Rechtspraak
Parket bij de Hoge Raad
2024-05-28
ECLI:NL:PHR:2024:494
Strafrecht
6,035 tokens
Conclusie
D.J.C. Aben
In de zaak
[betrokkene ] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1981,
hierna: de betrokkene.
Inleiding
1. Het gerechtshof Den Haag heeft bij arrest van 13 april 2022 het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel wordt vastgesteld op een bedrag van € 39.170,34. Ter ontneming hiervan is aan de betrokkene de verplichting opgelegd tot betaling van dat bedrag aan de staat.
2. Het cassatieberoep is ingesteld namens de betrokkene. R.J. Baumgardt en M.J. van Berlo, beiden advocaat te Rotterdam, hebben één middel van cassatie voorgesteld.
3. Het gaat in deze zaak om het in mindering brengen van twee in rechte toegekende vorderingen van de energieleverancier op het voordeel uit de opzettelijke teelt van hennep.
De strafzaak
4. Bij onherroepelijk arrest d.d. 11 april 2018 van het gerechtshof Den Haag is onder 1 bewezen verklaard dat de betrokkene in de periode van 1 maart 2013 tot en met 12 december 2013 (in een pand aan de [a-straat 1] ) te [plaats] samen met een of meer anderen opzettelijk hennep heeft geteeld. Bij dat arrest is onder 4 bewezen verklaard dat de betrokkene in de periode van 1 augustus 2013 tot en met 10 februari 2014 (in een pand aan de [b-straat 1] ) te [plaats] samen met een of meer anderen opzettelijk hennep heeft geteeld. Bewezen verklaard onder 2 respectievelijk 5 is telkens de diefstal in vereniging van elektriciteit die in die twee panden, gedurende de genoemde periodes is weggenomen. De vorderingen van Stedin Netbeheer B.V. tot vergoeding van geleden materiële schade als gevolg van het aan de betrokkene onder 2 respectievelijk 5 bewezen verklaarde zijn telkens hoofdelijk toegewezen tot bedragen van € 5.438,71, en € 3.407,58. Voor dezelfde bedragen zijn tevens schadevergoedingsmaatregelen opgelegd.
Vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel
5. Omtrent de berekening van het voordeel heeft het hof het volgende overwogen (met weglating van voetnoten):
“Op grond van het onherroepelijke arrest in de strafzaak stelt het hof vast dat de betrokkene is veroordeeld voor het telen van hennep in een pand aan de [a-straat ] en in een pand aan de [b-straat ] . Het hof is van oordeel dat de betrokkene door middel van of uit de baten van deze strafbare feiten wederrechtelijk voordeel heeft verkregen.
Overeenkomstig de rechtbank hanteert het hof als uitgangspunt het rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel hennepkwekerij betreffende de [a-straat ] met bijlagen (hierna: ontnemingsrapport [a-straat ] ), en het rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel hennepkwekerij betreffende de [b-straat ] met bijlagen (hierna: ontnemingsrapport [b-straat ] ). Deze rapportages zijn mede gebaseerd op het BOOM-rapport van 1 november 2010. Het hof neemt de berekeningen uit deze ontnemingsrapportages over en maakt de conclusies tot de zijne, tenzij in dit arrest ander wordt vermeld.
[a-straat ]
Gelet op hetgeen in het pand werd aangetroffen dat wijst op in ieder geval een eerdere oogst en de bewezenverklaarde periode in het arrest van de strafzaak acht het hof het aannemelijk dat er drie oogsten zijn geweest. Daarbij neemt het hof voorts in aanmerking dat [betrokkene 1] op 29 mei 2018 heeft verklaard dat er daadwerkelijk drie oogsten zijn gerealiseerd. Het hof ziet geen reden om aan deze verklaring te twijfelen. Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat de stelling namens de betrokkene dat sprake is geweest van twee oogsten onvoldoende onderbouwd is en niet aannemelijk is geworden.
Gebleken is dat er 17 assimilatielampen aanwezig waren. Op basis daarvan wordt uitgegaan van 255 planten.
De totale bruto opbrengst aan hennep per oogst bedraagt in kilogram:
255 planten x 28,2 gram = 7,191 kilogram.
De totale bruto opbrengst per oogst bedraagt:
7,191 kilogram x € 3.280,- = € 23.586,48
De in mindering te brengen kosten per oogst zijn:
Afschrijvingskosten per oogst: 255 planten € 200,--
Hennepstekken per oogst 255 x € 2,85 € 726,75
Variabele kosten per oogst 255 x € 3/33 € 849,15
Daarnaast acht het hof overeenkomstig de raadsman ter zitting in eerste aanleg heeft aangevoerd aannemelijk dat de volgende kosten zijn gemaakt per oogst:
Kosten knippers per oogst: 255 x € 2,- € 510,--
Personeelskosten per oogst 3 x € 100,- € 300,--
Totaal kosten per oogst: € 2.585,90
Berekening voor 3 oogsten:
Totaal opbrengst (3 x € 23.586,48) € 70.759,44
Totaal kosten (3 x € 2.585,90)
€ 7.757,70 -
Totaal verkregen voordeel € 63.001,74
Op dit bedrag worden voorts nog in mindering gebracht:
De kosten van de huur van de woning € 8.000,--
De betaalde elektriciteitskosten € 200,75
Het hof is van oordeel dat de in de strafzaak toegewezen vordering van de benadeelde partij Stedin Netbeheer BV niet in mindering dient te worden gebracht, nu niet is gebleken dat deze vordering reeds is voldaan.
Het hof stelt het totale wederrechtelijk verkregen voordeel voor deze kwekerij dus vast op (€ 63.001,74 - € 8.200,75 =) € 54.800,99.
Overeenkomstig de rechtbank is het hof van oordeel dat aan het dossier en het verhandelde ter terechtzitting geen indicatie valt te ontlenen voor een verdeelsleutel van de opbrengst. De betrokkene heeft zelf geen enkel inzicht willen geven in de verdeelsleutel van de winst uit de kwekerij. Dat de betrokkene zelf geen enkel voordeel heeft genoten, acht het hof niet aannemelijk geworden.
Uit het dossier volgt dat de betrokkene en [betrokkene 1] zijn veroordeeld voor het feitencomplex aan de [a-straat ] . Het hof acht niet aannemelijk geworden dat daarnaast andere personen een deel van de winst hebben ontvangen. Nu geen andere verdeelsleutel aannemelijk is geworden, zal het hof het voordeel in twee gelijke delen verdelen tussen betrokkene en [betrokkene 1] .
Op grond van het voorgaande stelt het hof het wederrechtelijk verkregen voordeel van de betrokkene ten gevolge van de hennepkwekerij aan de [a-straat ] vast op een bedrag van (€ 54.800,99 / 2 =) € 27.400,50.
[b-straat ]
Gelet op hetgeen in dit pand werd aangetroffen dat wijst op in ieder geval één eerdere oogst en de bewezenverklaarde periode in het arrest van de strafzaak acht het hof het aannemelijk dat hier ten minste één eerdere oogst is geweest.
In deze hennepkwekerij zijn 452 hennepplanten aangetroffen.
Conclusie
Op grond van het voorgaande stelt het hof het bedrag, waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat, vast op (€ 27.400,50 + € 11.769,84 =) € 39.170,34.”
Het middel en de toelichting daarop
6. Het middel komt op tegen het oordeel dat de in de strafzaak toegewezen vorderingen van de benadeelde partij Stedin Netbeheer B.V. niet in mindering dienen te worden gebracht, op de grond dat niet is gebleken dat deze vorderingen reeds zijn voldaan.
De bespreking van het middel
7. Het gaat thans om hennepteelt (feiten 1 en 4) en diefstal van elektriciteit (feiten 2 en 5) gedurende de bewezen verklaarde periodes van (feit 1 en 2, [a-straat 1] te [plaats] ) “1 maart 2013 tot en met 12 december 2013” en van (feit 4 en 5, [b-straat 1] te [plaats] ) “1 augustus 2013 tot en met 10 februari 2014”. De feiten 1 en 2, respectievelijk 4 en 5 hangen samen. In het bestreden arrest ligt besloten dat de diefstal van elektriciteit als bedoeld onder 2, respectievelijk 5 betrekking heeft op hennepteelt als bedoeld onder 1, respectievelijk 4. De vraag waarvoor het hof zich gesteld zag luidt: dient op het voordeel uit hennepteelt (feiten 1 en 4) de in rechte toegekende vordering van de partij die door de feiten 2 en 5 is benadeeld, in mindering te worden gebracht?
Het beoordelingskader: de verrekeningsbepaling
8. Op deze vraag ziet het volgende wettelijke voorschrift. Van 1 juli 2011 tot 1 januari 2014 luidde artikel 36e lid 8 Sr:
"Bij de bepaling van de omvang van het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat, worden aan benadeelde derden in rechte toegekende vorderingen in mindering gebracht."
9. Met ingang van 1 januari 2014 is deze ‘verrekeningsbepaling’ gewijzigd. Op het voordeelbedrag wordt de som van de aan benadeelde derden in rechte toegekende vorderingen in mindering gebracht, doch thans voor zover die vorderingen “zijn voldaan”. Deze wetswijziging heeft betrekking op regels van het sanctierecht, zodat op grond van artikel 1 lid 2 Sr bij verandering van wetgeving na het tijdstip waarop het feit is begaan, de voor de betrokkene meest gunstige bepaling moet worden toegepast. De meest gunstige bepaling betreft in dit geval de vóór 1 januari 2014 geldende bepaling.
De toepassing van het voorgaande beoordelingskader op de voorliggende zaak
10. Voor zover het gaat om een in rechte toegekende vordering die geheel of ten dele strekt tot vergoeding van schade die het gevolg is van delicten die zijn begaan vóór 1 januari 2014, betekent het voorgaande dat aan de voorgeschreven verrekening van een in rechte toegekende vordering met het voordeelbedrag in zoverre niet de eis mag worden gesteld dat de betreffende vordering (reeds) is voldaan. Voor zover de bewezen verklaarde feiten hebben plaatsgehad vóór 1 januari 2014, heeft het hof dit miskend door telkens te overwegen dat de vordering van Stedin Netbeheer B.V. “niet in mindering dient te worden gebracht, nu niet is gebleken dat deze vordering is voldaan.” In zoverre is het middel terecht voorgesteld.
11. Naar mijn inzicht moet zulks leiden tot vernietiging. Ik meen bovendien dat de Hoge Raad de zaak niet zelf kan afdoen en dat er aanleiding is voor terugwijzing ervan. De toepassing van de hier besproken ‘verrekeningsbepaling’ is namelijk niet onproblematisch en vergt nader onderzoek (waarvoor in cassatie geen ruimte is).
Terugwijzing nodig? De ‘preciseringen’ van de verrekeningsbepaling (van thans artikel 36e lid 9 Sr)
12. Het voorschrift om het bedrag van de vordering van de benadeelde derde in mindering te brengen op het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat, is door de Hoge Raad in zijn rechtspraak ‘gepreciseerd’ (beperkt). De verrekening van de vordering van de benadeelde derde is naast de eis van ‘toekenning in rechte’ en – met ingang van 1 januari 2014 voor wat betreft delicten van op of na die datum bovendien – de eis dat ‘de vordering is voldaan’ onderworpen aan de volgende cumulatieve voorwaarden (hierna ‘preciseringen’ genoemd):
(1) de toekenning (van de vordering) in rechte is onherroepelijk,
(2) de vordering van de benadeelde partij strekt tot vergoeding van schade die het gevolg is van het delict waarop de ontnemingsvordering (mede) is gegrond, en
(3) het verband tussen het voordeel en de schade: voor verrekening is slechts beschikbaar dat deel van het totale voordeelbedrag waartegenover een daarmee corresponderend nadeel staat. Immateriële schade, letselschade, herstelkosten en dergelijke komen dus op grond van de derde precisering niet in aanmerking voor verrekening. Tegenover dergelijke schade staat immers geen spiegelbeeldig voordeel.
Toepassing van deze preciseringen
13. In cassatie staat niet ter discussie dat aan de eerste precisering is voldaan. Vast staat dat de vorderingen van de benadeelde partij (bij arrest in de strafzaak) onherroepelijk zijn toegekend.
De tweede precisiering kan in deze zaak nog wel tot hoofdbrekens leiden, aangezien de voordeelberekening uitwijst dat het hof de maatregel heeft opgelegd ter ontneming van voordeel uit hennepteelt (feiten 1 en 4), terwijl de vorderingen van de benadeelde partij strekken tot de vergoeding van schade door diefstal van elektriciteit (feiten 2 en 5). Niettemin valt in zaken als deze goed te verdedigen dat de schade van de benadeelde partij niet uitsluitend is veroorzaakt door diefstal van elektriciteit (feiten 2 en 5), maar dat de schade evenzeer voortvloeit uit de hennepteelt waartoe het energieverbruik strekte (feiten 1 en 4). In zoverre kan in cassatie reeds worden aangenomen dat ook aan de tweede precisering is voldaan. Een andersluidende opvatting kan overigens meebrengen dat – vanwege ‘dubbeltelling’ – tekort wordt gedaan aan de ratio van de ontnemingsmaatregel.
14. Thans aandacht voor de derde precisering, de eis dat de schade van de benadeelde partij correspondeert met voordeel waarop de ontnemingsmaatregel het oog heeft. Hieromtrent heeft het hof vastgesteld dat de diefstal van elektriciteit als bedoeld onder feiten 2 en 5 betrekking heeft op de hennepteelt als bedoeld onder de feiten 1, respectievelijk 4. Daarin ligt m.i. besloten dat het door hennepteelt gegenereerde voordeel – op de voet van artikel 36e lid 5, tweede volzin, Sr – mede heeft bestaan uit de besparing van energiekosten die gepaard ging met de diefstal van elektriciteit. Noch het arrest in de strafzaak, noch het bestreden arrest maakt echter duidelijk hoe de vorderingen van Stedin Netbeheer B.V. precies zijn opgebouwd. Strekken zij in volle omvang tot vergoeding van (onbetaald) energieverbruik ten behoeve van de bewezen verklaarde hennepteelt, of ook tot de vergoeding van andere kosten, zoals herstelkosten (waartegenover voor de betrokkene géén corresponderend voordeel stond)? Als gevolg hiervan kan de Hoge Raad niet op basis van enkel ’s hofs vaststellingen beoordelen welk gedeelte van de vorderingen van de benadeelde partij voor verrekening in aanmerking komt.
Nóg een complicatie: de hoofdelijkheid van de toegewezen schuld
15. Ten slotte wijs ik erop dat het hof het voordeel uit de onder 1 en 4 bewezen verklaarde hennepteelt pondspondsgewijs heeft verdeeld tussen twee, respectievelijk drie daders, te weten de betrokkene en [betrokkene 1] , respectievelijk de betrokkene, [betrokkene 2] en [betrokkene 1] . De vorderingen van de benadeelde partij zijn (in de strafzaak) daarentegen hoofdelijk toegewezen. Of er aanleiding is om slechts een evenredig gedeelte van de schuld aan Stedin Netbeheer B.V. op de voet van artikel 36e lid 8 (oud) Sr in mindering te brengen op het aan de betrokkene toegerekende voordeel, is m.i. in eerste instantie aan de ontnemingsrechter.
Conclusie
16. Kortom, het middel is terecht voorgesteld. Zulks dient te leiden tot vernietiging van de bestreden uitspraak én (om meer redenen) tot terugwijzing van de zaak.
Ambtshalve opmerking over de redelijke termijn in cassatie
17. Ambtshalve merk ik op dat namens de verdachte cassatie is ingesteld op 15 april 2022. Dat betekent dat de Hoge Raad uitspraak doet nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Daarmee is de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM overschreden. De rechter naar wie de zaak wordt verwezen kan hiermee bij het bepalen van de betalingsverplichting rekening houden.
Conclusie
18. Het middel slaagt.
19. Anders dan hetgeen ik onder 17 heb opgemerkt, heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
20. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak teneinde op het bestaande beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Het hof merkt bijvoorbeeld op dat de onder feit 5 bedoelde diefstal van elektriciteit “ziet op” de kwekerij die is bedoeld in feit 4. Er is geen reden om te twijfelen aan een soortgelijk verband tussen de hennepkwekerij in het pand aan de [a-straat ] (feit 1) en de aldaar in diezelfde periode weggenomen elektriciteit (feit 2).
Deze bepaling is gewijzigd bij wet van 26 juni 2013 (Stb. 2013, 278). Deze wet is op 1 januari 2014 in werking getreden (Stb. 2013, 336). Deze nieuwe bepaling, die vanaf 1 januari 2014 tot 1 januari 2015 was opgenomen in artikel 36e lid 8 Sr en met ingang van 1 januari 2015 is opgenomen in artikel 36e lid 9 Sr, luidt als volgt: "Bij de bepaling van de omvang van het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat, worden aan benadeelde derden in rechte toegekende vorderingen alsmede de verplichting tot betaling aan de staat van een som gelds ten behoeve van het slachtoffer als bedoeld in art. 36f voor zover die zijn voldaan, in mindering gebracht." Zie hierover HR 26 september 2017, ECLI:NL:HR:2017:2496, NJ 2017/401, rov. 2.3.1-2.3.2.
Aan deze bepaling is dus ook de verplichting tot het in mindering brengen van het bedrag van een maatregel ex art. 36f Sr toegevoegd. Dat is in de voorliggende zaak eveneens van toepassing, maar dit behoeft thans – náást het in mindering brengen van de in rechte toegekende vordering van de benadeelde partij – geen afzonderlijke bespreking.
HR 26 september 2017, ECLI:NL:HR:2017:2496: "2.3.3. De in de strafzaak ten laste van de betrokkene bewezen verklaarde oplichting, meermalen gepleegd, is begaan in de periode van 19 januari 2012 tot en met 28 november 2012. De wet van 26 juni 2013 bevat geen overgangsbepaling. Art. 36e, (thans) negende lid, Sr houdt een wijziging van wetgeving in ten aanzien van de toepasselijke regels van sanctierecht. In een dergelijk geval dient op grond van art. 1, tweede lid, Sr bij verandering van wetgeving na het tijdstip waarop het feit is begaan, de voor de betrokkene meest gunstige bepaling te worden toegepast.”
Met betrekking tot de toepassing van artikel 1 lid 2 Sr heeft de Hoge Raad in HR 26 mei 2020, ECLI:NL:HR:2020:914, NJ 2020/409, meer in het algemeen het volgende overwogen: “Vooropgesteld dient te worden dat voor regels van sanctierecht, die zowel het specifieke strafmaximum als meer algemene regels met betrekking tot de sanctieoplegging kunnen betreffen, geldt dat een sinds het plegen van het delict opgetreden verandering door de rechter met onmiddellijke ingang - en dus zonder toetsing aan de maatstaf van het gewijzigd inzicht van de strafwetgever omtrent de strafwaardigheid van de vóór de wetswijziging begane strafbare feiten - moet worden toegepast, indien en voor zover die verandering in de voorliggende zaak ten gunste van de verdachte werkt, alsmede dat eventueel door de wetgever geformuleerde bijzondere overgangsbepalingen zullen moeten passen binnen artikel 7 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, artikel 15 lid 1 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten en - voor zover van toepassing - artikel 49 lid 1 van het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie. Indien dat laatste niet het geval is, zal de rechter deze bepalingen buiten toepassing moeten laten (...).”
HR 11 april 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA5438, NJ 2000/590 m.nt. De Hullu: “De regeling van art. 36e, zesde lid, Sr beoogt te voorkomen dat iemand hetzelfde wederrechtelijk verkregen voordeel meermalen zou moeten terugbetalen, zij het aan verschillende (rechts)personen. Dit brengt mee dat bij de toepassing van die regeling slechts in aanmerking komt de in rechte onherroepelijk toegekende vordering van een (rechts)persoon strekkende tot vergoeding van diens schade als gevolg van het feit waarop de ontnemingsvordering (mede) steunt, indien en voorzover tegenover die schade een daarmee corresponderend voordeel voor de veroordeelde staat.” Zie voorts HR 9 september 1997, ECLI:NL:HR:1997ZC9559, NJ 1998/90; HR 10 november 2015, ECLI:NL:HR:2015:3269; HR 26 september 2017, ECLI:NL:HR:2017:2496, NJ 2017/401, rov. 2.3.4; HR 11 juni 2019, ECLI:NL:HR:2019:900, NJ 2019/257; HR 28 januari 2020, ECLI:NL:HR:2020:127, NJ 2020/261.
Indien de vordering van de benadeelde partij ten tijde van de bestreden uitspraak nog niet onherroepelijk is toegekend, is de ontnemingsrechter niet op grond van de verrekeningsbepaling verplicht, maar staat het hem wél vrij om de som die aan de benadeelde partij is verschuldigd in mindering te brengen op het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat. Zie HR 11 juni 2019, ECLI:NL:HR:2019:900, NJ 2019/257; HR 8 mei 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB1518.
Voor precisering 2 is steun te vinden in de wetsgeschiedenis. Zie voorts M.J. Borgers, De ontnemingsmaatregel (diss. Tilburg), Den Haag: Boom Juridische uitgevers 2001, p. 370. Borgers was 23 jaar geleden van precisering 2 wél en van precisering 3 géén voorstander. Hij wijst erop dat ook vergoeding van bijvoorbeeld immateriële schade die het gevolg is van het delict waarop de maatregel is gegrond in effect de ontneming van voordeel teweegbrengt. Mijn ambtgenoot Machielse besprak deze problematiek voorafgaande aan HR 23 maart 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO2607, NJ 2004/256. Zie ook: B.F. Keulen, Crimineel vermogen en strafrecht. Een commentaar op de ontnemingswetgeving, Deventer: Gouda Quint 1999, p. 99 e.v.
HR 11 april 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA5438, NJ 2000/590 m.nt. De Hullu.
HR 13 oktober 2009, ECLI:NL:HR:2009:BJ3254.
Voor een uitvoerige toelichting van deze stelling verwijs ik naar mijn conclusie van 31 augustus 2010, vóór HR 22 januari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP5162. In die zaak overwoog de Hoge Raad (dienovereenkomstig): “2.7. De door de Rechtbank onherroepelijk toegekende vordering aan de benadeelde partij [de energieleverancier, D.A.] heeft deels betrekking op de locatie [alwaar een hennepkwekerij was aangetroffen en waar buiten de meter om elektriciteit was weggenomen, D.A.]. De berekening van een deel van het wederrechtelijk verkregen voordeel [uit hennepteelt, D.A.] ziet op diezelfde locatie. Zulks in aanmerking genomen en gelet op het bepaalde in art. 36e, zesde lid, Sr had het Hof er blijk van moeten geven te hebben onderzocht of die in rechte toegekende vordering al dan niet gedeeltelijk – te weten waar het de energiekosten betreft – in mindering diende te worden gebracht op de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel.”
Vgl. HR 7 december 2004, ECLI:NL:HR:2004:AR3021, NJ 2008/420 (m.nt. Borgers onder NJ 2008/421): “4.4.1. Op de voet van art. 36e, zesde lid, Sr is de rechter bij de bepaling van de omvang van het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat verplicht aan benadeelde derden onherroepelijk in rechte toegekende vorderingen in mindering te brengen. In de (...) uitspraak in de hoofdzaak heeft het Hof de vordering van de benadeelde partij (...) jegens de betrokkene toegewezen, in dier voege dat de betrokkene tezamen met zijn beide mededaders voor deze prestatie hoofdelijk is verbonden. 4.4.2. Het Hof heeft bij de bepaling van de omvang van het wederrechtelijk verkregen voordeel enerzijds ermee rekening gehouden dat de opbrengst uit het desbetreffende strafbare feit pondspondsgewijs tussen de drie mededaders is verdeeld en, anderzijds, een bedrag van € 2.042,01, zijnde het derde gedeelte van de schuld aan (...), in mindering gebracht.