeten leiden, doet zich derhalve bij [verdachte] niet voor: het ging enkel om een verzoek van een derde aan [betrokkene 4] om een auto op te halen, en een verzoek van [betrokkene 4] aan [verdachte] om mee te gaan.
Van belang is verder om op te merken dat er niets is gebleken van contact tussen [verdachte] en [betrokkene 2] (ZD 06 0220) zodat er ook anderszins geen reden is om te veronderstellen dat cliënt wist van de betrokkenheid van [betrokkene 2].
Er is door het Openbaar Ministerie in eerste aanleg verwezen naar getapte gesprekken tussen [betrokkene 4] en [betrokkene 2], die [verdachte] volgens het Openbaar Ministerie moet hebben gehoord omdat hij op dat moment bij [betrokkene 4] in de auto zat.
Allereerst merk ik daarbij op dat uit niets blijkt dat [verdachte] op dat moment bij [betrokkene 4] in de auto zat. Het eerste relevante gesprek is van 21:36 uur (tapgesprek ZS06-019), het gesprek over “die chickie”. De vraag van [betrokkene 2] aan [betrokkene 4] is of die chickie daar nu staat, hetgeen inhoudt dat [verdachte] en [betrokkene 4] al in Breda zijn. Dat zij op dat moment bij elkaar in de auto zitten blijkt uit niets.
Ten tweede wordt over dat gesprek gesteld dat er sprake is van “versluierd” taalgebruik (ZD 06 19), hetgeen betekent dat men niet wil dat anderen snappen wat er besproken wordt, en dat kan dus ook betrekking hebben op [verdachte]: dat men niet wil dat [verdachte] begrijpt wat er wordt besproken.
Ten derde, voor het geval u zou aannemen dat zij wel bij elkaar in de auto zitten, is niet gebleken dat de telefoon op de speaker stond zodat niet kan worden vastgesteld dat [verdachte] dat gesprek heeft kunnen volgen. Uit het gesprek blijkt in ieder geval dat [verdachte] daar op geen enkele wijze aan deelneemt.
De latere gesprekken tussen [betrokkene 2] en [betrokkene 4] (tapgesprekken ZD06-020 en 021) zijn op momenten dat [betrokkene 4] en [verdachte] apart van elkaar terug naar Amsterdam rijden en [verdachte] heeft derhalve (ook) van de inhoud van die gesprekken geen kennis kunnen nemen.
De Rechtbank heeft in het vonnis overwogen dat [verdachte] toch wel zijn twijfels moet hebben gehad over de gang van zaken bij het ophalen van de Audi en daarmee over de legale herkomst van de auto maar onduidelijk blijkt waar de Rechtbank hiermee op doelt.
In het requisitoir wordt een aantal omstandigheden genoemd op basis waarvan kennelijk getwijfeld moet worden over de legale herkomst van de auto maar die omstandigheden bewijzen op zichzelf maar ook in samenhang niet dat [verdachte] moet hebben geweten dat de auto van misdrijf afkomstig was.
Breda ligt op een uur rijden van Amsterdam maar dat is geen aanwijzing om te twijfelen over de herkomst van de te vervoeren auto. Die afstand verklaart waarom het ophalen aan een ander wordt overgelaten.
Conclusie
Een proces-verbaal van verhoor van 16 april 2019, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren T-907 en T-807, doorgenummerde pagina’s PD04040012-0017.
Dit proces-verbaal houdt onder meer in als verklaring van de verdachte [betrokkene 4], zakelijk weergegeven.
[betrokkene 2] (het hof begrijpt: [betrokkene 2]) vroeg of ik voor een mazzeltje een auto wilde ophalen. Hij gaf me geld en een adres. Ik heb gewacht bij het adres waar ik moest zijn, daar zag ik de auto, ik ben ingestapt en weggereden. De sleutel van de auto werd daar op dat adres overgedragen. Ik weet niet wie dat was. Hij was bij het adres waar ik moest zijn. Ik mocht niet teveel vragen stellen. Ik moest van [betrokkene 2] de auto achterlaten als hij het niet meer zou doen. Ik heb de auto met [verdachte] opgehaald.
[verdachte] heeft de auto teruggereden waarmee wij samen heen zijn gereden. Ik heb hem gevraagd om mee te gaan en niet [betrokkene 2]. Ik heb hem een mazzeltje gegeven.
Ik moest de auto naar Sloterdijk brengen, ergens in de buurt van het station. Ik heb de auto achtergelaten en de sleutel in het dashboardkastje gedaan. De auto was dus open.
7. De verklaring van [verdachte] op 18 april 2019 in raadkamer bij de rechtbank.
[betrokkene 4] heeft mij gevraagd om mee te gaan een auto op te halen.
Wij zijn naar Plein 40-45 gereden en [betrokkene 4] heeft daar de auto geparkeerd.”
7. Het hof heeft het volgende vastgesteld en overwogen:
“Bewijsoverweging
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft, onder verwijzing naar de op schrift gestelde pleitaantekeningen, vrijspraak bepleit voor het medeplegen van opzetheling, respectievelijk de medeplichtigheid daaraan.
Standpunt van het Openbaar Ministerie
Het Openbaar Ministerie heeft, onder verwijzing naar het op schrift gestelde requisitoir, gerekwireerd tot bewezenverklaring van het medeplegen van opzetheling.
Oordeel van het hof
Het hof stelt op grond van de bewijsmiddelen het volgende vast.
Tussen 4 maart 2018 en 5 maart 2018 wordt een Audi RS5 met kenteken [kenteken 1] toebehorend aan [betrokkene 1], gestolen vanaf de [a-straat 1] te Woerden.
Op 25 juni 2018 wordt een zwarte Audi met kenteken [kenteken 2] om 22:48 uur geregistreerd op de rijksweg A16 nabij Breda en op 26 juni 2018 om 03:15 uur te Amsterdam. Dit betreft de hiervoor genoemde Audi die tussen 4 en 5 maart 2018 in Woerden is weggenomen. Het kenteken [kenteken 2] hoort bij een Toyota Yaris, waarvan de kentekenplaten waren gestolen tussen 16 juni 2018 om 14:00 uur en 19 juni 2018 om 12:00 uur te Nijmegen.
Op 25 juni 2018 zijn [betrokkene 4] en de verdachte in één auto naar Breda gereden om voornoemde Audi op verzoek van [betrokkene 2] op te halen en naar Amsterdam te brengen. [betrokkene 4] staat tijdens deze rit telefonisch in contact met [betrokkene 2]. Op 25 juni 2018 om 20.29 uur belt [betrokkene 4] naar [betrokkene 2]. Hij vraagt: “kwart voor 11 toch?” [betrokkene 2] antwoordt met: “kwart voor 10”. Om 21:36 uur belt [betrokkene 2] naar [betrokkene 4] en vraagt hem: “staat je chickie daar nu?” [betrokkene 4] antwoordt: “nee man, wat voor auto hebben ze?”. [betrokkene 2] zegt vervolgens: “alleen die wat ik tegen je zei die moet je daar zoeken. (...) Die nummer die ik tegen je zei (...) niet naar die chappie toelopen ofzo ja”. [betrokkene 4] antwoordt dan: “nee, nee (...) ik ben wel sneaky geparkeerd je weet toch”.
Om 22:57 uur belt [betrokkene 2] opnieuw naar [betrokkene 4]. Hij vraagt dan aan [betrokkene 4] of het is gelukt en of hij met die ander is. De verdachte bevestigt dit en zegt: “we vertrekken nu vanaf hier”.
De Audi wordt door [betrokkene 4] van Breda naar Amsterdam gereden. De auto waarmee [betrokkene 4] en de verdachte naar Breda zijn gekomen wordt door de verdachte teruggereden. De Audi wordt door [betrokkene 4] in Amsterdam achtergelaten. De verdachte is daarbij aanwezig. Zowel de verdachte als [betrokkene 4] hebben voor het ophalen van de Audi een beloning ontvangen.
Overwegingen
Verder doet ook tijdstip in de optiek van de verdediging geen alarmbellen rinkelen, zo tegen 23 uur in de avond. Van belang is tevens dat de auto kennelijk werd overgedragen door een derde zodat de omstandigheid dat het laat op de avond was niet met zich meebrengt dat het hierbij dus om een gestolen auto zou gaan, en zeker niet dwingend. Het is geen feit van algemene bekendheid dat gestolen auto's laat op de avond worden overgedragen, althans dat indien een auto laat op de avond wordt overgedragen die auto van misdrijf afkomstig is.
Verder heeft het Openbaar Ministerie eerder gesteld dat [verdachte] rekening had dienen te houden met het feit dat een snelle auto als een RS5 zou worden ingezet voor een zwaar strafbaar feit (requisitoir 1e aanleg).
Allereerst kan niet worden vastgesteld dat [verdachte] voldoende autokennis heeft om vast te stellen dat het hier om een RS5 gaat, althans om een snelle auto. Daarbij was het ten tijde van de overdracht aan [betrokkene 4] donker dus is het de vraag wat hij überhaupt van de auto kon waarnemen. Ik merk verder op dat het geen feit van algemene bekendheid is dat dergelijke auto’s voor zware strafbare feiten worden ingezet en dat mij ook niet bekend is dat het voorhanden hebben van een dergelijke auto een aanmerkelijke kans oplevert dat het gebruik wordt voor een strafbaar feit. Daarbij maakt de gestelde omstandigheid dat dergelijke auto’s (ook) voor strafbare feiten worden gebruikt niet dat daarmee de aanmerkelijke kans is gegeven dat ook de op te halen auto van misdrijf afkomstig zou zijn.
Verder merk ik op dat het nummerbord op de Audi met kenteken [kenteken 2] aangeeft dat de auto uit 2004 dateert zodat ook niet kan worden gesteld dat het duidelijk had moeten zijn dat het hier om een auto met een behoorlijke dagwaarde ging, zodat ook dat geen indicatie oplevert dat cliënt zijn twijfels had moeten hebben.
Van belang bij uw beoordeling is verder dat [verdachte] en [betrokkene 4] niet gelijkgesteld kunnen worden. [betrokkene 4] kent degene die hem het verzoek doet, [betrokkene 4] kan daarbij de nodige vragen stellen, [betrokkene 4] neemt in Breda de auto in ontvangst en [betrokkene 4] brengt feitelijk de auto terug naar Amsterdam. [verdachte] is enkel gevraagd om [betrokkene 4] gezelschap te houden en vervolgens de auto van [betrokkene 4] terug te rijden. Voor de rest doet hij niets.
Daarbij heeft [verdachte] ook op geen enkel moment beschikkingsmacht gehad ten aanzien van de RS5; hij heeft die RS5 nooit bestuurd en er zelfs nooit ingezeten. Hij is enkel meegereden met [betrokkene 4] in de Audi Al naar Breda, terwijl [betrokkene 4] die auto bestuurt en naar het aan hem ([betrokkene 4]) doorgegeven adres rijdt, en [verdachte] is vervolgens teruggereden met de niet van misdrijf afkomstige auto, de Audi A1.
En ook overigens blijkt uit niets dat [verdachte] op enigerlei wijze en in relevante mate zeggenschap heeft gehad over de RS5. Er kan derhalve geen beschikkingsmacht van [verdachte] met betrekking tot de RS5 worden vastgesteld.
Op grond hiervan dient [verdachte] vrijgesproken te worden als pleger van de heling.
Ten aanzien van het eveneens tenlastegelegde medeplegen dient bewijs te worden geleverd dat [verdachte] een bijdrage heeft geleverd aan de heling door [betrokkene 4]. En die bijdrage moet dan nog zodanig substantieel zijn dat gesproken kan worden van medeplegen, dat er sprake is van inwisselbare rollen. Dat is uiteraard niet het geval. [betrokkene 4] heeft het verzoek aangenomen, niet [verdachte]; [betrokkene 4] onderhoudt de contacten met de opdrachtgever, of dat nu [betrokkene 2] is of een derde, en niet [verdachte]; en [betrokkene 4] rijdt de RS5 van Breda naar Amsterdam, en niet [verdachte].
Zijn rol is enkel het gezelschap houden van [betrokkene 4] tijdens het rijden naar Breda, en het vervolgens terugrijden van de niet van misdrijf afkomstige auto van de Audi A1. De bijdrage is onvoldoende substantieel om van medeplegen te kunnen spreken zodat ik u verzoek hiervan vrij te spreken.
Ten aanzien van de subsidiair tenlastegelegde medeplichtigheid dient te worden vastgesteld dat [verdachte] opzet had om de heling door [betrokkene 4] te ondersteunen. Hier gelden weer alle hiervoor aangedragen argumenten dat er onvoldoende aanleiding voor [verdachte] was om te kunnen vermoeden dat de auto die [betrokkene 4] ophaalde van misdrijf afkomstig was. Bij gebreke aan wetenschap is er geen opzet zodat vrijspraak dient te volgen.
Bovendien merk ik op dat de bijdrage van [verdachte] van na het delict dateert. [betrokkene 4] rijdt met de Audi A1 naar Breda, [betrokkene 4] neemt daar de Audi RS5 in ontvangst en [betrokkene 4] rijdt met die auto terug naar Amsterdam. Het enige dat [verdachte] doet, nadat [betrokkene 4] die Audi RS5 heeft overhandigd gekregen, is het terug naar Amsterdam rijden met de Audi A1, op een moment dat het delict al voltooid is. Immers op dat moment heeft [betrokkene 4] die auto al verworven en voorhanden. De bijdrage van [verdachte] nadien kan geen medeplichtigheid opleveren.
En als laatste merk ik op dat de bijdrage van [verdachte] te beperkt is nu het geen gedraging betreft die het criminele resultaat heeft bewerkstelligd of dichterbij heeft gebracht, en dat daarmee niet is voldaan aan de ondergrens om te kunnen komen tot medeplichtigheid.
Ik verzoek u [verdachte] derhalve vrij te spreken van feit 2.”
V. De bespreking van het middel
De eerste deelklacht: wetenschap van de verdachte
9. Het middel klaagt in de eerste plaats dat het oordeel van het hof dat de verdachte ten tijde van het verkrijgen van de Audi wetenschap ervan had dat deze auto van misdrijf afkomstig was, onvoldoende met redenen is omkleed.
10. Deze wetenschap ontleent het hof allereerst aan het feit dat de verdachte laat in de avond voor een beloning samen met [betrokkene 4] naar Breda is gereden en daar een zeer kostbare auto heeft opgehaald, zonder dat hij zich ervan heeft vergewist van wie de auto is en waarom zij de auto moesten ophalen, en dat de Audi vervolgens door [betrokkene 4] in ontvangst is genomen van een onbekend persoon. Voorts betrekt het hof bij zijn oordeel een telefoongesprek tussen [betrokkene 2] en [betrokkene 4], waarin [betrokkene 2] tegen [betrokkene 4] zegt dat hij niet naar “die chappie” mag toelopen en [betrokkene 4] laat weten dat hij “sneaky” geparkeerd staat. Daaruit begrijpt het hof dat [betrokkene 4] de auto waarin hij en de verdachte in Breda zaten onopvallend had geparkeerd. Het hof gaat er (mijns inziens niet onbegrijpelijk) vanuit dat de verdachte dit telefoongesprek heeft gehoord. Zou de verdachte niet hebben geweten dat de Audi van diefstal afkomstig was, dan bestond er, aldus het hof, immers geen reden om op een dergelijke wijze deze auto in ontvangst te nemen. Tot slot neemt het hof in aanmerking dat de verdachte geen voor deze redengevende omstandigheden aannemelijke, die redengevendheid ontzenuwende, verklaring heeft gegeven.
11. In de toelichting op het middel wordt aangevoerd dat de omstandigheden waaronder de Audi door [betrokkene 4] en de verdachte in Breda is opgehaald weinig gewicht in de schaal leggen. Anders dan de stellers van het middel meen ik dat die omstandigheden, wanneer deze in samenhang worden beschouwd met de overige omstandigheden waarop het hof acht heeft geslagen, wel degelijk redengevend kunnen zijn voor het bewijs dat de verdachte wetenschap had van de criminele herkomst van de Audi. Datzelfde geldt voor het door het hof genoemde telefoongesprek tussen [betrokkene 2] en [betrokkene 4] van 21:36 uur. Daarover wordt in de toelichting op het middel eveneens tevergeefs geklaagd.
Overwegingen
De in de overwegingen van het hof besloten liggende aanname dat de verdachte bij [betrokkene 4] in de auto zat toen dit telefoongesprek plaatsvond komt mij (eveneens) niet onbegrijpelijk voor, gezien het feit dat zij samen naar Breda zijn gereden in dezelfde auto, alsook gelet op de inhoud van het betreffende telefoongesprek, waaruit volgt dat [betrokkene 4] met deze auto onopvallend geparkeerd staat en [betrokkene 2] de instructie geeft niet naar de persoon die de Audi zou overdragen toe te lopen. Dat – in de woorden van de stellers van het middel – niet is gebleken dat de telefoon op speaker stond tijdens het gesprek en aldus niet kan worden vastgesteld dat de verdachte dat gesprek (althans: de uitlatingen van [betrokkene 2]) heeft kunnen volgen, doet niet ter zake, nu het hof blijkens zijn overwegingen vooral betekenis heeft toegekend aan de uitlating van [betrokkene 4] dat hij “sneaky” geparkeerd stond. Tegen die achtergrond is het oordeel van het hof dat het ervan uitgaat dat de verdachte in de auto dit telefoongesprek heeft gehoord en dat mede hieruit kan worden afgeleid dat de verdachte wist dat de Audi van misdrijf afkomstig was, naar mijn inzicht niet onbegrijpelijk en, ook in het licht van het in hoger beroep gevoerde verweer, voldoende gemotiveerd.
12. De eerste deelklacht faalt.
De tweede deelklacht: medeplegen
13. In de tweede plaats keert het middel zich tegen het oordeel van het hof dat sprake is van medeplegen. Bezien in samenhang met de toelichting wordt geklaagd dat dit oordeel van een onjuiste rechtsopvatting getuigt, althans (onbegrijpelijk en) ontoereikend gemotiveerd is, mede in het licht van het verweer van de verdediging in hoger beroep. Dat verweer komt erop neer dat de rol van de verdachte anders was dan die van [betrokkene 4] en dat zijn bijdrage onvoldoende substantieel is om van medeplegen te kunnen spreken, aangezien:
- het verzoek van [betrokkene 2] (enkel) gericht was tot [betrokkene 4];
- [betrokkene 4] vervolgens zelf de verdachte heeft ingeschakeld;
- [betrokkene 4] degene is die tijdens het ophalen van de gestolen Audi de contacten met [betrokkene 2] onderhield; en
- [betrokkene 4] degene is die de Audi naar Amsterdam reed.
Tegen deze achtergrond betogen de stellers van het middel dat op grond van de bewijsvoering de verdachte is ingeschakeld om iemand, die reeds een opdracht had gekregen een auto op te halen, te helpen. Het hof zou hebben miskend dat de bijdrage die de verdachte heeft geleverd doorgaans met medeplichtigheid in verband pleegt te worden gebracht. In dat kader wordt gerefereerd aan het arrest van 11 juli 2017, ECLI:NL:HR:2017:1302, NJ 2017/459, m.nt. Rozemond, waarin de Hoge Raad tot een vernietiging kwam van de bewezenverklaring van medeplegen van de invoer van cocaïne, omdat uit de bewijsvoering niet méér kon worden afgeleid dan dat de verdachte de medeverdachte tegen een door een ander in het vooruitzicht gestelde beloning op Schiphol had opgewacht en afgehaald, en dat de verdachte wist dat de medeverdachte een zending met een niet-toegestane inhoud bij zich zou hebben.
14. Ik volg die lijn niet. In de voorliggende zaak heeft het hof immers in het bijzonder vastgesteld (i) dat de verdachte samen met [betrokkene 4] op verzoek van [betrokkene 2] naar Breda is gereden om daar de (gestolen) Audi op te halen, (ii) dat [betrokkene 4] daarbij met [betrokkene 2] in contact stond, (iii) dat de verdachte en [betrokkene 4] vervolgens beiden naar Amsterdam zijn teruggereden – [betrokkene 4] in de gestolen Audi, en de verdachte in de auto waarmee ze naar Breda zijn gereden –, (iv) dat zij vervolgens de Audi in Amsterdam hebben achtergelaten en (v) dat zij daarvoor beiden zijn beloond. Het hof heeft voorts vastgesteld dat de taken van de verdachte en [betrokkene 4] duidelijk verdeeld waren en dat zij daarbij inwisselbare rollen hadden.
15. Daarin ligt als kennelijk en niet onbegrijpelijk oordeel van het hof besloten dat sprake was van een vooraf duidelijk afgesproken plan van de verdachte en [betrokkene 4] om de gestolen auto op te halen. In het licht van dit gezamenlijke plan – het planmatige dus – geeft het oordeel van het hof dat vorengenoemde feiten en omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien, voldoende zijn om te kunnen spreken van een bewuste en nauwe samenwerking tussen de verdachte en [betrokkene 4], niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Dat oordeel is ook niet onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd. Het feit dat de afgesproken taakverdeling in dit geval inhoudt dat de bijdrage van de verdachte aan het geheel mogelijk van minder gewicht is geweest dan de bijdrage van [betrokkene 4], doet aan het voorgaande niet af, evenmin de omstandigheid dat de verdachte zijn beloning via [betrokkene 4] heeft ontvangen en niet direct van de opdrachtgever [betrokkene 2] zelf.
16. Ook de tweede deelklacht mist het beoogde doel.
VI. Slotsom
17. Het middel faalt in beide onderdelen.
18. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.
19. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
De verdachte is in eerste aanleg van dit feit door de rechtbank vrijgesproken bij vonnis van 28 september 2020.
Bij bericht van 30 april 2024 heeft D.W.E. Sternfeld meegedeeld zich te hebben onttrokken als advocaat van de verdachte.
Het hof doelt hier kennelijk op de medeverdachte [betrokkene 4].
De raadsman heeft ter terechtzitting mondeling nog enkele aanvullingen gegeven op de pleitnotities. Deze aanvullingen zijn mijns inziens niet relevant voor de bespreking van het middel en laat ik daarom hier achterwege.
Vgl. HR 4 februari 2020, ECLI:NL:HR:2020:187, NJ 2020/140, m.nt. Vellinga. In dit arrest lag het accent eveneens op het planmatige.