Rechtspraak
Parket bij de Hoge Raad
2024-06-18
ECLI:NL:PHR:2024:536
Strafrecht
3,510 tokens
Conclusie
A.E. Harteveld
In de zaak
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1986,
hierna: de verdachte
De verdachte is bij arrest van 8 september 2022 door het gerechtshof Amsterdam wegens “openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen”, veroordeeld tot 100 uren taakstraf subsidiair 50 dagen hechtenis, met aftrek van voorarrest als bedoeld in art. 27, eerste lid, Sr.
Er bestaat samenhang met de zaak 22/03503. In deze zaak zal ik vandaag ook concluderen.
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. M.G. Vos, advocaat te Utrecht, heeft één middel van cassatie voorgesteld.
Voordat ik het middel bespreek, geef ik de bewezenverklaring, de relevante bewijsmiddelen alsmede ‘s hofs bewijsoverweging weer.
De bewezenverklaring, de bewijsmiddelen en de bewijsoverweging
5. Het hof heeft ten laste van de verdachte bewezenverklaard dat:
“hij op 4 augustus 2021 te Den Burg, gemeente Texel, openlijk, te weten aan de [a-straat 1], in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een persoon, te weten [slachtoffer], door [slachtoffer] tegen het hoofd te slaan en een slaande beweging in de richting van het hoofd van [slachtoffer] te maken.”
5.1
De bewezenverklaring berust op de volgende in een aanvulling op het arrest opgenomen bewijsmiddelen:
“1. Een proces-verbaal van aangifte van 4 augustus 2021, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 1] (…). Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 4 augustus 2021 tegenover verbalisant afgelegde verklaring van [slachtoffer]:
Ik ben werkzaam bij “[bedrijf]” gelegen aan de [a-straat 1] te Den Burg. Vandaag 4 augustus 2021 was [verdachte] (signalement: lange, slanke man met zwart shirt met logo en grijs vest) langs geweest samen met een andere man, die later bleek genaamd [medeverdachte] (signalement: dikkere man met wit shirt), om twee scooters te huren. Ze kwamen in de ochtend met twee dames ons pand binnen en gingen met de scooters op pad. Omstreeks 16.45 uur kwamen de mannen met een bloedgang aangereden in een BMW. Zowel [verdachte] als [medeverdachte] begonnen gelijk te schelden. Ze waren niet tevreden over de scooters. [verdachte] en [medeverdachte] bleven agressief en aan hun houding te zien had ik ook het idee dat beide heren onder invloed van alcohol waren. Het was al met al een hele vervelende situatie en ik voelde dat ik er erg onrustig en zenuwachtig van werd. Ik had zulke agressieve mannen niet eerder meegemaakt. Na een aantal minuten van schelden, stapten de mannen voorin een zwarte BMW. Omdat ik best wel een beetje zenuwachtig was, begon ik een beetje te gniffelen. Hierop hoorde ik [verdachte] zeggen: "Lach je me nu uit?" en direct daarop zag ik dat hij weer uit de auto stapte en dat hij op mij afkwam. Ik had gelijk het idee dat hij me wilde slaan. Ik zag dat [verdachte] links van mij stond en ik hield hem ook in de gaten. Opeens voelde ik aan de rechterzijde van mijn gezicht, iets hoger dan mijn slaap, ter hoogte van mijn wenkbrauw een vuistslag. Deze vuistslag schampte mijn gezicht. Daarna werd door beide heren geprobeerd mij te slaan. Ik heb de vuisten van mij af weten te weren. Ik weet dat zowel [verdachte] als [medeverdachte] hebben gedreigd om de boel in de fik te steken. Ik heb pijn aan de rechterkant van mijn hoofd, ter hoogte van mijn slaap. Ik heb daar ook een bult.
2. Een proces-verbaal van verhoor getuige van 4 augustus 2021, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 2] (…). Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 4 augustus 2021 tegenover verbalisant afgelegde verklaring van [getuige 1]:
Direct stapte een van de mannen uit die de eerder genoemde brommers had gehuurd en daarna kwamen de anderen er achteraan rijden op de gehuurde scooters. Ik hoorde de twee mannen meteen schreeuwen en tieren tegen ons. Op een gegeven moment leken de mannen toch in de auto te stappen. Ik zag dat de mannen weer uitstapten en richting [slachtoffer] renden. Ik kon de bestuurder nog net tegenhouden en zijn klappen opvangen, maar de andere man rende langs mij richting [slachtoffer]. Ik zag dat hij [slachtoffer] met zijn vuisten begon te slaan. Ik zag dat hij [slachtoffer] meerdere keren tegen of in de richting van zijn hoofd sloeg. Ik hoorde de mannen nog dreigen. Ik hoorde ze onder andere schreeuwen: "We komen vanavond terug en dan steken we de boel in de fik", of woorden van gelijke strekking.
De bestuurder had een normaal postuur en een donkerkleurig T-shirt aan. De bijrijder had een lichtkleurig T-shirt aan.
3. Een proces-verbaal van aangifte van 5 augustus 2021, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 3] (…). Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 5 augustus 2021 tegenover verbalisant afgelegde verklaring van [getuige 2]:
De twee mannelijke huurders (het hof begrijpt: de verdachten [verdachte] en [medeverdachte]) kwamen verbaal agressief over. Ze kwamen ook dronken over. De wat gezettere man met het wit/grijze shirt was boos en ik hoorde hem zeggen dat ze nog wel van hem zouden horen en dat hij hier de boel wel in de fik kwam steken. De twee vrouwen probeerden de mannen de auto in te werken en het escalerende conflict te sussen. Ik zag dat de twee mannen, die inmiddels half in de auto waren gestapt, direct het voertuig uitsprongen en woedend op [slachtoffer] en [getuige 1] afstormden. Ik zag dat de wat gezettere man met het wit/grijze shirt (het hof begrijpt: [medeverdachte]) uithaalde met zijn arm, en vervolgens met zijn hand het gezicht van [slachtoffer] raakte. Ik zag dat hij [slachtoffer] raakte aan de rechterzijde van zijn rechteroog. Ik zag dat de andere man (het hof begrijpt: [verdachte]) ook probeerde om [slachtoffer] te slaan, maar ik zag dat [slachtoffer] dit kon afweren.”
5.2
Het hof heeft inzake de bewezenverklaring het volgende overwogen:
“Bewijsoverweging
De raadsvrouw van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep bepleit dat de verdachte dient te worden vrijgesproken. Zij heeft daartoe aangevoerd dat de verdachte geen significante en wezenlijke bijdrage aan het geweld heeft geleverd, nu uit de stukken in het dossier blijkt dat de verdachte niet betrokken is geweest bij de geweldshandelingen van [medeverdachte] jegens het slachtoffer.
Het hof verwerpt het verweer en overweegt daartoe als volgt.
Voor bewezenverklaring van openlijke geweldpleging moet sprake zijn van het in vereniging plegen van geweld. Uit vaste jurisprudentie van de Hoge Raad volgt dat van het “in vereniging” plegen van geweld sprake is in het geval van een nauwe en bewuste samenwerking ten aanzien van het openlijke geweld. In dat kader dient het hof te beoordelen of de verdachte een voldoende significante en wezenlijke bijdrage aan het geweld heeft geleverd. Die bijdrage behoeft overigens niet van gewelddadige aard te zijn. Op grond van de bewijsmiddelen stelt het hof het volgende vast. De verdachte en zijn medeverdachte hadden een geschil met het slachtoffer over door de verdachte en zijn medeverdachte gehuurde scooters. Samen waren zij ter plaatse om verhaal te halen. Er ontstond een verhitte discussie tussen de verdachten en het slachtoffer. Op enig moment heeft de medeverdachte het slachtoffer tegen zijn hoofd geslagen. Ook de verdachte heeft het slachtoffer willen slaan. Die klappen konden echter worden afgeweerd, gepoogd het slachtoffer te slaan. Naar het oordeel van het hof heeft de verdachte daarmee een voldoende significante en wezenlijke bijdrage aan het geweld geleverd. Het tenlastegelegde feit is daarmee bewezen.”
Het middel
6.
Motivering
6.3
Ten laste van de verdachte is, kort gezegd, bewezenverklaard dat hij openlijk, te weten aan de [a-straat 1], in vereniging geweld heeft gepleegd. In de door het hof gebezigde bewijsmiddelen en de bewijsoverweging, in onderlinge samenhang bezien, ligt besloten dat de geweldshandelingen aldaar hebben plaatsgevonden.
6.4
[slachtoffer] heeft verklaard dat ‘de mannen met een bloedgang’ kwamen ‘aangereden in een BMW’, dat de verdachte en [medeverdachte] ‘gelijk’ begonnen te schelden en dat ze niet tevreden waren over de scooters (bewijsmiddel 1). In de verklaring van [slachtoffer] ligt besloten dat de verdachte en [medeverdachte] vanaf de weg kwamen aangereden, de BMW tot stilstand brachten aan de [a-straat 1] waar, zoals volgt uit de verklaring van [slachtoffer], "[bedrijf]" gelegen is en waar [slachtoffer] op 4 augustus 2021 werkzaam was, en onmiddellijk – zoals het hof heeft overwogen – een ‘verhitte discussie’ ontstond tussen de verdachte, [medeverdachte] en [slachtoffer].
6.5
[getuige 1] heeft verklaard dat hij de twee mannen ‘meteen’ hoorde schreeuwen en tieren ‘tegen ons’ (bewijsmiddel 2). Dat de verdachte en [medeverdachte] ‘tegen ons’ begonnen te schreeuwen en tieren wijst erop dat op dat moment in ieder geval [getuige 1] en [slachtoffer] zich aan de openbare weg bevonden, in de nabijheid van de verdachte en [medeverdachte], en niet mogelijk, zoals de steller van het middel heeft aangevoerd, in de winkel of loods van "[bedrijf]".
6.6
[slachtoffer] heeft verder verklaard dat na ‘een aantal minuten van schelden’ de verdachte en [medeverdachte] voorin een zwarte BMW stapten, dat hij een beetje begon ‘te gniffelen’, dat hij de verdachte hierop hoorde zeggen ‘Lach je me nu uit?’, dat de verdachte direct daarna weer uit de auto stapte en op [slachtoffer] afkwam en links van hem stond, dat [slachtoffer] een vuistslag voelde, en dat daarna door de verdachte en [medeverdachte] werd geprobeerd [slachtoffer] te slaan.
6.7
Dat de verdachte kennelijk het gegniffel van [slachtoffer] heeft waargenomen terwijl hij zojuist in de BMW was gestapt en dat [slachtoffer] de verdachte hierop heeft horen zeggen ‘Lach je me nu uit?’, wijst erop dat de verdachte zich op dat moment in of naast de tot stilstand gebrachte auto bevond en dat in ieder geval [slachtoffer] zich op dat moment aan de [a-straat 1] in de nabijheid van de BMW en de verdachte bevond.
6.8
Het hof heeft in zijn bewijsoverweging overwogen dat de verdachte en [medeverdachte] een geschil hadden met [slachtoffer] over de gehuurde scooters, dat zij samen ‘ter plaatse’ waren om verhaal te halen, dat er een verhitte discussie ontstond en dat op enig moment de bewezenverklaarde geweldshandelingen plaatsvonden. Uit het bovenstaande volgt dat het verhaal halen, de verhitte discussie en de geweldshandelingen zich ‘ter plaatse’ hebben voltrokken en dat het hof hiermee tot uitdrukking heeft gebracht dat dit aan de [a-straat 1] was. ’s Hofs oordeel dat de in vereniging gepleegde geweldshandeling openlijk, te weten aan de [a-straat 1], plaatsvonden is niet ontoereikend gemotiveerd.
6.9
Omdat in de bewijsmiddelen en de bewijsoverweging in onderlinge samenhang bezien besloten ligt dat de in vereniging gepleegde geweldshandelingen hebben plaatsgevonden aan de [a-straat 1] – naar ik begrijp een in de tenlastelegging nader aangeduide openbare weg – kan aan het openlijke karakter van die geweldshandelingen redelijkerwijze niet worden getwijfeld. Ik wijs erop dat [slachtoffer] heeft waargenomen dat ‘de mannen met een bloedgang’ kwamen ‘aangereden in een BMW’. Aan het zicht onttrokken was de plek waar de geweldshandelingen plaatsvonden niet. Een bijzondere omstandigheid die de feitelijke publieke toegankelijkheid beperkte blijkt niet uit de bewijsvoering. Voorts wijs ik erop dat in feitelijke aanleg niet is aangevoerd dat de geweldshandelingen niet openlijk zouden hebben plaatsgevonden. ’s Hofs oordeel dat de geweldshandelingen openlijk plaatsvonden is niet ontoereikend gemotiveerd.
6.10
Het middel faalt.
Conclusie
7. Het middel faalt en kan worden afgedaan met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende formulering. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
8. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
HR 3 juli 2018, ECLI:NL:HR:2018:1008, NJ 2018/436 m.nt. Rozemond; HR 28 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:722, NJ 2019/232.
Vgl. HR 3 juli 2018, ECLI:NL:HR:2018:1050, waar de geweldshandelingen plaatsvonden in een voortuin gelegen aan de openbare weg.
A-G Knigge heeft overigens in zijn conclusie voor HR 9 januari 2018, ECLI:NL:HR:2018:20, NJ 2018/62 - gewezen voor HR 3 juli 2018, ECLI:NL:HR:2018:1008 – gesteld dat ook winkels ‘voor het publiek toegankelijk’ zijn.
Niet doet zich in de onderhavige zaak een situatie voor als in HR 6 december 2016, ECLI:NL:HR:2016:2774, waar onduidelijkheid bestond over de vraag waar de geweldshandelingen precies plaatsvonden, binnen of buiten de woning, in de voor- of in de achtertuin. Zie R. ter Haar & M.J. Hornman, ‘Openlijke geweldpleging; hoe openlijk is dat eigenlijk? Over de betekenis van de verstoring van de openbare orde voor de beoordeling van geweldpleging in de zin van art. 141 Sr na het overzichtsarrest (ECLI:NL:HR:2018:1008)’, TPWS 2018/78, p. 203-204.
HR 26 juni 1979, ECLI:NL:HR:1979:AC6636, NJ 1979/618; HR 16 februari 1988, ECLI:NL:HR:1988:AD0183, NJ 1988/821; HR 3 juli 2018, ECLI:NL:HR:2018:1050.
Vgl. HR 7 november 2017, ECLI:NL:HR:2017:2809, NJ 2018/183 m.nt. Rozemond.