Rechtspraak
Parket bij de Hoge Raad
2024-01-16
ECLI:NL:PHR:2024:50
Strafrecht
14,580 tokens
Conclusie
D.J.M.W. Paridaens
In de zaak
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1995,
hierna: de verdachte.
Inleiding
De verdachte is bij arrest van 17 januari 2023 door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, ten aanzien van de onderdelen A en B wegens “mensenhandel, terwijl de feiten wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen en terwijl de persoon ten aanzien van wie de feiten wordt gepleegd, de leeftijd van achttien jaren nog niet heeft bereikt, meermalen gepleegd” en ten aanzien van onderdeel C wegens “mensenhandel, terwijl de persoon ten aanzien van wie de feiten wordt gepleegd, de leeftijd van achttien jaren nog niet heeft bereikt, meermalen gepleegd” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 16 maanden, met aftrek van voorarrest. Ook heeft het hof beslist op de vordering van de benadeelde partij en aan de verdachte een schadevergoedingsmaatregel opgelegd, een en ander zoals in het arrest nader omschreven.
Er bestaat samenhang met de zaken tegen [medeverdachte 1] (22/00401), [medeverdachte 2] (22/00519) en [medeverdachte 3] (23/00246). In deze zaken zal ik vandaag ook concluderen.
Namens de verdachte heeft J.T.E. Vis, advocaat te Amsterdam, vijf middelen van cassatie voorgesteld.
Het eerste middel
4. Het middel bevat de klacht dat het hof de tijdens het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep gedane vordering tot wijziging van de tenlastelegging ten onrechte, althans ontoereikend gemotiveerd heeft toegewezen.
5. Aan de verdachte was in eerste aanleg ten laste gelegde dat:
“hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 oktober 2014 t/m 8 december 2014 te [plaats] , althans in Nederland, (lid 3 sub 1) tezamen en in vereniging met een ander of anderen,
A.
een ander, te weten [slachtoffer] (geboren op [geboortedatum] 1997),
(sub 2) heeft geworven en/of vervoerd en/of overgebracht (telkens) met het oogmerk van uitbuiting van die [slachtoffer] , terwijl die [slachtoffer] de leeftijd van 18 jaar nog niet had bereikt en/of
(sub 5) ertoe heeft gebracht zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met of voor een derde tegen betaling dan wel ten aanzien van die [slachtoffer] enige handeling heeft ondernomen waarvan hij wist en/of moest vermoeden dat die [slachtoffer] zich daardoor beschikbaar zou stellen tot het verrichten van die handelingen terwijl die [slachtoffer] de leeftijd van 18 jaar nog niet had bereikt en/of
B.
(sub 8) opzettelijk voordeel heeft getrokken uit de seksuele handelingen van [slachtoffer] (roepnaam [slachtoffer] ) met of voor een derde tegen betaling terwijl die [slachtoffer] de leeftijd van 18 jaar nog niet had(den) bereikt
immers heeft/hebben verdachte of (één van) de medeverdachte(n)
- [slachtoffer] opgedragen, althans gevraagd, om seks te hebben met anderen voor geld en/of
- [slachtoffer] opgedragen, althans gevraagd, seksueel/erotisch getinte foto’s te maken van zichzelf en naar hem op te sturen en/of zelf seksueel/erotisch getinte foto’s van die [slachtoffer] gemaakt en/of
- een aantal werknamen voor [slachtoffer] aangemaakt waarmee zij als prostituee adverteerde en/of
- een of meerdere seksadvertenties gemaakt van die [slachtoffer] en die seksadvertenties op diverse sekssites geplaatst en/of
- de seksadvertenties van [slachtoffer] omhoog gebeld en/of
- die [slachtoffer] in het bezit gesteld van een of meer klantentelefoons en/of
- de klantentelefoons van die [slachtoffer] beheerd en/of
- [slachtoffer] naar klanten gebracht en/of
- een woning aan de [a-straat 1] te [plaats] en/of [b-straat 1] te [plaats] gearrangeerd waar [slachtoffer] kon verblijven en/of klanten ontvangen en/of
- het door [slachtoffer] verdiende geld ingenomen en/of door [slachtoffer] laten afdragen;”
6. Op de terechtzitting in hoger beroep van 15 december 2021 heeft de advocaat-generaal op grond van art. 313 Sv, welk artikel volgens art. 415 lid 1 Sv ook in hoger beroep van toepassing is, gevorderd dat de tenlastelegging wordt gewijzigd. De tenlastelegging zou volgens de op schrift gestelde en ter terechtzitting aan het hof overlegde vordering tot wijziging als volgt moeten komen te luiden, waarbij de dikgedrukte passages nieuw zijn:
“hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 oktober 2014 t/m 8 december 2014 te [plaats] , althans in Nederland, (lid 3 sub 1) tezamen en in vereniging met een ander of anderen,
A. (prostitutie)
een ander, te weten [slachtoffer] (geboren op [geboortedatum] 1997),
(sub 2) heeft geworven en/of vervoerd en/of overgebracht, en/of gehuisvest en/of opgenomen (telkens) met het oogmerk van uitbuiting van die [slachtoffer] , terwijl die [slachtoffer] de leeftijd van 18 jaar nog niet had bereikt en/of
(sub 5) ertoe heeft gebracht zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met of voor een derde tegen betaling dan wel ten aanzien van die [slachtoffer] enige handeling heeft ondernomen waarvan hij wist en/of moest vermoeden dat die [slachtoffer] zich daardoor beschikbaar zou stellen tot het verrichten van die handelingen terwijl die [slachtoffer] de leeftijd van 18 jaar nog niet had bereikt en/of
B. (prostitutie)
(sub 8) opzettelijk voordeel heeft getrokken uit de seksuele handelingen van [slachtoffer] (roepnaam [slachtoffer] ) met of voor een derde tegen betaling terwijl die [slachtoffer] de leeftijd van 18 jaar nog niet had(den) bereikt
immers heeft/hebben verdachte of (één van) de medeverdachte(n)
- [slachtoffer] opgedragen, althans gevraagd, om seks te hebben met anderen voor geld en/of
- [slachtoffer] opgedragen, althans gevraagd, seksueel/erotisch getinte foto’s te maken van zichzelf en naar hem op te sturen en/of zelf seksueel/erotisch getinte foto's van die [slachtoffer] gemaakt en/of
- een aantal werknamen voor [slachtoffer] aangemaakt waarmee zij als prostituee adverteerde en/of
- een of meerdere seksadvertenties gemaakt van die [slachtoffer] en die seksadvertenties op diverse sekssites geplaatst en/of
- de seksadvertenties van [slachtoffer] omhoog gebeld en/of
- die [slachtoffer] in het bezit gesteld van een of meer klantentelefoons en/of
- de klantentelefoons van die [slachtoffer] beheerd en/of
- [slachtoffer] naar klanten gebracht en/of
- een woning aan de [a-straat 1] te [plaats] en/of [b-straat 1] te [plaats] gearrangeerd waar [slachtoffer] kon verblijven en/of klanten ontvangen en/of
- het door [slachtoffer] verdiende geld ingenomen en/of door [slachtoffer] laten afdragen;
C. (webcamseks)
op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 december 2014 t/m 9 december 2014 te [plaats] , althans in Nederland, (lid 3 sub 1) tezamen en in vereniging met een ander of anderen,
een ander, te weten [slachtoffer] (geboren op [geboortedatum] 1997),
(sub 2) heeft geworven (telkens) met het oogmerk van uitbuiting van die [slachtoffer] , terwijl die [slachtoffer] de leeftijd van 18 jaar nog niet had bereikt en/of
(sub 5) ertoe heeft gebracht zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met of voor een derde tegen betaling dan wel ten aanzien van die [slachtoffer] enige handeling heeft ondernomen waarvan hij wist en/of moest vermoeden dat die [slachtoffer] zich daardoor beschikbaar zou stellen tot het verrichten van die handelingen terwijl die [slachtoffer] de leeftijd van 18 jaar nog niet had bereikt
immers heeft/hebben verdachte of (één van) de medeverdachte(n)
- [slachtoffer] opgedragen, althans gevraagd, om webcamseks te verrichten”.
7. Het hof heeft deze vordering tot wijziging van de tenlastelegging toegewezen.
Conclusie
54. De middelen falen en kunnen worden afgedaan met de aan art. 81 lid 1 RO ontleende motivering.
55. Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoort te geven.
56. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
HR 14 november 2023, ECLI:NL:HR:2023:1559, r.o. 2.5. Deze vooropstelling betreft een herhaling van het kader dat de Hoge Raad schetste in HR 1 februari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BM9102, NJ 2011/394 m.nt. Y. Buruma.
HR 30 november 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZD1723 (niet gepubliceerd op rechtspraak.nl), NJ 2000/93, r.o. 3.2.
HR 20 september 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ6723, NJ 2011/517, m.nt. J.M. Reijntjes, r.o. 2.3.2.
Zie bijvoorbeeld HR 18 juni 2019, ECLI:NL:HR:2019:973, NJ 2019/463, m.nt. J.M. Reijntjes, r.o. 2.6.
Vgl. HR 8 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1686, NJ 2014/527, m.nt. J.M. Reijntjes, r.o. 2.4 en HR 14 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:712, NJ 2019/254, m.nt. J.M. Reijntjes, r.o. 2.4.
Vgl. HR 2 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3474, NJ 2015/390, m.nt. P.A.M. Mevis, r.o. 3.2.3 en HR 16 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3637, NJ 2015/391, m.nt. P.A.M. Mevis, r.o. 3.1-3.3.
HR 20 april 2021, ECLI:NL:HR:2021:576, NJ 2021/173, m.nt. J.M. Reijntjes, r.o. 2.9.2.
Zie HR 5 juli 2022, ECLI:NL:HR:2022:975, NJ 2023/129, m.nt. J.M. ten Voorde, r.o. 3.4.
HR 5 juli 2022, ECLI:NL:HR:2022:975, NJ 2023/129, m.nt. J.M. ten Voorde, r.o. 3.5.3.
Conclusie
Het proces-verbaal van de terechtzitting van 15 december 2021 houdt daarover het volgende in:
“Na gehouden beraad deelt de voorzitter als beslissing van het hof mede dat de vordering tot wijziging van de tenlastelegging wordt toegewezen. Het verwijt met betrekking tot de webcamseks komt naar voren uit het dossier, is ter terechtzitting in eerste aanleg al aan de orde geweest, wordt ook genoemd in het vonnis van de rechtbank en valt tevens onder de delictsomschrijving van mensenhandel in artikel 273f van het Wetboek van Strafrecht. De toevoeging van de webcamseks aan de tenlastelegging valt binnen pleegperiode, zij het dat die periode met één dag is verlengd naar 9 december 2014. Er is een verduidelijking van de tenlastelegging gekomen door het woord webcamseks expliciet te benoemen. Dit alles afwegende is het hof van oordeel dat er sprake is van hetzelfde feit.”
8. Voorts heeft het hof kennelijk aanleiding gezien om in zijn arrest van 17 januari 2023 een overweging te wijden aan de wijziging van de tenlastelegging. Deze overweging luidt als volgt:
“Ten aanzien van de gewijzigde tenlastelegging overweegt het hof het volgende: in de tenlastelegging die de grondslag vormde voor het vonnis van de rechtbank, kwam de term webcamseks niet voor, terwijl daar wel over gesproken werd in WhatsApp-gesprekken, die zich in het dossier bevinden. Bij de verdediging leidde dat tot onduidelijkheid, omdat het voor de verdediging niet duidelijk was of de activiteiten met betrekking tot de webcamseks onder de reikwijdte vielen van de tenlastelegging. In verband daarmee werd door de verdediging bij de rechtbank aangevoerd dat de dagvaarding nietig was. Dat verweer werd verworpen door de rechtbank. Zowel de officier van justitie als de rechtbank gingen er (blijkens het requisitoir en het vonnis) vanuit dat de tenlastelegging inderdaad ook zag op de activiteiten met betrekking tot de webcamseks.
Om de onduidelijkheid (voor de verdediging) weg te nemen, vorderde de advocaat-generaal een wijziging van de tenlastelegging op de zitting van 15 december 2021. Meende de verdediging in eerste aanleg nog dat onduidelijk was of de activiteiten met betrekking tot de webcamseks onder de tenlastelegging vielen, in hoger beroep was de verdediging kennelijk die mening niet meer toegedaan, omdat de verdediging meende dat door de wijziging van de tenlastelegging (tevens) een ander feit werd tenlastegelegd.
Zoals uit het proces-verbaal van de zitting van 15 december 2021 blijkt, was het hof het niet eens met de visie van de verdediging en stond het de wijziging toe. Kern van het verwijt dat de verdachte werd en wordt gemaakt was en is immers dat hij in de ten laste gelegde periode het oogmerk had op de seksuele exploitatie van de minderjarige [slachtoffer] , dat hij haar ertoe heeft gebracht zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van seksuele handelingen tegen betaling en dat hij daarvan heeft geprofiteerd. Naar het oordeel van het hof hoeft niet elk aspect van de seksuele exploitatie zoals die uit het dossier blijkt, in de tenlastelegging te worden opgenomen, maar voor de duidelijkheid in deze zaak was het wel beter geweest als ten aanzien van het sekswerk in de feitelijke uitwerking niet alleen de prostitutie was genoemd, maar ook de webcamseks.
Om de onduidelijkheid weg te nemen was overigens de uitgebreide wijziging (waarbij de prostitutie en de webcamseks uit elkaar werden gehaald) niet nodig geweest. Die duidelijkheid had reeds bereikt kunnen worden door te stellen dat de tenlastelegging ook zag op de webcamseks (zoals de officier van justitie en de rechtbank hebben gedaan), dan wel door een beperkte wijziging van de tenlastelegging te vorderen, inhoudende dat bij de feitelijke uitwerking één gedachtestreepje werd toegevoegd met de tekst (dat verdachte) [slachtoffer] (heeft) opgedragen, althans gevraagd, om webcamseks te verrichten.”
9. Voor de beoordeling van het middel geldt het volgende juridisch kader. Op grond van art. 313 lid 1 jo. 415 lid 1 Sv kan de advocaat-generaal vorderen dat de tenlastelegging in hoger beroep wordt gewijzigd. De tweede volzin van het tweede lid van art. 313 Sv bevat een belangrijke beperking voor het toelaten van een wijziging van de tenlastelegging: die kan niet worden toegelaten als “de tenlastelegging niet langer hetzelfde feit, in den zin van artikel 68 van het Wetboek van Strafrecht zou inhouden”.
10. De vraag bij de beoordeling van een vordering tot wijziging van de tenlastelegging is dus of de voorgestelde wijziging meebrengt dat de nieuwe tenlastelegging niet langer ziet op “hetzelfde feit” als de oude tenlastelegging. Daarvoor moet de rechter de in de tenlastelegging omschreven verwijten vergelijken met de verwijten die in de vordering tot wijziging van de tenlastelegging omschreven staan. Bij die vergelijking dient de rechter volgens bestendige jurisprudentie van de Hoge Raad de volgende gegevens als relevante factoren te betrekken:
“(A) De juridische aard van de feiten. Als de tenlastegelegde feiten niet onder dezelfde delictsomschrijving vallen, kan de mate van verschil tussen de strafbare feiten van belang zijn, in het bijzonder wat betreft (i) de rechtsgoederen ter bescherming waarvan de onderscheiden delictsomschrijvingen strekken, en (ii) de strafmaxima die op de onderscheiden feiten zijn gesteld, in welke strafmaxima onder meer tot uitdrukking komt de aard van het verwijt en de kwalificatie als misdrijf dan wel overtreding.
(B) De gedraging van de verdachte. Als de tenlasteleggingen niet dezelfde gedraging beschrijven, kan de mate van verschil tussen de gedragingen van belang zijn, zowel wat betreft de aard en de kennelijke strekking van de gedragingen als wat betreft de tijd waarop, de plaats waar en de omstandigheden waaronder zij zijn verricht.
Uit de bewoordingen van het begrip ‘hetzelfde feit’ vloeit al voort dat de beantwoording van de vraag wat daaronder moet worden verstaan, mede wordt bepaald door de omstandigheden van het geval. Vuistregel is echter dat een aanzienlijk verschil in de juridische aard van de feiten en/of in de gedragingen tot de slotsom kan leiden dat geen sprake is van ‘hetzelfde feit’ in de zin van artikel 68 Sr.”
11. De toe- of afwijzing van een vordering tot wijziging van de tenlastelegging behoeft geen motivering. Ook art. 359 lid 2 Sv is niet van toepassing op een dergelijke beslissing. Voor zover het middel dus klaagt dat de vordering tot wijziging van de tenlastelegging ontoereikend is gemotiveerd, gaat het uit van een eis die het recht niet kent. Daarom faalt het middel in zoverre.
12. In de toelichting op het middel wordt vervolgens in de kern aangevoerd dat de onder “C. (webcamseks)” toegevoegde feiten een ander feitencomplex betreffen, met een andere (deels zelfs uitgebreide) pleegperiode, met bovendien andere medeverdachten en verschillende tegengeworpen feitelijke gedragingen. Daardoor zou volgens de steller van het middel – gemeten langs “(B) gedraging van de verdachte” – geen sprake zijn van “hetzelfde feit” als bedoeld in art. 68 Sr.
13. Anders dan in de meeste zaken over deze thematiek, staat in het onderhavige geval de juridische aard van de feiten niet ter discussie. Zowel de oorspronkelijke tenlastelegging als de vordering tot wijziging van de tenlastelegging is toegesneden op art. 273f lid 1 sub 2 en sub 5 Sr. Het gaat hier vooral over de door de Hoge Raad onder (B) genoemde beoordelingsfactor, zoals weergegeven onder 10 van deze conclusie. Als de tenlastelegging en de vordering tot wijziging niet dezelfde gedraging beschrijven, is de mate van verschil tussen die gedragingen van belang. Daarbij moet dan worden gelet op de aard en de kennelijke strekking van de gedragingen, alsmede op (i) de tijd waarop, (ii) de plaats waar en (iii) de omstandigheden waaronder deze gedragingen zijn verricht. Als vuistregel geldt dat een “aanzienlijk verschil” in de gedragingen kan meebrengen dat geen sprake is van ‘hetzelfde feit’ als bedoeld in artikel 68 Sr.
14. De in de oorspronkelijke tenlastelegging onder A. en B.
Conclusie
(zie onder 5 van deze conclusie) aan de verdachte verweten gedragingen komen erop neer dat de verdachte in of omstreeks de periode tussen 1 oktober 2014 en 8 december 2014 [slachtoffer] heeft geworven en/of vervoerd en/of overgebracht met het oogmerk op de uitbuiting van haar, dat hij haar ertoe heeft gebracht zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van seksuele handelingen tegen betaling en dat hij daarvan heeft geprofiteerd. Dat zou de verdachte gedaan hebben door de onder de tien gedachtestreepjes opgenomen feitelijke gedragingen, onder meer door [slachtoffer] op te dragen, althans te vragen om seks te hebben met anderen voor geld en seksueel/erotisch getinte foto’s van zichzelf te maken en naar hem te sturen. Ook heeft de verdachte volgens de tenlastelegging seksadvertenties voor [slachtoffer] gemaakt, haar in bezit gesteld van een of meer klantentelefoons en haar naar klanten gebracht. De vordering tot wijziging van de tenlastelegging (zie onder 6 van deze conclusie) voegt aan die tenlastelegging het onder “C. (webcamseks)” genoemde feit toe. Ook daarin wordt de verdachte – net als in de oorspronkelijke tenlastelegging – verweten dat hij [slachtoffer] heeft geworven met het oogmerk op de uitbuiting van haar en dat hij haar ertoe heeft gebracht zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van seksuele handelingen tegen betaling, maar nu in of omstreeks de periode tussen 1 december 2014 en 9 december 2014. Feitelijk komt het handelen van de verdachte er volgens de vordering tot wijziging op neer dat de verdachte [slachtoffer] heeft opgedragen, althans gevraagd, om webcamseks te verrichten. Het feitencomplex dat aan het onder C. tenlastegelegde ten grondslag ligt – zo kan aan de steller van het middel worden toegegeven – verschilt daarmee in enigerlei mate van de onder A. en B. genoemde feitelijke gedragingen.
15. Het standpunt van de steller van het middel dat er na de wijziging van de tenlastelegging niet langer sprake is van “hetzelfde feit” als bedoeld in art. 68 Sr, kan ik echter niet volgen. Daarbij neem ik in de eerste plaats in aanmerking dat de juridische aard van de feiten identiek is, in die zin dat zowel de tenlastelegging als de vordering tot wijziging betrekking heeft op art. 273f lid 1 sub 2 en 5 Sr, hetgeen in cassatie niet wordt betwist. Voorts loopt de aard en strekking van de omschreven gedragingen naar mijn oordeel slechts in beperkte mate uiteen. In beide gevallen is het verwijt aan de verdachte immers dat hij [slachtoffer] heeft opgedragen of gevraagd om seksueel getinte handelingen te verrichten. Het verschil tussen het aanzetten tot prostitutie en het aanzetten tot webcamseks zie ik op feitelijk niveau wel, maar vind ik in verband met de vraag of sprake is van “hetzelfde feit” als bedoeld in art. 68 Sr slechts een beperkt gewicht in de schaal leggen. Voorts heeft te gelden dat de gedragingen wat betreft de tijd waarop, de plaats waar en de omstandigheden waaronder zij zijn verricht, ook in sterke mate overeenkomen. De gedragingen zijn verricht tegen hetzelfde slachtoffer in de context van dezelfde, (mede) door de verdachte geïnitieerde seksuele uitbuiting van het slachtoffer. Bovendien gaat het telkens om de pleegplaats “ [plaats] , althans in Nederland”, terwijl de tenlastegelegde pleegperiode van het onder C tenlastegelegde (in of omstreeks de periode van 1 december 2014 t/m 9 december 2014) kan worden geacht te vallen binnen de pleegperiode van de oorspronkelijke tenlastelegging (in of omstreeks de periode van 1 oktober 2014 t/m 8 december 2014). Dat de tenlastegelegde periode van het onder C. genoemde feit één dag langer voortduurt dan die van de onder A. en B. genoemde gedragingen, doet daaraan gelet op het gebruik van “in of omstreeks” niet af.
16. Gelet op al het voorgaande geeft de beslissing van het hof tot toewijzing van vordering tot wijziging van de tenlastelegging geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting.
17. Het middel faalt.
Het tweede middel
18. Het middel bevat de klacht dat het onder C. bewezenverklaarde feit onvoldoende met redenen is omkleed, omdat de bewezenverklaring niet uit de bewijsmiddelen kan worden afgeleid en omdat niet genoegzaam gerespondeerd is op ter zake gevoerde verweren.
19. Ten laste van de verdachte is onder C. bewezenverklaard dat hij:
“C. (webcamseks)
in de periode van 1 december 2014 t/m 8 december 2014 te [plaats] , althans in Nederland,
een ander, te weten [slachtoffer] (geboren op [geboortedatum] 1997),
(sub 2) heeft geworven (telkens) met het oogmerk van uitbuiting van die [slachtoffer] , terwijl die [slachtoffer] de leeftijd van 18 jaar nog niet had bereikt; en
(sub 5) ertoe heeft gebracht zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met of voor een derde tegen betaling, terwijl die [slachtoffer] de leeftijd van 18 jaar nog niet had bereikt;
immers heeft verdachte:
- [slachtoffer] opgedragen, althans gevraagd, om webcamseks te verrichten.”
20. Blijkens de toelichting valt het middel in twee klachten uiteen.
21. De eerste klacht houdt in dat uit de bewijsmiddelen niet volgt dat sprake is geweest “van enige opdracht tot c.q. vraag naar webcamseks of het verrichten van seksuele handelingen”. Gelezen in samenhang met het door de steller van het middel geciteerde onderdeel van de in hoger beroep overlegde pleitnotities, begrijp ik deze klacht zo dat wordt geklaagd dat uit de bewijsmiddelen niet volgt dat de activiteiten met betrekking tot de webcam seksueel van aard zijn.
22. Uit de voor het bewijs gebruikte WhatsApp-gesprekken tussen de verdachte en [slachtoffer] (bewijsmiddel 19) volgt dat er voor [slachtoffer] een account is aangemaakt op de website ‘[website]’ en dat de verdachte van [slachtoffer] verlangde dat zij “elke dag minimaal 2/3 uurtjes op die cam shit gaat”. Uit latere WhatsApp-gesprekken kan worden afgeleid dat het [slachtoffer] niet lukt om foto’s aan dat account toe te voegen en dat de verdachte vervolgens vraagt om de foto’s naar hem te sturen zodat iemand anders dat kan regelen. Vervolgens heeft [slachtoffer] via WhatsApp een aantal erotische foto’s naar de verdachte gestuurd.
23. Het hof heeft onder het kopje “Overwegingen met betrekking tot het bewijs” voorts het volgende overwogen:
“Het hof is het niet eens met de verdediging dat uit het bewijs niet zou blijken dat de activiteiten met betrekking tot de webcam zouden zien op seksuele handelingen. [slachtoffer] probeerde immers voor haar profiel foto’s te plaatsen en toen ze dat niet voor elkaar kreeg moest ze die foto’s naar verdachte sturen. Het ging hierbij om erotische foto’s van [slachtoffer] .”
24. Uit de bewijsmiddelen blijkt genoegzaam dat het de bedoeling was foto’s van [slachtoffer] toe te voegen aan het account op ‘[website]’, om vervolgens flink geld te kunnen verdienen met webcamactiviteiten die minimaal 3 uren per dag zouden moeten plaatsvinden. Hieruit heeft het hof kunnen afleiden dat het om erotische foto’s ging en dat de activiteiten met betrekking tot de webcam zagen op seksuele handelingen. Dat oordeel is niet onbegrijpelijk en is – ook gelet op het ter zake gevoerde verweer van de verdediging – toereikend gemotiveerd. Daaraan doet niet af dat uit het bewijs niet blijkt dat deze foto’s daadwerkelijk zijn gebruikt voor het account, omdat het hof deze foto’s slechts gebruikt om te onderbouwen dat het de kennelijke bedoeling van de verdachte was om [slachtoffer] via het account seksuele handelingen voor de webcam te laten verrichten.
25. De eerste klacht faalt.
26. De tweede klacht houdt in dat het oordeel van het hof dat [slachtoffer] “daadwerkelijk is aangeworven, althans dat zij daadwerkelijk is gebracht tot het verrichten van seksuele handelingen” niet zonder meer begrijpelijk is, omdat uit de bewijsmiddelen niet kan volgen dat [slachtoffer] daadwerkelijk bereid was tot het verrichten van dergelijke gedragingen.
27.
Conclusie
Het berichtenverkeer waar de steller van het middel naar verwijst, is door het hof als bewijsmiddel 19 voor het bewijs gebruikt. Ik citeer daar een aantal onderdelen van:
“op pagina 365:
Vervolg van berichtenwisseling op telefoon met nummer [telefoonnummer 1] tussen de nummers [telefoonnummer 2] [uit het bewijsmiddel begrijp ik: de verdachte, DP] en [telefoonnummer 1] [uit het bewijsmiddel begrijp ik: [slachtoffer] , DP] op 2 december 2014.
Van [telefoonnummer 2]:
Om 16:21:50 uur: Weet je hoe je zo een account aan kan maken?
Van [telefoonnummer 1]:
Om 16:22:43 uur: jaa.
Van [telefoonnummer 2]:
Om 16:24:19 uur: Dan kijk ik eerst even of ik wat met me broer kan fixxe.
Om 16:24:40 uur: Dat hij alleen een rekening fixt.
Om 16:24:50 uur: Als dat geregeld is kan je account maken dus?
Van [telefoonnummer 1]:
Om 16:25:20 uur: okeoke je broer appte me net nog.
Van [telefoonnummer 2]:
Om 16:25:32 uur: Voor wat.
Van [telefoonnummer 1]:
Om 16:25:42 uur: oh geld.
Om 16:26:02 uur: of ik nog kwam.
Van [telefoonnummer 2]:
Om 16:26:41 uur: Luister elke dag minimaal 3 uurtjes op dat ding. Op dit geld kunnen we rekenen snap je dus elke dag minimaal 3 uur.
Van [telefoonnummer 1]:
Om 16:27:49 uur: okee is goeddd.
[…]
Van [telefoonnummer 1]:
Om 18:33:48 uur: baby.
Om 18:34:15 uur: bij die site account maken moet je een bsn nummer hebben kutzooi.
Van [telefoonnummer 2]:
Om 18:35:34 uur: Geef die site aan me broer hij gaat die account maken.
Van [telefoonnummer 1]:
Om 18:36:05 uur: welke? [betrokkene 1]? of bedoel je die neef?
Van [telefoonnummer 2]:
Om 18:36:14 uur: [betrokkene 1]
Van [telefoonnummer 1]:
Om 18:36:20: okeoke.
Om 18:41:00: er zijn twee sites trouwens maar ik doe gewoon zelfde als [betrokkene 2].
Van [telefoonnummer 2]:
Om 18:51:28 uur: Ik heb je die site gestuurd.
Van [telefoonnummer 1]:
Om 19:08:29 uur: ja schat.
Om 20:30:58 uur: is het al gefixt die ding.
Van [telefoonnummer 2]:
Om 20:52:54 uur: We zijn nog bezig.
[…]
op pagina 359:
Vervolg van berichtenwisseling op telefoon met nummer [telefoonnummer 1] tussen de nummers [telefoonnummer 2] en [telefoonnummer 1] op 3 december 2014.
Van [telefoonnummer 2]:
Om 19:38 uur: ken je die bedragen van die site en heb je die tabel gezien van hoeveel je kan verdienen.
Van [telefoonnummer 1]:
Om 19:38 uur: jaaa.
Van [telefoonnummer 2]:
Om 19:39 uur: oke. Wil je het houden op 3 uur of je we doen er wat bij.
Van [telefoonnummer 1]:
Om 19:39 uur: Sowieso 3 uur soms meer boo.
Van [telefoonnummer 2]:
Om 19:40 uur: oke vanaf dat die account binnen is gaan we er weer even tegen aan. Voor we het weten is het januari en hebben we iets moois klaarliggen.
[…]
op pagina 369:
Vervolg van berichtenwisseling op telefoon met nummer [telefoonnummer 1] tussen de nummers [telefoonnummer 2] en [telefoonnummer 1] op 4 december 2014.
Van [telefoonnummer 2]:
Om 14:42:26 uur: Is met gegevens van een [betrokkene 3].
Om 14:45:52 uur: Ga maar meteen aan de slag.
Van [telefoonnummer 1]:
Om 15:57:49 uur: is goeddd.
Van [telefoonnummer 2]:
Om 17:57:36 uur: Dus vandaag pak je ook paar uurtjes toch.
Van [telefoonnummer 1]:
Om 18:34:41 uur: ja boo ga zo dan maar even beginnen.
Om 18:35:01 uur: heb waarschijnlijk ook normaal werk gevonden dus nog meer geld.
Om 18:35:27 uur: of nou ja normaal... ook niet echt maar ik bedoel iets wat niet illegaal is.
Van [telefoonnummer 2]:
Om 18:41:50 uur: Wat dan?
Van [telefoonnummer 1]:
Om 18:43:54 uur: als danseres bij feestjes in zo’n club.
Van [telefoonnummer 2]:
Om 18:44:24 uur: Gaat dat je uren niet tekort doen?
Van [telefoonnummer 1]:
Om 18:45:05 uur: maar als je het liever niet wil begrijp ik ook wel.
Van [telefoonnummer 2]:
Om 18:45:39 uur: Nee is goed. Maar maak je uren.
Van [telefoonnummer 1]:
Om 18:45:44 uur: want wat we nu doen levert ons wel meer op.
Om 18:46:27 uur: baby dat profiel wat in die mail staat is dat al aangemaakt.
Van [telefoonnummer 2]:
Om 18:48:05 uur: ja.
Om 18:48:34 uur: Profielnummer: [001]. Pincode: [002].
Om 18:49:24 uur: Maar kijk je moet wel die voicemail shit instellen enzo.
Om 18:49:29 uur: Foto’s erop zetten.
Op pagina 370:
Vervolg van berichtenwisseling op telefoon met nummer [telefoonnummer 1] tussen de nummers [telefoonnummer 2] en [telefoonnummer 1] op 4 december 2014.
Van [telefoonnummer 2]:
Om 18:51:34 uur: Maar dat kan jij wel fixxe toch.
Van [telefoonnummer 1]:
Om 18:57:42 uur: jaa.
Om 19:00:44 uur: vanaf morgen gaat er veel geld komen boo.
Om 19:07:53 uur: mijn laptop is nu laden daarna beginnen denk ik.
[…]
Berichtenwisseling op telefoon met nummer [telefoonnummer 1] tussen de nummers [telefoonnummer 2] en [telefoonnummer 1] op 5 december 2014.
Van [telefoonnummer 1]:
Om 9:01:13 uur: ik ga nu beginnen met die shit.
Van [telefoonnummer 2]:
Om 11:25:44 uur: Aii en lukt het een beetje?
Van [telefoonnummer 1]:
Om 11:30:04 uur: neee babe.
Van [telefoonnummer 2]:
Om 11:31:02 uur: je weet toch hoe die shit werkt.
Van [telefoonnummer 1]:
Om 11:31:27 uur: ja maar niet hoe je die shit in begin instelt.
Om 11:31:44 uur: heb wel 100 foto’s geprobeerd geen één is goed.
[…]
op pagina 372:
Vervolg van berichtenwisseling op telefoon met nummer [telefoonnummer 1] tussen de nummers [telefoonnummer 2] en [telefoonnummer 1] op 5 december 2014.
[…]
Van [telefoonnummer 2]:
Om 18:33:48 uur: Vanavond worden die foto’s geregeld.
Om 18:34:03 uur: Heb al iemand maar die is vanavond pas op lappie om dat te fixxe.
Van [telefoonnummer 1]:
Om 18:34:13 uur: oke boo dan kan ik vannacht maybe beginnen.
Van [telefoonnummer 2]:
Om 18:34:39 uur: Ja toch.
op pagina 373:
Berichtenwisseling op telefoon met nummer [telefoonnummer 1] tussen de nummers [telefoonnummer 2] en [telefoonnummer 1] op 6 december 2014.
Van [telefoonnummer 2]:
Om 10:09:10 uur: Die foto’s lukken niet. Maar kijk hoe je dat gaat fixxe.
Om 10:09:40 uur: Kk foto's kunnen je niet tegenhouden om te beginnen.
Van [telefoonnummer 1]:
Om 10:18:28 uur: ja precies schat ben home alone today dus kan goed verdienen.”
28. Deze klacht is gebaseerd op de onjuiste veronderstelling dat uit de bewijsmiddelen niet kan volgen dat [slachtoffer] daadwerkelijk bereid was tot het verrichten van seksuele gedragingen voor de webcam en faalt daarom. Anders dan de steller van het middel betoogt, kan uit dit berichtenverkeer, mede gelet op hetgeen naar aanleiding van de eerste klacht is overwogen, naar mijn oordeel wel degelijk volgen dat [slachtoffer] bereid was tot het verrichten van dergelijke gedragingen. Zo geeft zij daarin meerdere keren bevestigend antwoord op de daartoe strekkende vragen van de verdachte en geeft zij een aantal keren aan dat ze gaat beginnen. Verder kan uit het op 5 december 2014 gevoerde gesprek worden afgeleid dat [slachtoffer] op die dag een poging doet om te beginnen, maar dat dit niet lukt omdat ze de foto’s niet ingesteld krijgt en geeft zij in het gesprek op 6 december 2014 aan dat zij die dag alleen thuis is en dus goed kan verdienen.
29. Het middel faalt in al zijn onderdelen.
Het derde middel
30. Het middel houdt in dat het onder A. en B.
Conclusie
bewezenverklaarde feit onvoldoende met redenen is omkleed, omdat de bewezenverklaring niet uit de bewijsmiddelen kan worden afgeleid en omdat niet genoegzaam is gerespondeerd op ter zake gevoerde verweren.
31. Ten laste van de verdachte is onder A. en B. bewezenverklaard dat:
“hij in de periode van 1 oktober 2014 tot en met 8 december 2014 in Nederland
(lid 3 sub 1) tezamen en in vereniging met een ander,
A. (prostitutie)
een ander, te weten [slachtoffer] (geboren op [geboortedatum] 1997),
(sub 2) heeft geworven (telkens) met het oogmerk van uitbuiting van die [slachtoffer] , terwijl die [slachtoffer] de leeftijd van 18 jaar nog niet had bereikt; en
(sub 5) ertoe heeft gebracht zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met of voor een derde tegen betaling, terwijl die [slachtoffer] de leeftijd van 18 jaar nog niet had bereikt: en
B. (prostitutie)
(sub 8) opzettelijk voordeel heeft getrokken uit de seksuele handelingen van [slachtoffer] (roepnaam [slachtoffer] ) met of voor een derde tegen betaling, terwijl die [slachtoffer] de leeftijd van 18 jaar nog niet had) bereikt.
immers hebben verdachte of de medeverdachte:
- [slachtoffer] opgedragen, althans gevraagd, om seks te hebben met anderen voor geld; en
- seksueel/erotisch getinte foto’s van die [slachtoffer] gemaakt; en
- een aantal werknamen voor [slachtoffer] aangemaakt waarmee zij als prostituee adverteerde; en
- seksadvertenties gemaakt van die [slachtoffer] en die seksadvertenties op diverse sekssites geplaatst; en
- de seksadvertenties van [slachtoffer] omhoog gebeld; en
- die [slachtoffer] in het bezit gesteld van een klantentelefoon; en
- een woning aan de [a-straat 1] te [plaats] gearrangeerd waar [slachtoffer] klanten kon ontvangen; en
- het door [slachtoffer] verdiende geld ingenomen en/of door [slachtoffer] laten afdragen”.
32. Het hof heeft ten aanzien van het onder A. en B. tenlastegelegde het volgende overwogen:
“Daar waar het gaat om de prostitutiewerkzaamheden kan gesteld worden dat [verdachte] – samen met [medeverdachte 3] – [slachtoffer] heeft geworven met het oogmerk van uitbuiting (sub 2). Verdachte begon met het werven en voor zover [slachtoffer] nog twijfels had, zijn die weggenomen door [medeverdachte 3] . In geval een minderjarige seksueel geëxploiteerd wordt is sprake van uitbuiting. Verdachte en [medeverdachte 3] wisten dat [slachtoffer] minderjarig was, maar niettemin werd zij door hen geworven om in de prostitutie te werken, aldus is dit werven gebeurd met het oogmerk van uitbuiting.
Anders dan de advocaat-generaal ziet het hof onvoldoende aanknopingspunten om tevens de bestanddelen ‘huisvesten’ en ‘opnemen’ bewezen te verklaren. Het enkele feit dat [slachtoffer] een werkplek is verschaft in de woning van [medeverdachte 3] , acht het hof daartoe onvoldoende.
Vanwege het initiërende werk van verdachte en het vervolgens wegnemen van de laatste twijfels en het faciliteren door [medeverdachte 3] geldt bovendien dat zij samen [slachtoffer] ertoe gebracht hebben om zich te prostitueren, zodat ten aanzien van de prostitutiewerkzaamheden ook sub 5 kan worden bewezen.
Het geld dat [slachtoffer] met haar prostitutiewerkzaamheden verdiende moest zij afstaan aan anderen. Een deel van het geld was voor [verdachte] – die het geld via anderen ontving – en een deel van het geld was voor [medeverdachte 3] . Zelf kreeg [slachtoffer] niets. [verdachte] zou het geld voor hen samen bewaren, zodat ze samen een leven konden opbouwen wanneer [verdachte] uit detentie zou komen. Dat door [verdachte] en [medeverdachte 3] geld is verdiend aan de prostitutiewerkzaamheden van [slachtoffer] leidt het hof af uit de verklaring van [slachtoffer] en voorts uit de WhatsApp-berichten tussen [verdachte] en [slachtoffer] , waarin [verdachte] meerdere keren nadrukkelijk aangeeft dat er (weer) geld moet komen. Hoewel deze berichten grotendeels gaan over het starten van webcamsekswerkzaamheden, volgt uit die berichten dat verdachte eerder geld had ontvangen en (opnieuw) wilde verdienen aan door [slachtoffer] te verrichten seksuele handelingen.
Uit de bewijsmiddelen blijkt naar het oordeel van het hof dat [verdachte] en [medeverdachte 3] over en weer wetenschap hadden van elkaars betrokkenheid bij de prostitutiewerkzaamheden van [slachtoffer] en dat er consensus bestond over het feit dat [medeverdachte 3] een deel van de verdiensten van [slachtoffer] kreeg. Uit dit alles blijkt naar het oordeel van het hof ook ten aanzien van sub 8 van een nauwe en bewuste samenwerking tussen [verdachte] en [medeverdachte 3] .
Het hof komt daarmee tot bewezenverklaring van het tenlastegelegde zoals opgenomen in onderdelen A. en B.”
33. Het middel valt blijkens de toelichting in twee (bewijs)klachten uiteen. De eerste klacht is gericht tegen het oordeel van het hof dat sprake is van medeplegen. De tweede klacht gaat over de overweging van het hof dat “de WhatsApp-berichten over beoogde toekomstige opbrengst van het “webcamtraject” als indicatief [kunnen gelden] voor het vermeend genieten van opbrengst uit (eerdere) prostitutiewerkzaamheden”.
34. Ik begin met de eerste klacht. Ten aanzien van ‘sub 2’ heeft het hof geoordeeld dat de verdachte “– samen met [medeverdachte 3] – [slachtoffer] heeft geworven met het oogmerk van uitbuiting”. Ten aanzien van ‘sub 5’ heeft het hof geoordeeld dat “zij samen [medeverdachte [medeverdachte 3] en de verdachte, DP] [slachtoffer] ertoe gebracht hebben om zich te prostitueren”. Ten aanzien van ‘sub 8’ heeft het hof overwogen dat de verdachte en [medeverdachte 3] “over en weer wetenschap hadden van elkaars betrokkenheid bij de prostitutiewerkzaamheden van [slachtoffer] en dat er consensus bestond over het feit dat [medeverdachte 3] een deel van de verdiensten van [slachtoffer] kreeg”. Hieruit blijkt volgens het hof dat er tussen de verdachte en [medeverdachte 3] “ook ten aanzien van sub 8 van een nauwe en bewuste samenwerking [bestond]”.
35. De steller van het middel valt over de door het hof gebruikte woorden “samen”, “over en weer wetenschap” en “consensus” en betoogt dat dit “geen overlappende cirkels [zijn] met “een nauwe en bewuste samenwerking””. Naar mijn oordeel ligt evenwel genoegzaam in de hiervoor geciteerde overweging besloten dat het hof is uitgegaan van een nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en medeverdachte [medeverdachte 3] , die in de kern heeft bestaan uit een gezamenlijke uitvoering van de onder A. en B. tenlastegelegde feiten. Daartoe heeft het hof in verband met sub 2 en sub 5 (kort gezegd) overwogen dat de verdachte is begonnen met het werven van [slachtoffer] voor de prostitutiewerkzaamheden en dat [medeverdachte 3] vervolgens de laatste twijfels heeft weggenomen en daarna de prostitutiewerkzaamheden heeft gefaciliteerd. Voor sub 8 heeft het hof overwogen de verdachte en medeverdachte [medeverdachte 3] wisten van elkaars betrokkenheid en dat [medeverdachte 3] ook een deel van de verdiensten kreeg. Daarmee is de bewezenverklaring van het medeplegen niet onbegrijpelijk en evenmin ontoereikend gemotiveerd.
36. De eerste klacht faalt.
37. Dan de tweede klacht. Deze houdt in dat niet begrijpelijk is hetgeen het hof overweegt omtrent de WhatsApp-berichten over beoogde toekomstige opbrengst van het “webcamtraject” als indicatief voor het vermeend genieten van opbrengst uit (eerdere) prostitutiewerkzaamheden, nu uit de ter zake gehanteerde bewijsmiddelen niet kan blijken dat eerder (met prostitutie) geld is verdiend waaruit de verdachte voordeel heeft getrokken.
38. Het hof heeft uit de verklaringen van [slachtoffer] en uit de WhatsApp-berichten tussen de verdachte en [slachtoffer] afgeleid dat er geld is verdiend aan de prostitutiewerkzaamheden van [slachtoffer] .
Conclusie
[slachtoffer] heeft onder meer verklaard: “Als ik een klant had gehad dan ging een deel naar [medeverdachte 3] en naar [verdachte] [medeverdachte [medeverdachte 3] en de verdachte, DP]. Ik hield daar niets aan over. Ik gaf het geld aan [betrokkene 1] en hij gaf het geld aan zijn broer [verdachte]. Zo ging dat een tijdje door.” (bewijsmiddel 3) en “Neef 1 stond erachter dat ik in de prostitutie zou gaan werken. Hij heeft later geld dat ik had verdiend met de prostitutie van mij in ontvangst genomen. Dit geld heeft hij later naar [verdachte] gebracht. [verdachte] heeft tegen mij gezegd dat ik mijn geld moest afgeven, zodat die neef het naar hem kon brengen.”(bewijsmiddel 4). Uit deze verklaringen van [slachtoffer] heeft het hof kunnen afleiden dat zij het geld dat zij met haar prostitutiewerkzaamheden verdiende, heeft moeten afstaan aan anderen. Een deel van het geld was voor de verdachte en een deel van het geld was voor [medeverdachte 3] . Zelf kreeg zij niets. Wat betreft de WhatsApp-gesprekken tussen de verdachte en [slachtoffer] heeft het hof vastgesteld dat die grotendeels gaan over het starten van websekswerkzaamheden en dat de verdachte daarin meerdere keren nadrukkelijk aangeeft dat er (weer) geld moet komen. Uit de verklaringen van [slachtoffer] en de inhoud van de WhatsApp-berichten heeft het hof daarmee niet onbegrijpelijk afgeleid dat de verdachte eerder geld had ontvangen en (opnieuw) wilde verdienen aan de door [slachtoffer] te verrichten seksuele handelingen.
39. Ook de tweede klacht faalt.
40. Het middel faalt in al zijn onderdelen.
Het vierde middel
41. Het middel bevat de klacht dat de afwijzing van het voorwaardelijk gedane verzoek tot het ter terechtzitting horen van [slachtoffer] onbegrijpelijk is, althans ontoereikend is gemotiveerd.
42. Uit de ter terechtzitting van 13 december 2022 overlegde pleitnota blijkt dat de raadsman van de verdachte het volgende heeft verzocht:
“32. Indien uw Hof zich op grond van (al) het voorgaande nog onvoldoende geïnformeerd mocht achten om tot vrijspraak van het tenlastegelegde te komen, acht de verdediging nader onderzoek noodzakelijk, namelijk:
(a) Het horen van [slachtoffer] , door uw Hof ter terechtzitting, en/of;
(b) Benoeming van een (rechtspsychologisch) deskundige die zich kan uitlaten over (i) de (on)betrouwbaarheid van de verklaringen zoals afgelegd door [slachtoffer] en (ii) de wijze waarop zaken als het door haar beschreven (zeer) intensieve drugsgebruik, de door haar ervaren psychologische problematiek, het door haar ervaren trauma, het door haar doorgemaakte verwerkingsproces en het door haar ondergane behandelingstraject op die (on)betrouwbaarheid van invloed kunnen zijn geweest.
De verdediging verwijst voor de noodzaak ter zake het verrichten van het voormelde onderzoek naar het hiervoor aangevoerde, over de wisselende en inconsistente verklaringen van [slachtoffer] , in het bijzonder als het gaat om de vermeende betrokkenheid van cliënt. Daarbij verwijst zij voorts naar de inhoud van de appelschriftuur, met het verzoek dat als alhier herhaald en ingelast te beschouwen. Verder geldt dat de verdediging verzoekt het verzoek per e-mail d.d. 8 december 2016 als herhaald en ingelast te beschouwen, alsmede hetgeen daarover is verhandeld op de terechtzittingen van 27 februari 2017 en 20/21 november 2017 van de rechtbank, alsmede het verhandelde ter terechtzitting van 4 oktober 2019 en 15 december 2019 bij uw Hof, alsook het daaromtrent toegezonden standpunt per e-mail van 18 februari 2022
Destijds - bij tussenarrest van 18 oktober 2019 - achtte uw Hof beide verzoeken niet noodzakelijk. Ten aanzien van het (nader) horen van [slachtoffer] is daarbij door uw Hof gewezen op de toepasselijkheid van het noodzaakscriterium en op het bepaalde in de EU Richtlijn 2011/36. Uw Hof achtte zich voldoende voorgelicht om de betrouwbaarheid te onderzoeken en ter discussie te stellen, zonder haar opnieuw te horen. Uw Hof wees daarbij op de uitgebreide neerslag van de verklaringen tot dan toe. Ook wees uw Hof erop dat geen nieuwe informatie of bijzondere omstandigheden zijn aangevoerd die nog niet bekend waren ten tijde van de eerdere verhoren, en waarover om die reden alsnog vragen zouden moeten worden gesteld. Ten aanzien van het verzoek tot benoeming van een (rechtspsychologisch) deskundige was uw Hof de noodzaak niet gebleken, nu de vraag naar de geloofwaardigheid en betrouwbaarheid ter beoordeling ligt aan de rechter, en uw Hof zich in staat achtte die vraag zonder voorlichting van een deskundige te beantwoorden. Uw Hof impliceerde eenzelfde oordeel in de (voorzitters-)beslissing van 29 maart 2022.
De verdediging meent evenwel dat in het eerder aangevoerde, in combinatie met het gewicht dat de verklaringen van [slachtoffer] in een eventuele bewijsconstructie zouden toekomen, de noodzaak alsnog is gerezen. Daartoe zijn niet alleen de wisselende en inconsistente verklaringen van belang, maar tevens het gegeven dat zij meermalen zelf heeft aangegeven niet de waarheid te hebben gesproken, terwijl zij bovendien heeft aangegeven tijdens verhoren onder invloed te zijn geweest. Belangrijk is voorts het vermoeden dat de aan- of afwezigheid van haar behandelaar haar verklaringen heeft beïnvloed, terwijl zij voorts meermalen tijdens haar verklaring bij de rechter-commissaris heeft aangegeven dat zij kennelijk het gevoel had dat zij meerdere 'personen' in zich bergt en herhaaldelijk heeft aangegeven dat zij ‘er niet meer uit komt’ of ‘niet meer bij [haar] gevoel komt’. De verdediging meent dat in (al) het aangevoerde een vermoeden ligt besloten dat [slachtoffer] niet alleen onwaarachtig heeft verklaard wanneer dat haar zo uitkwam, maar voorts dat de wijze van verwerking van haar trauma mogelijk haar weergave van gebeurtenissen heeft beïnvloed. Het is in dit kader noodzakelijk dat uw Hof zelf een beeld vormt van de (on)betrouwbaarheid van de verklaringen van de getuige, alsook dat uw Hof zich laat voorlichten over de wijze waarop het door haar beschreven (zeer) intensieve drugsgebruik, de door haar ervaren psychologische problematiek, het door haar ervaren trauma, het door haar doorgemaakte verwerkingsproces en het door haar ondergane behandelingstraject op die (on)betrouwbaarheid van invloed kunnen zijn geweest.
33. Redenen waarom de verdediging het noodzakelijk acht dat voormeld onderzoek wordt gelast, ingeval uw Hof zich nog onvoldoende geïnformeerd mocht achten om op grond van de huidige dossierinhoud tot vrijspraak van het tenlastegelegde te komen. Indien uw Hof tot vrijspraak komt, is een beslissing op het verzoek niet noodzakelijk.”
43. Het hof heeft naar aanleiding van deze verzoeken in zijn arrest van 17 januari 2023 het volgende overwogen en beslist:
“Door de raadsman is – voor zover het hof niet tot vrijspraak zou concluderen – een tweetal voorwaardelijke verzoeken gedaan. Deze verzoeken komen – zakelijk weergegeven – neer op de volgende:
- het horen van aangeefster [slachtoffer] ter terechtzitting van het hof, zodat het hof zich een beeld kan vormen over de (on)betrouwbaarheid van de verklaring van aangeefster; en
- het benoemen van een (rechtspsychologisch) deskundige die zich kan uitlaten over (i) de (on)betrouw baarheid van de verklaringen zoals afgelegd door [slachtoffer] en (ii) de wijze waarop zaken als het door haar beschreven (zeer) intensieve drugsgebruik, de door haar ervaren psychologische problematiek, het door haar ervaren trauma, het door haar doorgemaakte verwerkingsproces en het door haar ondergane behandelingstraject op die (on)betrouwbaarheid van invloed kunnen zijn geweest.
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat beide voorwaardelijke verzoeken moeten worden afgewezen.
Voor het verzoek tot het horen van aangeefster [slachtoffer] heeft het hof gelet op het beoordelingskader zoals dat door de Hoge Raad is gehanteerd in het arrest van 20 april 2021. ECLI:NL:HR:2021:576.
Conclusie
Op het verzoek is het noodzaakcriterium van toepassing. Dat houdt in dat de verdediging moet toelichten waarom het horen van aangeefster noodzakelijk is voor de volledigheid van het onderzoek in de strafzaak en de daarin te nemen beslissingen. Daaraan ligt ten grondslag dat het hof in staat wordt gesteld de relevantie van het verzoek te beoordelen, mede in het licht van de onderzoeksbevindingen zoals deze zich op het moment van het verzoek in het dossier bevinden. Weliswaar hanteert het Europese Hof voor de Rechten van de Mens als uitgangspunt dat getuigen ter zitting worden gehoord, maar daar staat tegenover dat [slachtoffer] als slachtoffer van mensenhandel beschermd moet worden tegen secundaire victimisatie als gevolg van het herhaald ondervragen (zie in dit verband artikel 12 lid 4 van de EU Richtlijn 2011/36).
Aangeefster is reeds in het bijzijn van de verdediging bij de rechter-commissaris gehoord. De verdediging heeft daarbij voldoende de gelegenheid gekregen om aangeefster vragen te stellen – ook over het (na wijziging van de tenlastelegging geredigeerde) deel van de tenlastelegging met betrekking tot de webcamsekswerkzaamheden, waarover aangeefster toen al belastend verklaarde (pagina 102) en waarover op dat moment reeds belastende WhatsApp-berichten tussen [verdachte] en aangeefster in het dossier aanwezig waren, die bovendien tevens redengevend zijn voor de ten laste gelegde prostitutiewerkzaamheden – en is, getuige de pleitnota in hoger beroep, voldoende in staat geweest de betrouwbaarheid van de verklaringen van aangeefster ter discussie te stellen. Van de verhoren bij de politie zijn bovendien geluids- en beeldopnames gemaakt. Daarnaast zijn ook haar verklaringen bij de rechter-commissaris in vraag-antwoord vorm weergegeven. Tenslotte kunnen haar verklaringen vergeleken worden met andere in het dossier opgenomen verklaringen en onderzoeksbevindingen.
Naar het oordeel van het hof kan de betrouwbaarheid van de verklaringen van aangeefster daarmee voldoende worden beoordeeld zonder haar op zitting te horen. Ook gelet op (andere aspecten van) het recht van de verdediging om de getuige te ondervragen, ziet het hof geen noodzaak om de getuige opnieuw te horen. De raadsman heeft niet aangevoerd welke nieuwe informatie of bijzondere omstandigheden er op dit moment zouden zijn, die nog niet bekend waren ten tijde van de eerdere verhoren van [slachtoffer] bij de rechter-commissaris en waarover om die reden alsnog aan de getuige vragen zouden moeten worden gesteld. Het hof acht het voor het beoordelen van de betrouwbaarheid van haar verklaringen niet noodzakelijk om haar zelf te horen. Het hof wijst het verzoek derhalve af.
Voor het verzoek tot het benoemen van een (rechtspsychologisch) deskundige geldt eveneens het noodzaakcriterium. Hetgeen de verdediging daartoe heeft aangevoerd ter onderbouwing herbergt naar het oordeel van het hof niet de noodzaak om dit verzoek toe te wijzen. Het hof merkt daarbij op dat de vraag naar de geloofwaardigheid en betrouwbaarheid van verklaringen ter beoordeling voorligt aan de rechter. Het hof acht zich in staat die vraag te beantwoorden zonder voorlichting van een deskundige. Het verzoek wordt daarom afgewezen.”
44. Het voorwaardelijke verzoek tot het horen van [slachtoffer] is een verzoek als bedoeld in art. 315 Sv jo. 328 Sv, welke bepalingen op grond van art. 415 lid 1 Sv van overeenkomstige toepassing zijn in hoger beroep. De beoordelingsmaatstaf voor deze verzoeken is of de noodzaak daarvan is gebleken. Het hof heeft blijkens zijn hiervoor geciteerde overweging de juiste maatstaf aangelegd. Voor zover de steller van het middel in de toelichting opmerkt dat [slachtoffer] “als een zogenaamde “Keskin-getuige” heeft te gelden”, geldt dat hier geen sprake is van een verzoek waarbij het belang bij het oproepen en horen van een getuige moet worden voorondersteld, zodat van de verdediging geen nadere onderbouwing mag worden verlangd. Dat kader is immers slechts van toepassing als het verzoek betrekking heeft op een getuige ten aanzien van wie de verdediging het ondervragingsrecht nog niet heeft kunnen uitoefenen. Daarvan is in de onderhavige zaak geen sprake omdat de getuige in het bijzijn van de verdediging door de rechter-commissaris is gehoord.
45. Het hof heeft het voorwaardelijke verzoek tot het ter terechtzitting horen van [slachtoffer] bij arrest afgewezen. Daaraan heeft het hof onder meer als argument ten grondslag gelegd dat de verdediging bij de rechter-commissaris reeds voldoende de gelegenheid heeft gekregen om [slachtoffer] vragen te stellen, ook over de later aan de tenlastelegging toegevoegde webcamsekswerkzaamheden. De steller van het middel meent dat de afwijzing in het licht van dat argument niet zonder meer begrijpelijk is, omdat er na de wijziging van de tenlastelegging een beschuldiging aan de tenlastelegging is toegevoegd. Zoals ik de toelichting op het middel begrijp, wordt in de kern betoogd dat er door de wijziging van de tenlastelegging een nieuwe situatie is ontstaan die maakt dat de noodzaak bestond om [slachtoffer] (opnieuw) te horen.
46. Ik kan dat betoog niet volgen. Het hof heeft naar mijn oordeel niet onbegrijpelijk overwogen dat de verdediging bij de rechter-commissaris de gelegenheid heeft gehad om vragen te stellen met betrekking tot de webcamsekswerkzaamheden, nu [slachtoffer] daarover reeds belastend had verklaard en daarover belastende WhatsApp-berichten in het dossier zaten die tevens redengevend zijn voor de tenlastegelegde prostitutiewerkzaamheden. Hoewel de webcamseks destijds niet expliciet in de tenlastelegging werd benoemd, lag het daarmee in de rede dat de verdediging daarover ook vragen had kunnen stellen. Het hof heeft daarom kunnen overwegen dat de verdediging voldoende de gelegenheid heeft gehad om [slachtoffer] vragen te stellen over de webcamsekswerkzaamheden. Daarbij komt bovendien dat het voorwaardelijke verzoek van de verdediging blijkens de onderbouwing (zie onder 42) niet bedoeld was om [slachtoffer] vragen te stellen over het aan de tenlastelegging toegevoegde feit, maar om het hof zich een beeld te laten vormen “over de (on)betrouwbaarheid van de verklaring van aangeefster”. Het hof heeft in respons daarop vervolgens niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd uiteengezet dat de betrouwbaarheid van de verklaringen van [slachtoffer] voldoende kan worden beoordeeld zonder haar op zitting te horen, zodat het hof geen noodzaak om de getuige opnieuw te horen. Daarmee is de afwijzing van het voorwaardelijk verzoek tot het ter terechtzitting horen van [slachtoffer] niet onbegrijpelijk en bovendien toereikend gemotiveerd.
47. Het middel faalt.
Het vijfde middel
48. Het middel bevat een klacht over de strafmotivering. Blijkens de toelichting wordt geklaagd dat het hof in de strafmotivering de verdachte heeft tegengeworpen dat hij ter verdediging gebruik heeft gemaakt van een hem verdragsrechtelijk toekomend recht. Daarmee zou de verdachte volgens de steller van het middel “de facto [worden] gestraft voor het genieten van basale verdedigingsrechten, die hem verdragsrechtelijk toekomen”.
49. Het gaat voor de bespreking van dit middel om het volgende onderdeel van de strafmotivering:
“Het hof heef[t] gelet op de rechterlijke oriëntatiepunten voor straftoemeting. Op basis daarvan neemt het hof als uitgangspunt dat voor mensenhandel als hier aan de orde in beginsel een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van vierentwintig maanden passend en geboden is. In het nadeel van verdachte heeft het hof rekening gehouden met de omstandigheid dat verdachte in weerwil van de belastende feiten en omstandigheden geen enkele verantwoordelijkheid neemt voor zijn handelen. Verdachte is niet ter zitting van het hof verschenen en zowel ter zitting van de rechtbank als bij de politie heeft hij verklaard [slachtoffer] niet te kennen.