Rechtspraak
Parket bij de Hoge Raad
2024-01-09
ECLI:NL:PHR:2024:30
Strafrecht
1,276 tokens
Conclusie
D.J.C. Aben
In de zaak
[verdachte],
gevestigd te [vestigingsplaats],
hierna: de verdachte
Inleiding
1. De verdachte is bij arrest van 18 november 2021 door het gerechtshof Den Haag wegens "medeplegen van witwassen, begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd", veroordeeld tot een geheel voorwaardelijke geldboete van € 5.000,-, met een proeftijd van twee jaren.
2. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. R. Zilver, advocaat te Utrecht, heeft twee middelen van cassatie voorgesteld.
3. Voor een inleiding in deze zaak verwijs ik naar mijn conclusie van heden in de hiermee samenhangende zaak tegen de bestuurder en enig aandeelhouder van de verdachte, [medeverdachte 2] (21/04835), die in cassatie wordt bijgestaan door dezelfde raadsman als de verdachte.
Het eerste middel
4. Het eerste middel klaagt over de verwerping van het verweer dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard.
5. Het verweer, alsook ‘s hofs verwerping van het verweer en het daartegen voorgestelde middel zijn identiek aan het eerste middel in de genoemde zaak tegen [medeverdachte 2]. Voor een weergave van een en ander verwijs ik naar mijn conclusie in die zaak. Dat geldt ook voor mijn bespreking van het middel. Het middel faalt op de daarin genoemde gronden.
Het tweede middel
6. Het tweede middel komt op tegen de bewezenverklaring en klaagt dat uit de bewijsvoering niet kan worden afgeleid dat er sprake is van ‘overdragen’ en ‘omzetten’ van de geldbedragen.
7. Ten laste van de verdachte is bewezen verklaard dat:
“zij op tijdstippen in de periode van 1 juli 2005 tot en met 31 december 2005, te Leidschendam, gemeente Leidschendam-Voorburg, en/of elders in Nederland,
tezamen en in vereniging met anderen,
- door tussenkomst van [B] en
- in verband met de verkoop van familiekronieken
op en/of via bankrekening [rekeningnummer] geldbedragen heeft overgedragen en omgezet,
terwijl zij wist dat bovenomschreven geldbedrag(en) – onmiddellijk of middellijk – afkomstig waren uit enig misdrijf.”
8. In de toelichting op het middel wordt aangevoerd dat uit de bewijsmiddelen niet blijkt dat de verdachte geldbedragen heeft overgedragen en/of heeft omgezet, en evenmin waaruit het ‘overdragen’ en ‘omzetten’ heeft bestaan, terwijl ook niet zonder meer duidelijk is op welke wijze de verdachte dit op en/of via bankrekening [rekeningnummer] heeft gepleegd. De enkele omstandigheid dat geldbedragen naar een bankrekening van een rechtspersoon zijn overgemaakt is onvoldoende om daaruit te kunnen afleiden dat de verdachte die bedragen heeft overgedragen en/of omgezet, aldus de steller van het middel.
9. Hierover het volgende. Uit de bewijsvoering komt naar voren dat de met de mailingbrief aangeschreven personen die belangstelling hadden voor het in die brief aangeboden product (de familiekroniek) geld overmaakten naar [B], waarachter [betrokkene 1] schuilging. Op 20, 21 en 22 september 2005 is van deze rekening een bedrag van in totaal € 62.500,- afgeschreven ten behoeve van de verdachte. De medeverdachte [medeverachte 5] kon beschikken over de bankrekening van [B] en kon dus de facto geldbedragen overmaken dan wel opnemen vanaf deze rekening.
10. De in het middel verwoorde klacht gaat eraan voorbij dat het hof het medeplegen van witwassen bewezen heeft verklaard. Voor deze bewezenverklaring is dus niet vereist dat de verdachte de geldbedragen zelf heeft overgedragen en/of omgezet, dat kan ook – met haar medeweten, in de zin van voorwaardelijk opzet – zijn verricht door haar mededaders. Het overmaken van gelden naar girorekening [rekeningnummer] van de verdachte (door [medeverachte 5] namens [B]) heeft het hof kunnen aanmerken als ‘overdragen’, terwijl de verwisseling van de vordering van [B] op de ABN AMRO-bank voor een girale vordering van de verdachte op ING door het hof als een ‘omzetting’ kon worden beschouwd.
11. Ook het tweede middel faalt.
Conclusie
12. Beide middelen falen en kunnen worden afgedaan met de aan artikel 81 lid 1 RO ontleende motivering.
13. Ambtshalve wijs ik erop dat de redelijke termijn in cassatie is overschreden, omdat de Hoge Raad niet voor 22 november 2023 uitspraak doet. Gelet op de hoogte en aard van de opgelegde straf kan worden volstaan met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden. Andere ambtshalve gronden die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven, heb ik niet aangetroffen.
14. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Zie de bewijsmiddelen 33, 34 en 35, waarin de verdachte, [verdachte], wordt genoemd, met gironummer [rekeningnummer].
Zie bewijsmiddel 32.