Rechtspraak
Parket bij de Hoge Raad
2024-06-25
ECLI:NL:PHR:2024:682
Strafrecht
17,265 tokens
Conclusie
B.F. Keulen
In de zaak
[verdachte],
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1993,
hierna: de verdachte
De verdachte is bij arrest van 3 augustus 2022 door het gerechtshof 's-Hertogenbosch wegens het onder 1 primair en 3 bewezenverklaarde, opleverend ‘de eendaadse samenloop van overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht en terwijl de schuldige verkeerde in de toestand, bedoeld in artikel 8, eerste lid, van deze wet en overtreding van artikel 8, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994’ en het onder 2 bewezenverklaarde, opleverend ‘overtreding van artikel 7, eerste lid, aanhef en onderdeel b, van de Wegenverkeerswet 1994’ veroordeeld tot 12 maanden gevangenisstraf alsmede (wegens het onder 1 bewezenverklaarde) ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 36 maanden, met aftrek van de tijd gedurende welke het rijbewijs van de verdachte ingevorderd of ingehouden is geweest.
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. S.W.M. Stevens, advocaat in Den Haag, heeft drie middelen van cassatie voorgesteld.
Bespreking van het eerste middel
3. Het eerste middel behelst de klacht dat de bewezenverklaring van het onder 1 tenlastegelegde, voor zover betrekking hebbend op de schuld van verdachte, ontoereikend is gemotiveerd dan wel onbegrijpelijk is, nu het hof het vonnis waarvan beroep heeft bevestigd en dit heeft aangevuld met daarmee strijdige overwegingen, zodat de bewijsvoering innerlijk tegenstrijdig is en de bewezenverklaring onvoldoende met redenen is omkleed.
4. Het hof heeft het vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 18 augustus 2020 vernietigd ten aanzien van de kwalificatie van het onder 1 primair en 3 bewezenverklaarde en de opgelegde straf en in zoverre opnieuw rechtgedaan. Het hof heeft het vonnis voor het overige bevestigd. Daarmee is ten laste van de verdachte onder 1 bewezenverklaard dat hij:
‘op 22 april 2018 te Dinteloord, gemeente Steenbergen, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), daarmede rijdende over de weg, (de Noordzeedijk), zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend, zijn, verdachtes, motorrijtuig niet tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover verdachte de weg kon overzien en deze vrij was, waardoor een ander (genaamd [slachtoffer]) zwaar lichamelijk letsel, te weten een hoge partiële dwarslaesie, werd toegebracht, terwijl hij verkeerde in de toestand als bedoeld in artikel 8, eerste lid van de Wegenverkeerswet 1994;’
5. Het hof heeft de bewijsvoering van de rechtbank aangevuld. De door de rechtbank bij de feiten 1 en 3 gebezigde bewijsmiddelen houden onder meer het volgende in (met weglating van verwijzingen):
‘2.1 Het proces-verbaal van verhoor [slachtoffer], d.d. 17 mei 2018, (…), inhoudende −zakelijk weergegeven-:
Op zondag 22 april 2018 omstreeks 04 uur ben ik op mijn speciale fiets van Dinteloord naar België vertrokken. Het was nog donker toen ik thuis vertrok. Het licht op mijn fiets werkte goed. Er zit van voren één koplamp op en vanachter één achterlicht. Ik reed over de Noordzeedijk richting Stampersgat. Door het ongeval heb ik een dwarslaesie, drie gebroken nekwervels en een gescheurde nekwervel opgelopen. Ik ben grotendeels verlamd. Ik kan mijn handen ook niet meer bewegen.
2.2
Letselbeschriiving GGD, door M. Weststrate, forensisch geneeskundige arts M en G, d.d. 4 oktober 2018, (…), inhoudende −zakelijk weergegeven-:
Door het incident is een hoge, gedeeltelijke, dwarslaesie ontstaan. Veroorzaakt door breuken van enkele halswervels. Omdat herstel is uitgebleven kan geconcludeerd worden dat de kans op volkomen genezing klein geacht kan worden. Blijvende beperkingen en verhindering van werkzaamheden zijn zeer waarschijnlijk.
Conclusie
2.3.
groepsgesprek on What’s app, (…) inhoudende −zakelijk weergegeven -:
22-04-18, 11:00− [betrokkene 1]: Stampersgat - In de nacht van zaterdag op zondag een invalidewagen aangereden en achtergelaten op de Noordzeedijk tussen Dinteloord en Stampersgat. De man is zwaargewond naar een ziekenhuis in Rotterdam gebracht. De politie is opzoek naar tips over de mogelijk auto die door is gereden. Vermoedelijk gaat het om een Moondust silver Ford Focus bouwjaar 1998/1999.
De melding kwam rond 04.20 uur binnen bij de meldkamer. Een ambulance en de politie werden met spoed ter plaatse gestuurd. Later werd ook de traumahelikopter uit Rotterdam gealarmeerd. De man is volgens de politie zwaargewond naar het Erasmus MC in Rotterdam gebracht. De politie heeft ter plaatse een mechanische linker buitenspiegel gevonden van een Moondust silver Ford Focus bouwjaar 1998/1999. Het voertuig mist ook een wieldop en heeft schade aan de linkerkant.
22-04-18, 11:07 - [betrokkene 2]: Sws [verdachte] geweest
22-04-18, 11:07 - [betrokkene 1]: Kk bizar he hahaha fuckin bezopen naar huis toe
22-04-18, 11:14 - [betrokkene 1]: Hahaha ja man stront bezopen naar huis [betrokkene 2] zei nog kijk uit [verdachte] anders sta je weer onder aan de dijk
22-04-18, 11:19- [verdachte]: Ja die kk kongool
22-04-18, 11:19 - [verdachte]: Ik schrok.me.rot
22-04-18, 11:20 - [betrokkene 1]: Heb je hem goed geraakt of kon je nog net wijken ofzo
22-04-18, 11:20 - [verdachte]: Ja i probeerdw uit te wijken
22-04-18, 11:20 - [verdachte]: Maar raakte hem
2.4
Verklaring van verdachte ter terechtzitting d.d. 4 augustus 2020, inhoudende − zakelijk weergegeven-:
Ik heb inderdaad deelgenomen aan het app-gesprek van 22 april 2018 dat u mij voorhoudt. Na de klap op de Noordzeedijk die nacht ben ik verderop gestopt en uit mijn auto gegaan. Ik heb toen naar de schade gekeken. Ik had een grote ster in mijn voorruit en een stuk van mijn linker voorbumper was er af. Ik heb toen ook gezien dat de linkerzijspiegel van de auto er af was. Daarna ben ik naar huis gereden.
2.5
Het proces-verbaal verhoor van [getuige 1], (…), inhoudende - zakelijk weergegeven -:
Op 22 april 2018 rond kwart over vier 's nachts reed mijn man met de auto over de Noordzeedijk richting Dinteloord. Ik zat naast hem in de auto. Het was donker. Opeens zag ik dat er iets op de weg stond met een rood lichtschijnsel. Toen we dichterbij kwamen zag ik dat het achterlicht was van een fiets die beschadigd was en dat er in de buurt van die fiets een gewonde man midden op de weg lag.
2.6
De twee foto’s waarop het achterlicht van de fiets van [getuige 1] is te zien (…).
2.7
Het proces-verbaal bedienaar ademanalyse apparaat, (…), inhoudende − zakelijk weergegeven -:
Op 22 april 2018 om 12.55 uur heeft verdachte meegewerkt aan een ademonderzoek dat is voltooid. Het onderzoeksresultaat van dit ademonderzoek bedroeg 110 ug/l.
2.8
Het proces-verbaal van bevindingen van [verbalisant 1], (…), inhoudende - zakelijk weergegeven - :
Op 22 april 2018 heb ik op de slaapkamer van verdachte één leeg flesje Heinekenbier zien staan.
2.9
NFI-rapport Herberekening ademalcoholconcentratie d.d. 6 maart 2019, (…), inhoudende − zakelijk weergegeven- :
Vraagstelling
Wat is het ademalcoholgehalte indien gecorrigeerd wordt voor het drinken van één flesje bier, merk Heineken na het tijdstip van het voorval en voor het tijdstip van de ademanalyse en gecorrigeerd wordt voor het tijdverloop tussen tijdstip van voorval (04:20 uur en het tijdstip van ademanalyse (12:55 uur)?
(…)
Ondergrens : 110 pg/l - 88 + 370 = 392 µg/l.
Bovengrens : 110 pg/l - 88 + 924 = 946 µg/l.
2.10
Verkeersongevallenanalyse, (…), inhoudende −zakelijk weergegeven-:
2.2.
Omschrijving plaats ongeval
Op de plaats ongeval zagen wij het navolgende:
Het ongeval had plaatsgevonden op het wegvak van de Noordzeedijk, gelegen tussen de Symbiose en de Kreekweg, te Dinteloord, gemeente Steenbergen.
2.3.6
Uitzicht (weg)
Wij zagen dat de wegsituatie en het zicht op de verkeersmaatregelen op de Noordzeedijk in de door betrokkene gevolgde rijrichting duidelijk en overzichtelijk was.
Wij zagen op, boven en langs de weg geen uitzichtbelemmerende omstandigheden die mogelijk de oorzaak, gevolgen of de toedracht van het ongeval, zouden kunnen hebben beïnvloed.
5.2
Toedracht:
Op zondag 22 april 2018 vond op de Noordzeedijk te Dinteloord een verkeersongeval plaats waarbij de bestuurder van een personenauto met zijn voertuig achterop een in dezelfde richting over de Noordzeedijk rijdende fietser was gebotst. Ten gevolge van deze botsing met de personenauto werd de bestuurder van de fiets naar de linkerzijde weggestoten en kwam, vermoedelijk met zijn hoofd, ongeveer 3 meter voorbij de botsplaats op het wegdek terecht waarna hij nog ongeveer 5 meter doorschoof over het wegdek om op de positie waar hij is aangetroffen tot stilstand te komen.
Waarschijnlijk is de bestuurder van de personenauto ongeveer 54 meter voorbij de eindpositie van de fiets gestopt.
2.11
Het proces-verbaal Forensisch Voertuigonderzoek, (…), inhoudende - zakelijk weergegeven -:
1.2.
Beknopte ongevalsbeschrijving
Op zondag 22 april 2018, omstreeks 04.15 uur had op de Noordzeedijk te Dinteloord, gemeente Steenbergen een aanrijding plaatsgevonden tussen een personenauto en een 3 wielige fiets.
2.2.1
Schade personenauto
Wij onderzochten het voertuig en stelden het volgende vast:
Dit voertuig aan de linker voorzijde relevante schade vertoonde:
• voorruit links onder vernield
• bumper link voor vernield
• spiegel linker voorportier afgebroken
• deuk in linker achterportier
• sierdop linker voorwiel ontbreekt
• beschadigingen aan de dakrail linker zijde
• dakstijl boven linker portier vertoond een veeg
2.3.6
Inpassing voertuigen
De foto’s 51 tot en met 56 waarop te zien is hoe de (schade aan de) linkervoorkant van de personenauto past in de (schade aan de) rechterachterkant van de fiets.’
6. De rechtbank heeft inzake het onder 1 bewezenverklaarde voorts het volgende overwogen:
‘Op grond van de bewijsmiddelen stelt de rechtbank vast dat verdachte op 22 april 2018 te Dinteloord, gemeente Steenbergen, als bestuurder van een motorrijtuig een ongeval heeft veroorzaakt. Verdachte is met de linker voorzijde van zijn auto tegen de rechterachterzijde van de driewielfiets van [slachtoffer] aangereden. Ten gevolge van deze aanrijding heeft [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel, te weten een hoge, partiele dwarslaesie opgelopen.
De rechtbank ziet zich gesteld voor de vraag of dit ongeval is te wijten aan de schuld van verdachte in de zin van artikel 6 WVW. Voor een bewezenverklaring van artikel 6 WVW moet worden vastgesteld dat verdachte zich zodanig heeft gedragen dat het aan zijn schuld is te wijten dat een verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor iemand zwaar lichamelijk letsel dan wel tijdelijke ziekte of verhindering in de normale bezigheden heeft opgelopen of is overleden.
Conclusie
Daarbij dient er minimaal sprake te zijn van een aanmerkelijk onvoorzichtig handelen door verdachte. Bij de beoordeling daarvan komt het aan op het geheel van gedragingen van verdachte, de aard en ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. In zijn algemeenheid kan niet worden aangegeven of een enkele verkeersovertreding voldoende kan zijn voor de bewezenverklaring van schuld in voornoemde zin. Daarbij dient ook te worden opgemerkt dat dit niet slechts uit de ernst van de gevolgen van het verkeersgedrag kan worden afgeleid.
De rechtbank kan op grond van het dossier niet vaststellen met welke snelheid verdachte heeft gereden en daarmee ook niet dat die snelheid hoger was dan ter plaatse noodzakelijk. Van dit deel van de tenlastelegging zal de rechtbank verdachte dan ook vrijspreken. De rechtbank stelt wel vast dat verdachte zijn motorrijtuig niet tot stilstand heeft gebracht binnen de afstand waarover hij de weg kon overzien en de weg vrij was. Verdachte is immers met zijn motorrijtuig tegen de achterzijde van de driewielfiets van [slachtoffer] gereden, die in dezelfde richting voor verdachte reed. Verdachte heeft hierover zelf in een Whatsapp-gesprek met vrienden gezegd dat hij de fietser zag, heeft geprobeerd om uit te wijken maar hem toch geraakt heeft. Ter terechtzitting heeft verdachte volgehouden dat hij de fietser helemaal niet heeft gezien en dat zijn uitlatingen op de app moeten worden gezien als grootspraak en stoerdoenerij. De rechtbank acht dit volstrekt ongeloofwaardig. Het noemen van een fietser in de app verdraagt zich niet met de stelling van verdachte dat hij de fietser niet heeft gezien en deze ongerijmdheid kan ook niet worden verklaard met “stoerdoenerij” want de rechtbank kan niet inzien wat er stoer aan zou kunnen zijn een fietser te noemen die er (in de beleving van verdachte) niet was. Daarom gaat de rechtbank er van uit dat verdachte [slachtoffer] wel degelijk heeft gezien en dat het ongeval plaats heeft gevonden zoals hij omschrijft in de app.
Verdachte heeft op de zitting ook verklaard dat de fietser wel geen licht aan zal hebben gehad, omdat hij hem anders wel zou hebben gezien. [slachtoffer] daarentegen heeft verklaard dat hij de verlichting aan had staan en uit het technisch onderzoek aan de fiets is gebleken dat de verlichting naar behoren functioneerde. De rechtbank heeft geen reden om aan de verklaring van [slachtoffer] te twijfelen. Maar voor zover het achterlicht niet aan was, stelt de rechtbank vast dat de fiets in ieder geval zichtbaar was vanwege de omvang en het reflecterend materiaal van het achterlicht op de fiets. Degenen die kort na het ongeval ter plaatse zijn gekomen, zagen op een afstand een rood lichtschijnsel, wat toen zij ter plaatse kwamen het achterlicht van een flets bleek te zijn. De rechtbank kan gelet op de summiere verklaring niet onomstotelijk vaststellen of dit het brandend of (slechts) reflecterend achterlicht van de fiets van [slachtoffer] is geweest, maar duidelijk zichtbaar was het wel.
Het ongeval vond daarnaast plaats op een rechte weg, zonder omstandigheden of factoren die het zicht ter plaatse belemmeren. Verdachte had de fietser al een tijd kunnen waarnemen, voordat hij hem bereikte.
De rechtbank stelt tevens vast dat verdachte ten tijde van het ongeval onder invloed van alcohol was. Verdachte heeft zelf bij de politie wisselende verklaringen afgelegd over zijn alcoholgebruik met de strekking dat hij met name na het ongeval thuis alcohol gedronken heeft. Daarbij heeft hij sowieso erkend gelogen te hebben over het thuis drinken van 6 à 7 blikjes Bacardi cola. Meteen bij zijn aanhouding thuis heeft verdachte verklaard dat hij ’s nachts nog had zitten zuipen thuis en de bierflessen nog allemaal naast zijn bed zouden staan. Daarop is meteen onderzoek gedaan op de slaapkamer van verdachte en één leeg bierflesje aangetroffen. Naar aanleiding van de latere verklaringen van verdachte heeft de politie nader onderzoek in de woning van verdachte verricht. De onderzoeksresultaten op de twee pas later door verdachte benoemde plekken hebben echter geen andere lege bierflesjes opgeleverd. Gelet op de bevindingen van de politie en de uitlatingen van vrienden van verdachte over het alcoholgebruik van verdachte in het app-gesprek acht de rechtbank ook de verklaring van verdachte dat hij thuis nog meerdere flesjes bier gedronken zou hebben volstrekt ongeloofwaardig. De rechtbank gaat er dan ook van uit dat verdachte na het ongeval slechts één biertje heeft gedronken. De rechtbank stelt vast dat het alcoholpromillage bij verdachte ten tijde van het ongeval minimaal de door het NFI vastgestelde ondergrens van 392 µg/l is geweest. Een dergelijk alcoholpromillage is meer dan toegestaan en heeft een negatieve invloed op het waarnemings- en reactievermogen, zoals die nacht ook is gebleken.
Gelet op de gedragingen van verdachte, de aard en de ernst daarvan en de omstandigheden van het geval, in combinatie met het feit dat verdachte onder invloed van alcohol was, komt de rechtbank tot de conclusie dat verdachte aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend heeft gereden. De rechtbank acht het feit dan ook wettig en overtuigend bewezen, zoals onder 4.4. omschreven.’
7. Het hof heeft de door de rechtbank gebezigde bewijsmiddelen als volgt aangevuld (met weglating van verwijzingen):
‘Het door de rechtbank onder 2.10 (…) opgenomen bewijsmiddel, te weten de Verkeers Ongevallen Analyse (…), dient te worden aangevuld met de volgende passage:
'Er zijn op de plaats ongeval geen sporen of aanwijzingen aangetroffen waaruit zou kunnen blijken dat de bestuurder van de personenauto een (nood)remming zou hebben uitgevoerd.'
Daarnaast doet het hof de volgende aanvulling. Het hof neemt op de afbeeldingen (…), te weten het topografisch overzicht van de plaats van het ongeval (…), waar dat het ongeval heeft plaatsgevonden op geruime afstand van een (komende vanuit Dinteloord) in de Noordzeedijk gelegen S-bocht. Het hof schat aan de hand van de open bron ‘Google-maps’ de afstand op 400 meter. Op de plaats van het ongeval is sprake van een rechte weg. Uitgaande van de ter plaatse geldende maximumsnelheid van 80 kilometer per uur, duurt het ongeveer 18 seconden om de afstand tussen de S-bocht en de plaats van het ongeval af te leggen.
Het door de rechtbank onder 2.11 (…) opgenomen bewijsmiddel, te weten het proces-verbaal Forensisch voertuigonderzoek (…), dient te worden aangevuld met de volgende passage:
‘2.3.2 Schade aan de fiets
Wij zagen aan de fiets de volgende mogelijk relevante schade:
- rechter achterwiel gebroken/verbogen, buitenband geheel los van de velg
- bagagerek achterzijde verbogen
- zadel scheef
- frame ontzet
- spatbord rechter achterwiel in diverse stuken gebroken
- zwarte veeg op rechterzijde bagagerek
2.3.5
Controle verlichting achterzijde fiets
Door mij, [verbalisant 2] werd de werking van het achterlicht van de fiets gecontroleerd: Dit achterlicht kon naar behoren werken.’
8. Daarnaast heeft het hof de volgende bewijsmiddelen toegevoegd (met weglating van verwijzingen):
‘1. Het proces-verbaal van verhoor d.d. 20 februari 2019 (…), voor zover inhoudende als verklaring van [getuige 2]:
In verband met een ongeval wat in de nacht van 21 op 22 april 2018 heeft plaatsgevonden vraagt u mij of ik iets kan vertellen over de alcoholconsumptie van [verdachte] die nacht in [café] te Dinteloord. Ik werk in dat café.
Conclusie
Die nacht stond ik achter de bar en gaf ik de consumpties uit. Ik ken [verdachte] goed. Op zaterdag 22 april 2018 kwam [verdachte] samen met een paar vrienden tussen 23.00 en 24.00 uur in het café. Ik weet dat [verdachte] die nacht in het café meerdere Baco's, (Bacardi Cola) heeft gedronken. Ik weet sowieso dat hij drie Baco's zelf heeft gehaald. Eén van zijn vrienden, [betrokkene 3], heeft ook nog regelmatig Bacardi Cola gehaald, zijn vriend [betrokkene 2] heeft meerdere keren bier gehaald.
Ik merkte aan [verdachte] dat hij behoorlijk gedronken had. Toen hij die nacht een Baco’tje kwam halen zag ik dat [verdachte] dronken was. Ik zei toen tegen [verdachte]: "Je gaat toch niet meer rijden zeker?"
Normaal is [verdachte] best heel rustig. Nu praatte hij veel en deed lacherig. Die avond was hij losser en vrolijker dan anders.
Ik weet dat hij niet meer in staat was om te rijden.
2. Het proces-verbaal van verhoor d.d. 12 februari 2019 (…), voor zover inhoudende als weergave van het verhoor van [getuige 3]:
V: Vraag verbalisant
A: Antwoord getuige
V: Waar was u die nacht?
A: In [café] in Dinteloord.
V: Hoe laat kwam u in het café?
A: Ik kwam om ongeveer 22.00 uur in het café.
V: Hoe laat bent u uit het café vertrokken?
A: Omstreeks 02.30 uur.
V: Kent u [verdachte]?
A: (...) ik ken hem al langer van gezicht omdat hij ook bijna ieder weekend in [café] komt. Hij is later binnen gekomen. Ik zag dat [verdachte] regelmatig bier dronk.
V: Heeft u gezien wat en hoeveel [verdachte] in de tijd dat u in het café was, gedronken heeft?
A: [verdachte] heeft over de hele tijd dat wij er waren met regelmaat bier gedronken. Het waren grote glazen, niet van die kleine fluitjes.
V: Kan het kloppen dat [verdachte] die avond niet meer dan twee biertjes in [café] heeft gedronken?
A: Dat klopt niet, dat weet ik zeker. Dat waren er meer.
3. Het proces-verbaal van verhoor d.d. 26 februari 2019 (…), voor zover inhoudende als weergave van het verhoor van [getuige 4]:
V: Vraag verbalisant
A: Antwoord getuige
V: Weet u van het ongeval wat op 22-4-2018 heeft plaatsgevonden?
A: Ja, ik heb daar later van gehoord.
V: Waar was u die nacht?
A: In [café] in Dinteloord. Ik kwam daar omstreeks 22 uur en ben omstreeks 03 uur vertrokken.
V: Kent u [verdachte]?
A: Ja, ik ken hem van gezicht.
V: Heeft u gezien welke en hoeveel consumpties [verdachte] in de tijd dat u in het café was, gedronken heeft?
A: Wat ik daar van gezien heb is dat hij wel continu een biertje dronk.
V: Als [verdachte] zegt dat hij die nacht in het café twee biertjes heeft gedronken, klopt dat dan volgens u?
A: Nee, dat zijn er beslist meer dan twee geweest. U vraagt of ik een schatting kan maken. Ik schat 6 à 8.
4. Het proces-verbaal van verhoor d.d. 26 februari 2019 (…), voor zover inhoudende als weergave van het verhoor van [getuige 5]:
V: Vraag verbalisant
A: Antwoord getuige
V: Weet u van het ongeval wat op 22-4-2018 heeft plaatsgevonden?
A: Ja, daar heb ik achteraf van gehoord.
V: Waar was u die nacht?
A: In [café] in Dinteloord, Ik kwam daar ergens rond 22 − 22:30 uur en ben daar vertrokken rond 02 − 02:30 uur.
V: Als [verdachte] zelf zegt dat hij die nacht twee biertjes heeft gedronken, kan dat dan kloppen?
A: Nee, dat zijn er meer geweest. (...) Ik denk dat het er zeker meer dan zes zijn geweest.
5. Het proces-verbaal van verhoor d.d. 2 maart 2019 (…), voor zover inhoudende als weergave van het verhoor van getuige [getuige 6]:
V: Vraag verbalisant
A: Antwoord getuige
Ik was op 22 april 2018 in [café]. Ik kwam daar zaterdagavond tussen 21 en 21:30 uur en ben daar vertrokken om ongeveer 03:30 uur.
V: Heb je gezien welke en hoeveel consumpties [verdachte] in de tijd dat u in het café was, gedronken heeft?
A: (...) hij heeft de hele avond wel bier gedronken.
V: Als [verdachte] zegt dat hij die nacht in het café twee biertjes gedronken heeft, klopt dat dan?
A: Nee, dat zijn er meer geweest. Hij is best een poos in het café geweest en heeft de hele avond door gedronken.
V: Achtte je hem in staat nog veilig met een auto aan het verkeer deel te nemen? Zo niet, waarop baseert u dat?
A: Nee, gezien de hoeveelheid die hij heeft gedronken, was dat te veel om nog te gaan rijden.
6. De eigen waarneming van het hof op de foto (…) die als bijlage is gevoegd bij het proces-verbaal van aanrijding d.d. 4 april 2019, opgemaakt door [verbalisant 3], inhoudende:
Het hof neemt waar dat (een deel van) het frame, de velgen van de wielen, de koplamp en een onderdeel aan de achterzijde van de driewielige fiets oplichten in de reflectie van een lichtbron.
7. Het proces-verbaal van verhoor d.d. 9 februari 2019 (…), voor zover inhoudende als verklaring van [getuige 1]:
Op 22 april 2018 rond kwart over vier 's nachts reed mijn man met de auto over de Noordzeedijk richting Dinteloord. Ik zat naast hem in de auto. Het was donker. Opeens zag ik dat er iets op de weg stond met een rood lichtschijnsel. Toen we dichterbij kwamen zag ik dat het achterlicht was van een fiets die beschadigd was en dat er in de buurt van die fiets een gewonde man midden op de weg lag.
8. Het proces-verbaal van verhoor d.d. 9 februari 2019 (…), voor zover inhoudende als verklaring van [getuige 7]:
Op 22 april 2018 omstreeks 04.20 uur reed ik met de auto over de Noordzeedijk van Stampersgat naar Dinteloord. We kwamen langs de suikerfabriek. Het was donker. Opeens zag ik een rood lichtschijnsel op de weg. Toen ik dichterbij kwam, zag ik dat dat schijnsel van het achterlicht van een fiets kwam die op de weg stond. Ik zag dat die fiets beschadigd was en dat er in de buurt van die fiets een gewonde man op de weg lag. Ik herkende die man als [slachtoffer], een bekende van het dorp.’
9. Vervolgens heeft het hof het volgende overwogen:
‘In aanvulling op de bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs van de rechtbank (…) overweegt het hof het volgende.
Volgens bestendige jurisprudentie is het uitgangspunt dat het voorbehouden is aan de rechter die over de feiten oordeelt, om voor het bewijs te bezigen wat deze uit een oogpunt van betrouwbaarheid daartoe dienstig voorkomt en datgene terzijde te stellen wat deze voor het bewijs van geen waarde acht (vgl. o.a. HR 17 maart 2020, ECLI:NL:HR:2020:454, rov. 2.3; HR 14 april 2020, ECLI:NL:HR:2020:646, rov. 2.3 en HR 23 juni 2020, ECLI:NL:HR:2020:1072, rov. 2.3). Het wettelijk bewijsstelsel gaat er daarbij wel van uit dat een getuigenverklaring door de rechter slechts tot het bewijs kan worden gebezigd wanneer deze naar zijn oordeel betrouwbaar en overeenkomstig de waarheid is afgelegd (vgl. HR 14 september 1992, ECLI:NL:HR: 1992:AC3716, rov. 7.2 ).
Het hof leidt uit de bewijsmiddelen, waaronder de hiervoor opgenomen verklaringen van getuigen, af dat de verdachte onder invloed van alcohol een personenauto is gaan besturen. Anders dan de verdediging heeft betoogd, acht het hof de hiervoor opgenomen verklaringen betrouwbaar en bruikbaar voor het bewijs, nu de getuigen − die onafhankelijk van elkaar hebben verklaard − elkaar op essentiële onderdelen ondersteunen.
Conclusie
Het gegeven dat alleen [getuige 2] heeft verklaard over het drinken van zogenoemde Baco’s, doet volgens het hof niet af aan de geloofwaardigheid van haar verklaring nu zij degene was die die nacht achter de bar stond en de consumpties uitgaf. Ook de omstandigheid dat de getuigen hun verklaringen pas op een later tijdstip hebben afgelegd, doet naar het oordeel van het hof aan hun betrouwbaarheid niet af. Duidelijk is dat het ongeval een grote impact heeft gehad op de bewoners van Dinteloord, zodat verklaarbaar is waarom zij bijna een jaar na dato nog een herinnering hebben aan het drankgebruik van de verdachte.
Tijdens de nachtelijke uren, op een onverlichte, rechte weg is de verdachte met zijn personenauto tegen de achterzijde van een voor hem rijdende driewielige fiets gebotst. De verdachte heeft verklaard dat hij ter plaatse goed bekend was en dat hij vaker over de Noordzeedijk te Dinteloord, gemeente Steenbergen, reed.
Uit de omstandigheid dat de verdachte zonder zijn snelheid te verminderen tegen de driewielige fiets van [slachtoffer] is gereden, waarbij hij heeft verklaard dat hij [slachtoffer], die recht voor hem en in dezelfde richting reed op een rechte weg, in het geheel niet heeft gezien, leidt het hof af dat de verdachte rijdende op de Noordzeedijk gedurende langere tijd onvoldoende op het voor hem gelegen weggedeelte van de weg heeft gelet.
Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte het volgende verklaard:
‘Het ongeval gebeurde op het rechte stuk na de eerste S-bocht. Al voor de S-bocht zag ik een tegenligger aankomen. Ik zag koplampen. Het kon niet anders dan dat dit een auto was, op dat tijdstip. Wij passeerden elkaar en toen was het ‘bam’.’
Afgezien van het antwoord op de vraag of er een tegenligger was die hem tegemoet is gereden, heeft de verdachte niet aangevoerd dat hij door de koplampen van het andere voertuig verblind is geraakt of dat daardoor de driewielige fiets met daarop [slachtoffer] niet zichtbaar was. Het hof overweegt in dat kader dat verdachte in zijn eerste verhoor (…) heeft verklaard dat de tegenligger, een personenauto was die dimlicht voerde. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft hij op de vraag of de lichten die de tegenligger voerde in lichtsterkte afnamen toen de tegenligger hem naderde geantwoord dat dit niet het geval was. Het hof leidt hieruit af dat de tegenligger ook niet eerst groot licht heeft gevoerd.
Hoewel de politie bij onderzoek aan de fiets vanwege de omstandigheid dat de accu was vernield geen uitspraak heeft kunnen doen over de verlichtingstoestand van het achterlicht, gaat het hof er op grond van de verklaring van het [slachtoffer] vanuit dat het achterlicht van de fiets brandde op het moment dat hij op zijn fiets is vertrokken en dat dit op het moment van het ongeval nog steeds zo was. Ook indien het achterlicht niet brandde, moet de fiets zichtbaar zijn geweest vanwege de reflecterende onderdelen, waaronder een rode reflector ter hoogte van het achterlicht, die waren gemonteerd boven het linker achterwiel. Immers, blijkens de foto’s in het dossier op p. 25 en de verklaringen van de getuigen [getuige 1] en [getuige 4] was de fiets van het slachtoffer (ten minste door reflectie) zichtbaar. De verdachte, rijdende vanuit Dinteloord en de S-bocht gepasseerd, had de driewielige fiets geruime tijd kunnen en moeten zien en had daarop zijn snelheid moeten aanpassen, hetgeen hij blijkens het schadebeeld aan zowel de personenauto als aan de fiets en het ontbreken van sporen of aanwijzingen waaruit zou kunnen blijken dat de verdachte een (nood)remming of uitwijkmanoeuvre zou hebben uitgevoerd, ten tijde van de botsing niet heeft gedaan.
Het hof is verder van oordeel dat de verdachte door willens en wetens met een personenauto te gaan rijden terwijl hij onder invloed was van alcohol, een ernstig risico heeft genomen dat hij niet adequaat meer kon reageren en dus een gevaar vormde op de weg, in het bijzonder ten opzichte van onbeschermde en kwetsbare medeweggebruikers, waaronder motoren, bromfietsers, fietsers en voetgangers.
Het hof is gelet op het geheel van de gedragingen van de verdachte en de aard en de ernst daarvan van oordeel dat de verdachte in aanmerkelijke mate onvoorzichtig en onoplettend heeft gehandeld.
In hetgeen door de verdediging in hoger beroep verder is aangevoerd, ziet het hof geen aanleiding om tot een ander oordeel te komen.
Het hof is van oordeel dat met betrekking tot de bewezenverklaringen onder feit 1 primair en feit 3 sprake is van eendaadse samenloop als bedoeld in artikel 55, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht. De bewezenverklaarde gedragingen leveren in die mate een samenhangend, zich min of meer op dezelfde tijd en plaats afspelend feitencomplex op dat de verdachte daarvan in wezen één verwijt wordt gemaakt, terwijl de strekking van de desbetreffende strafbepalingen niet wezenlijk uiteenloopt. De kwalificatie van het onder 1 primair en 3 bewezenverklaarde behoort om die reden te luiden als hieronder vermeld.’
10. De steller van het middel leidt uit de bewijsoverwegingen van de rechtbank af dat de rechtbank de verklaring van de verdachte inhoudend dat hij de fietser niet heeft gezien volstrekt ongeloofwaardig heeft geoordeeld en dat de rechtbank de bewezenverklaring van schuld in de kern heeft gebaseerd op de omstandigheid dat de verdachte de fietser heeft gezien, in combinatie met het alcoholgebruik van de verdachte. Uit de overwegingen van het hof zou daarentegen volgen dat het hof de verklaring van de verdachte heeft gebruikt ter onderbouwing van het oordeel dat de verdachte onvoldoende oplettend heeft gereden. Reeds dat zou de bewijsvoering innerlijk tegenstrijdig maken. Daarnaast zou de aanvulling door het hof van de ongevallenanalyse, inhoudend dat geen sporen of aanwijzingen zijn aangetroffen waaruit zou kunnen blijken dat de bestuurder van de personenauto een (nood)remming heeft uitgevoerd, strijdig zijn met de door de rechtbank gehanteerde bewijsvoering, nu de rechtbank zou zijn uitgegaan van de opmerkingen van de verdachte in de WhattsApp, inhoudend dat hij heeft getracht uit te wijken maar dat dit niet was gelukt.
11. De rechtbank heeft onder 1 onder meer bewezenverklaard dat de verdachte zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend zijn motorrijtuig niet tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij de weg kon overzien en deze vrij was, waardoor aan een ander zwaar lichamelijk letsel werd toegebracht. De rechtbank gaat er blijkens de bewijsoverwegingen vanuit ‘dat verdachte [slachtoffer] wel degelijk heeft gezien en dat het ongeval plaats heeft gevonden zoals hij omschrijft in de app’. In de app (bewijsmiddel 2.3) geeft verdachte aan dat hij probeerde uit te wijken maar het slachtoffer raakte. Het hof leidt uit de omstandigheid dat de verdachte zonder zijn snelheid te verminderen tegen de driewielige fiets van het slachtoffer is gereden af ‘dat de verdachte rijdende op de Noordzeedijk gedurende langere tijd onvoldoende op het voor hem gelegen weggedeelte van de weg heeft gelet’. En dat de verdachte ‘de driewielige fiets geruime tijd (had) kunnen en moeten zien’ en ‘daarop zijn snelheid (had) moeten aanpassen’.
12. Naar het mij voorkomt zijn deze vaststellingen niet onverenigbaar. De overwegingen van het hof zien in de kern op de fase voorafgaand aan de aanrijding. Het hof leidt uit de verklaring van de verdachte af dat hij gedurende langere tijd onvoldoende op de weg heeft gelet. En stelt vast dat de verdachte het slachtoffer voorafgaand aan de aanrijding had kunnen en moeten zien.
Conclusie
De rechtbank stelt op basis van de app-berichten vast dat de verdachte het slachtoffer op het laatste moment heeft gezien.
13. Maar ook als er vanuit zou worden gegaan dat sprake is van een innerlijke tegenstrijdigheid in de bewijsoverwegingen (daarin bestaand dat uit de bewijsoverwegingen van het hof zou volgen dat het ervan is uitgegaan dat de verdachte het slachtoffer niet - op het laatste moment – heeft gezien) behoeft dat naar het mij voorkomt niet tot cassatie te leiden. Daarbij neem ik in aanmerking dat de tegenstrijdigheid een betrekkelijk ondergeschikt onderdeel van de bewijsmotivering betreft. Uit de bewijsmiddelen volgt dat de verdachte (zoals bewezenverklaard) in de toestand als bedoeld in art. 8, eerste lid, WVW 1994 verkeerde, en dat hij de driewieler en daarmee het slachtoffer tijdig had kunnen en moeten zien. De verschillen tussen de gang van zaken waar de rechtbank van is uitgegaan en de gang van zaken waar het hof (in deze lezing van ’s hofs overwegingen) van is uitgegaan zijn voor de strafrechtelijke waardering van het bewezenverklaarde ook niet van belang; ik attendeer erop dat het hof de bewezenverklaring heeft bevestigd. Duidelijk is tenslotte van welke gang van zaken het hof is uitgegaan; het hof heeft (in deze lezing) alleen ten onrechte de bewijsoverwegingen van de rechtbank aangevuld in plaats van verbeterd.
14. Voor zover de steller van het middel tevens klaagt dat het hof het WhatsApp-gesprek niet tot het bewijs heeft kunnen bezigen voor zover de verdachte daarin aangeeft dat hij heeft getracht uit te wijken maar dat dit niet was gelukt meen ik dat het middel faalt. Uit het WhatsApp-gesprek wordt niet duidelijk wat de verdachte precies zou hebben ondernomen om uit te wijken, daarmee is deze passage in dit bewijsmiddel niet in tegenspraak met de passage die het hof aan bewijsmiddel 2.10 heeft toegevoegd.
15. Het middel faalt.
Bespreking van het tweede middel
16. Het tweede middel behelst de klacht dat de bewezenverklaring van feit 2, mede gelet op het in hoger beroep door de verdediging gevoerde bewijsverweer, niet zonder meer uit de bewijsvoering kan volgen, in het bijzonder voor zover het betreft dat verdachte ‘redelijkerwijs moest vermoeden dat aan een ander letsel en schade was toegebracht’.
17. Ten laste van de verdachte is onder 2 bewezenverklaard dat hij:
‘op 22 april 2018 te Dinteloord, gemeente Steenbergen, als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), door wiens gedraging een verkeersongeval was veroorzaakt, de plaats van het ongeval, te weten de Noordzeedijk, heeft verlaten, terwijl hij redelijkerwijs moest vermoeden dat aan een ander letsel en schade was toegebracht;’
18. Ook deze bewezenverklaring berust op de bewijsmiddelen die in de bijlage bij het vonnis van de rechtbank zijn opgenomen en de aanvulling van de bewijsmiddelen door het hof. De rechtbank heeft voorts het volgende overwogen:
‘Gelet op de klap van het ongeval en de door verdachte even verderop geconstateerde schade aan zijn auto had verdachte redelijkerwijs moeten vermoeden dat hij aan een ander schade en letsel had toegebracht. Verdachte had dan ook terug moeten lopen naar de plaats van het ongeval om zich ervan te vergewissen hoe het met [slachtoffer] ging. Verdachte heeft dat echter nagelaten en is naar huis gereden. Verdachte heeft zich daarmee schuldig gemaakt aan het verlaten van een plaats ongeval, zoals onder 4.4 bewezen verklaard.’
19. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 20 juli 2022 houdt onder meer het volgende in:
‘De verdachte verklaart als volgt:
U, voorzitter, vraagt mij nogmaals wat ik mij nog kan herinneren van het ongeval. Ik reed naar huis toe. Op een gegeven moment heb ik iets geraakt. Ik vertel het nu kort. Ik heb iets geraakt. Ik ben uiteindelijk gestopt, heb gekeken en ben naar huis gegaan. Daar heb ik nog een aantal biertjes gedronken en toen ben ik gaan slapen. Dat is in het kort mijn herinnering.
(…)
De voorzitter merkt op:
In het politiedossier is een weergave opgenomen van WhatsAppberichten die op 22 april 2018 zijn verzonden door u en uw vrienden. De rechtbank heeft deze berichten voorgehouden en u daarover bevraagd. Ik wil het nu niet over de toonzetting van de berichten hebben. De rechtbank heeft u gevraagd of u de voorgehouden berichten heeft verzonden en u heeft daarop geantwoord dat dit klopt. Ik verwijs naar pg. 8 van het proces-verbaal van de terechtzitting in eerste aanleg. U heeft in een bericht opgenomen dat het slachtoffer zonder licht zou hebben gereden. Waar baseert u dat op?
De verdachte verklaart:
Die conclusie trok ik zelf toen ik hoorde dat ik iemand had aangereden. Er was toen verder nog niets bekend. Ik had niemand gezien, dus het moest wel zonder licht zijn geweest.
U, voorzitter, houdt mij voor dat u ook heeft verklaard dat ik een tegenligger heb gepasseerd. Daar is het slachtoffer ook over bevraagd, maar volgens hem was er geen tegenligger.
Die was er wel. Die zag ik al van mijlenver aankomen. Ik reed over een brug over de snelweg heen. Ik ken het daar, heb er jaren gewoond. Ik zag in de verte al twee koplampen. Ik wist dat er een auto kwam. Je rijdt eerst over een viaduct over de A29, dan een lang stuk, dan een S-bocht, dan weer een lang stuk en dan weer een bocht. Het ongeval gebeurde op het rechte stuk na de eerste S-bocht. Al voor de S-bocht zag ik een tegenligger aankomen. Ik zag koplampen. Het kon niet anders dan dat dit een auto was, op dat tijdstip. Wij passeerden elkaar en toen was het ‘bam’.
(…)
De verdachte verklaart:
U, voorzitter, merkt op dat het slachtoffer heeft verklaard dat hij het achterlicht had ingeschakeld. Ik heb het niet gezien. Ik heb ook niet geremd, niets. Als ik hem had gezien, zou ik wel hebben geremd.
U houdt mij voor dat ik in de WhatsAppbericht heb gezegd dat ik wel probeerde uit te wijken, maar dat ik hem raakte. U houdt mij voor dat ik het slachtoffer niet met mijn rechter voorwiel, maar met het linker voorwiel heb geraakt en dat dit wel opmerkelijk is. Het slachtoffer reed op een driewielige fiets en werd geraakt tegen het rechter achterwiel. U houdt mij voor dat het er op lijkt dat ik helemaal rechts reed, ook over de onderbroken belijning op de weg, misschien zelfs in de berm. U zegt dat het een brede fiets was en dat ik het slachtoffer heb geraakt tegen het rechter achterwiel. U vraagt mij of ik in een flits toch iets heb gezien en ben uitgeweken. Toen de appjes werden gestuurd, was de politie net bij mij thuis. Er gebeurde van alles om mij heen. Ik stond met halve aandacht te typen. Ik werd ook gebeld. U zegt dat ik dat wel appte. Dat klopt, maar ik heb het slachtoffer echt niet gezien. U vraagt mij waarom ik dit bericht dan heb verzonden, als ik het slachtoffer niet heb gezien en niet heb geprobeerd uit te wijken. Iemand stelde een vraag. Ik stond half met de politie te praten, half te appen. Ik had het slachtoffer echt niet gezien. Dat had ik ook gewoon moeten zeggen.
Ik ben ongeveer 50 meter verderop gestopt. Ik ben uitgestapt en ik zag schade aan mijn auto. Ik was geschrokken en dacht: ‘Wat gebeurt hier nu?’ Ik weet niet precies wat ik allemaal dacht, maar was wel geschrokken. Ik ben gaan rondkijken. Ik heb daarbij de zaklampfunctie op mijn telefoon gebruikt. Op een gegeven moment ben ik naar huis gegaan. U, voorzitter, merkt op dat ik dat ook in WhatsAppberichten heb gezet dat ik ben uitgestapt, dat ik niemand zag en dat ik ‘hem niet kon vinden’ en dus dacht ‘Ja het zal wel’, dat het donker was en dat ik pissig was omdat de hele ruit kapot was. Dat klopt.
U vraagt mij hoe het kan dat ik het slachtoffer niet heb gezien, terwijl hij midden op de weg lag. Ik antwoord daarop dat ik die dijk wel kan dromen. Die is pikkedonker. Er gebeuren daar mega veel ongelukken.
Conclusie
Het is nu geen autoweg meer, de weg is alleen toegankelijk voor fietsers. Ik heb het slachtoffer niet gezien. Achteraf gezien had ik moeten terug lopen. U vraagt wat ik dacht te hebben geraakt. Een hert of zo. Er stond ook een bord. De politie vroeg of ik een haas of hert had geraakt. Ik heb gezegd: haas of hert, weet ik veel. Alleen haas is in mijn verklaring gekomen. Een aanrijding met een haas geeft ook een harde klap. Het klopt wel dat de voorruit dan niet kapot gaat. Ik ben weer ingestapt en naar huis gereden. Ik heb eerst de auto geparkeerd, nog wat biertjes gedronken en ben later gaan slapen. Dat was vroeg in de ochtend. Ik denk dat ik thuis zes à zeven biertjes heb gedronken.
(…)
De jongste raadsheer vraagt:
U merkt op een gegeven moment dat u iets raakt. Hoe ver bent u nog doorgereden?
De verdachte verklaart:
Je schrikt en gaat dan nog remmen. Ik denk een stuk verderop, 50, 60, 70 meter, ik heb geen idee. De jongste raadsheer vraagt of ik meteen heb geremd. Eerst schrik je en verstijf je, dan ga je remmen en sta je stil. De jongste raadsheer vraagt mij wat ik heb gehoord van de klap? Ik weet wel dat het een harde knal was, maar gehoord, ja. De jongste raadsheer houdt mij voor dat ik een driewielige fiets heb aangereden, van metaal en vraagt of ik iets hoorde van een metalen geluid dat naar voren werd geschoven. Nee, ik kan me alleen de harde knal herinneren, maar niets iets van een geluid van metaal. Ik heb na stilstand zeker naar mijn auto gekeken. De voorruit was kapot, de bumper. De jongste raadsheer vraagt wat daarmee was. Die was in elk geval kapot. Ik weet niet of er stukken af waren. Die bumper had zoveel schade, ik weet wel dat die kapot was. De jongste raadsheer houdt mij voor dat er stukken zijn gevonden op de weg en vraagt mij wat ik met behulp van de zaklamp op mijn telefoon heb bekeken. De jongste raadsheer vraagt mij wat ik heb gedaan. Ik was geschrokken. Ik remde en stapte uit. Ik bekeek mijn auto. Ik dacht: 'zo, flinke schade. Auto naar de knoppen. Jezus mina, wat zal het zijn geweest?’ Ik heb rond gekeken, maar ben niet terug gelopen. U vraagt of ik naar de auto keek. Ik zat niet op de auto te schijnen, maar rondom, zo’n 5 à 10 meter. Ik heb er op dat moment totaal niet bij stil gestaan dat ik beter terug kon lopen of niet, of wat dan ook. De jongste raadsheer vraagt waarom 5 à 10 meter. Er ging op dat moment zoveel door mijn hoofd heen. De jongste raadsheer vraagt waar ik rekening mee hield dat ik had geraakt. Ik ging uit van een hert. Dat gebeurt daar zo vaak. Ik moest wel iets zwaars geraakt hebben. Ik dacht niet zoveel. Ik had in elk geval niet een fietser in gedachten. Ik dacht 'dat kan niet’. De jongste raadsheer vraagt of ik heb gedacht aan een voetganger. Ik heb nog nooit meegemaakt dat iemand daar ’s nachts loopt, maar in theorie zou dat kunnen. Later, als de schok wat is weggeëbd, ga je nadenken wat er is gebeurd. De jongste raadsheer vraagt mij of het niet gek is dat ik heb verklaard over een haas als ik dacht aan een hert. Zo heb ik het niet gezegd. Zij legden het mij in de mond. Ik heb geantwoord: ‘het kan, een haas, een gans, een hert.’ Zij hebben alleen opgeschreven ‘haas’.
De jongste raadsheer vraagt mij waarom ik niet heb gekeken op de plek waar ik iets had geraakt. Dat is me later ook wel voorgehouden, ook door mijn vader. Hij vroeg nog waarom ik hem niet wakker heb gemaakt. Dan hadden we terug kunnen gaan. Ik was gewoon geschrokken, ik dacht niet na. Ik had niet in de gaten dat ik zoveel verder pas stil stond. Ik had terug moeten lopen, daar geef ik u gelijk in. Dat is stom geweest. De jongste raadsheer vraagt of ik dacht: ‘wat ik niet zie, is er niet en dat gaat snel weg.’ Dat vind ik heel bruut overkomen, zoals u dat zegt. Ik dacht: ‘ik zie niets en ik hoor niets, ik ga naar huis.’ Ik snap dat u probeert te begrijpen waarom ik daar wel ging zoeken met de zaklamp, maar niet op de plek waar de aanrijding heeft plaatsgevonden. Ik had totaal niet door dat ik zo ver weg was. Ik heb er niet aan gedacht om de hele dijk af te zoeken.
Op de vraag van de oudste raadsheer antwoord ik dat het juist is dat ik een buitenspiegel had verloren, volgens mij de linker. De oudste raadsheer houdt mij voor dat het dan minder voor de hand ligt om te denken dat ik een haas had aangereden. Daar heb ik al over verklaard.
(…)
De verdachte verklaart:
(..) Ik had een oude telefoon. Die flashlight functie geeft niet veel licht. Het licht gaat nooit zo ver dat het hierop zou reflecteren.
De oudste raadsheer houdt mij voor dat de buitenspiegel van een auto op een bepaalde hoogte zit, ongeveer halverwege het lichaam en vraagt mij of ik heb gedacht: ‘Ik moet overal kijken. Wat heb ik geraakt? Kan ik de spiegel nog vinden?’ Ik snap u, maar op dat moment ging er zoveel door mij heen. Het was stom om niet de hele dijk af te zoeken. Ik ben niet teruggegaan tot het punt waar ik iets had geraakt en ik heb de brokstukken op de weg niet gezien.
U, voorzitter, houdt mij voor dat het er op lijkt dat ik voornamelijk heb gekeken naar de schade aan mijn auto. Ik zeg daarop dat ik er niet van overtuigd was dat er iets was. Ik was in eerste instantie vooral over mijn toeren. Weer een auto naar de knoppen. Ik was daar vooral mee bezig. Later besefte ik dat er wel iets was geweest.
U, voorzitter, merkt op dat de foto’s van de fiets op de plaats van het ongeval de suggestie wekken dat deze te zien moet zijn geweest in het licht van de koplampen, ook wanneer deze geen verlichting voerde. U vraagt mij of ik op enig moment heb gedacht: ‘Misschien was het geen dier, maar een persoon.’ Het is een smalle dijk. De tegenligger zag ik al van mijlenver aankomen. Die passeerde mij en daarna was er een knal. Ik zou iemand nooit zo laten liggen. U vraagt of ik naar voren keek. Ik was gewoon met autorijden bezig.
U houdt mij voor dat de rechtbank heeft overwogen dat de fiets sterk reflecterend was en dat ook de getuigen die het slachtoffer op de weg hebben gevonden een reflectie zagen. Ik heb dat echt niet gezien.
De jongste raadsheer vraagt mij of ik op enig moment heb gedacht: ‘Ik moet hier weg, want ik heb twee of drie biertjes gedronken, dat kan wel eens fout zijn.’ Nee, dat dacht ik niet. Ook als ik wel teveel had gedronken, zou ik er nooit mee kunnen leven om iemand zo achter te laten. Dat zou ik echt niet over mijn hart kunnen verkrijgen.
U, voorzitter, vraagt mij of ik mijzelf op dat moment in staat achtte om die afweging te kunnen maken. Wat kan ik daarop zeggen. Je bent eerst ontzettend geschrokken. Na die eerdere aanrijding twee weken daarvoor zat ik eerst ook nog vijf minuten in de auto.
(…)
De raadsvrouw voert het woord tot verdediging.
De raadsvrouw pleit overeenkomstig de inhoud van de door haar aan het hof overgelegde pleitnota, die aan dit proces-verbaal is gehecht en als hier herhaald en ingelast wordt beschouwd.’
20. De overgelegde pleitnota houdt onder meer het volgende in:
‘Ik verzoek u om vrijspraak van dit feit. Dit is te onzinnig voor woorden. Cliënt heeft namelijk doorgehad dat hij iets moet hebben geraakt. Hij is onmiddellijk gestopt. Hij heeft rond zijn auto gelopen om te kijken wat hij geraakt zou kunnen hebben. Cliënt heeft hiervoor de zaklamp op zijn telefoon gebruikt. Er was beperkte schade aan zijn eigen auto. Hij heeft nog staan luisteren maar niets gehoord. Er waren geen bloedsporen te zien voor cliënt noch brokstukken waaruit je kunt afleiden dat je een fiets hebt geraakt. De jongste raadsheer vroeg nog of cl. een metalig geluid heeft gehoord. Dat was niet het geval.
Het was midden in een donkere onverlichte nacht. Cliënt heeft daadwerkelijk goed gekeken maar niets gezien. Ik verwijs hiervoor ook naar de getuigenverklaring van [getuige 8] pag 74. “[verdachte] heeft tegen mij ook verteld wat er gebeurd was.
Conclusie
Hij vertelde dat hij gestopt was en had gekeken maar niets had gezien.”
Het was in de polder. Veel dieren leven ’s nachts, cliënt nam dan ook de conclusie dat hij een dier moet hebben geraakt wat verder is gerend. Het is niet zo dat cl. zijn verklaring heeft gewijzigd. Hij heeft van meet af aan verklaard dat hij dacht dat hij een dier had geraakt. Cliënt heeft ook aangegeven dat er in het verleden altijd borden bij deze weg stonden om op te passen voor overstekende herten. Hoe hard de appjes ook klinken die naderhand in de groepsapp rond gingen. Maar hierin heeft cliënt ook al meteen aangegeven dat hij was uitgestapt maar niets had gevonden.
Volgens de ten laste legging moet je dus vermoeden dat je midden in de nacht een fietser moet hebben geraakt die geheel in het zwart gekleed was en geen licht voer, simpelweg omdat je iets hebt geraakt? Dit terwijl je een rondje rond je auto loopt, kijkt en luistert?? Dit is veel te vergaand. Cliënt heeft niet doorgehad dat hij inmiddels 54 meter verder pas tot stilstand kwam.
Cliënt heeft altijd aangegeven dat indien hij had geweten dat hij [slachtoffer] van zijn fiets af had gereden, dat hij dan zeker niet zou zijn doorgereden na de inspectie van de weg en zijn auto en had staan luisteren. Hij heeft de schade aan zijn eigen auto geconstateerd. Had hij geweten dat hij een persoon aangereden had, dan had hij vast ook niet de auto-onderdelen waaruit op te maken was dat het zijn auto was, simpelweg op het wegdek laten liggen. Het is een geheel plausibele conclusie om op dat moment te trekken dat je wild moet hebben geraakt.’
21. Art. 7 WVW 1994 luidde ten tijde van het bewezenverklaarde feit als volgt:
‘1. Het is degene die bij een verkeersongeval is betrokken of door wiens gedraging een verkeersongeval is veroorzaakt, verboden de plaats van het ongeval te verlaten indien:
a. bij dat ongeval, naar hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden, een ander is gedood dan wel letsel of schade aan een ander is toegebracht;
b. daardoor, naar hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden, een ander aan wie bij dat ongeval letsel is toegebracht, in hulpeloze toestand wordt achtergelaten.
2. Het eerste lid, aanhef en onderdeel a, is niet van toepassing op degene die op de plaats van het ongeval behoorlijk de gelegenheid heeft geboden tot vaststelling van zijn identiteit en, voor zover hij een motorrijtuig bestuurde, tevens van de identiteit van dat motorrijtuig.’
22. Art. 7 WVW 1994 was de opvolger van het daarvoor geldende art. 30 WVW 1935. Dat artikel verbood (onder meer) ‘de bestuurder van een motorrijtuig (…) na een ongeval, ontstaan (…) als gevolg van botsing, aan- of overrijding met dat motorrijtuig, (…): a. waarbij een mens is gedood of gekwetst, de gezondheid van een mens is benadeeld, of schade is toegebracht aan enige zaak van een ander dan een inzittende van dat motorrijtuig (…) door te rijden of weg te rijden voordat de identiteit van zijn persoon (…) behoorlijk is kunnen worden vastgesteld; b. waarbij een mens letsel heeft bekomen of de gezondheid van een mens is benadeeld, deze opzettelijk in hulpeloze toestand te laten’. Uw Raad heeft in een arrest van 17 mei 1955 geoordeeld ‘dat art. 30 lid 1 W.V.W. in dien zin is te verstaan, dat, wil strafbare overtreding van het in den aanhef en onder a gestelde verbod plaats vinden, de doorrijdende of wegrijdende bestuurder zich in meerdere of mindere mate er van bewust moet zijn geweest, dat een ongeval is ontstaan als in het voorschrift bedoeld, met een of meer van de daarin onder a aangeduide gevolgen’.
23. Het bestanddeel ‘verkeersongeval’ komt niet alleen in art. 7 WVW 1994 voor, maar ook in art. 6 WVW 1994. De memorie van toelichting bij het wetsvoorstel dat tot de WVW 1994 leidde hield inzake dit begrip het volgende in:
‘De tekst van het huidige artikel 36 stamt in grote lijnen nog uit de jaren dertig. Bij het vaststellen daarvan is destijds getracht iedere vorm waarin zich een ongeval met het te vermijden gevolg zou kunnen voordoen, in het artikel te omschrijven. Dat heeft ertoe geleid dat het ontstaan van een verkeersongeval is ontleed. Het ongeval kan zijn ontstaan bij gelegenheid van een botsing, aan- of overrijding met een motorrijtuig of bij gelegenheid van enige handeling ter voorkoming van een botsing, aan- of overrijding met dat motorrijtuig.
In de praktijk is het echter niet van belang of het verkeersongeval een botsing, aan– of overrijding betreft en evenmin of het ongeval voortvloeit uit een − mislukte − poging van een ander een dreigende botsing, aan- of overrijding te voorkomen. Ook in de jurisprudentie blijkt de Hoge Raad (o.m. HR 1-5-1973, NJ 399; HR 2-6-1964, VR 106 en HR 9-6-1964, VR 108) geen grote waarde te hechten aan het onderscheid «botsing, aan- of overrijding». De rechter behoeft bij de bewezenverklaring ook geen keuze te maken. Als hij een keuze maakt, moet zulks wel uit de bewijsmiddelen voortvloeien.
Waar het om gaat is dat er een aan schuld te wijten ongeval heeft plaatsgevonden. Het kan derhalve zijn dat een bestuurder door verwijtbaar gedrag zelf een ongeval, een botsing, aan- of overrijding veroorzaakt; het kan ook zijn dat het verwijtbare gedrag van die bestuurder een ander noopt tot handelingen die, doordat die handelingen niet het beoogde effect hebben, tot een ongeval leiden met het te vermijden ernstige gevolg. In beide gevallen is echter sprake van een aan schuld van een bestuurder te wijten verkeersongeval.’
24. Krabbe stelde mede op basis van deze passage vast dat het begrip ‘verkeersongeval’ in beide bepalingen de bewoordingen ‘botsing, aan- of overrijding of handeling ter voorkoming van botsing, aan- of overrijding’ verving. Hij signaleerde dat het begrip ‘botsing’ in de rechtspraak tamelijk ruim werd geïnterpreteerd ‘omdat een heftig tegen elkaar aankomen van het motorrijtuig met iets anders al voldoende was’. En hij zette uiteen dat het begrip ‘verkeersongeval’ naar spraakgebruik nog ruimer is.
25. De memorie van toelichting bij het wetsvoorstel dat tot de WVW 1994 leidde hield inzake het subjectieve bestanddeel in de nieuwe bepaling onder meer het volgende in:
‘Aanpassing van de bepaling naar aanleiding van de jurisprudentie
Van overtreding van artikel 30, eerste lid, van de Wegenverkeerswet is slechts sprake indien wordt bewezen dat de door of wegrijdende bestuurder zich in meerdere of mindere mate ervan bewust moet zijn geweest, dat een ongeval is ontstaan met een of meer van de in onderdeel a aangeduide gevolgen. Gewezen wordt op onder andere HR 17 mei 1955, NJ 1956, 3; HR 19 juni 1956, NJ 1956, 529; HR 10 oktober 1972, VR 1973, 3 en HR 15 mei 1973, VR 1974, 4. Dit subjectieve element is niet met zoveel woorden in het huidige artikel 30 geformuleerd; de Hoge Raad leest het er echter in.
Naar ons oordeel bestaat er thans alle aanleiding dit subjectieve element in de wettekst tot uitdrukking te brengen. Het hanteren van de term «naar hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden» komt ons daarbij geschikt voor.’
26. Stamhuis signaleert dat het de bedoeling van de wetgever was ‘de oude situatie, voor zover nodig, in de wet vast te leggen’. Maar dat in de nieuwe redactie ‘de bandbreedte van de bepaling’ is vergroot doordat zij zich ook uitstrekt tot de verdachte die ‘niet wist van het ongeval en zich in het geheel niets bewust was, maar het wel had moeten vermoeden, gelet op de omstandigheden’. Harteveld en Robroek sluiten zich daarbij aan en merken daarbij op dat (anders dan in het oude art. 30 WVW 1935) ‘van het ‘vergeten’ zijn door de wetgever van een subjectief bestanddeel (…) in de huidige redactie geen sprake meer’ is.
27.
Conclusie
Wellicht mag de term ‘redelijkerwijs moeten vermoeden’ mede in het licht van de toelichting op de introductie van deze term zo worden begrepen dat daarvan slechts sprake kan zijn als de bestuurder zich er in meerdere of mindere mate van bewust moet zijn geweest dat hij bij een verkeersongeval betrokken is geweest of door zijn gedraging een verkeersongeval is veroorzaakt. En dat inzake de onder a en b vermelde gevolgen van dat ongeval vereist is dat de verdachte wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat deze waren ingetreden.
28. Uit de bewijsmiddelen volgt dat de politie op de plaats van het ongeval een mechanische linker buitenspiegel heeft gevonden, dat het voertuig een wieldop miste en schade had aan de linkerkant. In het WhatsApp-gesprek heeft de verdachte aangegeven dat hij probeerde uit te wijken maar het slachtoffer heeft geraakt (bewijsmiddel 2.3). Uit de verklaring die de verdachte ter terechtzitting heeft afgelegd volgt dat hij na de klap op de Noordzeedijk verderop is gestopt en naar de schade heeft gekeken. Daarbij constateerde hij een grote ster in de voorruit, er was een stuk van de linker voorbumper af en de linkerzijspiegel was eraf (bewijsmiddel 2.4). Uit de verkeersongevallenanalyse volgt dat de bestuurder van de fiets ten gevolge van de botsing ongeveer 3 meter voorbij de botsplaats op het wegdek terecht kwam waarna hij nog ongeveer 5 meter doorschoof over het wegdek. En dat de bestuurder van de personenauto waarschijnlijk ongeveer 54 meter voorbij de eindpositie van de fiets is gestopt (bewijsmiddel 2.10). Uit de aanvulling door het hof blijkt de schade aan de fiets.
29. Daarmee volgt uit de bewijsmiddelen dat de verdachte zich ervan bewust is geweest dat de auto bij een botsing betrokken is geweest. En het hof heeft uit het WhatsApp-gesprek en de omstandigheid dat de verdachte, die onder invloed van alcoholhoudende drank was, enkele tientallen meters verderop stopte en de schade aan de auto die de verdachte op dat moment zelf heeft geconstateerd kunnen afleiden dat de verdachte redelijkerwijs moest vermoeden dat aan een ander letsel en schade was toegebracht.
30. Daaraan doet niet af hetgeen door en namens de verdachte omtrent zijn bewustheid van de aard van het verkeersongeval is aangevoerd. Ik neem daarbij ook in aanmerking dat deze verklaringen uiteenlopen. In het WhatsApp-gesprek dat door het hof voor het bewijs is gebezigd heeft de verdachte verklaard dat hij probeerde uit te wijken maar ‘hem’ heeft geraakt. Uit de verklaring die de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep heeft afgelegd, kan worden afgeleid dat hij bij de politie heeft verklaard over een ‘haas’ die zijn auto zou hebben geraakt, en pas later over een ‘ree’ dan wel een ‘hert’. De raadsman spreekt in het algemeen over een ‘dier’. De verdachte verklaart verder onder meer dat hij zich heeft afgevraagd ‘Wat zal het zijn geweest?’ De omstandigheid dat eerder op de betreffende plaats borden zouden hebben gestaan die waarschuwden voor overstekend wild brengt (in het licht van de bewijsvoering, in het bijzonder het WhatsApp-gesprek) evenmin mee dat de verdachte niet redelijkerwijs moest vermoeden dat (door de botsing) aan een ander letsel en schade was toegebracht.
31. Het middel faalt.
Bespreking van het derde middel
32. Het derde middel bevat de klacht dat ’s hofs oordeel dat de geconstateerde overschrijding van de redelijke termijn in eerste aanleg in het niet valt bij de aard en ernst van het bewezenverklaarde en om die reden kan worden volstaan met de constatering van de termijnoverschrijding, blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting dan wel onbegrijpelijk is.
33. Het hof heeft in het kader van de strafmotivering het volgende overwogen:
‘Het hof heeft geconstateerd dat sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn bij de behandeling in eerste aanleg met ongeveer 3,5 maanden. Het hof is van oordeel dat deze overschrijding volstrekt in het niet valt bij de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en zal daarom volstaan met de constatering dat de redelijke termijn in enige mate is overschreden, zonder daaraan verdere gevolgen te verbinden.’
34. De ter terechtzitting in hoger beroep overgelegde pleitnota houdt onder het kopje ‘Strafmaat’ onder meer in:
‘1) Het feit heeft al weer meer dan 4 jaar geleden plaatsgevonden: 22 april 2018, het duurde al langer dan 2 jaar alvorens de zaak bij de rechter in eerste aanleg kwam en nu nog eens 2 jaar voor de zaak wordt behandeld in hoger beroep. In totaal hebben de twee procedures tezamen 4 jaar+ 3,5 maand geduurd indien u over twee weken uw arrest wijst. Dit zeer lange proces dient te leiden tot strafvermindering op grond van artikel 6 lid 1 EVRM;’
35. Uw Raad heeft in het overzichtsarrest van 17 juni 2008 inzake de redelijke termijn het volgende overwogen:
‘Toetsing door de Hoge Raad als cassatierechter
3.7.
Als cassatierechter onderzoekt de Hoge Raad het oordeel van de feitenrechter inzake het tijdsverloop vòòr de uitspraak waartegen beroep in cassatie is ingesteld. Dat onderzoek wordt als volgt begrensd:
a. Het oordeel van de feitenrechter inzake de redelijke termijn kan in cassatie slechts in beperkte mate worden getoetst, in die zin dat de Hoge Raad alleen kan onderzoeken of het oordeel geen blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting en niet onbegrijpelijk is in het licht van alle omstandigheden van het geval. Van onbegrijpelijkheid zal overigens niet licht sprake zijn omdat een dergelijk oordeel sterk verweven pleegt te zijn met waarderingen van feitelijke aard die zich onttrekken aan een beoordeling door de cassatierechter.
b. Ook het rechtsgevolg dat de feitenrechter heeft verbonden aan de door hem vastgestelde overschrijding van de redelijke termijn, kan slechts op zijn begrijpelijkheid worden getoetst.’
36. Bijzondere omstandigheden kunnen rechtvaardigen dat de feitenrechter volstaat met de constatering dat de redelijke termijn in enige mate is overschreden. De door het hof genoemde omstandigheid (de aard en ernst van het bewezenverklaarde) kan dat evenwel niet rechtvaardigen.
37. Het middel slaagt.
Afronding
38. Het eerste en tweede middel falen. Beide middelen kunnen worden afgedaan met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende formulering. Het derde middel slaagt. Uw Raad kan de zaak naar het mij voorkomt zelf afdoen. Ambtshalve merk ik op dat Uw Raad naar verwachting meer dan twee jaren nadat het cassatieberoep is ingesteld arrest zal wijzen. Ook dat dient dan tot strafvermindering te leiden. Voor het overige heb ik ambtshalve geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
39. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf, tot vermindering daarvan in de mate die Uw Raad gepast voorkomt, en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Het artikel is nadien gewijzigd door de Wet van 6 november 2019, Stb. 2019, 413, in werking getreden met ingang van 1 januari 2020 (Stb. 2019, 442)..
Zie over de voorgeschiedenis van art. 7 WVW 1994 ook de conclusie voor HR 11 februari 2020, ECLI:NL:HR:2020:223, NJ 2020/84.
Zie voor de redactie van deze strafbepaling en een bespreking daarvan J. Remmelink, Hoofdwegen door het verkeersrecht, vierde druk, Zwolle, W.E.J. Tjeenk Willink 1992, p. 77 e.v..
HR 17 mei 1955, ECLI:NL:HR:1955:179, NJ 1956/3 m.nt. Röling.
Kamerstukken II 1990/91, 22 030, nr. 3, p. 67-68.
H.G.M. Krabbe, ‘Hoofdstuk 2. De artikelen 5 en 6. Gevaar veroorzaken, hinderen en schuld aan een verkeersongeval’, in A.E. Harteveld en H.G.M. Krabbe (red.), De Wegenverkeerswet 1994, tweede druk, Deventer: Gouda Quint 1999, p. 127-129.
Kamerstukken II 1990/91, 22 030, nr. 3, p.