Rechtspraak
Parket bij de Hoge Raad
2024-06-11
ECLI:NL:PHR:2024:612
Strafrecht
6,004 tokens
Conclusie
B.F. Keulen
In de zaak
[verdachte],
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1996,
hierna: de verdachte
Het gerechtshof ’s-Hertogenbosch heeft bij arrest van 13 juli 2022 het vonnis van de politierechter in de rechtbank Limburg van 24 augustus 2020 bevestigd waarbij de verdachte wegens 1. ‘oplichting’, 2. ‘diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van valse sleutels’, 3. ‘oplichting’ en 4. ‘oplichting’ is veroordeeld tot 4 maanden gevangenisstraf. Het hof heeft ook de beslissingen inzake de vorderingen van twee benadeelde partijen en de oplegging van twee schadevergoedingsmaatregelen bevestigd. Het hof heeft voorts (met vernietiging in zoverre van de beslissing van de politierechter) de vordering van een derde benadeelde partij toegewezen en een schadevergoedingsmaatregel opgelegd.
Er bestaat samenhang met de zaak 22/02633. In deze zaak zal ik vandaag ook concluderen.
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. G.W.L.A.M. Koppen, advocaat in Eindhoven, heeft twee middelen van cassatie voorgesteld.
Het eerste middel behelst de klacht dat de bewezenverklaring van feit 4 niet begrijpelijk volgt uit de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen, ook niet in samenhang met de bijzondere bewijsoverweging.
Onder 4 is ten laste van de verdachte bewezenverklaard dat zij:
‘op meer tijdstippen in de periode van 18 februari 2019 tot en met 11 maart 2019 te [plaats]. met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse hoedanigheid en door listige kunstgrepen [slachtoffer 1] heeft bewogen tot de afgifte van enige geldbedragen (in totaal ongeveer 12.975,00 euro), door
- voornoemde [slachtoffer 1] voor te houden dat zij een ziek paard heeft, en
- aan die [slachtoffer 1] te vragen of zij geld van hem mocht lenen om haar zieke paard te helpen en door aan hem te beloven dat zij het geleende geld zou terugbetalen en
- aan die [slachtoffer 1] te verzoeken een lening voor haar af te sluiten en het ontvangen geldbedrag naar haar over te schrijven.’
6. Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen (met weglating van verwijzingen):
‘I
De inhoud van het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 1] d.d. 11 maart 2019 inclusief bijlagen, (…) - zakelijk weergegeven -:
Omstreeks 15 februari 2019 leerde ik via een datingsite 'Hot or Not' een meisje kennen. Ze deed zich voor als [verdachte]. Ik had met haar voornamelijk contact via de WhatsApp en af en toe belden we samen. Op 18 februari 2019 kreeg ik via Tikkie een betaalverzoek van haar. Ik voldeed aan dit verzoek om 16:27 uur. Ik betaalde haar € 75,00 op rekeningnummer [rekeningnummer 1] t.n.v. [verdachte]. Op dinsdag 29 februari 2019 vroeg ze via WhatsApp of ik geld over wilde maken. Dit was in verband met een ziek paard van haar. Ze had geld nodig om het paard te helpen. Ze vroeg of ik € 500,00 wilde overmaken. Ik maakte dit bedrag over naar rekeningnummer [rekeningnummer 2] t.n.v. [verdachte]. Omstreeks 18:15 uur kreeg ik een nieuw appje om nog eens geld over te maken. Ik maakte een bedrag over van € 4.500,00. Zo kreeg ik op 26 en 28 februari en 5 maart 2019 verzoeken om te betalen. Ik heb dit ook gedaan. In totaal heb ik € 12.975,00 overgemaakt naar [verdachte].
Op 4 maart 2019 vroeg [verdachte] mij of ik wilde helpen met het afsluiten van een lening. Dit heb ik gedaan. Ik ontving op mijn WhatsApp een bericht van PPRO Financial Ltd. Ik moest mijn rekeningnummer verifiëren door 1 cent te betalen. Op 5 maart 2019 kreeg ik een bedrag van € 300,00 overgemaakt, van Worldpay. Dit bedrag heb ik ook overgemaakt naar [verdachte].
J.
De inhoud van het proces-verbaal van verhoor van de verdachte d.d. 30 oktober 2019 (…) - zakelijk weergegeven -:
(…)
V: [slachtoffer 1] heeft op jouw verzoek grote geldbedragen overgemaakt op jouw rekening. Jij zou dat geld ook weer terug geven. Wat kun je daarop zeggen?
A: Ik heb inderdaad geld gekregen van hem.
V: Om hoeveel geld gaat het?
A: Dat was volgens mij best wel veel.
V: Het gaat om een totaal bedrag van € 12.975.00. Wat vind je daarvan?
A: Ik was blij dat hij mij wilde helpen.
V: Maar je kunt toch nog wel herinneren waar je dat geld voor nodig had?
A: Weet ik zo niet. Ik denk voor de huur of zoiets.
V: Heb jij een paard?
A: Ja meerdere.
V: Je hebt namelijk bij een verzoek aan [slachtoffer 1] aangegeven dat een paard ziek was en dat je daarvoor geld nodig had.
A: Dat zou dan voor de operatie zijn geweest van een paard van mij. Deze is dit jaar geopereerd geworden.
V: Vind je niet dat je misbruik hebt gemaakt van de goedheid van iemand. Bijna € 13.000.00 is niet niks.
A: Misschien ergens wel ja.’
7. De politierechter heeft daarbij als volgt overwogen:
‘De politierechter ziet zich voor de vraag gesteld of er in deze sprake is van oplichting. De verdachte en het slachtoffer [slachtoffer 1] hebben contact gekregen via een datingsite. De verdachte deed zich voor als iemand die op zoek was naar relaties en kennissen. De verdachte heeft het slachtoffer meermalen om geld gevraagd om haar zieke paard te helpen. Er is in totaal meer dan € 12.000,00 aan de verdachte overgemaakt. Eveneens heeft het slachtoffer een lening voor de verdachte afgesloten. Het slachtoffer heeft een verstandelijke beperking en heeft in de stukken van de benadeelde partij te kennen gegeven dat hij het gevoel had dat de verkering niet echt was. Met inachtneming van hetgeen onder de feiten 1 en 3 omtrent de modus operandi is geschetst en overwogen, en gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, is de politierechter van oordeel dat de verdachte wederom een smoes heeft gepresenteerd om geld van een ander, in dit geval [slachtoffer 1], afhandig te maken. Dit oordeel wordt gesterkt door het feit dat tijdens het verhoor van de verdachte, zij in eerste instantie niet eens meer wist waarvoor ze het geld had ontvangen, totdat de verbalisant haar op een 'ziek paard' wees. Overigens een stelling die door de verdachte nimmer is onderbouwd. Kortom: het ophangen van verhalen past in lijn met hoe verdachte opereert wanneer zij geld nodig heeft. De politierechter acht dan ook feit 4 wettig en overtuigend bewezen.’
8. De raadsvrouw heeft zich in hoger beroep, zo kan uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep op 29 juni 2022 worden afgeleid, wat de bewezenverklaring betreft ‘gerefereerd aan het oordeel van het hof’. Dat doet evenwel niet af aan de eisen die in cassatie aan de bewijsvoering worden gesteld.
9. De steller van het middel voert aan dat het eerste bewijsmiddel inhoudt dat de aangever diverse bedragen naar de verdachte heeft overgemaakt, waarvan slechts een bedrag van € 500,- (dat op 29 februari 2019 werd verzocht) in verband met een ziek paard. Dat de overige bedragen verband zouden houden met een ziek paard zou niet uit de bewijsmiddelen blijken.
10. De aangever heeft op 18 februari 2019 naar aanleiding van een betaalverzoek € 75,00 aan de verdachte overgemaakt. Dat deze betaling verband zou houden met het door de verdachte aan aangever voorhouden dat zij een ziek paard heeft kan, meen ik, niet uit de bewijsmiddelen worden afgeleid. Pas op 29 februari 2019 heeft verdachte aan aangever gevraagd geld over te maken in verband met een ziek paard.
11. Op 29 februari 2019 heeft verdachte eerst aan aangever verzocht om € 500,- over te maken in verband met een ziek paard. Uit de aangifte blijkt niet op welk moment op die dag dit verzoek is gedaan. Vervolgens heeft verdachte om 18.15 uur nog eens verzocht om geld over te maken. Aangever heeft daarop € 4.500,- overgemaakt. Kennelijk en niet onbegrijpelijk heeft het hof geoordeeld dat het overmaken van beide bedragen samenhing met het door verdachte gestelde inzake een ziek paard.
Dictum
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1]
Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 1] ter zake van het onder 4 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 13.375,01 (dertienduizend driehonderdvijfenzeventig euro en één cent) bestaande uit € 12.925,01 (twaalfduizend negenhonderdvijfentwintig euro en één cent) materiële schade en € 450,00 (vierhonderdvijftig euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 11 maart 2019 tot aan de dag der voldoening.
Wijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor het overige af.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 1], ter zake van het onder 4 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 13.375,01 (dertienduizend driehonderdvijfenzeventig euro en één cent) bestaande uit € 12.925,01 (twaalfduizend negenhonderdvijfentwintig euro en één cent) materiële schade en € 450,00 (vierhonderdvijftig euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 11 maart 2019 tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 101 (honderdéén) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan één van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.’
26. Uw Raad heeft in het overzichtsarrest inzake de benadeelde partij onder meer het volgende overwogen (met weglating van voetnoten):
‘b) Ander nadeel dat voor vergoeding in aanmerking komt: immateriële schade(art. 6:106 BW)
2.4.4
Art. 6:106 BW geeft een limitatieve opsomming van gevallen waarin deze bepaling recht geeft op vergoeding van immateriële schade als gevolg van onrechtmatig handelen, te weten in geval van:
a. oogmerk om zodanige schade toe te brengen, bijvoorbeeld indien de verdachte iemand heeft gedood met het oogmerk aan de benadeelde partij immateriële schade toe te brengen;
b. aantasting in de persoon: 1) door het oplopen van lichamelijk letsel, 2) door schade in zijn eer of goede naam of 3) op andere wijze;
c. bepaalde gevallen van aantasting van de nagedachtenis van een overledene.
2.4.5
Van de onder b.3) bedoelde aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ is in ieder geval sprake indien de benadeelde partij geestelijk letsel heeft opgelopen. Degene die zich hierop beroept, zal voldoende concrete gegevens moeten aanvoeren waaruit kan volgen dat in verband met de omstandigheden van het geval psychische schade is ontstaan. Daartoe is vereist dat naar objectieve maatstaven het bestaan van geestelijk letsel kan worden vastgesteld. Ook als het bestaan van geestelijk letsel in voornoemde zin niet kan worden aangenomen, is niet uitgesloten dat de aard en de ernst van de normschending en van de gevolgen daarvan voor de benadeelde, meebrengen dat van de in art. 6:106, aanhef en onder b, BW bedoelde aantasting in zijn persoon ‘op andere wijze’ sprake is. In zo een geval zal degene die zich hierop beroept de aantasting in zijn persoon met concrete gegevens moeten onderbouwen. Dat is slechts anders indien de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen. Van een aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ als bedoeld in art. 6:106, aanhef en onder b, BW is niet reeds sprake bij de enkele schending van een fundamenteel recht.’
27. In een arrest van 17 februari 2024 heeft Uw Raad onder meer het volgende overwogen:
‘3.3.3 De in artikel 6:106 BW bedoelde billijkheid geeft de rechter een bepaalde mate van vrijheid bij het bepalen van de hoogte van de verschuldigde schadevergoeding, maar een enkele verwijzing naar de billijkheid volstaat niet ter motivering van het oordeel dat zich een van de hiervoor bedoelde gevallen voordoet waarin grond bestaat voor vergoeding van immateriële schade. Ook de enkele omstandigheid dat de (hoogte van de) schadevergoeding niet is weersproken of dat de verdediging zich aan het oordeel van de rechter heeft gerefereerd, volstaat daartoe niet. Weliswaar zal de rechter, in het geval de verdachte de vordering van de benadeelde partij niet (gemotiveerd) betwist, uitgaan van de juistheid van de daaraan ten grondslag gelegde feiten (vgl. artikel 149 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering) en zal de vordering in de regel worden toegewezen, maar dat is anders als de vordering de rechter onrechtmatig of ongegrond voorkomt. Een vordering tot vergoeding van immateriële schade die geen rechtsgrond vindt in de wet kan niet worden toegewezen. (Vgl. HR 15 oktober 2019, ECLI:NL:HR:2019:1465.)
3.4
Het hof heeft de vorderingen tot vergoeding van immateriële schade van de benadeelde partijen [verbalisant 2] en [aangever] toegewezen tot een bedrag van € 450 respectievelijk € 1.300, vermeerderd met de wettelijke rente. Mede in aanmerking genomen dat uit de motivering van zijn oordeel niet kan worden afgeleid op welke in artikel 6:106 BW vermelde grond en op welke door het hof vastgestelde omstandigheden het hof de toewijzing van deze vorderingen heeft gebaseerd, is dit oordeel niet toereikend gemotiveerd. Dat brengt mee dat ook de oplegging van de in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht voorziene maatregelen niet in stand kan blijven (vgl. HR 18 juni 2019, ECLI:NL:HR:2019:901).’
28. Het hof heeft overwogen dat het ‘voldoende aannemelijk’ geworden acht dat de benadeelde partij immateriële schade heeft geleden en dat het hof het ‘billijk’ acht een bedrag aan immateriële schade toe te wijzen. Daaruit kan niet worden afgeleid op welke in art. 6:106 BW genoemde grond en op welke door het hof vastgestelde omstandigheden de toewijzing van de vordering tot vergoeding van immateriële schade is gebaseerd. In aanmerking genomen dat het bewezenverklaarde is gekwalificeerd als oplichting doet zich ook niet het geval voor dat de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen.
29. Het middel slaagt. Dat brengt mee dat de beslissing op de vordering van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel die ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 1] is opgelegd, niet in stand kunnen blijven.
30. Beide middelen slagen. Ambtshalve merk ik op dat Uw Raad mogelijk geen uitspraak zal doen binnen twee jaren nadat het cassatieberoep is ingesteld. Voor het overige heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
31. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de beslissingen ten aanzien van het onder 4 tenlastegelegde, de strafoplegging – met uitzondering van de aan de verdachte opgelegde schadevergoedingsmaatregelen ten behoeve van [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] – , alsmede de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1], tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof ’s-Hertogenbosch, opdat de zaak in zoverre opnieuw wordt berecht en afgedaan, en tot verwerping van het beroep voor het overige.
Conclusie
12. Aangever verklaart vervolgens dat hij zo op 26 en 28 februari en 5 maart 2019 verzoeken kreeg om te betalen en dat hij in totaal € 12.975,- naar verdachte heeft overgemaakt. Het woord ‘zo’ suggereert een verband met beide betalingen op 29 februari 2019; dat verband wordt uit de context evenwel niet duidelijk. Dat aan de betalingen op 26 en 28 februari 2019 het door de verdachte gestelde inzake een ziek paard ten grondslag ligt kan, meen ik, niet uit het bewijsmiddel worden afgeleid. Met enige aarzeling meen ik dat het hof inzake het overmaken van een bedrag van € 300,- op 5 maart 2019, enkele dagen later, nog heeft kunnen oordelen dat de aangever daar door het verzoek in verband met het zieke paard toe is bewogen.
13. Daarmee slaagt deze klacht gedeeltelijk. Uit de bewijsmiddelen kan worden afgeleid dat de aangever tot de afgifte van geldbedragen tot een totaal van € 5.300,- is bewogen door de in de bewezenverklaring beschreven gang van zaken.
14. De steller van het middel voert voorts aan dat de bewezenverklaring niet begrijpelijk is waar deze ziet op de bewezenverklaarde ‘valse hoedanigheid’ en/of ‘listige kunstgrepen’. Dat hiervan sprake zou zijn, zou niet uit de gebezigde bewijsmiddelen volgen. De steller van het middel wijst er daarbij op dat verdachte blijkens het tweede bewijsmiddel het standpunt inneemt ‘dat er daadwerkelijk een paard geopereerd heeft moeten worden in de betreffende periode, terwijl de politierechter nergens het standpunt inneemt dat deze beweerdelijke ingreep onwaar is, laat staan dat deze is aan te merken als een ‘listige kunstgreep’.’ Ook zou niet begrijpelijk zijn gemotiveerd dat en waarom sprake is geweest van een ‘valse hoedanigheid’.
15. Bemelmans en Hofstee leiden uit de voorgeschiedenis van het Wetboek van Strafrecht af ‘dat een listige kunstgreep steeds enige non-verbale daad of handeling veronderstelt en zich daarmee onderscheidt van het hierna te bespreken samenweefsel van verdichtsels, dat doorgaans juist uit mondelinge onwaarheden bestaat’. Zij wijzen op enkele oudere arresten waarin Uw Raad de listige kunstgreep heeft gedefinieerd als ‘een of meer bedrieglijke handelingen, geschikt om leugenachtige voorwendselen en valse voorstellingen ingang te doen vinden en daaraan kracht bij te zetten’. Bemelmans en Hofstee zien daarin ‘ook thans nog een adequate weergave van de kern van het delictsbestanddeel’, maar plaatsen daarbij wel twee kanttekeningen. De feitelijke handeling die aan een valse bewering waarachtigheid geeft, behoeft zelf niet vals te zijn. En de listige kunstgreep en het valse voorwendsel dat daardoor ingang vindt, kunnen niet altijd strikt worden onderscheiden. In de meer recent door Uw Raad gebezigde omschrijving ‘misleidende feitelijke handeling die een onjuiste voorstelling van zaken in het leven kan roepen’ komt volgens beide auteurs ‘weer wat minder tot uitdrukking dat de kunstgreep ook een reeds voorafgaand in het leven geroepen valse voorstelling kan ondersteunen’.
16. In een schrijven vermelde leugens kunnen volgens Bemelmans en Hofstee als een listige kunstgreep gelden, al zal daarvoor, menen zij, ‘over het algemeen (iets) meer nodig zijn dan een enkele op schrift gestelde leugen’. Zij wijzen daarbij onder meer op twee van de overzichtsarresten inzake oplichting van 20 december 2016, waarin Uw Raad overweegt dat het bij listige kunstgrepen in de kern gaat ‘om meer dan een enkele misleidende feitelijke handeling die een onjuiste voorstelling van zaken in het leven kan roepen’. Uw Raad noemt daarbij een geval ‘waarin de verdachte (met anderen) gebruik maakte van briefpapier van KPN teneinde een bank met een valse betaalopdracht te bewegen tot overboeking van een geldbedrag’.
17. Het hof heeft bewezenverklaard dat de verdachte aan aangever heeft voorgehouden dat zij een ziek paard heeft en dat zij hem heeft gevraagd of zij geld van hem mocht lenen om haar zieke paard te helpen en dat zij hem heeft beloofd dat zij het geleende bedrag zou terugbetalen en dat zij aan aangever heeft verzocht een lening voor haar af te sluiten en het ontvangen geldbedrag naar haar over te schrijven. Als ik het goed zie ontbreekt in de aldus bewezenverklaarde gedragingen en in de bewijsvoering het element van de ‘misleidende feitelijke handeling’. Daar wordt in cassatie evenwel niet over geklaagd.
18. Wel wordt, zo begrijp ik, geklaagd over de (impliciete) vaststelling dat de bewezenverklaarde gedragingen een onjuiste voorstelling van zaken in het leven hebben kunnen roepen of hebben geroepen. Naar het mij voorkomt, slaagt deze klacht. Uit het voor het bewijs gebezigde proces-verbaal van verhoor van de verdachte blijkt dat de verdachte aanvankelijk verklaart dat zij niet meer weet waar zij het geld voor nodig had, en ‘de huur’ als mogelijkheid oppert. Als haar wordt voorgelegd dat zij heeft aangegeven dat een paard ziek was en dat zij daarvoor geld nodig had antwoordt zij evenwel: ‘Dat zou dan voor de operatie zijn geweest van een paard van mij. Deze is dit jaar geopereerd geworden’.
19. Daarmee laat de bewijsvoering de mogelijkheid open dat de mededeling van de verdachte aan aangever dat zij een ziek paard had op waarheid berustte en dat zij met deze mededeling geen onjuiste voorstelling van zaken heeft gegeven. Daarmee blijft ook de mogelijkheid open dat de vraag om geld te lenen verband hield met de ziekte van het paard. Verdachte verklaart dat het paard ‘dit jaar’ geopereerd is.
20. Daarmee slaagt de klacht voor zover wordt betoogd dat de bewezenverklaring, voor zover inhoudend dat de verdachte de aangever door listige kunstgrepen heeft bewogen tot de afgifte van geldbedragen, niet uit de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen volgt.
21. Bij de oplichtingsmiddelen die bestaan uit het aannemen van een valse naam of een valse hoedanigheid gaat het er volgens Uw Raad ‘in de kern om dat het handelen van de verdachte ertoe kan leiden dat bij de ander een onjuiste voorstelling van zaken in het leven wordt geroepen met betrekking tot de ‘persoon’ van de verdachte, hetzij wat betreft diens naam, hetzij wat betreft diens hoedanigheid, waarbij die onjuiste voorstelling van zaken in het leven wordt geroepen teneinde daarvan misbruik te maken’. In de bewijsoverweging van de politierechter is wel een aanwijzing te vinden die duidt op het aannemen van een valse hoedanigheid: ‘De verdachte deed zich voor als iemand die op zoek was naar relaties en kennissen’. Op zichzelf is wellicht denkbaar dat de afgifte van € 12.975,- aan het aannemen van deze of een verwante valse hoedanigheid wordt toegerekend. Uit de bewezenverklaring en bewijsvoering volgt naar het mij voorkomt evenwel niet voldoende duidelijk dat de oplichting op deze grondslag bewezen is verklaard. In de gedragingen die er blijkens de bewezenverklaring toe hebben geleid dat de aangever is bewogen tot de afgifte van € 12.975,- is aan ‘het aannemen van een valse hoedanigheid’ geen feitelijke uitwerking gegeven. En het zich voordoen als iemand die op zoek was naar relaties en kennissen is niet als het oplichtingsmiddel aangemerkt waardoor de aangever tot afgifte is bewogen. De politierechter is ‘van oordeel dat de verdachte wederom een smoes heeft gepresenteerd om geld van een ander, in dit geval [slachtoffer 1], afhandig te maken’ en merkt op dat ‘het ophangen van verhalen past in lijn met hoe verdachte opereert wanneer zij geld nodig heeft’. Dat duidt erop dat de politierechter heeft geoordeeld dat de verdachte (in de kern) door listige kunstgrepen tot de afgifte is bewogen.
22. Daarmee slaagt ook de klacht voor zover wordt betoogd dat de bewezenverklaring, voor zover inhoudend dat de verdachte de aangever door het aannemen van een valse hoedanigheid heeft bewogen tot het afgeven van geldbedragen, niet uit de bewijsvoering volgt.
23. Het middel slaagt.
24.