Rechtspraak
Parket bij de Hoge Raad
2024-12-06
ECLI:NL:PHR:2024:1319
Civiel recht; Goederenrecht, Civiel recht; Verbintenissenrecht
18,523 tokens
Conclusie
T. Hartlief
In de zaak
[eiser]
(hierna: ‘ [eiser] ’)
tegen
Gemeente De Ronde Venen
(hierna: ‘Gemeente’)
[eiser] heeft van de Gemeente vergoeding gevorderd van schade aan een woonwagen die zou zijn ontstaan door verzakking. De rechtbank heeft deze vordering afgewezen, omdat niet is komen vast te staan dat [eiser] eigenaar van de woonwagen is. In hoger beroep heeft het hof geoordeeld dat de vordering van [eiser] om meerdere redenen moet worden afgewezen, waaronder het falen van een beroep van [eiser] op verkrijgende verjaring ten aanzien van de woonwagen. In cassatie valt [eiser] dit oordeel aan.
Feiten
1.1
In cassatie kan van de volgende feiten worden uitgegaan.
1.2
De Gemeente is eigenaar van een aantal percelen aan [a-straat] in [plaats] waar in 1986 een woonwagencentrum is opgericht. Sinds in ieder geval 2013/2014 zijn er negen standplaatsen in gebruik die bestaan uit zes legale standplaatsen, twee gedoogde standplaatsen en een illegale standplaats. Zij worden bewoond door [familie 1] en [familie 2] en door de [familie 3] . [eiser] is lid van [familie 1] en huurt de standplaats [a-straat 1] .
1.3
De families en de Gemeente zijn al geruime tijd in overleg over revitalisering van het woonwagencentrum. In de loop van de tijd is er een aantal woonwagens bijgeplaatst, waardoor zij erg dicht op elkaar staan. De woonwagens zijn ook groter en zwaarder gebouwd dan waar de ondergrond op is berekend. De aanleg van de nutsvoorzieningen voldoet ook niet meer aan de eisen van deze tijd.
1.4
De Gemeente heeft in haar raadsvergadering van 21 november 2013 het gemeentelijke woonwagenbeleid en een revitaliseringsplan vastgesteld. In essentie houdt het revitaliseringsplan in dat het aan het woonwagencentrum grenzende perceel door de Gemeente wordt verworven, dat daar zes standplaatsen worden gecreëerd, dat [familie 1] en [familie 2] naar deze nieuwe locatie zullen verhuizen, dat zij deze standplaatsen zullen huren van de woningstichting GroenWest en dat er tegemoetkomingen beschikbaar zijn voor de verhuizing naar de nieuwe locatie.
1.5
[familie 2] heeft op 18 december 2013 een verklaring tot medewerking ondertekend, waarin zij zich verbindt om medewerking te verlenen aan de uitvoering van het revitaliseringsplan. [familie 1] heeft de verklaring tot medewerking ondertekend op 27 januari 2015.
1.6
De Gemeente heeft in de zomer van 2015 het aangrenzende perceel verworven en in de zomer van 2017 het bestemmingsplan vastgesteld dat de oprichting van de standplaatsen op het nieuwe perceel mogelijk maakt.
1.7
In 2018 is een aantal nulmetingen naar de staat van de woonwagens uitgevoerd. Die waren vereist in verband met de verplaatsing van de woonwagens naar de nieuwe locatie. Vanaf ongeveer dat moment zijn de bewoners eisen gaan verbinden aan hun medewerking aan de realisering van de standplaatsen op de nieuwe locaties. Met name wensten zij dat de schade aan hun woonwagens door verzakking op de oude locatie eerst zou worden vergoed en dat er ook standplaatsen voor een aantal andere personen zouden worden gecreëerd, alvorens zij hun verdere medewerking zouden verlenen. Over deze punten hebben partijen geen overeenstemming bereikt.
Procesverloop
Eerste aanleg
2.1
[eiser] heeft op 18 juni 2019 de Gemeente voor de kantonrechter van de rechtbank Midden-Nederland gedagvaard en onder meer gevorderd dat de Gemeente de schade aan zijn woonwagen (€ 42.000) vergoedt. De kantonrechter heeft in het vonnis van 27 oktober 2021 de vordering van [eiser] afgewezen.De kantonrechter heeft daartoe in de kern overwogen dat in rechte ervan moet worden uitgegaan dat de woonwagen niet [eiser] ’ eigendom is:
“4.1. Partijen zijn het erover eens dat [eiser] [ [eiser] , A-G] in 2008 met instemming van de Gemeente de huur van de standplaats van zijn vader, [vader van eiser] , heeft overgenomen. Hij is gaan wonen in de woonwagen die op de standplaats stond, waarin eerder zijn vader woonde. Ook zijn partijen het erover eens dat [vader van eiser] met de Gemeente een huurkoopovereenkomst voor die woonwagen heeft gesloten. Volgens de Gemeente is niet [vader van eiser] maar de Gemeente eigenaar van de woonwagen, omdat het overgrote deel van de termijnen die [vader van eiser] op grond van de huurkoopovereenkomst aan de Gemeente verschuldigd is, onbetaald is gebleven. Volgens [eiser] had zijn vader in 2008 ruim de helft van het afgesproken bedrag afbetaald, maar hij betwist dat de Gemeente eigenaar van de woonwagen is. Wie van hen beiden eigenaar van de woonwagen is, de Gemeente of [vader van eiser] , doet voor de beoordeling van de vordering van [eiser] echter niet ter zake. [vader van eiser] is namelijk geen partij in deze rechtszaak en [eiser] , die in deze rechtszaak van de Gemeente schadevergoeding vordert, heeft niet gesteld op grond waarvan hij als eigenaar van de woonwagen zou moeten worden aangemerkt. Hij vordert dat de Gemeente de schade aan de door hem gebruikte woonwagen zal vergoeden die (volgens hem) het gevolg is van de verzakking van de standplaats. Hij vordert dus vermogensschade als bedoeld in artikel 6:96 BW, terwijl er in rechte van uit moet worden gegaan dat de woonwagen niet zijn eigendom is. Zijn vordering moet om die reden worden afgewezen. Wat hij verder nog heeft aangevoerd ter onderbouwing van zijn vordering hoeft niet meer besproken te worden.”
Hoger beroep
2.2
[eiser] heeft op 9 november 2021 bij het hof Arnhem-Leeuwarden hoger beroep ingesteld. Het hof heeft in zijn arrest van 30 januari 2024, het bestreden arrest, geoordeeld dat de vordering van [eiser] door de kantonrechter terecht is afgewezen. Daartoe heeft het hof als volgt overwogen en geoordeeld.
2.3
Het hof heeft allereerst geoordeeld dat de gevorderde herstelkosten door [eiser] (alleen zijn vordering is in cassatie aan de orde) niet voor vergoeding in aanmerking komen, omdat zij ver boven de dagwaarde van de woonwagen uitstijgen:
“3.25. Verder volgt het hof VBIT in haar constatering dat de herstelkosten de dagwaarde van de woonwagens verre overschrijden, zodat herstel van de woonwagens economisch niet verantwoord is. In het rapport over de woonwagen van [eiser] is weliswaar vermeld dat herstel verantwoord is ten opzichte van de huidige dagwaarde (p. 6), maar daar moet het woord “niet” zijn weggevallen. De uitkomst van de berekening van de dagwaarde van zijn woonwagen is immers gelijk aan die van de andere woonwagens, terwijl de door [eiser] gevorderde herstelkosten in dezelfde orde van grootte liggen als die van de anderen. Verder is van belang dat de woonwagens, afgezien van die van [eiser] , inmiddels behoorlijk oud zijn (1985, 1996, 1998), (…). De VNG hanteert een afschrijftermijn voor traditionele woonwagens als die van [familie 1] en [familie 2] van 20 jaar en voor luxe woonwagens een van 20-35 jaar (§ 7.2 van de Taxatiewijzer en kengetallen, deel 3, woonwagens, 2020) die het hof zal volgen. VBIT heeft voor alle woonwagens de dagwaarde op de peildatum van 1 januari 2018 bepaald op € 11.115. Dat is opmerkelijk, maar partijen hebben die uitkomst niet in twijfel getrokken, zodat het hof daarvan moet uitgaan. Uitgaande van deze dagwaarde komen de gevorderde herstelkosten niet voor vergoeding in aanmerking, omdat zij ver boven deze dagwaarde uitstijgen. Omdat de woonwagens aan het einde van hun levensduur zijn, is het economisch niet verantwoord om zo’n omvangrijk bedrag uit te geven voor herstel van de woonwagens. Van [eiser] (…) [en anderen, A-G] kan daarom verwacht worden dat zij op zoek gaan naar een nieuwe woonwagen. Die conclusie wordt versterkt door het feit dat uit de rapportages van [betrokkene 1] blijkt dat de herstelkosten in 2020 nog verder zijn opgelopen. Dit betekent dat het maximale bedrag dat per woonwagen voor vergoeding in aanmerking komt € 11.115 is.”
2.4
Het hof heeft hierna de feitelijke grondslag van de vordering van [eiser] uitgelegd:
“De vordering van [eiser]
3.27.
[eiser] stelt dat hij door verkrijgende verjaring eigenaar is geworden van de door hem bewoonde woonwagen. [vader van eiser] heeft op 16 juli 1999 met de gemeente een huurkoopovereenkomst gesloten voor deze woonwagen. [vader van eiser] is in 2002 toegelaten tot de WSNP en heeft op 24 november 2005 een schone lei gekregen. De gemeente heeft op 29 mei 2007 besloten af te zien van verdere invorderingsmaatregelen. [eiser] heeft in 2006/2007 zijn intrek genomen in de woonwagen en heeft daarin geïnvesteerd door deze op te knappen, wat bekend was bij de gemeente en ook met haar was besproken. [eiser] heeft vanaf deze tijd de woonwagen in bezit gehad. Daarom meent hij door verkrijgende verjaring eigenaar van de woonwagen te zijn geworden.”
2.5
Het hof heeft geoordeeld dat het beroep van [eiser] op verkrijgende verjaring (ten aanzien van de woonwagen) faalt:
“3.28. Het hof volgt [eiser] niet in zijn stellingen. Op grond van de tussen de gemeente en [vader van eiser] gesloten huurkoopovereenkomst van 16 juli 1999 bleef de gemeente eigenaar van de woonwagen totdat [vader van eiser] 210 maandelijkse termijnen van ƒ 350 had betaald (art. 6 en 7). Toen [vader van eiser] op 24 november 2005 een schone lei kreeg, waren deze termijnen nog niet alle verstreken en betaald en was [vader van eiser] dus geen eigenaar van de woonwagen. [eiser] stelt overigens ook niet dat [vader van eiser] bij het verlenen van de schone lei eigenaar is geworden van de woonwagen. Hij stelt dat hij de woonwagen in 2006/2007 in bezit heeft genomen en door verkrijgende verjaring eigenaar is geworden. In het licht van de eigen stelling van [eiser] dat hij met medeweten van de gemeente de huur van de standplaats heeft overgenomen en in de woonwagen is gaan wonen en deze heeft gerenoveerd, heeft [eiser] onvoldoende uitgelegd op welke manier hij de woonwagen in bezit heeft genomen. De gemeente heeft er kennelijk in toegestemd dat [eiser] [vader van eiser] opvolgde als huurkoper van de woonwagen. Dat betekent dat [eiser] houder van de woonwagen is geworden voor de gemeente. Dit houderschap kan slechts overgaan in bezit als [eiser] het recht van de gemeente tegenspreekt (artikel 3:111 BW). Daarvan is echter niet gebleken. De gemeente heeft bovendien onweersproken gesteld dat [eiser] niet te goeder trouw was. Dat brengt mee dat [eiser] pas door verkrijgende verjaring eigenaar zou kunnen worden na een periode van bezit van twintig jaar (artikelen 3:104, 3:306 en 3:314 lid 2 BW). Deze periode is niet verstreken, zodat ook om die reden er geen sprake is van verkrijgende verjaring.”
2.6
Ook heeft het hof geoordeeld dat [eiser] zijn stellingen dat er sprake was van een schenking van de Gemeente van de woonwagen aan hem en dat de Gemeente haar recht heeft verwerkt niet voldoende heeft uitgewerkt:
“3.29. [eiser] heeft verder gesteld dat er sprake is van een schenking van de gemeente aan hem en dat de gemeente haar recht heeft verwerkt, omdat zij zich heeft gedragen in strijd met het geldend maken van haar recht. Deze stellingen zijn niet voldoende uitgewerkt.
Beoordeling
3.14
Voorts kan worden aangenomen dat van (niet-dubbelzinnig) bezit geen sprake is om de reden dat blijkens rov. 3.27.-3.28. en tegen de achtergrond van de gedingstukken de Gemeente (eigenaar) uit de gedragingen van [eiser] iets anders heeft kunnen afleiden dan dat hij pretendeert eigenaar te zijn.
3.15
Inbezitneming (art. 3:112-113 BW) door [eiser] deed zich, uitgaande van wat ik hiervoor heb genoemd, dus niet voor. Een eventuele machtsuitoefening van [eiser] is, gezien hetgeen waaraan ik hiervoor in randnummers 3.4-3.6 (en ook in voetnoot 8) heb gerefereerd, met name (i) de eigen stelling van [eiser] dat hij met medeweten van (en dus in overleg met) de Gemeente de huur van de standplaats heeft overgenomen en in de woonwagen is gaan wonen en deze heeft gerenoveerd (rov. 3.27.-3.28.), (ii) dat de Gemeente er kennelijk in heeft toegestemd dat [eiser] [vader van eiser] opvolgde als huurkoper (rov. 3.28.), en (iii) de in randnummers 3.3.-3.4. van de memorie van antwoord opgenomen stellingen van de Gemeente dat de eigendom van de woonwagen nooit is overgedragen aan [vader van eiser] omdat de huurkooptermijnen niet volledig zijn voldaan, dat nergens uit blijkt dat [vader van eiser] de woonwagen aan [eiser] zou hebben overgedragen en dat er in 2007 nog is gesproken over de openstaande schuld ten aanzien van de woonwagen, niet zodanig geweest dat deze naar verkeersopvatting het bezit van de oorspronkelijke bezitter (de Gemeente) teniet doet. Het hof heeft in rov. 3.28. niet ten onrechte en ook niet onbegrijpelijk geoordeeld dat inbezitneming niet aannemelijk is (zie randnummer 3.6 hiervoor).
3.16
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het niet onbegrijpelijk of onjuist is dat het hof heeft geoordeeld dat [eiser] geen bezitter was, net zomin als [vader van eiser] dat was. Aangenomen moet worden dat de Gemeente dus (middellijk) bezitter van de woonwagen was (art. 3:107 lid 3 BW), ook toen [eiser] de woonwagen bewoonde.
3.17
Ten slotte is het gezien het voorgaande niet onjuist of onbegrijpelijk dat het hof – enigszins impliciet – heeft geoordeeld dat vast is komen te staan dat [eiser] niet te goeder trouw was (art. 3:118 BW). Het hof heeft tegen de achtergrond van de gedingstukken tot dit oordeel kunnen komen, met name in het licht van (i) dat de Gemeente er kennelijk in heeft toegestemd dat [eiser] [vader van eiser] opvolgde als huurkoper van de woonwagen (rov. 3.28.), (ii) de stellingen van de Gemeente dat de eigendom van de woonwagen nooit is overgedragen aan [vader van eiser] omdat de huurkooptermijnen niet volledig zijn voldaan, dat nergens uit blijkt dat [vader van eiser] de woonwagen aan [eiser] zou hebben overgedragen en dat er in 2007 nog is gesproken over de openstaande schuld ten aanzien van de woonwagen, en (iii) de stelling van [eiser] dat hij met medeweten van (en dus in overleg met) de Gemeente de huur van de standplaats heeft overgenomen en in de woonwagen is gaan wonen en deze heeft gerenoveerd. Immers: uit het voorgaande kan worden afgeleid dat [eiser] zich in ieder geval niet redelijkerwijs als rechthebbende mocht beschouwen. Zie voorts randnummer 3.7 hiervoor. Bij subonderdeel 1.1 bestaat (ook) daarom geen belang. Bij ontbreken van goede trouw kan in de onderhavige zaak namelijk geen succesvol beroep op verkrijgende verjaring worden gedaan (rov. 3.28.).
3.18
Op het voorgaande stuit het subonderdeel af.
3.19
Subonderdeel 1.1.1 voert aan dat het hof zijn oordeel in rov. 3.28. in ieder geval ontoereikend heeft gemotiveerd omdat zonder nadere motivering niet valt in te zien dat de stelling van [eiser] dat hij met medeweten van de Gemeente de huur van de standplaats heeft overgenomen en in de woonwagen is gaan wonen en de omstandigheid dat de Gemeente er kennelijk in heeft toegestemd dat [eiser] [vader van eiser] opvolgde als huurkoper van de woonwagen tot de conclusie leiden dat [eiser] [vader van eiser] opvolgde als huurkoper.
3.20
Het subonderdeel mist feitelijke grondslag, omdat het er ten onrechte van uitgaat dat het hof in rov. 3.28. heeft geoordeeld dat [eiser] [vader van eiser] is opgevolgd als huurkoper. Zie randnummer 3.6 hiervoor. Dat [eiser] [vader van eiser] zou zijn opgevolgd als huurkoper (althans een beweerdelijk oordeel van het hof met die strekking) is verder op zich niet dragend voor het oordeel van het hof in rov. 3.28. dat [eiser] houder van de woonwagen voor de Gemeente was. Ik verwijs naar randnummer 3.12 hiervoor om herhaling te voorkomen. Het subonderdeel kan ook om andere redenen niet tot cassatie leiden: de oordelen van het hof dat [eiser] onvoldoende heeft uitgelegd dat sprake was van inbezitneming en dat – al is het dan wat impliciet door het hof geoordeeld – is komen vast te staan dat [eiser] niet te goeder trouw was, blijven ook dan overeind. Zie randnummers 3.15 en 3.17 hiervoor en randnummers 3.41, 3.47 en 3.54 hierna. Bij klachten over het (beweerdelijk) aanwezig achten van een huurkoopovereenkomst tussen [eiser] en de Gemeente bestaat daarom geen belang.
3.21
Subonderdeel 1.1.2 voert aan dat het hof heeft miskend dat voor de opvolging als huurkoper in beginsel vereist is dat daarover wilsovereenstemming bestaat bij de betrokken partijen. Het hof zou dit hebben miskend omdat het bij zijn oordeel dat [eiser] [vader van eiser] opvolgde als huurkoper van de woonwagen niet heeft betrokken of daarover wilsovereenstemming bestond bij [eiser] en [vader van eiser] , en evenmin omstandigheden heeft vastgesteld die in weerwil van het ontbreken van wilsovereenstemming tot de conclusie kunnen leiden dat [eiser] als rechtsopvolger van [vader van eiser] als huurkoper geldt.
3.22
Subonderdeel 1.1.3 voert aan dat het hof zijn oordeel in ieder geval ontoereikend heeft gemotiveerd omdat het niet, althans niet voldoende kenbaar heeft vastgesteld dat er bij [eiser] en [vader van eiser] wilsovereenstemming bestond over de opvolging door [eiser] van [vader van eiser] als huurkoper van de woonwagen, en evenmin andere omstandigheden heeft vastgesteld die tot de conclusie kunnen leiden dat [eiser] als rechtsopvolger van [vader van eiser] als huurkoper geldt.
3.23
Subonderdelen 1.1.2-1.1.3 stuiten af op wat ik schreef in randnummer 3.20 hiervoor.
3.24
Subonderdeel 1.1.4 voert aan dat voor zover het oordeel dat de Gemeente er kennelijk in heeft toegestemd dat [eiser] [vader van eiser] opvolgde als huurkoper van de woonwagen aldus moet worden begrepen dat er bij [eiser] en [vader van eiser] wilsovereenstemming bestond over de opvolging door [eiser] van [vader van eiser] als huurkoper van de woonwagen of dat sprake is van omstandigheden die tot de conclusie kunnen leiden dat [eiser] als rechtsopvolger van [vader van eiser] als huurkoper geldt, dan zou dat oordeel onjuist en onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd zijn. Dit oordeel zou immers niet tot (één van) deze conclusies leiden, en zou bovendien geen grondslag vinden in het (door het hof in rov. 3.27.-3.28. weergegeven) partijdebat waarmee het hof art. 24 Rv heeft miskend.
3.25
Het subonderdeel is tevergeefs voorgesteld, omdat het hof in rov. 3.28. met het oordeel dat de Gemeente er kennelijk in heeft toegestemd dat [eiser] [vader van eiser] opvolgde als huurkoper van de woonwagen niet heeft geoordeeld dat er bij [eiser] en [vader van eiser] wilsovereenstemming bestond over de opvolging door [eiser] van [vader van eiser] als huurkoper van de woonwagen en ook niet dat sprake is van omstandigheden die tot de conclusie kunnen leiden dat [eiser] als rechtsopvolger van [vader van eiser] als huurkoper geldt. Het subonderdeel gaat aldus uit van een onjuiste lezing van het bestreden arrest. Zie verder randnummer 3.20 hiervoor.
3.26
Subonderdeel 1.1.5 voert aan dat het hof een onbegrijpelijke uitleg aan de stelling van [eiser] heeft gegeven voor zover het de in rov. 3.28.
Beoordeling
3.42
Subonderdeel 2.1.1 voert aan dat voor zover in het oordeel van het hof besloten ligt dat de Gemeente is geslaagd in het leveren van tegen(deel)bewijs door aannemelijk te maken dat [eiser] [vader van eiser] is opgevolgd als huurkoper en als gevolg daarvan de woonwagen voor de Gemeente is gaan houden, dat oordeel niet in stand zou kunnen blijven op grond van de klachten van onderdeel 1.
3.43
Ik verwijs naar mijn bespreking van de klachten van onderdeel 1, waaruit volgt dat ook subonderdeel 2.1.1 tevergeefs is voorgesteld. Ik verwijs tevens naar randnummer 3.41 hiervoor.
3.44
Subonderdeel 2.1.2 voert aan dat voor zover in het oordeel van het hof besloten ligt dat [eiser] geen houder van de woonwagen is, dat oordeel ofwel onjuist ofwel onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd is. [eiser] zou hebben gesteld dat hij zijn intrek heeft genomen in de woonwagen en dat hij in de woonwagen heeft geïnvesteerd en de woonwagen heeft opgeknapt. Niet ter discussie zou staan dat [eiser] de woonwagen bewoont. Het hof zou aldus (i) ofwel miskend hebben dat de stellingen van [eiser] en het feit dat hij de woonwagen bewoont tot de conclusie moeten leiden dat [eiser] zodanige feitelijke macht over de woonwagen zou hebben verkregen dat hij als houder zou moeten worden aangemerkt (ii) ofwel zijn oordeel onvoldoende (begrijpelijk) hebben gemotiveerd. Niet, althans niet zonder nadere motivering, zou immers vallen in te zien waarom de aangehaalde stellingen en het vaststaande feit dat [eiser] de woonwagen bewoont niet tot de conclusie zouden leiden dat [eiser] zodanige feitelijke macht over de woonwagen heeft verkregen dat hij houder is.
3.45
Het subonderdeel mist feitelijke grondslag. Het hof heeft in rov. 3.28. geoordeeld dat [eiser] houder van de woonwagen voor de Gemeente was. Zie verder randnummers 3.3 e.v. hiervoor.
3.46
Subonderdeel 2.1.3 voert aan dat voor zover in het oordeel van het hof besloten ligt dat [eiser] in het licht van zijn eigen stelling dat hij met medeweten van de Gemeente de huur van de standplaats heeft overgenomen en in de woonwagen is gaan wonen onvoldoende heeft gesteld dat/hoe hij bezitter is geworden, dat oordeel ofwel onjuist ofwel onvoldoende (begrijpelijk) zou zijn gemotiveerd. [eiser] zou hebben gesteld dat hij de woonwagen in bezit heeft genomen en hij zou de wijze waarop dit gebeurde hebben toegelicht. Hij zou hebben gesteld dat hij zijn intrek heeft genomen in de woonwagen en dat hij in de woonwagen heeft geïnvesteerd en de woonwagen heeft opgeknapt. Vanaf die tijd heeft [eiser] de woonwagen bewoond. Deze stellingen zouden leiden, althans in beginsel, tot de conclusie dat [eiser] bezitter is. Daaraan zou niet afdoen, althans niet zonder nadere motivering, de stelling van [eiser] dat hij met medeweten van de Gemeente de huur van de standplaats heeft overgenomen en in de woonwagen is gaan wonen. De Gemeente zou de aangehaalde stellingen niet hebben betwist. Door [eiser] ’ betoog dat hij eigenaar is geworden op grond van verkrijgende verjaring te verwerpen op de grond dat [eiser] onvoldoende heeft gesteld dat/hoe hij bezitter is geworden, zou het hof – in het licht van het partijdebat en/of de omstandigheid dat [eiser] als houder wordt vermoed bezitter te zijn – ofwel te strenge eisen hebben gesteld aan de stelplicht van [eiser] , ofwel een onbegrijpelijke uitleg van de stellingen van [eiser] hebben gegeven. Niet, althans niet zonder nadere motivering, zou immers vallen in te zien dat de aangehaalde stellingen niet inhouden dat [eiser] heeft toegelicht dat/hoe hij de woonwagen in bezit heeft genomen, en dus tot de conclusie nopen dat [eiser] bezitter is.
3.47
Het hof heeft in rov. 3.28. niet geoordeeld dat [eiser] onvoldoende heeft gesteld dat/hoe hij bezitter is geworden en daarom geen sprake is van verkrijgende verjaring. Het hof heeft geoordeeld dat [eiser] houder van de woonwagen voor de Gemeente was en is gebleven. In het kader van zijn oordeel dat [eiser] houder van de woonwagen voor de Gemeente was, heeft het hof onder meer overwogen dat [eiser] in het licht van zijn eigen stelling dat hij met medeweten van de Gemeente de huur van de standplaats heeft overgenomen en in de woonwagen is gaan wonen en deze heeft gerenoveerd onvoldoende heeft uitgelegd op welke manier hij de woonwagen in bezit heeft genomen en dat de Gemeente er kennelijk in heeft toegestemd dat [eiser] [vader van eiser] opvolgde als huurkoper van de woonwagen. Dit is evenwel iets anders dan een oordeel dat [eiser] meer had moeten stellen (of één en ander beter had moeten onderbouwen) om te kunnen aannemen dat sprake was van bezit (en inbezitneming). Zie verder randnummer 3.41 hiervoor. Op het voorgaande stuit het subonderdeel af.
3.48
Daarnaast bestaat er geen belang bij dit subonderdeel, omdat is komen vast te staan dat [eiser] niet te goeder trouw was, zodat van verkrijgende verjaring geen sprake kan zijn in de onderhavige zaak. Zie randnummers 3.7 en 3.17 hiervoor.
3.49
Subonderdeel 2.1.4 voert aan dat voor zover in het oordeel van het hof besloten ligt dat de in subonderdeel 2.1.3 aangehaalde stellingen niet tot de conclusie kunnen leiden dat [eiser] bezitter is, dat oordeel ofwel onjuist ofwel onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd is. Of iemand een zodanige feitelijke macht over het goed verkregen heeft, dat hij als bezitter moet worden aangemerkt, zou moeten worden beoordeeld aan de hand van de in het verkeer geldende opvattingen (art. 3:108 in verbinding met art. 3:113 BW). Het hof zou aldus (i) ofwel deze maatstaf hebben miskend omdat de aangehaalde stellingen tot de conclusie zouden kunnen leiden dat [eiser] zodanige feitelijke macht over de woonwagen heeft verkregen dat hij als bezitter moet worden aangemerkt (ii) ofwel zijn oordeel onvoldoende (begrijpelijk) hebben gemotiveerd. Niet, althans niet zonder nadere motivering, zou immers vallen in te zien waarom de aangehaalde stellingen niet tot de conclusie kunnen leiden dat [eiser] zodanige feitelijke macht over de woonwagen heeft verkregen dat hij als bezitter moet worden aangemerkt.
3.50
Het (gemotiveerde) oordeel van het hof dat [eiser] houder van de woonwagen voor de Gemeente was (en dat – voor het geval toch van bezit sprake zou zijn – vast is komen te staan dat [eiser] niet te goeder trouw was), is niet onjuist of onbegrijpelijk. Ik verwijs naar randnummers 3.3 e.v. hiervoor om herhaling te voorkomen. Op het voorgaande stuit het subonderdeel af (bij gebrek aan belang).
3.51
Subonderdeel 2.2 voert aan dat het oordeel van het hof dat [eiser] de woonwagen voor de Gemeente is gaan houden (en van bezit dus geen sprake is), niet in stand zou kunnen blijven op grond van de klachten van onderdeel 1.
3.52
Dit is een herhaling van de klacht in subonderdeel 1.5 onder (i). Ik verwijs naar mijn bespreking van de klachten van onderdeel 1, waaruit volgt dat ook subonderdeel 2.2 tevergeefs is voorgesteld.
3.53
Subonderdeel 2.3 geeft aan dat een bezitter te goeder trouw is, wanneer hij zich als rechthebbende beschouwt en zich ook redelijkerwijze als zodanig mocht beschouwen (art. 3:118 lid 1 BW). [eiser] zou hebben gesteld dat hij zich vanaf het moment dat hij de woonwagen introk als rechthebbende beschouwde en zich, gelet op de geschetste gang van zaken, ook redelijkerwijs als rechthebbende mocht beschouwen. In het licht van deze stelling zou de overweging van het hof dat de Gemeente onweersproken heeft gesteld dat [eiser] niet te goeder trouw was, onvoldoende (begrijpelijk) zijn gemotiveerd. De aangehaalde stelling van [eiser] zou immers niet anders kunnen worden begrepen dan dat hij heeft gesteld dat hij te goeder trouw is. Voor zover in het oordeel van het hof besloten ligt dat de stelling van [eiser] niet tot de conclusie kan leiden dat [eiser] te goeder trouw is, zou dat oordeel getuigen van een onjuiste rechtsopvatting.
Beoordeling
3.70
Subonderdeel 4.2 voert aan dat het slagen van subonderdeel 4.1 de oordelen in rov. 3.25. dat (i) de gevorderde herstelkosten niet voor vergoeding in aanmerking komen uitgaande van de vastgestelde dagwaarde, (ii) het economisch niet verantwoord is over te gaan tot herstel van de woonwagen en van [eiser] daarom verwacht kan worden dat hij op zoek gaat naar een nieuwe woonwagen en (iii) € 11.115 het maximale bedrag is dat voor vergoeding in aanmerking komt, vitieert.
3.71
Omdat subonderdeel 4.1 niet tot cassatie kan leiden, kan subonderdeel 4.2 dat ook niet.
3.72
Subonderdeel 4.3 voert aan dat het slagen van subonderdeel 4.1 eveneens het oordeel in rov. 3.30. dat (i) de Gemeente een vordering op [eiser] heeft die in ieder geval hoger is dan de eventuele vordering van [eiser] op de Gemeente en (ii) het hof niet precies hoeft vast te stellen hoe hoog de vordering van [eiser] is voor het geval zou moeten worden aangenomen dat hij toch een vordering op de Gemeente heeft, vitieert.
3.73
Voor subonderdeel 4.3 geldt hetzelfde als voor subonderdeel 4.2.
Conclusie
3.74
Nu geen van de subonderdelen slaagt, is de slotsom dat het cassatieberoep tevergeefs is ingesteld.
Conclusie
De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G
Deze feiten zijn met een aantal weglatingen en redactionele aanpassingen ontleend aan het bestreden arrest (hof Arnhem-Leeuwarden 30 januari 2024, ECLI:NL:GHARL:2024:731), rov. 2.1.-2.3. Zie ook rov. 2.8. van het bestreden arrest.
Zie bestreden arrest, p. 1.
Rb. Midden-Nederland (ktr.) 27 oktober 2021, zaaknummer: 7876291 UC EXPL 19-6773 aw/1370 (niet gepubliceerd).
In de kern is de vordering van [eiser] in hoger beroep ongewijzigd gebleven.
VBIT is een bedrijf (voluit: VBIT Expertise) dat in opdracht van de Gemeente en met behulp van een deskundige ( [deskundige] ) de schade aan de woonwagen heeft vastgesteld. Zie productie 2 bij de inleidende dagvaarding.
Zie productie 8 (verklaring van [eiser] met producties), overgelegd bij brief van 9 april 2023. Zie in het bijzonder de in de verklaring van [eiser] als nummers 8-12 aangeduide producties. Ik heb niet met zekerheid kunnen vaststellen waarom dit bedrag met € 180 verschilt van het in rov. 3.30. genoemde bedrag van € 27.000. Wellicht betreft het een afronding (daar wijst randnummer 1.12 van de hiervoor genoemde verklaring van [eiser] op).
Zie voor dit bedrag tevens de vindplaats genoemd in voetnoot 6 hiervoor.
Mede in het licht van akte aanvulling en overlegging producties van de Gemeente van 12 januari 2021, randnummers 2.14.-3.1., pleitaantekeningen van [eiser] van 19 januari 2021, randnummers 32.-43., akte na comparitie van 17 februari 2021, randnummers 2.4.-2.5. en 7.1., memorie van grieven, randnummers 16.-29., memorie van antwoord, randnummers 2.16.-2.17., 2.20. en 3.2.-3.4., pleitnota van [eiser] van 19 april 2023, randnummers 48.-53., pleitaantekeningen van [eiser] van 20 november 2023, randnummers 73.-78. (deels doorgestreept in overgelegd exemplaar) en proces-verbaal van 20 november 2023, p. 9-11 en 12-13.
Zie overigens nog proces-verbaal van 20 november 2023, p. 10, waarin aan de orde lijkt dat het hof van een schriftelijkheidsvereiste bij huurkoop uitgaat.
Ook niet tegen de achtergrond van de gedingstukken. Zie akte aanvulling en overlegging producties van de Gemeente van 12 januari 2021, randnummers 2.14.-3.1., pleitaantekeningen van [eiser] van 19 januari 2021, randnummers 32.-43., akte na comparitie van 17 februari 2021, randnummers 2.4.-2.5. en 7.1., memorie van grieven, randnummers 16.-29., memorie van antwoord, randnummers 2.16.-2.17., 2.20. en 3.2.-3.4., pleitnota van [eiser] van 19 april 2023, randnummers 48.-53., pleitaantekeningen van [eiser] van 20 november 2023, randnummers 73.-78. (deels doorgestreept in overgelegd exemplaar) en proces-verbaal van 20 november 2023, p. 9-11 en 12-13.
Ik ben mij ervan bewust dat de verkeersopvattingen, wettelijke bepalingen en uiterlijke feiten voor de bezitsvraag doorslaggevend zijn. Een (niet geuite) interne wil om een goed voor zichzelf te houden, is dus als zodanig niet relevant. Wel meen ik dat gesteld kan worden dat bij de beoordeling van bezit in wezen wordt nagegaan of iemand de intentie had om een goed voor zichzelf te houden, zij het dat deze beoordeling plaatsvindt aan de hand van voornoemde verkeersopvattingen, wettelijke bepalingen en uiterlijke feiten (een geobjectiveerde toets dus). Zie Parl. Gesch. Boek 3 BW, p. 427-428 (“Bij de vraag naar „houden” of „bezitten” gaat het, globaal gezegd, om de beantwoording van de verdere vraag: in welke relatie tot of op grond van welke rechtspretentie tegenover de andere deelnemers aan het rechtsverkeer de rechts- en/of machtsuitoefening over het goed plaatsvindt” en “Het artikel doet verder uitkomen, dat de interne wil om als eigenaar op te treden, een animus domini, voor het zijn van bezitter van geen betekenis is (…). Het zijn uiterlijke feiten, waaraan in het verkeer een erkenning van bezit geknoopt wordt, die voor het zijn van bezitter beslissend zijn, al zijn dit feiten die in de regel op het bestaan van een animus domini wijzen (…)”), en p. 430 (“(…) m.a.w. niet een subjectieve wil van de houder op het ogenblik der verkrijging is beslissend of de verkrijger houder voor een ander of bezitter wordt, maar de tussen de partijen bestaande rechtsverhouding (…). Of nu een rechtsverhouding tot het houden voor een ander of tot eigen bezit leidt, hangt af van hetgeen de wet bepaalt en bij gebreke van wetsbepaling hoe dienaangaande de opvatting in het verkeer is. Wet en verkeer zullen zich hier meestal wel laten leiden door hetgeen bij een normale werking der rechtsverhouding de bedoeling der partijen zal zijn; in zover kan men van een door de rechtsverhouding geobjectiveerde wil spreken.”). Zie voorts art. 3:111 BW, waaruit blijkt dat een tegenspraak van een recht relevant is, en in dit verband Parl. Gesch. Boek 3 BW, p. 432: “(…) [de, A-G] persoon, voor wie gehouden wordt, [kan, A-G] verlangen, dat hij op enige wijze in kennis gesteld wordt van de veranderde opvatting van degene, die voor hem houdt. Niemand kan zijn bezit verliezen zonder dat hij dit kan merken of zonder dat uiterlijk iets verandert.” Zie ten slotte in vergelijkbare zin conclusie A-G Rank-Berenschot (ECLI:NL:PHR:2022:876) voor HR 26 mei 2023, ECLI:NL:HR:2023:784, RvdW 2023/561, TvPP 2023, p. 119 e.v. m.nt. M.E.A. Möhring, JIN 2023/121 m.nt. M.A.J.G. Janssen, JBPr 2023/58 m.nt. G.C.C. Lewin en TvPP 2023, p. 197 e.v. m.nt. D. Rijpma, randnummer 4.24.
HR 18 september 2015, ECLI:NL:HR:2015:2743, NJ 2016/78 m.nt. F.M.J. Verstijlen en JG 2016/12 m.nt. L. van Leijen (Gemeente Landgraaf), rov. 3.4.2, HR 24 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:309, NJ 2018/141 m.nt. H.J. Snijders, BR 2017/80 m.nt. K. Meijering & I.L.M.W. Theunisse, Gst. 2017/77 m.nt. W. Lever, TBR 2017/105 m.nt. F.J. Vonck, Ars Aequi 2017, p. 516 e.v. m.nt. A.G. Castermans, JOR 2017/186 m.nt. S.E. Bartels & V. Tweehuysen, VGR 2017, p. 69 e.v. m.nt. R.L. Fabritius, TvAR 2017/5881 m.nt. H.J.F. Oetgens van Waveren Pancras Clifford en Jurisprudentie Grondzaken 2017/149 m.nt. F.M.A. van der Loos (Gemeente Heusden), rov. 3.3.2, HR 4 mei 2018, ECLI:NL:HR:2018:696, NJ 2018/240, JIN 2018/89 m.nt. W.A. Braams en Gst. 2018/122 m.nt. B. Hoops (Land Sint Maarten c.s.), rov. 3.6.2, HR 14 februari 2020, ECLI:NL:HR:2020:257, NJ 2021/186 m.nt. H.J. Snijders (Land Curaçao c.s.), rov. 5.3.3 en HR 8 november 2024, ECLI:NL:HR:2024:1606 (Gemeente Laarbeek), rov. 3.2. Zie verder over bezit (en verkrijgende verjaring) Asser Vermogensrecht algemeen/S.E. Bartels & A.I.M. van Mierlo, Deel 3-IV. Algemeen goederenrecht, Deventer: Wolters Kluwer 2021, nrs. 104 e.v., conclusie A-G Rank-Berenschot (ECLI:NL:PHR:2022:876) voor HR 26 mei 2023, ECLI:NL:HR:2023:784, RvdW 2023/561, TvPP 2023, p. 119 e.v. m.nt. M.E.A. Möhring, JIN 2023/121 m.nt. M.A.J.G. Janssen, JBPr 2023/58 m.nt. G.C.C. Lewin en TvPP 2023, p. 197 e.v. m.nt. D. Rijpma, randnummers 4.24-4.25, en conclusie A-G Rank-Berenschot (ECLI:NL:PHR:2023:380) voor HR 9 juni 2023, ECLI:NL:HR:2023:881, RvdW 2023/660 (Lawaetz Land Development NV/Party Light NV) (art. 81 RO), randnummers 2.3 e.v., met verdere verwijzingen.
Vergelijk voor de rechtsverhouding tussen [eiser] en de Gemeente ook rov. 2.1., 2.4., 3.2., 3.4.-3.5., 3.15. en 3.19. van het bestreden arrest. Vergelijk voorts rov. 2.2., 3.2.-3.3. en 4.1. van het eindvonnis in eerste aanleg. Zie Rb. Midden-Nederland (ktr.) 27 oktober 2021, zaaknummer: 7876291 UC EXPL 19-6773 aw/1370 (niet gepubliceerd).
Zie (verder) de stellingen die zijn opgenomen in de vindplaatsen als weergegeven in voetnoot 8 hiervoor. Zie ik het goed, dan heeft [eiser] niet gesteld dat hij geen kennis had van de huurkoopovereenkomst tussen [vader van eiser] en de Gemeente en van de bestaande restschuld uit hoofde van deze overeenkomst. [eiser] heeft zélf stellingen ingenomen over deze huurkoopovereenkomst en restschuld. Zie randnummers 19.-24. van de memorie van grieven, en in dit verband, voetnoot 34 hierna.
Vergelijk evenzeer nog volledigheidshalve art.
Procesverloop
Zo heeft [eiser] niet toegelicht waarom en wanneer de gemeente de woonwagen aan hem zou hebben geschonken en met welke gedragingen de gemeente in strijd heeft gehandeld met het geldend maken van haar recht als eigenaar van de woonwagen. De enkele vermelding in § 6.2 van het Woonwagenbeleid dat op het woonwagencentrum negen “eigendomswoonwagens” zijn geplaatst is daarvoor onvoldoende. De gemeente heeft zich immers nog bij brief van 14 februari 2013 op het standpunt gesteld dat de woonwagen haar eigendom is. Een en ander betekent dat de grief van [eiser] tegen de beslissing van de kantonrechter niet slaagt.”
2.7
Verder heeft het hof nog geoordeeld dat de Gemeente zich terecht op verrekening heeft beroepen:
“3.30. Ook al zou de vordering van [eiser] op zichzelf wel voor vergoeding in aanmerking komen, dan moet het verrekeningsverweer van de gemeente worden beoordeeld, waarop [eiser] niet heeft gereageerd. In de huurkoopovereenkomst van 16 juli 1999 heeft de gemeente aan [vader van eiser] een bedrag van ƒ 73.500 (€ 33.352,83) ter beschikking gesteld voor de (af)bouw van een woonwagen. De gemeente heeft onbetwist gesteld dat [vader van eiser] alleen in de eerste jaren de huurkooptermijnen heeft betaald en dat verdere betalingen niet zijn verricht, ook niet door [eiser] . Uit het door [eiser] overgelegde vonnis van de rechtbank Utrecht van 8 november 2005 blijkt dat [vader van eiser] op 5 november 2002 is toegelaten tot de schuldsanering en dat de schuldsaneringsregeling op 8 november 2005 is beëindigd. In een door [eiser] overgelegde bladzijde van een brief heeft een gemachtigde van de bewindvoerder van [vader van eiser] vermeld dat [vader van eiser] vanaf november 2002 de huurkooptermijnen niet meer heeft betaald en dat de restschuld uit de huurkoop op het moment van het schrijven van die brief, waarvan de datum niet is te vinden op de overgelegde bladzijde, € 27.180 bedraagt en dat dit bedrag niet kan worden meegenomen in de schuldsanering, omdat de schuld pas opeisbaar wordt als de huurkooptermijnen opeisbaar worden. [eiser] heeft verder een brief van de gemeente aan mr. Ronday van 14 maart 2012 overgelegd, waarin de gemeente heeft beschreven dat de huurkoop buiten de schuldsanering is gebleven en dat de gemeente indertijd heeft besloten de inning van de huurkooptermijnen stop te zetten. Dit brengt mee dat de gemeente een vordering op [eiser] heeft die in ieder geval hoger dan de eventuele vordering van [eiser] op de gemeente is. Dit komt overeen met de opmerking in nr. 22 van de memorie van grieven van [familie 1] dat de gemeente heeft besloten af te zien van verdere invorderingsmaatregelen en om de restantschuld van € 27.000 mee te nemen in de revitalisering van het woonwagenkamp. Door de verrekeningsverklaring vervallen de vorderingen over en weer tot hun gemeenschappelijke beloop. Het hof hoeft daarom niet precies vast te stellen hoe hoog de vordering van [eiser] wegens schade door verzakking is voor het geval zou worden aangenomen dat hij toch een vordering op de gemeente heeft. Dit alles betekent dat de vordering van [eiser] terecht is afgewezen.”
2.8
Het hof heeft ten slotte de vordering van [eiser] afgewezen (rov. 4.2.5.).
Cassatieberoep
2.9
Bij procesinleiding van 26 april 2024 heeft [eiser] , tijdig, cassatieberoep ingesteld tegen het bestreden arrest. Tegen de Gemeente is verstek verleend. [eiser] heeft zijn standpunt schriftelijk toegelicht.
3Bespreking van het cassatiemiddel
Inleiding
3.1
Het cassatiemiddel bestaat uit een inleiding die geen klachten bevat en vier onderdelen. Elk onderdeel valt uiteen in verschillende subonderdelen (die vaak ook weer bestaan uit verschillende onderdelen). Het cassatieberoep is gericht tegen rov. 3.25. en 3.28.-3.30. van het bestreden arrest.
3.2
Voordat ik de verschillende subonderdelen bespreek, zet ik eerst uiteen hoe het bestreden arrest wat mij betreft moet worden uitgelegd.
3.3
Het hof heeft in rov. 3.28. geoordeeld dat het de stellingen van [eiser] over verkrijgende verjaring niet volgt (zie ook rov. 3.27.). Dit oordeel betreft een goederenrechtelijk vraagstuk, en geen verbintenissenrechtelijk vraagstuk. Daarom staat in rov. 3.28. niet centraal of tussen [eiser] en de Gemeente een verbintenissenrechtelijke rechtsverhouding bestond, en zo ja, welke dan precies. De vragen die in rov. 3.28. wél centraal staan, zijn of [eiser] bezitter was van de woonwagen en, zo ja, of [eiser] te goeder trouw was in verband met zijn beroep op verkrijgende verjaring.
3.4
Voor de duidelijkheid herhaal ik hier de overwegingen van het hof in rov. 3.28. Zij houden het volgende in: (1) [eiser] wordt niet gevolgd in zijn stellingen over verkrijgende verjaring (zie voor deze stellingen rov. 3.27.), (2) [vader van eiser] is geen eigenaar van de woonwagen geworden omdat niet alle huurkooptermijnen zijn betaald, ook niet na het verlenen van een schone lei aan hem, (3) [eiser] stelt ook niet dat [vader van eiser] bij het verlenen van de schone lei eigenaar van de woonwagen is geworden, (4) [eiser] stelt dat hij de woonwagen in 2006/2007 in bezit heeft genomen en dat hij door verkrijgende verjaring eigenaar is geworden, (5) in het licht van de eigen stelling van [eiser] dat hij met medeweten van de Gemeente de huur van de standplaats heeft overgenomen en in de woonwagen is gaan wonen en deze heeft gerenoveerd, heeft [eiser] onvoldoende uitgelegd op welke manier hij de woonwagen in bezit heeft genomen, (6) de Gemeente heeft er kennelijk in toegestemd dat [eiser] [vader van eiser] opvolgde als huurkoper van de woonwagen, (7) dat dit betekent dat [eiser] houder van de woonwagen is geworden voor de Gemeente, (8) dit houderschap kan slechts overgaan in bezit als [eiser] het recht van de Gemeente tegenspreekt (art. 3:111 BW), (9) van dit laatste is echter niet gebleken, (10) de Gemeente heeft bovendien onweersproken gesteld dat [eiser] niet te goeder trouw was, (11) dat brengt mee dat [eiser] pas door verkrijgende verjaring eigenaar zou kunnen worden na een periode van bezit van twintig jaar, en (12) deze periode is niet verstreken, zodat ook om die reden geen sprake is van verkrijgende verjaring.
3.5
Rov. 3.28. lees ik als volgt. Deze overweging komt erop neer dat het hof de stellingen van [eiser] over verjaring die zijn weergegeven in rov. 3.27. om twee redenen niet heeft gevolgd (1). Ten eerste, [eiser] werd in 2006/2007 houder van de woonwagen voor de Gemeente (7), nu vast is komen te staan dat [vader van eiser] geen eigenaar van de woonwagen is geworden (2)-(3), [eiser] in het licht van een eigen stelling onvoldoende heeft uitgelegd op welke manier hij de woonwagen in bezit heeft genomen (4)-(5), en de Gemeente er kennelijk in heeft toegestemd dat [eiser] [vader van eiser] opvolgde als huurkoper van de woonwagen (6). Dit houderschap is daarna niet overgegaan in bezit gelet op het in art. 3:111 BW bepaalde en het niet blijken van een tegenspraak van recht (8)-(9). Ten tweede, en ten overvloede, nu de Gemeente onweersproken heeft gesteld dat [eiser] niet te goeder trouw was, is [eiser] ook om die reden niet gevolgd in de stellingen over verkrijgende verjaring die zijn weergegeven in rov. 3.27. (10)-(12). Ik licht dit alles nu nog wat nader toe.
3.6
Het hof heeft overwogen dat [eiser] op het moment dat hij in de woonwagen is ingetrokken en die heeft gerenoveerd de woonwagen niet in bezit heeft genomen (anders dan [eiser] heeft gesteld, zie ook rov. 3.27.) en de woonwagen op dat moment voor de Gemeente krachtens een rechtsverhouding hield, en daarna is blijven houden omdat geen sprake is geweest van een tegenspraak als bedoeld in art. 3:111 BW. Ik lees het oordeel dat [eiser] onvoldoende heeft uitgelegd op welke manier hij de woonwagen in bezit heeft genomen, in verbinding met het oordeel van het hof dat het [eiser] niet volgt in zijn stellingen over verkrijgende verjaring (zie voor deze stellingen, rov.
Beoordeling
weergegeven stelling van [eiser] dat hij met medeweten van de Gemeente de huur van de standplaats heeft overgenomen en in de woonwagen is gaan wonen en deze heeft gerenoveerd aldus heeft uitgelegd dat [eiser] heeft gesteld dat er bij [eiser] en [vader van eiser] wilsovereenstemming bestond over de opvolging door [eiser] van [vader van eiser] als huurkoper van de woonwagen of dat sprake is van omstandigheden die tot de conclusie kunnen leiden dat [eiser] als rechtsopvolger van [vader van eiser] als huurkoper geldt. Deze stelling zou betrekking hebben op de huur van de standplaats en op de bewoning en renovatie van de woonwagen door [eiser] en laat zich volgens het subonderdeel niet aldus uitleggen dat er bij [eiser] en [vader van eiser] wilsovereenstemming bestond over de opvolging door [eiser] van [vader van eiser] als huurkoper van de woonwagen of dat sprake is van omstandigheden die tot de conclusie kunnen leiden dat [eiser] als rechtsopvolger van [vader van eiser] als huurkoper geldt.
3.27
Dit subonderdeel gaat er ten onrechte van uit dat het hof in rov. 3.28. de bedoelde stelling van [eiser] aldus heeft uitgelegd dat [eiser] hiermee heeft gesteld dat er bij [eiser] en [vader van eiser] wilsovereenstemming bestond over de opvolging door [eiser] van [vader van eiser] als huurkoper van de woonwagen of dat sprake is van omstandigheden die tot de conclusie kunnen leiden dat [eiser] als rechtsopvolger van [vader van eiser] als huurkoper geldt. Het subonderdeel kan daarom niet tot cassatie leiden. Zie verder randnummer 3.20 hiervoor.
3.28
Subonderdeel 1.2 voert aan dat voor zover het hof meent dat sprake is van contractoverneming in de zin van art. 6:159 BW het oordeel dat [eiser] [vader van eiser] op deze grond is opgevolgd als huurkoper van de woonwagen bovendien getuigt van een onjuiste rechtsopvatting op grond van het volgende. Het hof heeft miskend dat voor het rechtsgeldig tot stand brengen van contractoverneming een akte vereist is, opgemaakt tussen overnemer (in dit geval: [eiser] ) en overdrager (in dit geval: [vader van eiser] ). Het hof zou het voorgaande hebben miskend omdat het aan zijn oordeel dat [eiser] [vader van eiser] opvolgde als huurkoper niet ten grondslag heeft gelegd dat tussen [eiser] en [vader van eiser] een akte is opgemaakt die strekt tot overname door [eiser] van de door [vader van eiser] met de Gemeente gesloten huurkoopovereenkomst. Begrepen in het kader van contractoverneming zou het oordeel van het hof dus onjuist of onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd zijn.
3.29
Subonderdeel 1.2.1 voert aan dat bovendien geen andere conclusie mogelijk is dan dat de Gemeente – door zich niet te beroepen op een akte die strekt tot overname door [eiser] van de door [vader van eiser] met de Gemeente gesloten huurkoopovereenkomst – onvoldoende heeft gesteld voor contractoverneming, zodat het oordeel van het hof ook om die reden zou getuigen van een onjuiste rechtsopvatting of ontoereikend zou zijn gemotiveerd.
3.30
Subonderdeel 1.3 voert aan dat voor zover het hof heeft gemeend dat [eiser] en de Gemeente (stilzwijgend) huurkoop van de woonwagen zijn overeengekomen, het oordeel dat [eiser] [vader van eiser] is opgevolgd als huurkoper van de woonwagen bovendien getuigt van een onjuiste rechtsopvatting op grond van het volgende. Het hof zou hebben miskend dat een huurkoop op papier of op een andere duurzame drager moet worden aangegaan (art. 7:84 in verbinding met art. 7:86 BW). Als de woonwagen moet worden aangemerkt als onroerende zaak, dan zou zelfs een notariële akte vereist zijn (art. 7:113 in verbinding met art. 7:114 BW). Het hof zou het voorgaande hebben miskend omdat het zijn oordeel dat [eiser] huurkoper is van de woonwagen niet zou hebben gebaseerd op een daartoe strekkende huurkoopovereenkomst tussen [eiser] en de Gemeente die ofwel op papier of op een andere duurzame drager is aangegaan ofwel is aangegaan bij een notariële akte, en evenmin zou hebben onderzocht of van een dergelijke vastlegging sprake is. Begrepen in het kader van huurkoop zou het oordeel van het hof dus onjuist of onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd zijn.
3.31
Subonderdeel 1.3.1 voert aan dat bovendien geen andere conclusie mogelijk zou zijn dan dat de Gemeente – door zich niet te beroepen op een huurkoopovereenkomst tussen [eiser] en de Gemeente die ofwel op papier of op een andere duurzame drager is aangegaan ofwel is aangegaan bij een notariële akte – onvoldoende zou hebben gesteld voor huurkoop, zodat het oordeel van het hof ook om die reden zou getuigen van een onjuiste rechtsopvatting of ontoereikend zou zijn gemotiveerd.
3.32
Subonderdeel 1.4 voert aan dat het hof met zijn oordeel bovendien 24 Rv zou hebben miskend omdat beide partijen niet, althans niet voldoende kenbaar hebben gesteld dat [eiser] [vader van eiser] opvolgde als huurkoper.
3.33
Ik kan subonderdelen 1.2-1.4 gezamenlijk bespreken: deze subonderdelen kunnen niet tot cassatie leiden, gelet op wat ik hiervoor in randnummer 3.20 heb uiteengezet. Daarbij kan in het midden blijven welke wetsbepalingen een (beweerdelijke) huurkoopovereenkomst tussen [eiser] en de Gemeente zouden kunnen beheersen.
3.34
Subonderdeel 1.4.1 voert aan dat voor zover het hof de stellingen van de Gemeente dat (i) voor zover [eiser] een vordering heeft, wat (in het oordeel van het hof) niet zo is, verrekening kan plaatsvinden met de nog openstaande huurkooptermijnen en (ii) de Gemeente heeft ingestemd met de opvolging van de huur van de standplaats door [eiser] aldus heeft uitgelegd dat de Gemeente heeft gesteld dat [eiser] [vader van eiser] opvolgde als huurkoper van de woonwagen, het hof een onbegrijpelijke uitleg heeft gegeven van de stellingen van de Gemeente. Stelling (i) zou de blote stelling betreffen dat de Gemeente gerechtigd zou zijn openstaande huurkooptermijnen te verrekenen met [eiser] . Deze stelling zou zich niet aldus laten uitleggen dat [eiser] [vader van eiser] opvolgde als huurkoper en de Gemeente op die grond gerechtigd zou zijn openstaande huurkooptermijnen te verrekenen. Stelling (ii) zou enkel betrekking hebben op huur van de standplaats. Deze stelling zou zich niet aldus laten uitleggen dat [eiser] [vader van eiser] (ook) opvolgde als huurkoper van de woonwagen.
3.35
Het hof heeft in rov. 3.28. niet stellingen van de Gemeente zo uitgelegd dat de Gemeente heeft gesteld dat [eiser] [vader van eiser] opvolgde als huurkoper van de woonwagen. Het subonderdeel is daarom tevergeefs voorgesteld. Zie verder randnummer 3.20 hiervoor.
3.36
Subonderdeel 1.4.2 voert aan dat voor zover het hof de in rov. 3.28. weergegeven stelling van [eiser] dat hij met medeweten van de Gemeente de huur van de standplaats heeft overgenomen en in de woonwagen is gaan wonen en deze heeft gerenoveerd aldus heeft uitgelegd dat [eiser] heeft gesteld dat hij [vader van eiser] opvolgde als huurkoper van de woonwagen, het hof een onbegrijpelijke uitleg van de stelling van [eiser] zou hebben gegeven. Deze stelling zou betrekking hebben op de huur van de standplaats en op de bewoning en renovatie van de woonwagen door [eiser] . Deze stelling zou zich niet aldus laten uitleggen dat [eiser] [vader van eiser] opvolgde als huurkoper van de woonwagen.
3.37
Het subonderdeel faalt. Het hof heeft in rov. 3.28. niet stellingen van [eiser] zo uitgelegd dat [eiser] heeft gesteld dat [eiser] [vader van eiser] opvolgde als huurkoper van de woonwagen. Het subonderdeel kan daarom niet tot cassatie leiden. Zie verder randnummer 3.20 hiervoor.
3.38
Subonderdeel 1.5 voert aan dat het slagen van (één van) de voorgaande klachten eveneens de oordelen in rov. 3.28. dat [eiser] , omdat hij zijn vader is opgevolgd als huurkoper, houder en niet bezitter van de woonwagen is en rov. 3.30.
Beoordeling
Het hof zou in dat geval hebben miskend dat een bezitter te goeder trouw is wanneer hij zich als rechthebbende beschouwt en zich ook redelijkerwijze als zodanig mocht beschouwen.
3.54
Dit subonderdeel faalt bij gebrek aan belang. In cassatie wordt, ten eerste, niet succesvol opgekomen tegen het oordeel van het hof dat [eiser] houder van de woonwagen voor de gemeente was, en dus niet bezitter. Ik verwijs naar mijn bespreking van subonderdelen 1.1-2.2 om herhaling te voorkomen. Dat betekent dat art. 3:118 lid 1 BW geen bespreking behoeft. Ten tweede meen ik dat het oordeel van het hof – in mijn (welwillende) lezing: een waardering van ingenomen stellingen door partijen, niet (enkel) een oordeel over de stelplicht – dat in het onderhavige geval is komen vast te staan dat [eiser] niet te goeder trouw was hoe dan ook niet onjuist of onbegrijpelijk is, ook niet in het licht van de regel van art. 3:118 lid 3 BW dat goede trouw wordt vermoed aanwezig te zijn en het ontbreken van goede trouw moet worden bewezen. Dat volgt uit hetgeen ik in dit verband heb geschreven in randnummers 3.4, 3.7 en 3.17 hiervoor. Wat mij betreft is tegen de achtergrond van de gedingstukken en in het licht van de inhoud van rov. 3.27.-3.28. een andere uitkomst dan dat goede trouw ontbrak niet goed denkbaar.
3.55
Subonderdeel 2.4 voert aan dat voor zover in het oordeel van het hof besloten ligt dat [eiser] onvoldoende heeft gesteld dat hij te goeder trouw is, dat oordeel ofwel onjuist ofwel onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd zou zijn op grond van het volgende. [eiser] zou hebben gesteld dat hij zich vanaf het moment dat hij de woonwagen introk (en daarmee in bezit nam) als rechthebbende beschouwde en zich, gelet op de geschetste gang van zaken, ook redelijkerwijs als rechthebbende mocht beschouwen. De Gemeente zou zonder nadere onderbouwing hebben gesteld dat [eiser] niet te goeder trouw was en zou daarmee de stelling van [eiser] (bloot) hebben betwist. Goede trouw wordt vermoed aanwezig te zijn; het ontbreken van goede trouw moet worden bewezen (art. 3:118 lid 3 BW). Door het betoog dat [eiser] eigenaar is geworden op grond van verkrijgende verjaring te verwerpen op de grond dat [eiser] onvoldoende heeft gesteld dat hij te goeder trouw is, zou het hof – in het licht van het partijdebat en/of de omstandigheid dat [eiser] als bezitter wordt vermoed te goeder trouw te zijn – ofwel te strenge eisen hebben gesteld aan de stelplicht van [eiser] , ofwel een onbegrijpelijke uitleg van de stellingen van [eiser] hebben gegeven. De aangehaalde stelling van [eiser] zou immers niet anders kunnen worden begrepen dan dat hij heeft gesteld dat hij te goeder trouw is.
3.56
Subonderdeel 2.5 voert aan dat voor zover in het oordeel van het hof besloten ligt dat [eiser] onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij te goeder trouw is, het hof het wettelijke vermoeden van art. 3:118 lid 3 BW dat goede trouw wordt vermoed aanwezig te zijn en het ontbreken van goede trouw moet worden bewezen, zou hebben miskend. Nu [eiser] zou hebben gesteld dat hij bezitter te goeder trouw is, en de Gemeente zou hebben betwist dat [eiser] te goeder trouw is, zou het gelet op het wettelijke vermoeden aan de Gemeente zijn om te bewijzen dat [eiser] niet te goeder trouw is, althans zou het aan de Gemeente zijn om tegenbewijs te leveren door het wettelijke vermoeden te ontzenuwen. Het hof zou dit hebben miskend door direct van [eiser] te verlangen dat hij zijn stelling dat hij te goeder trouw is voldoende aannemelijk maakt. Het hof zou namelijk eerst van de Gemeente hebben moeten verlangen dat zij tegen(deel)bewijs levert tegen het wettelijke vermoeden dat [eiser] te goeder trouw is.
3.57
Ook deze subonderdelen kunnen niet tot cassatie leiden. Ik kan hier volstaan met een verwijzing naar randnummer 3.54 hiervoor. De subonderdelen missen overigens feitelijke grondslag waar zij ervan uitgaan dat het oordeel van het hof (slechts) inhoudt dat [eiser] onvoldoende heeft gesteld (of onderbouwd) en/of meer had moeten stellen (of onderbouwen) of dat het hof van [eiser] heeft verlangd dat hij zijn stelling dat hij te goeder trouw is voldoende aannemelijk maakt. In mijn (welwillende) lezing heeft het hof als gezegd (ook) geoordeeld dat vast is komen te staan dat [eiser] niet te goeder trouw was.
Onderdeel 3: gebrekkig oordeel dat de Gemeente een vordering heeft op [eiser]
3.58
Subonderdeel 3.1 voert aan dat het oordeel van het hof in rov. 3.30. dat de Gemeente een vordering heeft op [eiser] (bestaande uit de openstaande huurkooptermijnen/restschuld) en de vordering van [eiser] moet worden afgewezen omdat de Gemeente een beroep kan doen op verrekening, niet in stand kan blijven op grond van de klachten van onderdeel 1.
3.59
Subonderdeel 3.2 voert aan dat voor zover het hof zijn in rov. 3.30. weergegeven oordeel op een andere grondslag zou baseren dan dat [eiser] [vader van eiser] opvolgde als huurkoper van de woonwagen, dit oordeel van een onjuiste rechtsopvatting getuigt en het ontoereikend gemotiveerd is. Het hof zou in dat geval namelijk geen feiten hebben vastgesteld die (zonder nadere motivering) de conclusie kunnen dragen dat [eiser] gehouden is de openstaande huurkooptermijnen/restschuld te betalen aan de Gemeente en de Gemeente aldus een beroep zou kunnen doen op verrekening als [eiser] een vordering zou hebben op de Gemeente.
3.60
Subonderdeel 3.2.1 voert aan dat (een deel van) het in rov. 3.30. weergegeven oordeel van het hof de vaststelling van de omvang van de openstaande huurkooptermijnen/hoogte van de restschuld zou betreffen. Voor zover dit oordeel (ook) aldus zou moeten worden begrepen dat het hof op basis daarvan oordeelt dat de Gemeente een vordering zou hebben op [eiser] , zou dit oordeel van een onjuiste rechtsopvatting getuigen en zou het ontoereikend gemotiveerd zijn. De in rov. 3.30. weergegeven feiten en omstandigheden zouden namelijk (zonder nadere motivering) niet de conclusie kunnen dragen dat [eiser] gehouden is de openstaande huurkooptermijnen/restschuld te betalen aan de Gemeente.
3.61
Subonderdeel 3.2.2 voert aan dat (een deel van) het oordeel van het hof in rov. 3.30. een aanvullende onderbouwing van de omvang van de openstaande huurkooptermijnen/hoogte van de restschuld betreft. Voor zover dit oordeel (ook) aldus moet worden begrepen dat het hof op basis daarvan oordeelt dat de Gemeente een vordering heeft op [eiser] , zou dit oordeel van een onjuiste rechtsopvatting getuigen en zou het ontoereikend gemotiveerd zijn. Hetgeen in de memorie van grieven, randnummer 22., is gesteld, zou namelijk (zonder nadere motivering) niet de conclusie kunnen dragen dat [eiser] gehouden is de openstaande huurkooptermijnen/restschuld te betalen aan de Gemeente.
3.62
Subonderdeel 3.3 voert aan dat het in rov. 3.30. weergegeven oordeel van het hof dat de Gemeente een vordering heeft op [eiser] (bestaande uit de openstaande huurkooptermijnen/restschuld) bovendien onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd is. [eiser] zou namelijk hebben gesteld dat de Gemeente heeft besloten om de restschuld van € 27.000 mee te nemen in de revitalisering van het woonwagenkamp. In cassatie zou (in ieder geval veronderstellenderwijs) moeten worden uitgegaan van de juistheid van deze stelling. Deze stelling zou tot de conclusie kunnen leiden dat de Gemeente de restschuld niet op [eiser] kan verhalen omdat deze al is meegenomen in de revitalisering van het woonwagenkamp. Nu het hof deze stelling niet zou hebben betrokken bij zijn oordeel dat de Gemeente een vordering – bestaande uit de restschuld – heeft op [eiser] , zou zijn oordeel onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd zijn.
3.63
Ik bespreek subonderdelen 3.1-3.3 gezamenlijk.
3.64
Subonderdelen 3.1-3.3 stuiten af op het volgende. Rov. 3.30. is een overweging ten overvloede nu volgens het hof van verkrijgende verjaring geen sprake is (rov. 3.28.).
Conclusie
3:110 BW.
Zie in dit verband HR 24 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:309, NJ 2018/141 m.nt. H.J. Snijders, BR 2017/80 m.nt. K. Meijering & I.L.M.W. Theunisse, Gst. 2017/77 m.nt. W. Lever, TBR 2017/105 m.nt. F.J. Vonck, Ars Aequi 2017, p. 516 e.v. m.nt. A.G. Castermans, JOR 2017/186 m.nt. S.E. Bartels & V. Tweehuysen, VGR 2017, p. 69 e.v. m.nt. R.L. Fabritius, TvAR 2017/5881 m.nt. H.J.F. Oetgens van Waveren Pancras Clifford en Jurisprudentie Grondzaken 2017/149 m.nt. F.M.A. van der Loos (Gemeente Heusden), rov. 3.3.2. Zie voorts de vindplaatsen genoemd in voetnoot 8 hiervoor.
Zie over inbezitneming onder meer HR 18 september 2015, ECLI:NL:HR:2015:2743, NJ 2016/78 m.nt. F.M.J. Verstijlen en JG 2016/12 m.nt. L. van Leijen (Gemeente Landgraaf), rov. 3.4.2, HR 14 februari 2020, ECLI:NL:HR:2020:257, NJ 2021/186 m.nt. H.J. Snijders (Land Curaçao c.s.), rov. 5.3.3 en HR 8 november 2024, ECLI:NL:HR:2024:1606 (Gemeente Laarbeek), rov. 3.2. Hier wordt overwogen dat ook het antwoord op de vraag of iemand de voor bezit vereiste feitelijke macht uitoefent, wordt bepaald naar verkeersopvatting en overigens op grond van uiterlijke feiten.
Zie (verder) de stellingen die zijn opgenomen in de vindplaatsen als weergegeven in voetnoot 8 hiervoor. Zie tevens hetgeen ik heb opgemerkt in voetnoot 14 hiervoor.
Zie in dit verband HR 18 september 2015, ECLI:NL:HR:2015:2743, NJ 2016/78 m.nt. F.M.J. Verstijlen en JG 2016/12 m.nt. L. van Leijen (Gemeente Landgraaf), rov. 3.4.2, HR 24 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:309, NJ 2018/141 m.nt. H.J. Snijders, BR 2017/80 m.nt. K. Meijering & I.L.M.W. Theunisse, Gst. 2017/77 m.nt. W. Lever, TBR 2017/105 m.nt. F.J. Vonck, Ars Aequi 2017, p. 516 e.v. m.nt. A.G. Castermans, JOR 2017/186 m.nt. S.E. Bartels & V. Tweehuysen, VGR 2017, p. 69 e.v. m.nt. R.L. Fabritius, TvAR 2017/5881 m.nt. H.J.F. Oetgens van Waveren Pancras Clifford en Jurisprudentie Grondzaken 2017/149 m.nt. F.M.A. van der Loos (Gemeente Heusden), rov. 3.3.3, HR 14 februari 2020, ECLI:NL:HR:2020:257, NJ 2021/186 m.nt. H.J. Snijders (Land Curaçao c.s.), rov. 5.3.3 en HR 8 november 2024, ECLI:NL:HR:2024:1606 (Gemeente Laarbeek), rov. 3.2.
Ook niet tegen de achtergrond van de gedingstukken. Zie akte aanvulling en overlegging producties van de Gemeente van 12 januari 2021, randnummers 2.14.-3.1., pleitaantekeningen van [eiser] van 19 januari 2021, randnummers 32.-43., akte na comparitie van 17 februari 2021, randnummers 2.4.-2.5. en 7.1., memorie van grieven, randnummers 16.-29., memorie van antwoord, randnummers 2.16.-2.17., 2.20. en 3.2.-3.4., pleitnota van [eiser] van 19 april 2023, randnummers 48.-53., pleitaantekeningen van [eiser] van 20 november 2023, randnummers 73.-78. (deels doorgestreept in overgelegd exemplaar) en proces-verbaal van 20 november 2023, p. 9-11 en 12-13.
Zie rov. 3.27.-3.28. en (verder) de stellingen die zijn opgenomen in de vindplaatsen als weergegeven in voetnoot 8 hiervoor. Zie tevens hetgeen ik heb opgemerkt in voetnoot 14 hiervoor.
Zie verder over art. 3:118 lid 1 BW Asser Vermogensrecht algemeen/S.E. Bartels & A.I.M. van Mierlo, Deel 3-IV. Algemeen goederenrecht, Deventer: Wolters Kluwer 2021, nrs. 125 e.v.
Zie in dit verband art. 200* Overgangswet NBW (“*” wordt vermeld op wetten.overheid.nl). En zie voorts de volgende bepalingen: art. 7A:1576i lid 1-4 BW (oud), art. 2 lid 1 Tijdelijke wet huurkoop onroerende zaken (oud), en art. 7A:1576j lid 1 en 3 BW (oud).
De procesinleiding verwijst naar akte aanvulling en overlegging producties van de Gemeente van 12 januari 2021, randnummer 2.20., en memorie van antwoord, randnummer 2.17.
De procesinleiding verwijst naar memorie van antwoord, randnummer 2.16.
De procesinleiding verwijst naar het vonnis in eerste aanleg van 27 oktober 2021, rov. 4.1., het bestreden arrest, rov. 2.1. en (kennelijk) rov. 3.28., memorie van grieven, randnummers 23.-24. en memorie van antwoord, randnummers 2.2.-2.3.
Zie verder Asser Vermogensrecht algemeen/S.E. Bartels & A.I.M. van Mierlo, Deel 3-IV. Algemeen goederenrecht, Deventer: Wolters Kluwer 2021, nr. 123.
De procesinleiding verwijst naar memorie van grieven, randnummers 23.-24. en bestreden arrest, rov. 3.27.
De procesinleiding verwijst naar het vonnis in eerste aanleg van 27 oktober 2021, rov. 4.1., bestreden arrest, rov. 2.1. en (kennelijk) 3.28., memorie van grieven, randnummers 23.-24. en memorie van antwoord, randnummers 2.2.-2.3.
De procesinleiding verwijst naar memorie van grieven, randnummers 23.-24.
De procesinleiding verwijst naar memorie van grieven, randnummers 22.-24., en bestreden arrest, rov. 3.27.-3.28.
De procesinleiding verwijst naar memorie van grieven, randnummer 24.
De procesinleiding verwijst naar memorie van grieven, randnummer 26.
Ik laat daarom in het midden of het hof in rov. 3.28. (op zich) op onbegrijpelijke wijze enigerlei stelling van [eiser] heeft uitgelegd of gepasseerd. Randnummer 26. van de memorie van grieven, waarop de procesinleiding een beroep doet, vermeldt slechts: “ heeft zich vanaf het moment waarop hij in de woonwagen introk als rechthebbende beschouwd en mocht zich, gelet op de geschetste gang van zaken ook redelijkerwijs als rechthebbende van de woonwagen beschouwen.” Met “de geschetste gang van zaken” worden kennelijk de volgende stellingen bedoeld: de totstandkoming van de huurkoopovereenkomst tussen [vader van eiser] en de Gemeente in 1999, de toelating van [vader van eiser] tot de wettelijke schuldsanering en de beëindiging daarvan met een schone lei zodat de vorderingen van de Gemeente op dat moment niet meer opeisbaar waren, het achterwege laten door de Gemeente van overleg met [vader van eiser] en van het sluiten van een nieuwe overeenkomst met [vader van eiser] toen de schuldsanering werd beëindigd, het afzien door de Gemeente van verdere invorderingsmaatregelen in 2007, het meenemen door de Gemeente van de restschuld in de revitalisering van het woonwagencentrum in 2007, het intrek nemen door [eiser] in de betreffende woonwagen in 2006/2007 en de investering in en het opknappen van de woonwagen door [eiser] in 2006/2007, het bekend zijn van de Gemeente met deze gebeurtenissen in 2006/2007, en het bewonen door [eiser] van de woonwagen sinds 2006/2007 (randnummers 19.-24. van de memorie van grieven). Zie de reactie op het voorgaande in memorie van antwoord, randnummers 3.2.-3.4., waarin wordt betwist dat de vordering van de Gemeente niet meer opeisbaar is door de schuldsanering en (vooral) wordt benadrukt dat de eigendom van de woonwagen nooit is overgedragen aan [vader van eiser] omdat de huurkooptermijnen niet volledig zijn voldaan, dat nergens uit blijkt dat [vader van eiser] de woonwagen aan [eiser] zou hebben overgedragen, en dat er in 2007 nog is gesproken over de openstaande schuld ten aanzien van de woonwagen. Zie verder de (andere) vindplaatsen in voetnoot 8 hiervoor.
Zie verder Asser Vermogensrecht algemeen/S.E. Bartels & A.I.M. van Mierlo, Deel 3-IV. Algemeen goederenrecht, Deventer: Wolters Kluwer 2021, nr. 129.
De procesinleiding verwijst naar memorie van grieven, randnummer 26.
De procesinleiding verwijst naar memorie van antwoord, randnummer 3.4.
De procesinleiding verwijst naar memorie van grieven, randnummer 26.
De procesinleiding verwijst naar memorie van antwoord, randnummer 3.4.
De procesinleiding verwijst naar memorie van grieven, randnummer 22., en bestreden arrest, rov. 3.30.
Zie over het omgaan met bevindingen van een deskundige HR 17 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:279, RvdW 2017/261 (Goedvast Vastgoed BV), rov. 3.4.3 en HR 21 april 2023, ECLI:NL:HR:2023:649, NJ 2024/48 m.nt. M.A. Verbrugh en JOR 2023/155 m.nt. M.W. Josephus Jitta (Minister van Financiën/Stichting Beheer SNS Reaal c.s.), rov. 3.1.2.
Zie onder meer HR 28 mei 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZC2912, NJ 1999/564 m.nt. A.R. Bloembergen, VR 1999/166 m.nt. G.M. Tilanus-van Wassenaer en Ars Aequi 1999, p. 656 e.v. m.nt.
Procesverloop
3.27.) en dat [eiser] houder van de woonwagen voor de Gemeente was (rov. 3.28.), dus zo dat het hof heeft geoordeeld dat inbezitneming niet aannemelijk is (een waardering van ingenomen stellingen door partijen; niet (enkel) een oordeel over de stelplicht). In rov. 3.28. valt verder niet met zoveel woorden te lezen dat het hof heeft geoordeeld dat tussen de Gemeente en [eiser] een huurkoopovereenkomst bestond: het hof heeft weliswaar geoordeeld dat de Gemeente toestemming heeft gegeven voor opvolging door [eiser] van [vader van eiser] als huurkoper van de woonwagen, maar het hof heeft in rov. 3.28. in het midden gelaten of deze opvolging daadwerkelijk is gerealiseerd (en of aan de daarvoor geldende voorwaarden is voldaan). Wel heeft het hof in rov. 3.28. aan art. 3:111 BW toepassing gegeven, waaruit blijkt dat het hof (impliciet) heeft geoordeeld dat [eiser] de woonwagen krachtens een rechtsverhouding hield voor de Gemeente. Onder meer het bestaan van een rechtsverhouding is dus dragend voor het oordeel van het hof dat [eiser] houder van de woonwagen voor de Gemeente is.
3.7
Ten overvloede heeft het hof geoordeeld dat is komen vast te staan dat [eiser] niet te goeder trouw was (zie nader randnummer 3.17 hierna). Het hof heeft in dit verband in rov. 3.28. als gezegd overwogen dat de Gemeente onweersproken heeft gesteld dat [eiser] niet te goeder trouw was. Deze overweging, in verbinding met het direct hieropvolgende “[d]at brengt mee dat [eiser] pas door verkrijgende verjaring eigenaar zou kunnen worden na een periode van bezit van twintig jaar (artikelen 3:104, 3:306 en 3:314 lid 2 BW). Deze periode is niet verstreken, zodat ook om die reden er geen sprake is van verkrijgende verjaring” en het oordeel dat het hof [eiser] niet volgt in zijn stellingen over verkrijgende verjaring (rov. 3.27.-3.28.), lees ik zo dat het hof heeft geoordeeld dat het niet aannemelijk is dat [eiser] te goeder trouw was (een waardering van ingenomen stellingen door partijen; niet (enkel) een oordeel over de stelplicht).
3.8
Omdat bezit (ten overvloede: evenals goede trouw) ontbreekt, kan geen sprake zijn geweest van verkrijgende verjaring. Daarom heeft [eiser] niet de eigendom van de woonwagen verkregen en komt hem geen vergoeding van schade aan de woonwagen toe, aldus het hof.
3.9
Ten slotte vermeld ik nog dat het hof ook nog ten overvloede – in het kader van een verrekeningsverweer – enigszins impliciet ervan is uitgegaan dat de Gemeente een vordering op [eiser] had die voortvloeit uit een huurkoopovereenkomst (rov. 3.30.).
Onderdeel 1: gebrekkig oordeel dat [eiser] [vader van eiser] is opgevolgd als huurkoper
3.10
Subonderdeel 1.1 voert aan dat het hof in rov. 3.28. heeft miskend dat (i) de in rov. 3.28. weergegeven stelling van [eiser] dat hij met medeweten van de Gemeente de huur van de standplaats heeft overgenomen en in de woonwagen is gaan wonen en (ii) de omstandigheid dat de Gemeente er kennelijk in heeft toegestemd dat [eiser] [vader van eiser] opvolgde als huurkoper van de woonwagen niet de conclusie kunnen dragen dat [eiser] [vader van eiser] daadwerkelijk is opgevolgd als huurkoper van de woonwagen.
3.11
Dit subonderdeel kan niet tot cassatie leiden.
3.12
Het subonderdeel gaat ervan uit dat (een beweerdelijk oordeel van het hof over) het bestaan van een huurkoopovereenkomst dragend is (of zou moeten zijn geweest) voor het oordeel van het hof dat [eiser] houder was van de woonwagen voor de Gemeente en géén bezitter. Dit is echter niet het geval. Daarom mist het subonderdeel belang (en/of feitelijke grondslag). Het hof heeft in rov. 3.28. als gezegd niet geoordeeld dat tussen [eiser] en de Gemeente een huurkoopovereenkomst bestond. En dat was ook niet nodig, omdat de precieze rechtsverhouding voor het zijn van houder voor een ander niet relevant hoeft te zijn. Zie randnummer 3.6 hiervoor en randnummer 3.13 hierna. Het hof heeft in rov. 3.28. onder andere de vraag beantwoord of [eiser] bezitter was. Het oordeel van het hof komt erop neer dat [eiser] de woonwagen hield voor de Gemeente. In dit kader heeft het hof gewezen op hetgeen ik hiervoor in randnummer 3.4 heb genoemd in verband met de houderschapsdiscussie.
3.13