Rechtspraak
Parket bij de Hoge Raad
2024-05-28
ECLI:NL:PHR:2024:574
Strafrecht
2,579 tokens
Conclusie
D.J.C. Aben
In de zaak
[betrokkene],
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1985,
hierna: de betrokkene
Inleiding
1. Het gerechtshof Amsterdam heeft de betrokkene bij arrest van 25 april 2022 – ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel – de verplichting opgelegd tot betaling van € 293.028,48 aan de staat. Daarbij heeft het hof de duur van de gijzeling die ten hoogste kan worden gevorderd in geval van niet-betaling bepaald op 360 dagen.
2. Er bestaat samenhang met de zaak 22/01648. In deze zaak zal ik vandaag ook concluderen.
3. Het cassatieberoep is ingesteld namens de betrokkene. J. Kuijper, advocaat in Amsterdam, heeft drie middelen van cassatie voorgesteld.
4. De eerste twee middelen klagen over de vaststelling van de hoogte van het wederrechtelijk verkregen voordeel. Het derde middel heeft betrekking op een overschrijding van de redelijke termijn in feitelijke aanleg.
Het eerste middel
5. Het eerste middel bevat klachten over de motivering en begrijpelijkheid van de door het hof geschatte hoogte van het wederrechtelijk verkregen voordeel.
6. Het hof heeft ten aanzien van de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel het volgende overwogen:
“Het hof acht voldoende aannemelijk geworden dat de betrokkene voordeel heeft verkregen uit mensenhandel van [slachtoffer]. Het is bewezen dat de betrokkene [slachtoffer] gedurende een periode van in totaal 42 maanden seksueel heeft uitgebuit en haar de verdiensten uit de prostitutiewerkzaamheden heeft laten afstaan aan de betrokkene. De verdiensten die [slachtoffer] aan de betrokkene heeft afgestaan, bedragen in totaal € 360.000,00 (€ 65.000,00 in 2009; € 65.000,00 in 2010; € 50.000,00 in 2011; € 180.000,00 in 2013 en 2014). Het hof baseert zich bij deze berekening op eenzelfde berekening als de raadsman in zijn pleitnota. Op basis van het proces-verbaal berekening wederrechtelijk verkregen voordeel per delict van 3 april 2018 (verder: het ontnemingsrapport) en aan de hand van een conservatieve schatting stelt het hof vast dat de betrokkene ongeveer € 66.971,52 aan kosten heeft gemaakt. Het hof stelt dit vast op grond van het ontnemingsrapport, waaruit volgt dat de betrokkene € 117.600,00 aan kosten in een periode van 295 weken had (dat wil zeggen € 398,64 per week). Gelet op de periode waarin [slachtoffer] werkzaam is geweest, heeft de betrokkene € 66.971,52 aan kosten gemaakt binnen 42 maanden (€ 398,64 per week vermenigvuldigd met - uitgaande van 4 weken per maand - 168 weken).
(..)
Uit het voorgaande volgt dat het wederrechtelijk verkregen voordeel van de betrokkene moet worden geschat op € 293.028,48 (€ 360.000,00 aan opbrengsten minus € 66.971,52 aan kosten).”
De toelichting op het eerste middel
7. In de toelichting op het eerste middel wordt een alternatieve berekening van de hoogte van de inkomsten van het slachtoffer gepresenteerd. Indien het hof die berekening had gebruikt, zou het totaalbedrag aan opbrengsten uitkomen op € 350.00,00 en daarmee € 10.000,00 lager uitvallen dan het bedrag van € 360.000,00 dat door het hof is vastgesteld. Om die reden is het oordeel van het hof niet begrijpelijk, aldus de steller van het middel.
8. Daarnaast wordt geklaagd over de berekening van de hoogte van de door de betrokkene gemaakte kosten. De steller van het middel stelt zich op het standpunt dat het hof het bedrag aan kosten zoals dat volgt uit het ontnemingsrapport, te weten € 117.600,00, in mindering had moeten brengen. Beoogd wordt – zo lees ik de toelichting – te klagen dat het hof de door de betrokkene gemaakte kosten onterecht naar evenredigheid heeft verminderd. Hierdoor zijn ook de weken waarin geen uitbuiting plaatsvond meegerekend, terwijl de verdachte in die weken geen kosten heeft gemaakt.
De bespreking van het eerste middel
9. Het hof heeft de opbrengsten van de betrokkene vastgesteld op een bedrag van € 360.000,00. In feitelijke aanleg is door de verdediging tweemaal een berekening van het totaalbedrag aan verkregen voordeel naar voren gebracht. Tweemaal is in die berekening als uitgangspunt genomen dat de opbrengsten (zij het maximaal) op een bedrag van € 360.000,00 uitkomen. Het hof heeft zich bij de berekening van de opbrengsten expliciet aangesloten bij de berekenwijze van de verdediging: “Het hof baseert zich bij deze berekening op eenzelfde berekening als de raadsman in zijn pleitnota.”
10. In de cassatiefase is de raadsvrouw met een berekenwijze gekomen waarmee het totaalbedrag aan opbrengsten zou uitkomen op een bedrag van € 350.000,00. Een dergelijke alternatieve berekenwijze – die bovendien afwijkt van de berekenwijze die in feitelijke aanleg door de verdediging naar voren is gebracht – kan niet pas in cassatie worden aangevoerd. Het middel faalt in zoverre.
11. Om de redenen die vermeld staan in de met deze ontnemingszaak samenhangende strafzaak (onder de randnummers 17-18) slaagt de tweede deelklacht van het eerste middel.
Het tweede middel
12. Het tweede middel bevat de klacht dat het hof ten onrechte als uitgangspunt heeft genomen dat één maand bestaat uit vier weken, als gevolg waarvan de hoogte van de feitelijke kosten op onjuiste wijze is berekend.
13. Om de redenen die vermeld staan in de met deze ontnemingszaak samenhangende strafzaak (onder het randnummer 19) faalt het tweede middel.
Het derde middel
14. Het derde middel klaagt dat het oordeel van het hof dat met de constatering van de overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep kan worden volstaan, niet zonder meer begrijpelijk althans ontoereikend gemotiveerd is. Volgens de steller van het middel heeft het hof verzuimd de schending van de redelijke termijn in eerste aanleg bij zijn oordeel te betrekken.
15. Het hof heeft ten aanzien van de redelijke termijn in feitelijke aanleg als volgt overwogen:
“In artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) is het recht van iedere betrokkene gewaarborgd dat binnen een redelijke termijn op de ontnemingsvordering wordt beslist. Uitgangspunt is dat een termijn van twee jaren per instantie als redelijk is aan te merken. Als aanvangsmoment van de op zijn redelijkheid te beoordelen termijn geldt in hoger beroep de datum van het instellen van het rechtsmiddel tegen het ontnemingsvonnis, te weten 12 maart 2020. Dat brengt met zich mee dat de redelijke termijn, rekening houdend met de uitspraakdatum van het ontnemingsarrest, met ongeveer anderhalve maand is overschreden. Gelet op de geringe overschrijding van de redelijke termijn volstaat het hof met de constatering daarvan en worden daaraan geen andere consequenties verbonden.”
De bespreking van het derde middel
16. Het hof heeft in onderhavige zaak geoordeeld dat de redelijke termijn met ongeveer anderhalve maand is overschreden. Daarbij heeft het hof overwogen dat de datum van het instellen van het rechtsmiddel tegen het ontnemingsvonnis, te weten 12 maart 2020, moet worden aangemerkt als aanvangspunt van de termijn die geldt in hoger beroep.
17. Met betrekking tot de beoordeling van de redelijke termijn in feitelijke aanleg heeft de Hoge Raad in een arrest uit 2021 bepaald dat het tijdsverloop in eerste aanleg en in hoger beroep afzonderlijk van elkaar moeten worden beoordeeld. De overwegingen van het hof geven er geen blijk van dat het hof acht heeft geslagen op de redelijke termijn in eerste aanleg. Ik wijs verder op het feit dat de rechtbank reeds had vastgesteld dat de redelijke termijn in eerste aanleg was overschreden en dat de verdediging die overschrijding ter terechtzitting in hoger beroep heeft aangekaart. Het oordeel van het hof is om deze redenen ontoereikend gemotiveerd.
18. Het middel is gegrond.
Conclusie
19. Het eerste middel slaagt en dient te leiden tot vernietiging van de bestreden uitspraak. Ook het derde middel is terecht voorgesteld. Het tweede middel faalt.
20. Ambtshalve wijs ik erop dat de Hoge Raad in deze ontnemingszaak niet binnen een termijn van twee jaar na het instellen van cassatieberoep uitspraak zal doen. De rechter naar wie de zaak m.i. moet worden verwezen, zal hierop acht dienen te slaan. Andere gronden die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven, heb ik niet aangetroffen.
21. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Amsterdam.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Het procesverloop van de ontnemingszaak en strafzaak tegen de betrokkene is als volgt. De zittingen in eerste aanleg van de ontnemings- en strafzaak hebben niet tegelijkertijd plaatsgevonden. In de strafzaak vond in eerste aanleg géén overschrijding van de redelijke termijn plaats, in de ontnemingszaak wel (met ongeveer zeven maanden). De rechtbank in de ontnemingszaak heeft om die reden een compensatie van 5% in de ontnemingsmaatregel toegepast. In hoger beroep zijn de ontnemings- en strafzaak tegelijkertijd behandeld. Het hof in de strafzaak heeft de straf toen gematigd vanwege een overschrijding van de redelijke termijn in de hoger beroepsfase (van achttien maanden). Het hof in de ontnemingszaak heeft volstaan met de constatering dat de termijn in de hoger beroepsfase was overschreden (met anderhalve maand).
HR 9 februari 2021, ECLI:NL:HR:2021:197, rov. 2.4.1. Zie ook meer recent HR 27 juni 2023, ECLI:NL:HR:2023:983, waarin de Hoge Raad zijn overwegingen hieromtrent nog eens herhaalt.
Evenals in de samenhangende strafzaak, acht ik het denkbaar dat de Hoge Raad de ontnemingszaak zelf afdoet. In dat verband verwijs ik naar voetnoot 28 in de samenhangende strafzaak, met dien verstande dat de ontnemingsmaatregel geen betrekking heeft op de schade die verband houdt met het verwijderen van tatoeages à raison van € 1000.