Rechtspraak
Parket bij de Hoge Raad
2024-11-12
ECLI:NL:PHR:2024:1211
Strafrecht
10,608 tokens
Conclusie
P.M. Frielink
In de zaak
[verdachte],
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1982,
hierna: de verdachte
1Het cassatieberoep
1.1
Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, heeft bij arrest van 14 november 2023 het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Utrecht, van 17 juli 2021 vernietigd, doch uitsluitend ten aanzien van de beslissingen over de strafoplegging en de vorderingen van de benadeelde partijen. Het hof heeft de verdachte veroordeeld en een gevangenisstraf voor de duur van veertien jaren en tbs met dwangverpleging opgelegd. Daarnaast heeft het opnieuw beslist op de vorderingen tot schadevergoeding van de benadeelde partijen, een en ander zoals nader in het arrest bepaald. Het hof heeft het genoemde vonnis van de rechtbank Midden-Nederland (met aanvulling van gronden) voor het overige bevestigd. Daarmee heeft het hof evenals de rechtbank de verdachte veroordeeld voor moord (feit 1) en voor het voorhanden hebben van twee pistolen, een gasdrukgeweer en scherpe patronen (feit 2 en feit 3).
1.2
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. P. van Dongen, advocaat in Amsterdam, heeft één middel van cassatie voorgesteld. In het middel wordt opgekomen tegen de bewezenverklaring van moord, in het bijzonder van het bestanddeel ‘met voorbedachten rade’.
1.3
Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
2Het middel
2.1
Het middel behelst verschillende (motiverings)klachten ten aanzien van de bewezen verklaarde voorbedachte raad.
2.2
Voorafgaand aan de bespreking van die klachten geef ik eerst de bewijsconstructie weer en ga ik in op enkele (bewijsrechtelijke) aspecten van het bestanddeel ‘met voorbedachten rade’.
2.3
Ten laste van de verdachte is (voor zover relevant voor de bespreking van het middel) bewezen verklaard dat hij:
“op 13 juni 2020 te [plaats], opzettelijk en met voorbedachte rade [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte opzettelijk en na kalm beraad en rustig overleg, meermalen, met een vuurwapen, meerdere kogels geschoten en afgevuurd in de richting van het (achter)hoofd en de zij en de rug, van voornoemde [slachtoffer], ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden.”
2.4
In het door het hof bevestigde vonnis heeft de rechtbank ten aanzien van het bewijs – met weglating van voetnoten en voor zover relevant voor de bespreking van het middel – het volgende overwogen:
“Bewijsmiddelen
Situatie ter plaatse
Op 13 juni 2020, omstreeks 23:38 uur, werd de politie gestuurd naar de [a-straat 1] te [plaats]. Op dit adres zouden geschreeuw en schoten gehoord zijn. Aanrijdend hoorden de verbalisanten dat de meldkamer telefonisch contact had met een verdachte in de woning.
Het geluidsbestand tussen de verdachte en de 112-politiecentralist is beluisterd en letterlijk uitgewerkt.
112-centralist: "Met wie spreek ik?"
Verdachte: "U spreekt met [verdachte]. Ik heb mijn ex-vriendin doodgeschoten."
[verbalisant 1] zag in de woonkamer het slachtoffer op de grond liggen. Hij zag dat het slachtoffer niet meer in leven was.
Pathologieonderzoek
Uit het pathologieonderzoek door het NFI aan het lichaam van [slachtoffer] bleek dat er schotletsels zijn waargenomen:
- Links zijwaarts aan de behaarde hoofdhuid was er een min of meer ronde huidperforatie met rondom oppervlakkige huidbeschadiging (B, inschotverwonding). Aan het voorhoofd rechts was er een stervormige huidperforatie (A, uitschotverwonding).
- Rechts zijwaarts aan de rug was er een min of meer ronde huidperforatie met rondom oppervlakkige huidbeschadiging (N, inschotverwonding). Hoog aan de borst links was er een onregelmatige huidperforatie (E. uitschotverwonding).
De patholoog concludeert dat het overlijden van [slachtoffer] wordt verklaard door de gevolgen van één doorschot van het hoofd. Het doorschot aan de romp kan een substantiële bijdrage aan het overlijden hebben geleverd.
Gebeurtenissen voorafgaand aan de dood van [slachtoffer] [A-G: [slachtoffer]]
Een telefoon werd gevonden tijdens een doorzoeking van de camper, die in gebruik was bij [verdachte]. Uit onderzoek van deze telefoon is gebleken dat het telefoonnummer +[telefoonnummer] aan deze telefoon is gekoppeld.
Op de telefoon is het volgende WhatsApp-bericht aangetroffen:
[telefoonnummer]: "I’m free now. Her familie was pushing her to sell everything and screw me over."
Participant: [betrokkene 1].
Delivered: 22-5-2020
Verdachte heeft op de zitting van 2 juli 2021 verklaard dat het klopt dat hij op 22 mei 2020 een WhatsApp-berichtje naar [betrokkene 1] heeft gestuurd waarin stond: "I’m free."
In de fouillering van verdachte werd ook een mobiele telefoon aangetroffen. De laatste berichten met contact [slachtoffer] zijn hieronder toegevoegd:
12 juni 2020
15:51: [verdachte]: 4 weken zijn voorbij. Had jij nog behoefte om te praten?
17:23: [slachtoffer]: We hebben nog het eea nog openstaande zoals de garage, sleutels, wat wil je daar mee doen?
17:34: [verdachte]: Jij hebt mij verteld dat ik mijn gereedschap moest pakken. Dit heb ik gedaan, dezelfde dag nog. Dus garage? Wat heb jij in je hoofd? Welke sleutels wil je het over hebben?
17:41: De zender van de garage, en sleutels van het huis.. en ben je verder klaar met de garage?
13 juni 2020
05:18: [verdachte]: Tuin set? Kast in de slaapkamer? Televisie? Potten/pannen? Serviesgoed? Electra materiaal? Heb ook de bon gevonden van de fietsen die ik contant betaald heb op mijn naam zelfs. En nog even die 1300 die jij hebt gehaald bij [betrokkene 2].
[getuige 1] heeft het volgende verklaard:
Rond 19:00 uur kwam er iemand aanrijden, dat was [verdachte]. [verdachte] zei dat hij zijn spullen ging ophalen. [verdachte] zei ook dat als ik vanavond gerinkel van glas zou horen, dat hij het dan was omdat hij hoe dan ook zijn spullen terug wilde. Dat was onder andere een tv die hij had gekregen van Marokkaanse vrienden. Hij liet mij ook zijn telefoon zien waarop berichtjes van hem naar [slachtoffer] stonden over het ophalen van de spullen. Hij had geen reactie gehad van haar op zijn berichtjes en daarom was hij boos. Ik wilde er verder ook niks van weten want hij werd weer boos.
De buurman van [slachtoffer], genaamd [getuige 2], heeft verklaard dat [verdachte] bij hem in de tuin wat kwam drinken en die avond heel normaal op hem over kwam en geen verandering in het gedrag van [verdachte] zag toen [verdachte] [slachtoffer] zag. [verdachte] is tegen 21.55 uur weggegaan naar de woning van [slachtoffer]. [verdachte] is niet meer (eerst) naar zijn auto gelopen en maakte een normale indruk.
Verdachte heeft op de zitting van 2 juli 2021 het volgende verklaard.
[slachtoffer] en ik zouden vier weken geen contact met elkaar hebben. Daarna zouden we alles gaan uitpraten. Op 13 juni 2020 ben ik met een geladen vuurwapen in mijn broek naar de buren van [slachtoffer] gegaan om koffie te drinken. Toen ik daar was, heb ik met [slachtoffer] mondeling afgesproken om alles uit te gaan praten.
Geluidsopname
In de woning van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer]. werd een mobiele telefoon aangetroffen. De mobiele telefoon betrof een Samsung Galaxy S7. Op de Samsung Galaxy S7 werd een audiobestand aangetroffen.
Beoordeling
De rechtbank komt op grond van de bovengenoemde bewijsmiddelen tot het oordeel dat verdachte [slachtoffer] met voorbedachte raad van het leven heeft beroofd. De rechtbank overweegt daarover als volgt.
Uit de bewijsmiddelen kan naar het oordeel van de rechtbank worden afgeleid dat verdachte al een aantal weken voor de schietpartij op 13 juni 2020 voornemens was [slachtoffer] te doden als zij de spullen van verdachte had verkocht, en (bijvoorbeeld) daarmee – in de woorden van verdachte – ‘de foute keuze’ had gemaakt. Verdachte was toen immers ook met een doorgeladen pistool in zijn auto naar [slachtoffer] gegaan en in zijn woorden bereid haar voor de kanis te schieten. Dat [slachtoffer] volgens verdachte die dag niet ‘de foute keuze’ had gemaakt, volgt uit het WhatsApp-bericht dat verdachte de volgende dag naar zijn nieuwe vriendin [betrokkene 1] heeft gestuurd. In dat bericht heeft verdachte namelijk gezegd dat de familie van [slachtoffer] haar heeft aangezet om zijn spullen te verkopen, maar dat hij nu ‘vrij’ is. Er is toen verder niets gebeurd.
Verdachte en [slachtoffer] hebben vervolgens afgesproken om vier weken geen contact met elkaar te hebben. Op 12 juni 2020 heeft verdachte weer via WhatsApp contact met [slachtoffer] opgenomen en haar gevraagd of zij nog wilde praten. In het gesprek dat daarop volgt gaat het wederom over de spullen. Op 13 juni 2020 heeft verdachte vroeg in de ochtend nog een WhatsApp-berichtje naar [slachtoffer] gestuurd, maar [slachtoffer] heeft daar niet meer op gereageerd.
De verdeling van de spullen en het negeren van verdachte door [slachtoffer] lijken de aanleiding te zijn geweest dat verdachte opnieuw boos op [slachtoffer] was geworden. Dit blijkt ook uit de verklaring van de buurvrouw van [slachtoffer], [getuige 1], die heeft verklaard dat zij verdachte die dag omstreeks 19:00 uur aan zag komen rijden en dat hij tegen haar had verteld dat hij zijn spullen bij [slachtoffer] kwam ophalen. Verdachte heeft ook zijn telefoon aan de buurvrouw laten zien waarop berichtjes stonden van hem naar [slachtoffer] over het ophalen van de spullen. Omdat hij daarop geen reactie van [slachtoffer] had ontvangen, was hij boos. En zelfs bereid om een ruit in te slaan. Een buurvrouw werd op voorhand voorbereid op de mogelijkheid van glasgerinkel.
Uit het feit dat verdachte die dag bewust een geladen vuurwapen heeft meegenomen, terwijl hij normaal gesproken nooit een vuurwapen op zak heeft, hij eerst nog met [slachtoffer] in gesprek is gegaan over de spullen en hun relatie, en hij haar pas heeft neergeschoten, nadat [slachtoffer] hem afwees door het gesprek te beëindigen, leidt de rechtbank af dat verdachte, toen het hem duidelijk was dat [slachtoffer] ‘de foute keuze’ had gemaakt, zijn voornemen verder heeft uitgevoerd. Het naar binnen meenemen van een reeds geladen pistool, in kleding waarin het pistool niet zichtbaar was, wijst op het bij verdachte bestaande voornemen haar van het leven te beroven als het gesprek niet zou lopen, zoals hij wenste. Kennelijk waren er door verdachte twee vooraf uitgedachte scenario’s.
Naar het oordeel van de rechtbank is het besluit door verdachte om [slachtoffer] dood te schieten indien zij ‘de verkeerde keuze’ zou maken, in elk geval genomen op het moment dat hij met een geladen vuurwapen in zijn auto is gestapt en naar haar toe is gereden. Nu de fatale schietpartij een aantal uur later heeft plaatsgevonden, heeft verdachte zich ruimschoots kunnen beraden op zijn ‘voorwaardelijk’ genomen besluit en heeft hij kunnen nadenken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap kunnen geven. Van een gemoedstoestand die het hem onmogelijk heeft gemaakt dit te doen, is niet gebleken. Verdachte heeft bij de buren in de tuin rustig zitten praten en wat gedronken. Er is hen niets bijzonders opgevallen. Verdachte is vervolgens ingegaan op het verzoek van [slachtoffer] om nog even met haar mee te gaan om wat te bespreken en met haar meegegaan, maar ook daar is sprake van een aanwijsbaar keuzemoment. Volgens verdachte was geen sprake van een vaste afspraak die nagekomen moest worden. Verdachte had eenvoudigweg ook naar zijn eigen huis kunnen gaan.
Bij haar oordeel heeft de rechtbank acht geslagen op de uiterlijke verschijningsvorm van het fatale handelen van verdachte, mede in het licht van zijn verklaring. Verdachte heeft in een tijdsbestek van vijf seconden op [slachtoffer] geschoten, waarbij het eerste schot niet fataal was omdat hij haar in haar zij had geraakt. Vervolgens heeft verdachte het na het eerste schot, in zijn eigen woorden, ‘uit genade afgemaakt". Dit heeft bijgedragen aan het oordeel van de rechtbank dat verdachte [slachtoffer] met voorbedachte raad om het leven heeft gebracht. In de bij de politie afgelegde verklaring legt verdachte sterk de nadruk op één doorlopende beweging, waarbij het pistool snel achter elkaar vuurde "Het schieten ging achter elkaar door, er was geen pauze." Dat past niet bij het gedocumenteerde tijdsverloop tussen de schoten. Juist de (weliswaar beperkte) pauzes tussen de schoten wijst op uitvoering van een voornemen. Dat tijdsverloop sluit aan bij wat verdachte ook heeft verklaard: "Ik heb daarna waarschijnlijk nog twee keer raak geschoten in haar hoofd vanaf de achterkant. Want ik wou het snel afhebben. Genade."
2.5
Het hof heeft in zijn arrest de bewijsvoering van de rechtbank als volgt aangevuld:
“Aanvulling van gronden van de beslissing over de waardering van het bewijs
Zoals overwogen zal het hof het vonnis van de rechtbank bevestigen voor wat betreft de beslissing over de waardering van het bewijs. Wel vult het hof, gelet op hetgeen in hoger beroep door de verdediging naar voren is gebracht, de gronden van deze beslissing aan voor zover deze gronden zien op de bespreking van de door de verdediging opgeworpen contra-indicaties voor het aannemen van voorbedachte raad. De daarop ziende overwegingen van de rechtbank onder het kopje ‘Bespreking opgeworpen contra-indicaties’ (zoals vermeld pagina 8 tot en met de eerste alinea van pagina 10 van het vonnis) vervangt het hof om die reden door de onderstaande overwegingen.
Voor zover het hof zich verenigt met de overwegingen uit het vonnis van de rechtbank onder de kop ‘Bespreking opgeworpen contra-indicaties’ zijn deze hieronder cursief weergegeven. Het hof neemt die overwegingen over. Waar ‘rechtbank’ staat, dient ‘hof’ te worden gelezen. De aanvullingen op en eventuele verbeteringen van deze overwegingen zijn weergegeven met niet-cursieve tekst. Indien in de overwegingen van de rechtbank taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Het slachtoffer wordt "[slachtoffer]" genoemd.
Bespreking opgeworpen contra-indicaties
De rechtbank stelt voorop dat – anders dan door verdachte en de raadsman is gesteld – er in deze geen contra-indicaties zijn voor het aannemen van de voorbedachte raad, dan wel geen indicaties van een gewicht die zouden moeten leiden tot het oordeel dat sprake is geweest van een ogenblikkelijke gemoedsopwelling. De rechtbank overweegt daarover als volgt.
Verdachte heeft verklaard dat hij niet met [slachtoffer] had afgesproken op 13 juni 2020. Hij was daar alleen in de buurt om koffie te drinken met haar buren. Pas toen zij thuiskwam heeft [slachtoffer] aan hem gevraagd om te gaan praten, aldus verdachte. Naar het oordeel van de rechtbank laat dit echter onverlet dat verdachte er die dag rekening mee hield dat het kon komen tot een confrontatie met [slachtoffer], waarbij hij haar zou doden indien zij ‘de foute keuze' zou maken. Er is geen enkele verklaring voor het meenemen van een geladen pistool naar alleen een afspraak met de buren.
Conclusie
3.1
Het middel faalt en kan worden afgedaan met een op art. 81 lid 1 RO gebaseerde overweging.
3.2
Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
3.3
Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
A-G
Zie tevens: J. de Hullu en P.H.P.H.M.C. van Kempen, Materieel strafrecht. Over algemene leerstukken van strafrechtelijke aansprakelijkheid naar Nederlands recht, Deventer: Wolters Kluwer 2024, p. 284-288 en A.J. Machielse, in: Noyon/Langemeijer/Remmelink Strafrecht, art. 289, aant. 3 (online, bijgewerkt tot 10 januari 2022).
Zie hierover onder meer de conclusie van A-G Aben (ECLI:NL:PHR:2022:760, randnrs 12 en 13) voorafgaand aan HR 15 november 2022, ECLI:NL:HR:2022:1653 en W.A. Holland, ‘Voorbedachte raad: het spanningsveld tussen inhoudelijke betekenis en bewijsbaarheid’, in: E. Hofstee e.a. (red.), Kringgedachten. Opstellen van de Kring Corstens, Deventer: Kluwer 2014, 55-69.
De Hoge Raad kwantificeert niet welk tijdsverloop ten minste is vereist. Het gaat erom dat er voor of na het genomen besluit daadwerkelijk gelegenheid was voor beraad, voor nadenken en zich rekenschap geven. Vgl. J. de Hullu en P.H.P.H.M.C. van Kempen, Materieel strafrecht. Over algemene leerstukken van strafrechtelijke aansprakelijkheid naar Nederlands recht, Deventer: Wolters Kluwer 2024, p. 285.
Zie hierover onder meer R.S.T. Gaarthuis, ‘Voorbedachte raad: een objectief vereiste?’, DD 2009/80; A. Das, Y. Piekhaar en N. Tielemans, ‘Gelegenheid voor beraad?’, DD 2014/54 en H.A. Demeersseman, Met voorbedachten rade, Arnhem: Gouda Quint 1989, p. 107-119.
Zie omtrent de toetsing in cassatie en de verantwoordelijkheid van de feitenrechter in dit kader nader: W.H. Vellinga & F. Vellinga-Schootstra, ‘Voorbedachte raad en contra-indicatie?’, in: J.W. Fokkens e.a. (red.), Ad hunc modum. Opstellen over materieel strafrecht, Liber amicorum A.J. Machielse, Deventer: Kluwer 2013, p. 287-303, i.h.b. p. 299-301.
Conclusie
Het audiobestand was aangemaakt op 13 juni 2020, 20:22:08 UTC+0 en stopt op 13 juni 2020, 22:27:26 UTC+0. Bij de tijd moet twee uur opgeteld worden om overeen te komen met de tijdzone van Amsterdam. [verbalisant 2] heeft het audiobestand beluisterd en letterlijk uitgewerkt. Waar "[slachtoffer]" staat betreft hetgeen wat [slachtoffer] zegt. Waar "[verdachte]" staat betreft hetgeen wat [verdachte] zegt.
Hieronder volgt een aantal passages uit dat uitgewerkte proces-verbaal.
(…)
[verdachte]: Daarmee ben ik nu ook mee in discussie. Jouw moeder. Ik ben helemaal niet met [slachtoffer] aan het praten. Ik ben met je moeder aan het praten. (...) Die heeft geprobeerd verkoop mijn gereedschap verkoop mijn auto's. [slachtoffer] ik zat hier voor de deur, met een doorgeladen pistool, te hopen dat jij geen domme fout zou maken. Want ik heb niks meer te verliezen en ik schiet je zo door je kanus heen. Dat is allemaal
[slachtoffer]: Je hoeft mij niet bang te maken.
[verdachte]: Ik probeer je niet bang te maken. Maar die dag was ik zo bang dat je zou luisteren naar je moeder en een domme, domme keus zou maken.
(…)
[verdachte]: Je had gewoon naar je moeder geluisterd. Je moeder zei: "Verkoop zijn gereedschap verkoop zijn auto's.” (...) Ik heb die avond heel zwaar in de stress gezeten. Ik was heel bang dat je de foute keuze had gemaakt. (...) Als je de foute keuze had gemaakt had ik meteen afgerekend, meteen.
(…)
[verdachte]: [slachtoffer], jij bent van de rang vriend afgestapt
[slachtoffer]: Dat weet ik maar jij bent ook mij vriend niet meer geweest. Dat jij die porno gehad had in de kamer en weet ik veel allemaal, gadverdamme sorry hoor, maar dat doet mij heus ook wel wat. En dan nog met mij proberen die ene nacht in bed te liggen, nou sorry hoor maar eeh.
[verdachte]: Nee, nee, nee, nee, nee
[slachtoffer]: Jawel, je hebt toen die ene nacht nog bij mij in bed gelegen. En ik heb een wasje gedraaid omdat ik vieze handen had weet ik veel wat voor rotsmoes. Allemaal smoesjes waren er de laatste tijd.
[verdachte]: Tuurlijk dat zou jij ook doen
[slachtoffer]: Nee. Dat is niet tuurlijk nee.
[verdachte]: (ntv)
[slachtoffer]: Ik ben een beetje klaar met dit gesprek eerlijk gezegd.
Waarneming verbalisant:
01.13.03: Ik hoor dat er een (1) stap gezet wordt.
01.13.04: Ik hoor op de achtergrond dat er twee delen over elkaar heen gaan. Ik kan het geluid omschrijven als het overhalen van een slede van een vuurwapen.
Weergave gesprek
01.13 06:
[slachtoffer]: Doe normaal [verdachte]
Waarneming verbalisant:
01.13.07: Ik hoor een harde knal. Ik kan het geluid beschrijven als een schot van een vuurwapen. Direct hierna hoorde ik dat [slachtoffer] schreeuwde en begon te kreunen.
01.13.08: Ik hoor nog een knal (schot). Tevens hoor ik een voorwerp op de grond vallen het voorwerp stuitert een aantal keer.
01.13:09: Ik hoor nog een voorwerp op de grond vallen en hoor het een aantal keer stuiteren. Ik hoor dat er iets scheurt.
01.13.10: Ik hoor tevens een knal (schot).
01.13.11: Ik hoor een voorwerp op de grond vallen en hoor het een aantal keer stuiteren.
01.13.12: Ik hoor een knal (schot). Ik hoor een voorwerp op de grond vallen en hoor het een aantal keer stuiteren.
01.13.26: Ik hoor dat er een zwaar voorwerp neergelegd wordt. (...)
01.22.34: Ik hoor op de achtergrond dat er "Politie” geroepen wordt.
Verdachte heeft op de zitting van 2 juli 2021 het volgende verklaard.
Het klopt dat ik in het gesprek van 13 juni tegen [slachtoffer] heb gezegd: "[slachtoffer], ik zat hier voor de deur, met een doorgeladen pistool, te hopen dat jij geen domme fout zou maken. Want ik heb niks meer te verliezen en ik schiet je zo door je kanus heen." Die opmerking ging over 21 mei. Ik heb toen bij haar voor de deur gezeten en ik had mijn pistool toen bij me.
Ik had op 13 juni geen afspraak vooraf met [slachtoffer] gemaakt. Dat gesprek met [slachtoffer] was voor mij een verrassing. Ik had wel een afspraak bij de buren staan om koffie te drinken. De afspraak met [slachtoffer] is met haar mondeling gemaakt toen ik daar koffie aan het drinken was. Het gesprek daarna bij [slachtoffer] thuis op 13 juni was het eerste diepgaande gesprek over onze relatie en de spullen. Aan het einde van het gesprek op 13 juni was [slachtoffer] van plan om weg te gaan rennen. Ik wilde haar tegenhouden. Het eerste schot was in haar zij, dat was niet fataal. Daarna ben ik het gaan afmaken, het voelde als genade. Ik heb haar doodgeschoten. Normaal gesproken nam ik geen vuurwapen mee naar haar huis. Er mochten namelijk van haar geen dingen in haar huis die strafbare feiten konden opleveren.
Bewijsoverwegingen
Inleiding
De 30-jarige [slachtoffer] (hierna ook: [slachtoffer]) is op 13 juni 2020 om het leven gekomen. Zij is die avond door verdachte doodgeschoten in haar woning te [plaats]. De verdachte heeft bekend [slachtoffer] te hebben doodgeschoten.
In de hierna volgende bewijsoverwegingen draait het vooral om de vraag of dit moord of doodslag is, dus of er bij verdachte sprake is geweest van voorbedachte raad.
Juridisch kader
De rechtbank stelt voorop dat volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad voor een bewezenverklaring van het bestanddeel ‘voorbedachte raad' moet komen vast te staan, dat de verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit en hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven.
De vaststelling dat de verdachte voldoende tijd had om zich te beraden op het te nemen of het genomen besluit vormt weliswaar een belangrijke objectieve aanwijzing dat met voorbedachte raad is gehandeld, maar behoeft de rechter niet ervan te weerhouden aan contra-indicaties een zwaarder gewicht toe te kennen. Daarbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan de omstandigheid dat de besluitvorming en uitvoering in plotselinge hevige drift plaatsvinden, dat slechts sprake is van een korte tijdspanne tussen besluit en uitvoering of dat de gelegenheid tot beraad eerst tijdens de uitvoering van het besluit ontstaat. Zo kunnen bepaalde omstandigheden (of een samenstel daarvan) de rechter uiteindelijk tot het oordeel brengen dat de verdachte in het gegeven geval niet met voorbedachte raad heeft gehandeld.
Voorts heeft de Hoge Raad overwogen dat de vraag of de verdachte daadwerkelijk heeft nagedacht en zich rekenschap heeft gegeven zich moeilijk leent voor strafrechtelijk bewijs. Dat geldt zeker in het geval dat de verklaringen van de verdachte en/of eventuele getuigen geen of geen eenduidig inzicht geven in wat voor en ten tijde van het begaan van het feit in de verdachte is omgegaan. Of in een dergelijk geval voorbedachte raad bewezen kan worden, hangt dan sterk af van de hierboven bedoelde gelegenheid tot nadenken en van de overige feitelijke omstandigheden van het geval, zoals de aard van het feit, de omstandigheden waaronder het is begaan, alsmede de gedragingen van de verdachte voor en tijdens het begaan van het feit.
Beoordeling
Dát het zou kunnen komen tot een confrontatie was te verwachten, omdat de afspraak met de buren in de directe nabijheid van de woning van [slachtoffer] was en er een afspraak was na een aantal weken over de resterende spullen in gesprek te gaan. Verdachte heeft haar door zo te handelen bewust opgezocht. Dat verdachte de uitvoering van zijn 'voorwaardelijk’ genomen besluit afhankelijk heeft gesteld van een daadwerkelijke confrontatie met [slachtoffer] doet daaraan – hoewel het thuiskomen van [slachtoffer] voor verdachte niet geheel onverwacht was of kon zijn – niet af. Immers, voor een bewezenverklaring van de voorbedachte raad is niet vereist dat vast komt te staan dat verdachte vooraf heeft besloten om het slachtoffer op een precies moment en exacte plaats om het leven te brengen. Dat verdachte op verzoek van [slachtoffer] met haar mee naar binnen is gegaan, beschouwt de rechtbank daarom niet als een contra-indicatie voor het aannemen van voorbedachte raad.
Voorts heeft verdachte verklaard dat hij het vuurwapen bij zich had omdat hij suïcidale gedachten had. Nog daargelaten dat dat de mogelijkheid van een plan om (ook) [slachtoffer] te doden onverlet laat, is de rechtbank van oordeel dat die verklaring van verdachte niet aannemelijk is geworden, nu die verklaring op geen enkele manier wordt ondersteund door het dossier. Integendeel zelfs. Verdachte had met [betrokkene 1] een nieuwe vriendin met wie hij mogelijkheden zag een toekomst op te bouwen. Hierbij overweegt de rechtbank ook dat verdachte pas ruim een maand na zijn arrestatie met dit scenario is gekomen.
De raadsman heeft bij pleidooi verder nog een aantal contra-indicaties voor het aannemen van voorbedachte raad naar voren gebracht. Dit zijn, voor zover het aangevoerde ook als zodanig is te classificeren en in het voorgaande niet is besproken, de volgende:
a. Verdachte handelde in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling;
b. Er was sprake van een korte tijdsspanne tussen het besluit om [slachtoffer] neer te schieten en de uitvoering daarvan;
c. Er was geen gelegenheid tot beraad;
d. Er was sprake van een lange voorafgegane woordenwisseling tussen [slachtoffer] en verdachte;
e. Verdachte had alle tijd en gelegenheid om [slachtoffer] eerder die avond of op een eerder moment van het leven te beroven maar heeft dat niet gedaan;
f. Het initiatief voor het gesprek lag bij [slachtoffer] en niet bij verdachte;
g. Verdachte is niet direct na het incident weggevlucht.
Ad a:
De rechtbank is van oordeel dat de inhoud van het PBC-rapport juist past bij de aanwezigheid van voorbedachte raad bij verdachte. Uit het rapport, dat hieronder uitgebreid wordt weergegeven (onder het kopje 'Oplegging van straf en maatregel), volgt dat het feit dat verdachte (ogenschijnlijk) kalm was voorafgaand aan de schietpartij verklaard kan worden doordat verdachte integreert wanneer hij haat: "Hiervan was naar alle waarschijnlijkheid al sprake toen hij bewapend in Duits uniform naar het slachtoffer ging en ook ogenschijnlijk kalm was", aldus de gedragsdeskundigen. Hieruit kan worden afgeleid dat, zoals hiervoor ook is overwogen, verdachte uitvoering heeft gegeven aan zijn eerder genomen besluit [slachtoffer] te doden indien zij ‘de verkeerde keuze’ zou maken. Dat het volgens gedragsdeskundigen de druppel lijkt te zijn geweest dat [slachtoffer] het gesprek heeft beëindigd, doet daaraan dan ook niet af en levert naar het oordeel van de rechtbank geen contra-indicatie op voor het aannemen van voorbedachte raad bij verdachte. In aanvulling hierop overweegt het hof dat het (opgenomen) gesprek tussen verdachte en [slachtoffer] niet alleen lang heeft geduurd, maar ook qua inhoud en toonzetting rustig en op het oog normaal is verlopen. Er was geen sprake van een plotseling oplaaiende drift aan de zijde van verdachte. Ook in dit opgenomen gesprek is derhalve geen steun te vinden voor de stelling dat verdachte heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling.
Ad b en c:
Het hof is van oordeel dat verdachte het besluit om [slachtoffer] van het leven te beroven al eerder had genomen, namelijk in ieder geval op het moment dat verdachte met een geladen vuurwapen in zijn auto is gestapt en naar de woning van [slachtoffer] is gereden. Terwijl hij wist dat [slachtoffer] niets in haar woning wilde hebben dat strafbaar zou kunnen zijn, is hij met dit geladen vuurwapen ook naar binnen gegaan, terwijl de auto buiten stond. Er was dus geen sprake van een korte tijdspanne tussen het nemen van het besluit om [slachtoffer] om het leven te brengen en de uitvoering van dat besluit. De tijd tussen enerzijds het nemen van het besluit om [slachtoffer] van het leven te beroven en anderzijds de uitvoering daarvan was zodanig ruim dat verdachte meer dan voldoende gelegenheid heeft gehad voor beraad.
Ad d:
Anders dan de raadsman, is de rechtbank van oordeel dat de duur en de inhoud van het gesprek juist steun geven aan het oordeel dat verdachte met voorbedachte raad heeft gehandeld. Immers, zoals de rechtbank hiervoor heeft overwogen, heeft verdachte al eerder het besluit genomen [slachtoffer] van het leven te beroven indien [slachtoffer] ‘de foute keuze’ zou maken, namelijk in ieder geval vanaf het moment dat hij met een geladen vuurwapen in zijn broek naar de woning van [slachtoffer] is gereden. Hetgeen de raadsman heeft gesteld over de duur en de inhoud van de geluidsopname beschouwt de rechtbank dus niet als een indicatie van enig gewicht die in de weg staat aan het aannemen van voorbedachte raad.
Ad e:
Uit de door het hof vastgestelde feiten en omstandigheden blijkt dat verdachte al eerder het besluit had genomen om [slachtoffer] van het leven te beroven maar had zich eerder op die avond nog geen moment voorgedaan waarop was voldaan aan de voorwaarde dat [slachtoffer] ‘de foute keuze’ maakte. Dat moment was er pas toen zij aangaf klaar te zijn met het gesprek.
Ad f:
Zoals het hof hiervoor heeft overwogen lag het initiatief tot het gesprek niet bij [slachtoffer]. Het was verdachte die er die dag rekening mee hield dat het kon komen tot een confrontatie met [slachtoffer]. Verdachte heeft geen aannemelijke verklaring gegeven voor het meenemen van het geladen pistool naar alleen een (door hem gestelde) afspraak met de buren. Dát het zou kunnen komen tot een confrontatie was te verwachten en door zo te handelen heeft verdachte [slachtoffer] bewust opgezocht.
Ad g:
Uit het dossier komt naar voren dat het lichaam van [slachtoffer] is verplaatst, dat verdachte heeft geprobeerd om het bloed rondom [slachtoffer] weg te vegen met handdoeken en kussenslopen, de handdoeken in de prullenbak heeft weggegooid en de kussenslopen in de kledingkast heeft neergelegd, en dat hij pas met de 112-centralist heeft gebeld op het moment dat de politie voor de deur van de woning van [slachtoffer] stond. Dat verdachte niet is gevlucht en eerst nog heeft geprobeerd om ermee weg te komen is naar het oordeel van het hof allesbehalve een contra-indicatie die eraan in de weg staat voor het aannemen van voorbedachte raad.”
2.6
Het hof heeft (in navolging van de rechtbank) aan zijn oordeel het juiste toetsingskader voor (het bewijs van) voorbedachte raad ten grondslag gelegd, zoals onder meer verwoord in HR 28 februari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BR2342, NJ 2012/518 m.nt. B.F. Keulen, HR 15 oktober 2013, ECLI:NL:HR:2013:963, NJ 2014/156 m.nt. B.F. Keulen, HR 30 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2841 en HR 5 juli 2016, ECLI:NL:HR:2016:1411, NJ 2016/462 m.nt. H.D. Wolswijk.
Beoordeling
Dit toetsingskader komt er in de kern op neer dat voor een bewezenverklaring van voorbedachte raad moet komen vast te staan dat de verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit en dat niet is gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling. De verdachte moet de gelegenheid hebben gehad over de betekenis en de gevolgen van de voorgenomen daad na te denken en zich daarvan rekenschap te hebben gegeven. De vaststelling dat de verdachte voldoende tijd of gelegenheid had om zich te beraden op het te nemen of het genomen besluit en zich daarvan rekenschap te geven, vormt een belangrijke objectieve aanwijzing voor het bestaan van voorbedachte raad. Een en ander laat onverlet dat ook contra-indicaties kunnen worden geput uit de omstandigheden van het geval, zoals wanneer de besluitvorming en uitvoering in plotselinge hevige drift plaatsvonden, wanneer slechts sprake was van een korte tijdspanne tussen besluit en uitvoering, of wanneer de gelegenheid tot beraad eerst tijdens de uitvoering van het besluit bestond.
2.7
Bij de vraag of sprake is van voorbedachte raad gaat het bij uitstek om een weging en waardering van de omstandigheden van het concrete geval, waarbij de rechter het gewicht moet bepalen van de aanwijzingen die voor of tegen het bewezen verklaren van voorbedachte raad pleiten. Deze aan de feitenrechter voorbehouden selectie en waardering van omstandigheden kunnen in cassatie slechts op hun begrijpelijkheid worden getoetst.
2.8
De steller van het middel komt met verschillende (motiverings)klachten op tegen de bewezenverklaring van het bestanddeel voorbedachte raad. De bewezenverklaring van de voorbedachte raad kan volgens de steller van het middel niet uit de gebezigde bewijsmiddelen worden afgeleid, “althans is het bestanddeel voorbedachte raad ontoereikend gemotiveerd althans heeft het hof op onjuiste dan wel onbegrijpelijke wijze het verweer omtrent het bestaan van contra-indicaties voor het aannemen van voorbedachte raad verworpen”. Daartoe heeft de steller van het middel het volgende naar voren gebracht:
a. Het hof heeft overwogen dat de verdachte het reeds geladen pistool heeft meegenomen “in kleding waarin het pistool niet zichtbaar was”, hetgeen niet (zo specifiek) volgt uit de bewijsmiddelen (punt 1.10 van de schriftuur).
b. Het hof spreekt (in navolging van de rechtbank) van een “foute keuze” dan wel een “verkeerde keuze” die door het slachtoffer is gemaakt en welke keuze de voorwaarde heeft gevormd in het kader van “de uitvoering van” een door de verdachte “voorwaardelijk genomen besluit”. Een en ander brengt mee dat de bewijsconstructie met betrekking tot dat “voorwaardelijk genomen besluit” onbegrijpelijk c.q. onvoldoende met redenen omkleed is, omdat uit het arrest niet blijkt wat met die termen precies wordt bedoeld (punt 1.10 van de schriftuur).
c. Het hof wijst (in navolging van de rechtbank) verschillende momenten aan waarop de verdachte de keuze zou hebben gemaakt om het slachtoffer van het leven te beroven. Deze onduidelijkheid leidt ertoe dat ook onduidelijk is in hoeverre er voldoende tijd was om zich te beraden op het genomen besluit (punt 1.11 van de schriftuur).
d. Het hof heeft (in navolging van de rechtbank) geoordeeld dat het voornemen blijkt uit de (weliswaar korte) pauzes tussen de schoten. Van echte pauzes of van een gelegenheid tot nadenken kan vanwege een kort tijdspanne geen sprake zijn, wat ertoe leidt dat uit de bewijsconstructie van het hof de voorbedachte raad niet kan volgen (punt 1.11 van de schriftuur).
e. ‘s Hofs weerleggingen van de door de verdediging in hoger beroep naar voren gebrachte contra-indicaties voor het aannemen van voorbedachte raad zijn onjuist dan wel onbegrijpelijk,
i. omdat het hof enerzijds heeft overwogen dat de verdachte “er die dag rekening mee hield dat het kon komen tot een confrontatie” met het slachtoffer, terwijl het hof anderzijds de verklaring van de verdachte, dat de ontmoeting met het slachtoffer voor hem “een verrassing” was, als bewijs bezigt;
ii. omdat het hof het verweer, inhoudende dat de verdachte een wapen bij zich heeft gedragen als gevolg van suïcidale gedachten, weerlegt met de overweging dat die verklaring geen steun vindt in het dossier, terwijl de verdachte onder andere bij de voorgeleiding bij de hulpofficier van justitie al een dergelijke verklaring heeft afgelegd (punt 1.13 van de schriftuur).
2.9
Hoewel de deelklachten zich lenen voor een gezamenlijke bespreking, heb ik omwille van de overzichtelijkheid van deze conclusie hierna zoveel mogelijk de onder a tot en met e gehanteerde volgorde in acht genomen.
2.10
De m.i. meer terloops in een tussenzin opgenomen woorden van het hof “dat het pistool niet zichtbaar was”, hebben niet direct betrekking op het bewijs van voorbedachte raad, maar moeten veeleer worden begrepen tegen de achtergrond dat uit de bewijsmiddelen en de bewijsmotivering volgt dat normaal gesproken in het huis van het slachtoffer geen spullen aanwezig zijn die strafbaar zijn (zoals wapens) en dat de verdachte heeft verklaard dat hij een vuurwapen “in” zijn broek had. Aldus gelezen is die tussenzin niet onbegrijpelijk en behoeft uit de bewijsmiddelen ook niet expliciet te blijken dat het aldus gedragen pistool niet zichtbaar was (onderdeel a).
2.11
Het hof heeft verder kunnen oordelen dat de verdachte heeft gehandeld met de voor de bewezenverklaring van moord vereiste voorbedachte raad. Het hof heeft in het bestreden arrest aandacht besteed aan de feitelijke toedracht en heeft in dat kader geduid dat “het voorwaardelijk genomen besluit” samenhangt met een “foute” c.q. “verkeerde keuze” van het slachtoffer. De term “foute” of “verkeerde keuze” is in de bewijsmotivering in eerste instantie niet onbegrijpelijk gekoppeld aan datgene wat door de verdachte zelf als zodanig is aangeduid, te weten het buiten hem om verkopen van zijn spullen. Dat het daadwerkelijk overgaan tot handelen feitelijk volgt op het door het slachtoffer beëindigen van het gesprek (daarbij in het midden gelaten of de “foute” c.q. “verkeerde keuze” al dan niet is gemaakt dan wel wat de “foute” of “verkeerde keuze” precies behelst) staat niet in de weg aan de bewezenverklaring van voorbedachte raad. ’s Hofs oordeel is dan ook toereikend gemotiveerd (onderdeel b).
2.12
Het hof heeft voorts bij de beantwoording van de vraag of sprake is van voorbedachte raad verschillende gebeurtenissen en momenten aangewezen, waaronder momenten die duiden op getroffen voorbereidingen en andere relevante handelingen in de aanloop naar het fatale vuurwapengebruik. In dit licht zij (opnieuw) benadrukt dat voor het bewijs van voorbedachte raad relevant kan zijn de aanwezigheid van een vooropgezet plan, onmiskenbare voorbereidingshandelingen ter uitvoering van dat plan (welke voorbereidingen dan uiteraard wel (globaal) moeten corresponderen met het opzetdelict waarvoor de verdachte uiteindelijk wordt vervolgd), alsmede de aanwijsbaarheid van echte, voor beraad geschikte keuzemomenten of momenten van daadwerkelijk beraad. Ook merk ik hierbij op dat het hof (in navolging van de rechtbank) tot uitdrukking heeft gebracht dat het ‘voorwaardelijke besluit’ om het slachtoffer te doden “in elk geval” al is genomen op het moment dat de verdachte met een geladen vuurwapen in zijn auto is gestapt, alsmede dat de (korte) pauzes tussen de schoten hebben “bijgedragen” aan het oordeel dat sprake is van voorbedachte raad. Anders gezegd: het hof heeft die momenten niet als op zichzelf staande momenten beschouwd. Dat oordeel is, gelet op hetgeen ik hiervoor heb vooropgesteld omtrent de vaststelling dat de verdachte voldoende tijd of gelegenheid had om zich te beraden op het te nemen of het genomen besluit en zich daarvan rekenschap te geven niet onbegrijpelijk (onderdelen c en d).
2.13
Ten slotte heeft het hof nadrukkelijk en uitgebreid stilgestaan bij de door de verdediging opgeworpen contra-indicaties. De onder i.