Rechtspraak
Parket bij de Hoge Raad
2024-02-27
ECLI:NL:PHR:2024:208
Strafrecht
2,026 tokens
=== CONCLUSIE ===
B.F. Keulen
In de zaak
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1979,
hierna: de verdachte
De verdachte is bij arrest van 2 juli 2003 door het gerechtshof te 's-Gravenhage wegens ‘opzetheling’ veroordeeld tot 5 weken gevangenisstraf. Het hof heeft voorts de tenuitvoerlegging gelast van een eerder voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf van 4 weken.
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. M.R. Mantz, advocaat te Voorburg, heeft één middel van cassatie voorgesteld.
Voordat ik het middel bespreek, maak ik een opmerking over de ontvankelijkheid van het cassatieberoep. Het cassatieberoep is ingesteld op 8 juli 2022, op grond van een machtiging die op dezelfde dag door een advocaat is verzonden. In de machtiging is vermeld dat de uitspraak op 1 juli 2022 aan de verdachte kenbaar is gemaakt; dat blijkt ook uit de stukken van het geding. Uit de stukken van het geding is mij niet gebleken dat de verdachte meer dan veertien dagen voor 8 juli 2022 met het bestreden arrest op de hoogte was.
Dat brengt mee dat het cassatieberoep ontvankelijk is.
Het middel bevat de klacht dat (kort gezegd) een bijlage met bewijsmiddelen ontbreekt.
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:
‘hij op 02 augustus 2002 te ’s-Gravenhage, een auto merk Opel, type Kadett voorhanden heeft gehad terwijl hij ten tijde van het voorhanden krijgen van die auto wist, dat het een door misdrijf verkregen goed betrof’
7. Het bestreden arrest houdt onder het kopje ‘Bewijsvoering’ het volgende in:
‘Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.
De bewijsmiddelen zullen in die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest met de bewijsmiddelen vereist in een aan dit arrest gehechte bijlage worden opgenomen.’
8. Deze bijlage is niet aan het bestreden arrest gehecht en bevindt zich niet bij de stukken van het geding die door het hof aan de Hoge Raad zijn gezonden.
9. Wel bevindt zich bij de stukken een brief inzake de onderhavige zaak, gedateerd 19 september 2022, afkomstig van het Gerechtshof Den Haag, die het volgende inhoudt:
‘Geachte heer/mevrouw,
Hierbij doe ik u toekomen het strafdossier in de zaak [verdachte] in welke zaak door het hof arrest is gewezen op 2 juli 2003. In de onderhavige zaak is de mededeling uitspraak op 24 juli 2003 uitgereikt aan de griffier van de rechtbank.
Gelet op het bepaalde in artikel 70, eerste lid onder 3 Sr. juncto artikel 6:1:22, lid 2 Sv. is de tenuitvoerleggingstermijn verjaard op 2 juli 2019.
Voorts merk ik nog op dat de raadsheren en de griffier die het arrest hebben gewezen op 2 juli 2003 niet meer werkzaam zijn bij dit hof.
Hoogachtend,
(…)
senior-secretaris’
10. De stukken van het geding zijn op 23 september 2022 op de griffie van de Hoge Raad ontvangen. Kennelijk is deze brief met de stukken meegezonden. De aanzegging als bedoeld in art. 435, eerste lid, Sv is op 19 oktober 2022 betekend.
11. Op 5 november 2022 heeft mr. Mantz via het webportaal verzocht om toezending van de bijlage met bewijsmiddelen. Tevens heeft hij die dag per fax een cassatieschriftuur ingediend, met een bijgevoegde brief. Op 7 november 2022 is om 15:14 uur in het webportaal van de Hoge Raad een bericht geplaatst, inhoudend dat de Hoge Raad informatie heeft ingewonnen bij het gerechtshof. Op hetzelfde tijdstip is in het webportaal een bericht geplaatst met de titel ‘Aanvulling dossier hof’ waarin de geciteerde brief van 19 september 2022 is weergegeven. Op 8 november 2022 is ook de (blijkens het daarop geplaatste stempel) op 7 november 2022 per brief binnengekomen cassatieschriftuur in het webportaal geplaatst. Ik meen dat aldus voldaan is aan de eis van art. 4.3.6.3 Procesreglement Hoge Raad der Nederlanden.
12. De brief van 19 september 2022 kan, zo leid ik af uit de inhoud en de omstandigheid dat deze brief in het webportaal is geplaatst als antwoord op het verzoek om toezending van de bijlage, begrepen worden als een verklaring waarom uitwerking van de bewijsmiddelen na het instellen van het cassatieberoep achterwege is gebleven.
13. Wat daarvan zij, de klacht dat het bestreden arrest (in strijd met art. 415, eerste lid, in verbinding met art. 365a Sv) niet is aangevuld met de bewijsmiddelen is terecht voorgesteld.
14. Het middel slaagt.
15. Ambtshalve merk ik iets op over de mogelijkheid dat de zaak verjaard is.
16. Sinds de wijziging van de helingbepalingen aan het begin van de jaren ’90 bedreigt art. 416 Sr opzetheling met een maximale gevangenisstraf van vier jaren. Ingevolge art. 70, eerste lid, Sr vervalt het recht tot strafvordering in twaalf jaren voor de misdrijven waarop tijdelijke gevangenisstraf van meer dan drie jaren is gesteld. Ik heb in het dossier geen daden van vervolging aangetroffen die hebben plaatsgevonden in de twaalf jaren na een betekeningspoging op 24 juli 2003 (art. 72 Sr). Uit de in het dossier aanwezige stukken kan worden afgeleid dat pas eind 2018 weer is gepoogd een verstekmededeling aan de verdachte te betekenen (op 19 december 2018 is deze betekend aan de griffier van de rechtbank Den Haag). In de tussenliggende jaren hebben kennelijk wel meerdere malen VIP-controles plaatsgevonden, maar uit het dossier blijkt niet dat die controles hebben geleid tot pogingen tot betekening van de verstekmededeling. Deze VIP-controles kunnen niet worden aangemerkt als een daad van vervolging in de zin van art. 72, eerste lid, Sr. Dat brengt mee dat Uw Raad, als over verjaring was geklaagd, het openbaar ministerie niet-ontvankelijk had verklaard in de vervolging. Het is de vraag of de uitkomst anders moet zijn in het licht van de omstandigheid dat een klacht achterwege is gebleven.
17. In een arrest van 30 oktober 2018 heeft Uw Raad overwogen dat in geval van verjaring ambtshalve zal worden ingegrepen ingeval de termijn van verjaring is vervuld tussen het moment van indiening van de cassatieschriftuur en het moment van de uitspraak van het arrest. Dat Uw Raad bij verjaring en meer in het algemeen spaarzaam gebruik maakt van de mogelijkheid van ambtshalve cassatie, berust op het argument dat Uw Raad er in beginsel van moet kunnen uitgaan dat misslagen in de bestreden uitspraak of fouten in de procedure die daaraan vooraf is gegaan, zijn opgemerkt. Uw Raad wijst daarbij op de beperkte capaciteit om cassatieberoepen te behandelen en de noodzaak om strafzaken binnen een aanvaardbare termijn af te doen. Dat argument kan de keuze voor een terughoudend gebruik van de mogelijkheid van ambtshalve cassatie – meen ik – dragen, al kan vanzelfsprekend verschillend worden gedacht over de mate waarin Uw Raad in dat licht terughoudendheid zou moeten betrachten.
18. Met het argument dat aan deze keuze voor een terughoudend gebruik van de mogelijkheid van ambtshalve cassatie ten grondslag ligt, is verenigbaar dat Uw Raad niet ambtshalve casseert indien het vereiste van berechting binnen een redelijke termijn in de cassatiefase is geschonden doordat de stukken te laat zijn ingezonden (daarover kan worden geklaagd) en wel ingeval de termijn die tussen het instellen van cassatieberoep is verstreken en het wijzen van arrest te lang heeft geduurd. Ook het (alleen) ambtshalve casseren bij verjaring die is ingetreden na het indienen van de cassatieschriftuur is daarmee verenigbaar. Het gebruik dat Uw Raad maakt van de mogelijkheid van ambtshalve cassatie kan evenwel niet enkel door dit argument worden verklaard. Zo casseert Uw Raad ambtshalve als de verdachte inmiddels is overleden, en verklaart het openbaar ministerie in dat geval niet-ontvankelijk in de vervolging.