Rechtspraak
Parket bij de Hoge Raad
2024-11-26
ECLI:NL:PHR:2024:1267
Strafrecht
10,696 tokens
Conclusie
D.J.C. Aben
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1995,
hierna: de verdachte
Inleiding
1. Het gerechtshof Amsterdam heeft bij arrest van 7 juli 2022 de verdachte wegens (5) “medeplegen van schuldwitwassen” veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 120 uren (te vervangen door 60 dagen hechtenis), met aftrek conform artikel 27 lid 1 Sr. Daarnaast is de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard in de vordering tot schadevergoeding.
2. Er bestaat samenhang met de zaken 22/02523, 22/02704, 22/02703, 22/02706, 22/02705, 22/02739 en 22/02608. In deze zaken zal ik vandaag ook concluderen.
3. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. R. Pothast, advocaat te Amsterdam, heeft twee middelen van cassatie voorgesteld.
4. Beide middelen klagen over de bewezenverklaring. Voordat ik overga tot een bespreking van de middelen, geef ik eerst de inhoud van de zaak, de bewezenverklaring en de bewijsconstructie van het hof weer.
De zaak
5. De zaak gaat, zoals kernachtig door het hof samengevat en voor zover voor de beoordeling van de middelen van belang, over het volgende:
“Deze strafzaak komt voort uit het opsporingsonderzoek dat bekend is onder de naam “13RolwoIk”. Dit onderzoek ziet op zes verdachten die in wisselende samenstellingen worden verdacht van verschillende strafbare feiten, zoals oplichting, flessentrekkerij en witwassen. De verdachten zijn: [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] , [medeverdachte 4] , [verdachte] en [medeverdachte 5] . De verdachten worden hierna ter bevordering van de leesbaarheid ook aangeduid bij hun achternaam.
[…]. Vervolgens benaderden [medeverdachte 1] en [medeverdachte 1] factoringmaatschappij Bibby Financial Services B.V. (hierna: Bibby). Er is een contract met Bibby afgesloten waarbij werd overeengekomen dat Bibby facturen van [bedrijf 1] (gericht aan klanten van [bedrijf 1] ) over zou nemen. Vervolgens zijn facturen, die waren gericht aan [bedrijf 3] Holding B.V. (hierna: [bedrijf 3] ) en Offshore Drilling Services B.V. (hierna Offshore Drilling), overgedragen aan Bibby terwijl [bedrijf 1] geen goederen heeft geleverd aan [bedrijf 3] of Offshore Drilling. De verdenking van het medeplegen van de oplichting van Bibby, een poging daartoe en het medeplegen van het gebruik maken van valse facturen zijn als feiten 3, 4 en 5 ten laste gelegd in de zaken van [medeverdachte 1] en [medeverdachte 1] . Deze drie feiten zijn door [medeverdachte 1] en [medeverdachte 1] niet betwist. De opbrengsten uit de flessentrekkerij en de oplichting van Bibby zijn (deels) naar bankrekeningen op naam van bedrijven van [verdachte] en de privébankrekening van [verdachte] overgeboekt. Dit is als (gewoonte)witwassen aan [verdachte] ten laste gelegd (feit 5 in de zaak van de verdachte). (…).”
De bewezenverklaring van het onder 5 ten laste gelegde
6. Ten laste van de verdachte heeft het hof onder 5 bewezen verklaard dat:
“hij in de periode van 1 januari 2016 tot en met 12 juli 2016 in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, van voorwerpen, te weten
- geldbedragen tot een totaal van 92.369 euro, en
- geldbedragen tot een totaal van 10.500 euro
heeft verhuld wie de rechthebbende is
terwijl hij, verdachte, telkens redelijkerwijs moest vermoeden dat die voorwerpen geheel of gedeeltelijk onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf.”
De bewijsconstructie van het hof
7. De bewezenverklaring steunt op de volgende, in de bijlage bij het arrest opgenomen bewijsmiddelen:
“
1. De verklaring die de verdachte
[verdachte]
ter terechtzitting in eerste aanleg op 10 april 2019 heeft afgelegd. Deze verklaring houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:
Ik zat een tijdje geleden vast in [PI] . Toen heb ik [medeverdachte 1] leren kennen. [medeverdachte 1] voeg mij een eenmanszaak te openen. Hij zat toen nog vast. Ik heb dat gedaan. Ik heb de pasjes afgegeven aan [medeverdachte 1] en [medeverdachte 1] . Ik had twee zakelijke rekeningen en een privérekening. Ik heb de pasjes van de twee zakelijke rekeningen afgegeven. Het pasje van mijn privérekening gaf ik ook soms aan [medeverdachte 1] en [medeverdachte 1] . Af en toe kreeg ik een pasje (het hof begrijp: van de zakelijke rekening) terug om met de bank te bellen. Ik moest de limiet verhogen. Dat moest ik doen van [medeverdachte 1] en [medeverdachte 1] .
2. Een proces-verbaal van bevindingen van 28 juli 2016, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant] (pagina 004569 e.v.). Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als bevindingen van de verbalisant:
Rekeningnummer [rekeningnummer 1]
Uit de identificerende gegevens blijkt dat rekeningnummer [rekeningnummer 1] op naam staat van:
[verdachte]
[a-straat 1]
[postcode] [plaats]
Telefoonnummer [telefoonnummer 1]
Bijschrijvingen
In totaal wordt er voor een bedrag van € 26.296,51 bijgeschreven op de rekening. De bijschrijvingen bestaan onder meer uit de volgende transacties:
• Er wordt in totaal een bedrag van € 11.130,00 bijgeschreven afkomstig van [bedrijf 1] B.V. Bij de omschrijving staan onder meer de volgende termen: "Factuur, Levering, Voorschot, Transport, Offshore Netherlands (het hof begrijpt op grond van het aan dit proces-verbaal gehechte Excelbestand: in de periode van 11 april 2016 tot en met 6 juni 2016; pag. 004577).
• Er wordt in totaal een bedrag van € 9.861,99 bijgeschreven afkomstig van [bedrijf 2] (het hof begrijpt op grond van het aan dit proces-verbaal gehechte Excelbestand: in de periode van 31 mei 2016 tot en met 6 juli 2016, pag. 004578).
• Er wordt in totaal een bedrag van € 9.900,00 overgemaakt naar de stichting derdengelden, met de omschrijvingen: " [betrokkene 1] - [medeverdachte 1] en Voorschot huurachterstand [medeverdachte 1] [b-straat] (het hof begrijpt op grond van het aan dit proces-verbaal gehechte Excelbestand: in de periode van 3 mei 2016 tot en met 2 juni 2016, pag. 004573 en 004575).
• Op 4 juli 2016 wordt er in totaal een bedrag van € 600,00 overgemaakt naar rekening [rekeningnummer 2] t.n.v. [betrokkene 2] , zijnde de vrouw van [medeverdachte 1] .
Opmerking verbalisant
Opmerkelijk is dat er een bedrag van € 11.130,00 op de rekening wordt bijgeschreven afkomstig van rekeningnummer [rekeningnummer 3] t.n.v. [bedrijf 2] . De rekening van [bedrijf 2] wordt voornamelijk gevoed door [bedrijf 1] B.V. Tevens wordt er een bedrag van € 10.500,00 (€ 9.900,00 en € 600,00) overgemaakt ten behoeve van [medeverdachte 1] en zijn vrouw [betrokkene 2] . Bijna het gehele bedrag wat door [bedrijf 2] wordt overgemaakt komt ten gunste van [medeverdachte 1] . [betrokkene 1] is de eigenaar van perceel [b-straat 1] te [plaats] .
3. Een proces-verbaal van bevindingen van 27 juli 2016, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant] (pagina 004586 e.v.).
Conclusie
38. De middelen falen en kunnen naar mijn inzicht worden afgedaan met een aan artikel 81 lid 1 RO ontleende overweging.
39. Ambtshalve merk ik op dat de Hoge Raad uitspraak zal doen nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep, waarmee de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM wordt overschreden. Dit dient tot vermindering van de door het hof opgelegde taakstraf te leiden.
40. Andere ambtshalve gronden die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven, heb ik niet aangetroffen.
41. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde taakstraf, tot vermindering daarvan aan de hand van de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Arrest hof, p. 4.
Arrest hof, p. 5-7.
HR 2 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3474, NJ 2015/390 m.nt. P.A.M. Mevis; HR 24 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:718, NJ 2015/395 m.nt. P.A.M. Mevis, en HR 5 juli 2016, ECLI:NL:HR:2016:1316, NJ 2016/411 m.nt. N. Rozemond. Zie verder J. de Hullu & P.H.P.H.M.C. van Kempen, Materieel strafrecht, Deventer: Wolters Kluwer 2024, p. 483 e.v.
Zie HR 24 mei 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP6581, NJ 2011/481, en HR 6 juli 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO9905, NJ 2004/443.
Zie HR 2 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3474, NJ 2015/390 m.nt. P.A.M. Mevis; HR 24 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:718, NJ 2015/395 m.nt. P.A.M. Mevis.
Vgl. HR 5 juli 2016, ECLI:NL:HR:2016:1316, NJ 2016/411 m.nt. N. Rozemond. Zie daarnaast bijvoorbeeld HR 14 maart 2023, ECLI:NL:HR:2023:394, HR 9 januari 2024, ECLI:NL:HR:2024:3 en HR 26 maart 2024, ECLI:NL:HR:2024:439, NJ 2024/191 m.nt. A.J. Machielse.
HR 12 juni 2018, ECLI:NL:HR:2018:893, r.o. 2.4: “Voor zover het middel berust op de opvatting dat voor de bewezenverklaring van medeplegen is vereist dat het gewicht van de bijdrage van de verdachte in de hiervoor onder 2.3 weergegeven zin gelijkwaardig is aan dat van zijn mededader(s), vindt het geen steun in het recht”.
Zie bijv. HR 30 juni 2020, ECLI:NL:HR:2020:1162.
Kamerstukken II 1999/00, 27 159, nr. 3 (MvT), p. 8.
Kamerstukken II 1999/00, 27 159, nr. 3 (MvT), p. 14-15.
Kamerstukken II 2000/2001, 27 159, nr. 5 (NV), p. 7.
HR 14 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:236, r.o. 2.8, NJ 2017/377 m.nt. B.F Keulen, met betrekking tot het verbergen en verhullen van de herkomst van een geldbedrag. Zie HR 2 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:474, r.o. 3.3.3, NJ 2019/164, voor het bemoeilijken van het zicht op wie de rechthebbende op een voorwerp is.
Zie bewijsmiddel 3.
Zie bewijsoverwegingen hof onder (viii) en (ix), alsmede bewijsmiddel 3.
Eindigend op 0103.
Zie bewijsoverwegingen hof onder (x) en (xi), alsmede bewijsmiddel 2.
Zie bewijsmiddel 2.
Zie bewijsoverwegingen hof onder (xii) en (xiii), alsmede bewijsmiddel 2.
Conclusie
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als bevindingen van de verbalisant:
Bij de Kamer van Koophandel zijn de volgende gegevens bekend:
KvK nummer: [KvK nummer]
Handelsnamen: [bedrijf 3]
Rechtsvorm: Eenmanszaak
Datum vestiging 2 mei 2016
Telefoonnummer [telefoonnummer 2]
Eigenaar
Naam: [verdachte] , [verdachte]
Geboortedatum en -plaats: [geboortedatum] 1995 te [geboorteplaats]
Adres: [a-straat 1] , [postcode] [plaats]
Datum in functie: 2 mei 2016
Saldo en transactiegegevens van bankrekeningnummers
- [rekeningnummer 3] t.n.v. [bedrijf 2]
- [rekeningnummer 4] t.n.v. [bedrijf 3]
Verbalisant merkt op dat [bedrijf 2] mogelijk een afkorting is van [...] .
Rekeningnummer [rekeningnummer 3] t.n.v. [bedrijf 2]
Op 8 april 2016 is het begin saldo op de rekening nul euro. Op 5 juli 2016 bedraagt het saldo € 201,67.
Bijschrijvingen
De rekening wordt alleen gevoed door [bedrijf 1] B.V. en contante stortingen.
De overschrijving van € 5,00 naar [bedrijf 3] en terug is eigenlijk een kruispost en is daarom niet meegenomen.
De volgende bedragen worden bijgeschreven:
Rek. BIJ Boekdatum Omschrijving
[rekeningnummer 3] € 850,00 11-05-2016 [bedrijf 1] BV Omschrijving: Factuur
25x726719, restant volgt
[rekeningnummer 3] € 10.000,00 20-05-2016 [bedrijf 1] BV Omschrijving: Aanbetaling
Order
[rekeningnummer 3] € 2.370,00 23-05-2016 [bedrijf 1] BV Omschrijving: Factuur 004
servers
[rekeningnummer 3] € 880,00 24-05-2016 [bedrijf 1] BV Omschrijving: Aanbetaling
[rekeningnummer 3] € 7.000,00 31-05-2016 [bedrijf 1] BV Omschrijving: Factuur 005
[rekeningnummer 3] € 8.500,00 02-06-2016 [bedrijf 1] BV Omschrijving: Factuur 005 -
restant
[rekeningnummer 3] € 9.100,00 03-06-2016 [bedrijf 1] BV Omschrijving: Factuur 006
[rekeningnummer 3] € 490,00 07-06-2016 [bedrijf 1] BV Omschrijving: Factuur 007
[rekeningnummer 3] € 120,00 13-06-2016 [bedrijf 1] BV Omschrijving: Transportkosten
[rekeningnummer 3] € 24.000,00 17-06-2016 [bedrijf 1] BV Omschrijving: Factuur
2016118
[rekeningnummer 3] € 50,00 17-06-2016 [bedrijf 1] BV Omschrijving: Aankoop USB
module
[rekeningnummer 3] € 4.000,00 22-06-2016 [bedrijf 1] BV Omschrijving: TR002645 [rekeningnummer 3] € 809,00 27-06-2016 [bedrijf 1] BV Omschrijving: Factuur 007
[rekeningnummer 3] € 1.300,00 27-06-2016 STORTING ING-servicepunt AMSTERDAM-
BUIKSLOTERMEER
[rekeningnummer 3] € 1.200,00 01-07-2016 [bedrijf 1] BV Omschrijving: Factuur 013 1ste
deel
[rekeningnummer 3] € 7.000,00 01-07-2016 STORTING ING-servicepunt AMSTERDAM-
BUIKSLOTERMEER
[rekeningnummer 3] € 20.000,00 01-07-2016 [bedrijf 1] BV Omschrijving: Factuur 012
[rekeningnummer 3] € 12.940,00 04-07-2016 STORTING ING-servicepunt AMSTERDAM-
A.J.ERNSTSTRAA
[rekeningnummer 3] € 3.000,00 04-07-2016 [bedrijf 1] BV Omschrijving: Factuur 016
Totaal € 113.609,00
In totaal gaat liet om een bedrag van € 113.609,00. Hiervan is een bedrag van € 92.369,00 afkomstig van [bedrijf 1] B.V. Er is in totaal een bedrag gestort van € 21.240,00.
Afschrijvingen
• Op 31 mei 2016 wordt er een bedrag van € 7.000,00 overgeschreven naar rekeningnummer [rekeningnummer 5] t.n.v. Stichting derden gelden beheer advocaten met als omschrijving: "Huurachterstand / lening [medeverdachte 1] restant volgt".
• Op 22 juni 2016 wordt er een bedrag van € 865,00 overgeschreven naar [rekeningnummer 6] spoed betaling [...] CJIB betalingskenmerk [...]
[medeverdachte 1]
[...]
Opmerkingen verbalisant
Vanaf de rekening van [bedrijf 2] wordt er in totaal een bedrag van € 92.369,00 bijgeschreven afkomstig van [bedrijf 1] B.V. Bij de overschrijving staat dat het gaat om betalingen van facturen, aanbetaling of een aankoop.
Door de omschrijvingen wordt de indruk gewekt dat [bedrijf 2] goederen heeft verkocht aan [bedrijf 1] B.V.
Uit de bankgegevens heb ik echter niet kunnen afleiden dat er ook goederen zijn ingekocht door [bedrijf 2] , waaruit de verkoop kan worden verklaard.”
8. Verder heeft het hof in het bestreden arrest met betrekking tot het bewijs het volgende overwogen:
“Het hof stelt op grond van de bewijsmiddelen het volgende vast:
i) De verdachte was vanaf 2 mei 2016 eigenaar van de eenmanszaak met KvK-nummer [KvK nummer] met als handelsnamen [bedrijf 3] en [bedrijf 3] .
ii) De verdachte had twee zakelijke bankrekeningen geopend, te weten [rekeningnummer 3] ten name van [bedrijf 2] (hierna ook: [rekeningnummer 3] ) en [rekeningnummer 4] ten name van [bedrijf 3] (hierna ook: [rekeningnummer 4] ).
iii) De verdachte had een privébankrekening met nummer [rekeningnummer 1] (hierna ook: de privérekening).
iv) De verdachte heeft de bankpassen van de rekeningen [rekeningnummer 3] en [rekeningnummer 4] afgegeven aan [medeverdachte 1] en [medeverdachte 1] .
v) De verdachte kreeg af en toe een bankpasje terug om met de bank te bellen. Hij moest dan de limiet verhogen.
vi) De verdachte heeft de bankpas van zijn privérekening af en toe aan [medeverdachte 1] en [medeverdachte 1] gegeven.
vii) In de periode van 11 mei 2016 tot en met 4 juli 2016 werd [rekeningnummer 3] alleen gevoed door stortingen afkomstig van [bedrijf 1] en contante stortingen. In totaal werd er in deze periode een bedrag van € 92.369,00 gestort door [bedrijf 1] .
viii) Op 31 mei 2016 werd er van [rekeningnummer 3] een bedrag van € 7.000,00 overgeschreven naar een derdengeldenrekening met omschrijving “Huurachterstand/Lening [medeverdachte 1] restant volgt”.
ix) Op 22 juni 2016 werd er van [rekeningnummer 3] een bedrag van € 865,00 overgeschreven naar het CJIB met betalingskenmerk “ [...] [medeverdachte 1] [...] ”.
x) In de periode van 11 april 2016 tot en met 6 juni 2016 is op de privérekening van de verdachte in totaal een bedrag van € 11.130,00 bijgeschreven afkomstig van [bedrijf 1] .
xi) In de periode van 31 mei 2016 tot en met 6 juli 2016 is er op de privérekening van de verdachte in totaal een bedrag van € 9.861,99 bijgeschreven afkomstig van [bedrijf 2] .
xii) Op 4 juli 2016 werd er vanaf de privérekening van de verdachte een bedrag van in totaal € 600,00 overgemaakt op een bankrekening ten name van de vrouw van [medeverdachte 1] .
Conclusie
xiii) In de periode van 3 mei 206 tot en met 2 juni 2016 werd er van de privérekening van de verdachte een bedrag van in totaal € 9.900,00 overgeschreven naar een derdengeldenrekening met daarbij de omschrijving “ [betrokkene 1] - [medeverdachte 1] en voorschot Huurachterstand [medeverdachte 1] [b-straat] ”.
Voorhanden hebben/verhullen
Het hof leidt uit bovenstaande af dat de verdachte gelden afkomstig van [bedrijf 1] , waarvan niet in geschil is dat deze (deels) van misdrijf afkomstig waren, voorhanden heeft gehad en ten aanzien van die geldbedragen verhullingshandelingen heeft verricht doordat door de overboekingen het zicht op de herkomst van de gelden werd bemoeilijkt.
Wetenschap
Ter terechtzitting in eerste aanleg heeft de verdachte onder andere verklaard dat hij een tijdje vast zat in [PI] en toen [medeverdachte 1] heeft leren kennen. [medeverdachte 1] vroeg hem een eenmanszaak te openen en dat heeft hij gedaan. [medeverdachte 1] zat toen nog vast. De verdachte had twee zakelijke rekeningen (hef hof begrijpt: geopend) en hij had een privérekening. De pasjes van de twee zakelijke rekeningen heeft hij afgegeven aan [medeverdachte 1] en [medeverdachte 1] en het pasje van de privérekening gaf hij soms aan [medeverdachte 1] en [medeverdachte 1] . Verder heeft hij verklaard dat hij op een gegeven moment het vermoeden had dat het fout zat. Hij is toen naar [medeverdachte 1] gegaan en [medeverdachte 1] zei dat hij een ontnemingsvordering had. Hij moest zijn geld uit het zicht houden. Hij heeft toen niet het contact verbroken en heeft de situatie dus blijkbaar laten voortduren.
Gelet op deze omstandigheden, in samenhang met het feit dat [medeverdachte 1] of [medeverdachte 1] geen valide, legitieme reden hadden gegeven voor het verzoek aan de verdachte om een eenmanszaak en bankrekeningen voor hen te openen, had de verdachte minst genomen redelijkerwijs moeten vermoeden dat de gelden die op de rekeningen werden gestort van misdrijf afkomstig waren. Het hof neemt hierbij ook in aanmerking dat de verdachte ten aanzien van zijn privérekening, nu hij ook zelf van deze rekening gebruik maakte, moet hebben gezien dat er gelden op werden gestort door [bedrijf 1] en betalingen van werden gedaan ten behoeve van [medeverdachte 1] .
Medeplegen
Het hof stelt voorop dat de betrokkenheid aan een strafbaar feit als medeplegen kan worden bewezen verklaard indien is komen vast te staan dat bij het begaan daarvan sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking. Uit het dossier en het onderzoek ter terechtzitting leidt het hof met betrekking tot de betrokkenheid van de verdachte bij het ten laste gelegde het volgende af.
De verdachte heeft een eenmanszaak geopend, twee zakelijke bankrekeningen geopend, de bankpasjes van deze rekeningen verstrekt aan [medeverdachte 1] en [medeverdachte 1] , het pasje van zijn privérekening af en toe afgegeven aan [medeverdachte 1] en [medeverdachte 1] en de bank gebeld om de limiet op de rekening(en) te verhogen. Aldus heeft de verdachte handelingen verricht zonder welke de witwashandelingen niet konden plaatsvinden en die van voldoende gewicht zijn om de kwalificatie medeplegen te rechtvaardigen. Door zijn handelingen heeft de verdachte een essentiële rol gehad in het optrekken van een rookgordijn ten aanzien van de herkomst van de gelden afkomstig van de bankrekening van [bedrijf 1] . Er is sprake geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en de medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 1] .
Daarmee acht het hof het ten laste gelegde medeplegen van schuldwitwassen bewezen.”
Het tweede middel en de toelichting daarop
9. Het tweede middel ziet op ‘het medeplegen’, het eerste op ‘de verhullingshandelingen’. Het eerste middel bouwt m.i. voort op het tweede middel, nu voor het verhullen van de rechthebbende (gelet op het gevoerde verweer) van belang is of sprake is van een nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en de medeverdachten. Ik vang om die reden aan met de bespreking van het tweede middel.
10. Dit middel bevat de klacht dat het bewezen verklaren van medeplegen onbegrijpelijk is, althans onvoldoende met redenen is omkleed.
11. In de toelichting op het middel wordt naar voren gebracht dat van een nauwe en bewuste samenwerking geen sprake is nu de verdachte geen goed contact had met [medeverdachte 1] en [medeverdachte 1] en hij enkel bankpassen heeft afgestaan, terwijl hij niet van de onderliggende oplichting heeft geweten (en daarvoor ook is vrijgesproken). Bovendien kan het oordeel dat het strafbare feit niet kon plaatsvinden zonder de bijdrage van de verdachte en dat hij een essentiële rol heeft vervuld in het optrekken van een rookgordijn, het bewijs van medeplegen niet dragen. Ook handelingen van een medeplichtige kunnen immers essentieel zijn voor de voltooiing van een strafbaar feit dan wel handelingen betreffen zonder welke het feit niet had kunnen plaatsvinden. Tot slot wijst de steller van het middel erop dat de rollen van de verdachte enerzijds en die van [medeverdachte 1] en [medeverdachte 1] anderzijds niet vergelijkbaar en inwisselbaar zijn. De verdachte was ondergeschikt, vervangbaar en heeft een passieve rol gehad.
Het beoordelingskader inzake ‘medeplegen’
12. De Hoge Raad heeft vanaf 2014 in verschillende arresten algemene beschouwingen gewijd aan de deelnemingsvorm van het medeplegen. Vóór 2014 had hij al uitgemaakt dat voor de kwalificatie ‘medeplegen’ is vereist dat bij het strafbare feit ‘nauw en bewust is samengewerkt’ en dat het accent hierbij meer ligt op de samenwerking dan op de vraag wie welke handelingen heeft verricht. De vraag of aan dit vereiste is voldaan, laat zich niet in algemene zin beantwoorden en wordt in cassatie sterk gekleurd door de precieze bewijsvoering van de feitenrechter, zoals een op het medeplegen toegesneden nadere motivering.
13. De Hoge Raad heeft benadrukt dat de kwalificatie ‘medeplegen’ slechts dan gerechtvaardigd is als de bewezen verklaarde – intellectuele en/of materiële – bijdrage van de verdachte aan het delict van voldoende gewicht is. Bij de vorming van zijn oordeel of de voor medeplegen vereiste ‘nauwe en bewuste samenwerking’ zich heeft voorgedaan, kan de rechter rekening houden met onder meer de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte, diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip.
14. Voor een bewezenverklaring van medeplegen is niet vereist dat het gewicht van de bijdrage van de verdachte gelijkwaardig is aan dat van zijn mededader(s).Alhoewel de bijdrage van de medepleger in de regel zal worden geleverd tijdens het begaan van het strafbare feit, kan zijn bijdrage ook bestaan uit verscheidene gedragingen voor, tijdens en/of na het delict.
15. Een en ander brengt mee dat wanneer het ten laste gelegde medeplegen in de kern niet bestaat uit een gezamenlijke uitvoering, maar uit gedragingen die met medeplichtigheid in verband plegen te worden gebracht, op de rechter de taak rust om ingeval hij toch tot een bewezenverklaring van het medeplegen komt, in de bewijsvoering – dus in de bewijsmiddelen en zo nodig in een afzonderlijke bewijsoverweging – dat medeplegen nauwkeurig te motiveren.
16. Bovendien kan de procesopstelling van de verdachte een rol spelen.
Conclusie
De feitenrechter mag bij zijn bewijsoordeel in aanmerking nemen dat de verdachte voor een omstandigheid die op zichzelf of in samenhang met de verdere inhoud van de bewijsmiddelen beschouwd redengevend kan worden geacht voor het bewijs van het aan hem ten laste gelegde feit, geen aannemelijke, die redengevendheid ontzenuwende verklaring heeft gegeven.
De bespreking van het tweede middel
17. Het hof heeft vastgesteld dat de verdachte “een eenmanszaak [heeft] geopend, twee zakelijke bankrekeningen [heeft] geopend, de bankpasjes van deze rekeningen [heeft] verstrekt aan [medeverdachte 1] en [medeverdachte 1] , het pasje van zijn privérekening af en toe [heeft] afgegeven aan [medeverdachte 1] en [medeverdachte 1] en de bank [heeft] gebeld om de limiet op de rekening(en) te verhogen”. Daaruit leidt het hof af dat de verdachte handelingen heeft verricht ‘zonder welke het witwassen niet kon plaatsvinden’ en dat hij een essentiële rol heeft vervuld in het optrekken van een rookgordijn dat de herkomst van de gelden verdoezelt. Deze handelingen zijn van voldoende gewicht om de kwalificatie medeplegen te rechtvaardigen. Verder overweegt het hof dat de verdachte nauw en bewust heeft samengewerkt met [medeverdachte 1] en [medeverdachte 1] .
18. Uit de vaststellingen van het hof kan worden afgeleid dat de verdachte bij het witwassen (bestaande uit het verhullen van de rechthebbende van de geldbedragen tot in totaal van € 92.369,- en € 10.500,-) niet enkel bankrekeningen ter beschikking heeft gesteld aan [medeverdachte 1] en [medeverdachte 1] , maar in dat kader daaraan voorafgaand een eenmanszaak heeft opgericht en twee zakelijke rekeningen heeft geopend. Tevens heeft de verdachte de bankpas van zijn privérekening af en toe aan de medeverdachten verstrekt en heeft hij af en toe een bankpas teruggekregen waarna hij bij de bank telefonisch de limiet moest verhogen.
19. Bij die stand van zaken komt ’s hofs oordeel dat de verdachte nauw en bewust met de medeverdachten heeft samengewerkt mij niet onbegrijpelijk voor. Het hof heeft daarbij in het bijzonder gewicht toegekend en kunnen toekennen aan het belang van de rol van de verdachte. Dat de verdachte niet zou hebben geweten van de onderliggende oplichting doet daaraan niet af, nu het hof dient te beoordelen of sprake is van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking bij de ten laste gelegde (en bewezen verklaarde) witwashandelingen. Dat de bijdrage van de verdachte van voldoende gewicht is, is gelet op het voorgaande evenmin onbegrijpelijk en is toereikend gemotiveerd.
20. Wat betreft de klacht dat de rollen van de verdachte en de medeverdachten niet vergelijkbaar en inwisselbaar zijn, merk ik andermaal op dat voor een bewezenverklaring van ‘medeplegen’ niet is vereist dat het gewicht van de bijdrage van de verdachte gelijkwaardig is aan dat van de medeverdachten.
21. Het middel faalt.
Het eerste middel en de toelichting daarop
22. Dat brengt mij bij het eerste middel. Dit middel bevat klachten over de redengevendheid van de bewijsvoering voor de betrokkenheid van de verdachte bij het schuldwitwassen. Het oordeel over ‘het voorhanden hebben van geldbedragen en de verhullingshandelingen’ is onbegrijpelijk, althans onvoldoende met redenen omkleed.
23. Daartoe voert de steller van het middel aan dat – in tegenstelling tot hetgeen het hof heeft overwogen – ten aanzien van beide bewezen verklaarde geldbedragen geldt dat de verdachte (en dus niet al dan niet tezamen met de medeverdachten) deze niet voorhanden heeft gehad en geen verhullingshandelingen heeft verricht, dat dit oordeel strijdig is met de overige vaststellingen van het hof en dat dit evenmin uit de bewijsmiddelen kan worden afgeleid. Voor wat betreft de bankrekening [rekeningnummer 3] geldt dat de verdachte hierover niet heeft kunnen beschikken vanwege het afstaan van de bankpas, zoals ook door het hof overwogen, en ten aanzien van de privérekening van de verdachte geldt dat hij de bankpas af en toe heeft afgestaan zodat hij niet altijd de beschikking heeft gehad over deze bankrekening en bovendien onbekend is wie de in de bewezenverklaring bedoelde geldbedragen heeft overgeboekt.
Het beoordelingskader inzake het verbergen of verhullen wie de rechthebbende op een voorwerp is in de zin van witwashandelingen
24. Artikel 420quater lid 1 en onder a Sr luidt:
“1. Als schuldig aan schuldwitwassen wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren of geldboete van de vijfde categorie:
a. hij die van een voorwerp de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding of de verplaatsing verbergt of verhult, dan wel verbergt of verhult wie de rechthebbende op een voorwerp is of het voorhanden heeft, terwijl hij redelijkerwijs moet vermoeden dat het voorwerp – onmiddellijk of middellijk – afkomstig is uit enig misdrijf;”
25. Voor de interpretatie van de bewezen verklaarde delictsgedraging is de wetsgeschiedenis van de Wet van 6 december 2001, Stb. 2001, 606, tot wijziging van het Wetboek van Strafrecht en enkele andere wetten in verband met de strafbaarstelling van het witwassen van opbrengsten van misdrijven van belang. Deze wetsgeschiedenis houdt onder meer de volgende passages in:
“De kern van het witwassen zoals omschreven in onderdeel a van artikel 420bis, eerste lid, is het verbergen of verhullen van de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats enz. van bepaalde voorwerpen. Het effect van deze handelingen is dat de opbrengsten van misdrijven aan het zicht worden onttrokken. Juist dit verhullende element maakt het bewijs van witwassen nogal eens moeilijk: of het voorwerp van de (vermoede) witwashandelingen inderdaad (direct of indirect) afkomstig is uit een misdrijf, is niet eenvoudig vast te stellen. Dit is overigens bij alle vormen van witwassen het geval, ook bij die vormen die als een gedraging in de zin van artikel 420bis of 420quater, eerste lid, onderdeel b, moeten worden gekwalificeerd. Het handelen van de witwasser zal er steeds op gericht zijn de criminele opbrengsten voor justitie te verbergen.”
“Bij de in het eerste lid, onderdeel a, strafbaar gestelde gedraging gaat het om al die handelingen die tot doel hebben en geschikt zijn om de werkelijke aard, herkomst, vindplaats enzovoort van een voorwerp te verbergen of verhullen. De strafbaarstelling geeft niet nader aan om welke handelingen het allemaal kan gaan; bepalend voor de strafbaarheid is het effect van het handelen. De termen «verbergen» en «verhullen» impliceren dus een zekere doelgerichtheid: het handelen is erop gericht het zicht op de aard, herkomst, vindplaats enz. van voorwerpen te bemoeilijken en is ook geschikt om dat doel te bereiken. Veelal zal bij een enkele handeling ten aanzien van een voorwerp nog niet van een dergelijk doelgerichtheid kunnen worden gesproken. Vaak zal het gaan om een reeks van handelingen, die tezamen een geval van witwassen opleveren. Dit betekent dat voor het bewijs van het verbergen of verhullen vaak naar meer handelingen (transacties) in het witwastraject zal moeten worden gekeken. Uit alle stappen tezamen moet duidelijk worden dat er (zonder redelijke economische grond) met geld is geschoven op een manier die geschikt is het spoor aan de waarneming te onttrekken. Juist die ondoorzichtigheid van de opeenvolgende transacties brengt mee dat werkelijke aard, herkomst, vindplaats, rechten enzovoort buiten beeld blijven. Het voorgaande sluit niet uit dat onder omstandigheden ook een enkele handeling verbergen of verhullen zou kunnen opleveren, hoewel in zo'n geval waarschijnlijk eerder gesproken kan worden van een van de gedragingen genoemd in het eerste lid, onderdeel b, van de artikelen 420bis en 420quater (...).
Over de termen «verbergen of verhullen» kan nog het volgende worden opgemerkt. In plaats van de in richtlijn 91/308/EEG voorkomende, wat verouderde term «verhelen» is de term «verbergen» gekozen. «Verbergen » en «verhullen» zullen elkaar grotendeels overlappen.
Conclusie
Van een volstrekt onzichtbaar maken van de werkelijke aard, herkomst, vindplaats enzovoort behoeft geen sprake te zijn. Als dat zo zou zijn, zou het zelden tot een strafvervolging kunnen komen. Van «verhullen» - volgens Van Dale synoniem voor «versluieren» - zal al sprake kunnen zijn als door bepaalde constructies een mistgordijn wordt opgeworpen dat weliswaar enig zicht op het voorwerp en de daarbij betrokken personen toelaat, maar het niet mogelijk maakt om met enige zekerheid de (legale) herkomst en de rechthebbende vast te stellen. De trits feiten die volgens de richtlijn verhuld kunnen worden (werkelijke aard, oorsprong, vindplaats, vervreemding, verplaatsing, rechten op of eigendom van voorwerpen), is in zijn geheel in artikel 420bis, eerste lid, onder a, overgenomen. Veelal zullen feiten samenvallen, dat wil zeggen tezamen door een en dezelfde witwashandeling worden verhuld. Zo zal het verbergen of verhullen van de vervreemding of de verplaatsing vaak neerkomen op het verbergen van de vindplaats of de rechthebbende."
"De doelgerichtheid waarvan in de memorie van toelichting sprake is, slaat niet op de subjectieve gesteldheid of bedoeling van de verdachte maar op de objectieve strekking van het handelen. Het gaat erom of de handeling(en) - gelet op de aard daarvan en op de omstandigheden van het geval - erop gericht is/zijn om het zicht op de aard, herkomst, vindplaats enz. van voorwerpen te bemoeilijken en of zij ook geschikt is/zijn om dat doel te bereiken."
26. De bepaling van artikel 420quater lid 1 onder a Sr bevat naar de kern genomen drie noodzakelijke voorwaarden. Dat zijn de volgende:
(1). de onderwerpelijke gedraging heeft betrekking op een voorwerp dat – onmiddellijk of middellijk, geheel of ten dele – afkomstig is uit enig misdrijf (er bestaat dus een causaal verband tussen enig misdrijf en de verkrijging van het voorwerp).
(2). het schuldbestanddeel: de betrokken persoon ‘moet’ die criminele herkomst op dat moment ‘redelijkerwijs vermoeden’. ‘Redelijkerwijs moet vermoeden’ duidt op schuld of culpa. Dit betekent aanmerkelijke onvoorzichtigheid: bij enig nadenken had de verdachte kunnen vermoeden dat het om een voorwerp afkomstig uit misdrijf ging; de verdachte had niet zonder nader onderzoek met het voorwerp mogen handelen.
(3). strafbaar gesteld zijn de volgende gedragingen met betrekking tot dit voorwerp: het verbergen of verhullen van
- de werkelijke aard
- de herkomst
- de vindplaats
- de vervreemding
- de verplaatsing
- de identiteit van de rechthebbende of van degene die het voorhanden heeft.
27. De Hoge Raad heeft uit de hiervoor weergegeven wetsgeschiedenis afgeleid dat de begrippen ‘verbergen’ en ‘verhullen’ gedragingen omschrijven die erop zijn gericht het zicht op één of meer van de hiervoor onder (3) opgesomde karakteristieken van voorwerpen te bemoeilijken. Die gedragingen moeten tevens geschikt zijn om dat doel te bereiken.
De bespreking van het eerste middel
28. Ten laste van de verdachte is bewezen verklaard dat hij “tezamen en in vereniging met anderen, van voorwerpen, te weten – geldbedragen tot een totaal van 92.369 euro, en – geldbedragen tot een totaal van 10.500 euro heeft verhuld wie de rechthebbende is (…)”.
29. Het geldbedrag tot een totaal van € 92.369,- heeft betrekking op bedragen die van een rekening van [bedrijf 1] zijn gestort op de rekening van [bedrijf 2] , [rekeningnummer 3] . Hierbij werd gebruikgemaakt van onder meer de omschrijvingen ‘factuur’, ‘aanbetaling order’, ‘aanbetaling’ en ‘transportkosten’. Vanaf deze rekening zijn vervolgens betalingen gedaan ten behoeve van medeverdachte [medeverdachte 1] .
30. Het geldbedrag van € 10.500,- ziet op gelden die vanaf de privérekening van de verdachte, welke rekening is gevoed met gelden afkomstig van [bedrijf 1] en [bedrijf 2] , zijn overgemaakt ten behoeve van medeverdachte [medeverdachte 1] en zijn vrouw. Bij de bijschrijvingen afkomstig van [bedrijf 1] zijn onder meer de termen ‘factuur’, ‘levering’, ‘voorschot’, ‘transport’ en ‘offshore Netherlands’ gebruikt. Het geldbedrag van € 10.500,- kan worden onderverdeeld in enerzijds overboekingen van in totaal € 600,- op 4 juli 2016 op een bankrekening ten name van de vrouw van medeverdachte [medeverdachte 1] en anderzijds overboekingen van in totaal € 9.900,- tussen 3 mei 2016 en 2 juni 2016 naar een derdengeldenrekening met daarbij de omschrijving “ [betrokkene 1] - [medeverdachte 1] en voorschot Huurachterstand [medeverdachte 1] [b-straat] ”.
31. Het hof heeft overwogen dat de verdachte gelden afkomstig van [bedrijf 1] “voorhanden heeft gehad en ten aanzien van die geldbedragen verhullingshandelingen heeft verricht doordat door de overboekingen het zicht op de herkomst van de gelden werd bemoeilijkt”.
32. Voor zover het hof heeft overwogen dat de verdachte “de gelden afkomstig van [bedrijf 1] voorhanden heeft gehad” is dit niet zonder meer begrijpelijk nu het hof de verdachte van dit ‘voorhanden hebben’ heeft vrijgesproken.
33. Dan kom ik te spreken over de begrijpelijkheid (van de motivering) van ’s hofs oordeel dat de verdachte ten aanzien van de geldbedragen die afkomstig waren van [bedrijf 1] “verhullingshandelingen heeft verricht doordat door de overboekingen het zicht op de herkomst van de gelden werd bemoeilijkt”.
34. In dat kader dient voorop te worden gesteld dat ’s hofs oordeel dat de verdachte ten aanzien van de geldbedragen verhullingshandelingen heeft verricht (middels de overboekingen) niet zonder meer begrijpelijk is gelet op de overige vaststellingen van het hof over het afgeven van de bankpas van de bankrekening [rekeningnummer 3] , het af en toe afgeven van de bankpas van zijn privérekening en het feit dat uit de bewijsmiddelen niet kan worden afgeleid dat het verdachte is geweest die de geldbedragen tot een totaal van € 10.500,- heeft overgeboekt. Ook daarover klaagt de steller van het middel terecht.
35. Tot cassatie hoeft een en ander echter niet te leiden. Bewezen is verklaard dat de verdachte “tezamen en in vereniging met anderen” van voornoemde geldbedragen “heeft verhuld wie de rechthebbende is”. Uit de bewijsvoering kan m.i. worden afgeleid dat voornoemde geldbedragen zijn overgeboekt en dat de verdachte daartoe voldoende nauw en bewust met de medeverdachten heeft samengewerkt (zie de bespreking van het tweede middel). Verder zijn deze overboekingen erop gericht het zicht op de rechthebbende van de geldbedragen te bemoeilijken en zijn de gedragingen geschikt om dat doel te bereiken. Zulks volgt uit het gebruik van een vehikel in de vorm van een eenmanszaak die geen handelsactiviteiten ontplooit ( [bedrijf 2] ) en van de verhullende omschrijvingen bij geldtransacties zoals opgenomen in de bewijsmiddelen. Aldus beschouwd dekt de bewijsvoering de bewezenverklaring.
36. Het hof heeft in de motivering mogelijk (mede) het oog gehad op het verbergen of verhullen van de herkomst van de geldbedragen. Mocht ik dit goed zien, dan zijn de bewezenverklaring en de bewijsvoering daarmee nog niet onbegrijpelijk. Het oordeel dat de verdachte tezamen en in vereniging met de medeverdachten heeft verhuld wie de rechthebbende is van de bewezen verklaarde geldbedragen, is immers (zoals ik hierboven heb betoogd) toereikend gemotiveerd omdat zulks inderdaad uit de bewijsmiddelen kan worden afgeleid.
37. Het middel faalt.