Rechtspraak
Parket bij de Hoge Raad
2024-11-19
ECLI:NL:PHR:2024:1194
Strafrecht
7,069 tokens
Conclusie
A.E. Harteveld
In de zaak
[verdachte],
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1984,
hierna: de verdachte
De verdachte is bij arrest van 2 maart 2023 door het gerechtshof 's-Hertogenbosch wegens het in de zaak met parketnummer 03-721595-15 onder 1 en 2 bewezenverklaarde “medeplegen van moord en medeplegen van poging tot moord”, het in de zaak met parketnummer 03-721595-15 onder 3 bewezenverklaarde “medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie II en medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III en medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie”, het in de zaak met parketnummer 03-721595-15 onder 4 bewezenverklaarde “medeplegen van opzetheling”, het in de zaak met parketnummer 03-721595-15 onder 5 bewezenverklaarde “medeplegen van handelen in strijd met artikel 31, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie II en medeplegen van handelen in strijd met artikel 31, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, meermalen gepleegd”, het in de zaak met parketnummer 03-866314-17 onder 1 bewezenverklaarde “medeplegen van opzetheling” en het in de zaak met parketnummer 03-866314-17 onder 2 bewezenverklaarde “medeplegen van opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, beschadigen”, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 27 jaren. Ook heeft het hof beslissingen genomen op de vorderingen van de benadeelde partijen en in dat verband schadevergoedingsmaatregelen opgelegd, een en ander op de wijze zoals in het bestreden arrest is vermeld.
Er bestaat samenhang met de zaak 23/00830. In beide zaken zal ik vandaag concluderen.
3. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en E.E.W.J. Maessen, advocaat in Maastricht, heeft bij schriftuur twee middelen van cassatie voorgesteld en bij aanvullende schriftuur een derde cassatiemiddel.
4Het eerste middel
4.1
Het middel klaagt dat de in de zaak met parketnummer 03-721595-15 onder 1 en 2 bewezenverklaarde “met voorbedachten rade” ontoereikend is gemotiveerd.
4.2
Ten laste van de verdachte is in de zaak met parketnummer 03-721595-15 onder 1 en 2 bewezenverklaard dat:
“1.
hij op 25 september 2015 in de gemeente Brunssum en in de gemeente Heerlen, tezamen en in vereniging met anderen [slachtoffer 1] opzettelijk en met voorbedachten rade, te weten opzettelijk en na kalm beraad en rustig overleg, heeft doodgeschoten;
2.
hij op 25 september 2015 in de gemeente Brunssum en in de gemeente Heerlen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met anderen [slachtoffer 2] opzettelijk en met voorbedachten rade van het leven te beroven, tezamen en in vereniging met zijn, verdachtes, mededaders, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, met vuurwapens meermalen kogels in de richting van [slachtoffer 2] heeft geschoten en met vuurwapens meermalen kogels op een personenauto waarin die [slachtoffer 2] als bestuurder zat heeft geschoten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid”
4.3
Het bestreden arrest houdt, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende in:
“2 .2. Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft - op de gronden zoals nader in de pleitnota vermeld - partiële vrijspraak bepleit van het onder 1 en 2 tenlastegelegde in de zaak met parketnummer 03-721595-15, namelijk voor wat betreft het bestanddeel ‘voorbedachte raad’. De verdediging heeft betoogd dat geen sprake is geweest van een vooropgezet plan en dat de verklaringen van de verdachte passen bij een toevallige ontmoeting tussen [medeverdachte 1], [verdachte], de tweede schutter en [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2]. Bij die ontmoeting ontstond er paniek in de auto waarin de verdachten waren gezeten en is overgegaan tot het gebruik van de wapens. De verdachte dient aldus van de tenlastegelegde moord en poging tot moord te worden vrijgesproken, aldus de verdediging.
(…)
2 .3. Bewijsoverwegingen met betrekking tot de moord op [slachtoffer 1] en de poging tot moord op [slachtoffer 2] (feiten 1 en 2 in de zaak met parketnummer 03-721595-15
2.3.1.
Juridische kaders medeplegen en voorbedachte raad
Waar in dit arrest hierna overwegingen en beslissingen omtrent medeplegen en voorbedachte raad zullen volgen, gelden daarvoor de navolgende kaders.
2.3.1.1. Medeplegen
(…)
2.3.1.2. Voorbedachte raad
Voor een bewezenverklaring van het bestanddeel ‘voorbedachte raad’ moet komen vast te staan dat de verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit en dat hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven.
Bij de vraag of sprake is van voorbedachte raad gaat het bij uitstek om een weging en waardering van de omstandigheden van het concrete geval door de rechter, waarbij deze het gewicht moet bepalen van de aanwijzingen die voor of tegen het bewezen verklaren van voorbedachte raad pleiten. De vaststelling dat de verdachte voldoende tijd had om zich te beraden op het te nemen of het genomen besluit vormt weliswaar een belangrijke objectieve aanwijzing dat met voorbedachte raad is gehandeld, maar behoeft de rechter niet ervan te weerhouden aan contra-indicaties een zwaarder gewicht toe te kennen. Mede met het oog op het strafverzwarende gevolg dat dit bestanddeel heeft, moeten aan de vaststelling dat de voor voorbedachte raad vereiste gelegenheid heeft bestaan, bepaaldelijk eisen worden gesteld en dient de rechter, in het bijzonder indien de voorbedachte raad niet rechtstreeks uit de bewijsmiddelen volgt, daaraan in zijn motivering van de bewezenverklaring nadere aandacht te geven (vgl. Hoge Raad 28 februari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BR2342).
De achtergrond van het vereiste dat de verdachte de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven, is dat ingeval vaststaat dat de verdachte die gelegenheid heeft gehad, het redelijk is aan te nemen dat de verdachte gebruik heeft gemaakt van die gelegenheid en dus daadwerkelijk heeft nagedacht over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap heeft gegeven. Dat de verdachte daadwerkelijk heeft nagedacht en zich rekenschap heeft gegeven leent zich immers moeilijk voor strafrechtelijk bewijs, zeker in het geval dat de verklaringen van de verdachte en/of eventuele getuigen geen inzicht geven in hetgeen voor en ten tijde van het begaan van het feit in de verdachte is omgegaan. Of in een dergelijk geval voorbedachte raad bewezen kan worden, hangt dan sterk af van de hierboven bedoelde gelegenheid en van de overige feitelijke omstandigheden van het geval zoals de aard van het feit, de omstandigheden waaronder het is begaan alsmede de gedragingen van de verdachte voor en tijdens het begaan van het feit. Daarbij
verdient opmerking dat de enkele omstandigheid dat niet is komen vast te staan dat is gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, niet toereikend is om daaraan de gevolgtrekking te verbinden dat sprake is van voorbedachte raad (vgl. Hoge Raad 15 oktober 2013, ECLI:NL:HR:2013:963; Hoge Raad 13 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2058 en Hoge Raad 20 december 2016, ECLI:NL:HR:2016:2907).
Conclusie
Voor ‘voorbedachten rade’ moet komen vast te staan dat een verdachte enige tijd heeft gehad om zich te beraden, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daar rekenschap van te geven. Of voorbedachten rade bewezen kan worden, hangt sterk af van de gelegenheid en van de overige feitelijke omstandigheden van het geval zoals de aard van het feit, de wijze waarop het feit is begaan alsmede de gedragingen van de verdachte voor en tijdens het begaan van dat feit.
2.3.2.
De moord op [slachtoffer 1] en de poging tot moord op [slachtoffer 2]: overwegingen met betrekking tot medeplegen en voorbedachte raad
(…)
Naar het oordeel van het hof is sprake geweest van een vooropgezet plan om [slachtoffer 1] te vermoorden, aangezien:
- voor de moord op 25 september 2015 een gestolen auto is gebruikt: een Volkswagen Golf die tussen 29 en 30 juni 2015 is gestolen in Brunssum. Op de auto zijn nadien andere (Duitse) kentekenplaten aangebracht (dossierpagina’s 554, 556, 520, 1969 en 715);
- de gestolen Volkswagen Golf op enig moment is verplaatst naar de woning van [medeverdachte 1] en vervolgens is dat voertuig op 25 september 2015 voor het schietincident gebruikt;
- [verdachte] op 19 mei 2016 tegenover de WOD-er heeft verklaard dat ze achter een man aan zaten die hun wat had geflikt en dat deze man kapot moest (dossierpagina 971);
- naast de verklaring van [verdachte] ook overigens uit het dossier valt af te leiden dat sprake was van een conflict tussen [medeverdachte 1], ‘De Lange’, [verdachte] en [slachtoffer 1]. Er zij verwezen naar de eerder besproken TCI-informatie, de verklaringen van [slachtoffer 2] en de moeder en zus van [slachtoffer 1];
- [verdachte] in datzelfde gesprek heeft verklaard dat hij bij het schietincident “de banaan” had gebruikt, daarin 60 kogels gaan en dat voormeld aantal “genoeg was voor de job” (dossierpagina 960);
- gebruik is gemaakt van twee schutters die in het bezit waren van een aanzienlijke hoeveelheid munitie;
- [verdachte] voorafgaand aan het schietincident een automatisch wapen heeft aangeschaft, welke hij heeft meegenomen en heeft gebruikt bij het schietincident;
- [verdachte] op 3 juni 2016 tegenover de WOD-er heeft verklaard dat ze de man in de auto hadden beschoten en niet ergens anders, omdat dit onmogelijk was: de man verplaatste zich snel en zonder patroon (proces-verbaal op dossierpagina 981);
- [medeverdachte 1] tijdens de WOD-inzet op 8 juni 2016 heeft verklaard over een incident dat onmiskenbaar betrekking heeft op de schietpartij op 25 september 2015, waarover hij heeft gezegd dat “een zaakje afgehandeld moest worden” (proces-verbaal op dossierpagina 985);
- [medeverdachte 1], [verdachte] en de tweede schutter na het schietincident in de Volkswagen Golf zijn gevlucht naar Houthalen (België), alwaar de Volkswagen in de brand is gestoken (onmiskenbaar om sporen te wissen), waarna zij hun weg hebben vervolgd in een ander voertuig.
Het hof acht op grond van alle genoemde handelingen, gezien de aard en de uiterlijke verschijningsvorm van de gedraging(en) en de omstandigheden waaronder en de wijze waarop deze hebben plaatsgevonden, de aanwezige motieven om [slachtoffer 1] naar het leven te staan, mede gezien de planmatigheid van de voorbereiding in combinatie met het tijdsverloop voorafgaande aan de uitvoering van de misdrijven, belangrijke factoren voor het kunnen aannemen van voorbedachte raad en dus van (poging tot) moord op [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2]. Er was ten aanzien van [slachtoffer 1] een vooropgezet plan om hem te doden, dat - in ieder geval - al langere tijd voor 25 september 2015 bestond. Dat valt onder meer af te leiden uit de mededeling van [verdachte] dat [slachtoffer 1] in de auto is beschoten omdat hij zich snel en zonder patroon verplaatste. De verdachten hebben volgens het hof op planmatige wijze uitvoering gegeven aan voormeld plan. Daarmee is het bewijs van de voorbedachte raad gegeven.
Het hof verwerpt het verweer van de verdediging.
Ten aanzien van de vraag of verdachte tevens met voorbedachten rade heeft gehandeld in de
richting van [slachtoffer 2] overweegt het hof nog het volgende.
Het hof stelt voorop dat voorbedachten rade, gezien de invulling die aan dit bestanddeel in de jurisprudentie wordt gegeven, in beginsel een objectieve strafverzwarende omstandigheid betreft welke naast het tevens vereiste opzettelijk handelen van de verdachte invulling geeft aan het in het geval van [slachtoffer 2] aan de orde zijnde misdrijf poging tot moord. Bij de vraag of sprake is van voorbedachte raad gaat het immers, zoals hiervoor al overwogen, om de afweging of de verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit en het redelijk is aan te nemen dat de verdachte gebruik heeft gemaakt van die gelegenheid en dus daadwerkelijk heeft nagedacht over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap heeft gegeven. Dit betreft bij uitstek een weging en waardering van de (objectieve) omstandigheden van het concrete geval.
Dat de verdachte mogelijk niet de naaste bedoeling had om het latere slachtoffer [slachtoffer 2] te raken, kan onder omstandigheden enkel het vereiste opzet beïnvloeden, maar niet tevens de vereiste voorbedachte raad. In het voorgaande is reeds impliciet vastgesteld dat de verdachte gezien de aard van de gedragingen en de omstandigheden waaronder hij heeft gehandeld bewust de aanmerkelijke kans op dodelijk letsel bij het beoogde en latere slachtoffer [slachtoffer 1] heeft aanvaard. Het hof stelt vast dat voor verdachte en zijn mededaders te zien moet zijn geweest dat [slachtoffer 1] als bijrijder in de Kia Picanto was gezeten en dat aldus nog een chauffeur naast hem zat. Dat heeft verdachte en zijn mededaders niet weerhouden van hun plan of handelingen en zij zijn zonder zich ook maar ergens om te bekommeren doorgegaan met de uitvoering van het voorgenomen plan. De Kia Picanto waarin zich zowel [slachtoffer 1] als [slachtoffer 2] bevonden, is vervolgens gericht, vanaf korte afstand, veelvuldig met vuurwapens beschoten. Dat de schoten wellicht in beginsel niet bedoeld waren voor het latere slachtoffer [slachtoffer 2], dan wel ongelukkigerwijs eveneens [slachtoffer 2] hebben geraakt in plaats van het beoogde slachtoffer [slachtoffer 1], leidt bij het hof gezien de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder verdachte en zijn mededaders hebben gehandeld, niet tot het oordeel dat in casu geen sprake was van (voorwaardelijk) opzettelijk handelen door verdachte. Immers, door op de wijze te handelen zoals hiervoor weergegeven, heeft verdachte ten minste bewust de aanmerkelijke kans op dodelijk letsel bij de in de auto bij [slachtoffer 1] aanwezige [slachtoffer 2] aanvaard. Dit laat onverlet dat het volgens het hof gezien de genoemde omstandigheden redelijk is aan te nemen dat de verdachte daadwerkelijk heeft nagedacht over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap heeft gegeven en in casu ook sprake is geweest van voorbedachten rade ten aanzien van het latere slachtoffer [slachtoffer 2].
Het hof acht daarmee eveneens wettig en overtuigend bewezen dat verdachte opzettelijk en met voorbedachte raad heeft geprobeerd [slachtoffer 2] van het leven te beroven.”
4.4
Het middel houdt een drietal klachten in.
Conclusie
In de eerste plaats wordt geklaagd dat het hof voor het bewijs van de voorbedachte raad als vierde genoemde omstandigheid redengevend heeft geacht dat uit TCI-informatie blijkt dat er sprake was van een conflict tussen [medeverdachte 1], ‘De Lange’, verdachte en [slachtoffer 1], terwijl dit gegeven niet in de bewijsmiddelen is vermeld en het hof evenmin in zijn overweging met voldoende mate van nauwkeurigheid het wettige bewijsmiddel heeft aangegeven waaraan het dit gegeven heeft ontleend.
4.5
Het hof heeft voor zijn oordeel dat sprake is geweest van een vooropgezet plan om [slachtoffer 1] te vermoorden onder meer redengevend geacht dat de verdachte op 19 mei 2016 tegenover de WOD-er heeft verklaard dat ze achter een man aan zaten die hun wat had geflikt en dat deze man kapot moest. Dat sprake was van een conflict tussen enerzijds de verdachte, [medeverdachte 1] en ‘De Lange’ en anderzijds [slachtoffer 1] leidt het hof ook (overigens) uit het dossier af, namelijk uit “de eerder besproken TCI-informatie”, de verklaringen van [slachtoffer 2] (bewijsmiddelen 3 en 4), de verklaring van de moeder van [slachtoffer 1] (bewijsmiddel 6) en de verklaring van de zus van [slachtoffer 1] (bewijsmiddel 7). De verwijzing naar “de eerder besproken TCI-informatie” berust op een misslag, nu het bestreden arrest - anders dan het arrest in de samenhangende zaak waarin een identieke overweging voorkomt - geen bespreking van TCI-informatie inhoudt. Bewijsmiddel 10 (en 12) houdt evenwel verklaringen van “Pajo” (volgens het hof: de verdachte) in waarin hij uitvoerig relateert wat [slachtoffer 1] hen (“De Lange” ([medeverdachte 2]), Chanel ([medeverdachte 1]) en de verdachte zelf) geflikt had, te weten schieten op “De Lange”, met een auto inrijden (of dat willen doen) op het huis van [medeverdachte 1] - hij zou Chanel en De Lange kapot willen maken - en schieten op het huis van de vriendin van de verdachte. De eerste deelklacht faalt.
4.6
In de tweede plaats wordt geklaagd dat het hof voor het bewijs van de voorbedachte raad als tiende genoemde omstandigheid redengevend heeft geacht dat verdachte en de medeverdachten ná het schietincident in een Volkswagen Golf zijn gevlucht naar Houthalen (België), alwaar de Volkswagen in de brand is gestoken (onmiskenbaar om sporen te wissen), waarna zij hun weg hebben vervolgd in een ander voertuig. Volgens de steller van het middel heeft het hof de brandstichting na het schietincident ten onrechte betrokken bij zijn oordeel dat sprake is van voorbedachte raad.
4.7
Anders dan de steller van het middel, meen ik dat de redengevendheid van genoemde omstandigheid voor de planmatigheid van het handelen van de verdachten voor het hof kennelijk en niet onbegrijpelijk is gelegen in het feit dat na het schietincident door de verdachten met de vluchtauto naar een plek in België is gereden die in de buurt ligt van de plek waar een vriend van de verdachte woont die voor hem gestolen auto’s regelt (bewijsmiddel 8), zodat zij in die gestolen auto verder konden rijden en zich van de eerste vluchtauto (en de daarin aanwezige sporen) konden ontdoen door deze in brand te steken. Uit bewijsmiddel 11 blijkt dat zij in het bezit waren van een fles benzine. Ook deze klacht faalt derhalve.
4.8
In de derde plaats wordt geklaagd dat het hof voor het bewijs van de voorbedachte raad als eerste omstandigheid redengevend heeft geacht dat de Volkswagen Golf die door de verdachte en de medeverdachten bij het schietincident is gebruikt van diefstal afkomstig was. Volgens de steller van het middel heeft het hof niet vastgesteld dat de verdachte wist dat deze personenauto was gestolen, waarbij voor een nadere toelichting wordt verwezen naar de toelichting op het derde middel.
4.9
Ook deze klacht faalt. In de eerste plaats merk ik op dat het bij de uitvoering van het schietincident gebruikmaken van een gestolen auto die niet tot de verdachten te herleiden is op zichzelf redengevend kan zijn voor het bestaan van een vooropgezet plan. Voor het overige verwijs ik naar hetgeen hierna onder 5.5 is vermeld.
4.10
Ten slotte merk ik op dat ook als over het voorgaande anders wordt gedacht, uit de overige door het hof in aanmerking genomen redengevende omstandigheden - in onderling verband en samenhang bezien - in voldoende mate kan worden afgeleid dat er een vooropgezet plan bestond om [slachtoffer 1] te vermoorden. Daarbij merk ik nog op dat de omstandigheid dat [slachtoffer 1] zich volgens de verklaring van de verdachte snel en zonder patroon verplaatste lijkt te duiden op een voorverkenning.
4.11
Het middel faalt in al zijn onderdelen en kan worden afgedaan met de aan art. 81 RO ontleende motivering.
5Het derde middel
5.1
Het middel klaagt dat het in de zaak met parketnummer 03-866314-17 onder 1 bewezenverklaarde ontoereikend is gemotiveerd, omdat uit de bewijsmiddelen niet kan worden afgeleid dat de verdachte ten tijde van het verwerven of het voorhanden krijgen van een Volkswagen Golf, gekentekend [kenteken], wist dat het een door misdrijf verkregen goed betrof.
5.2
Ten laste van de verdachte is in de zaak met parketnummer 03-866314-17 onder 1 bewezenverklaard dat:
“hij in de periode van 29 juni 2015 tot en met 25 september 2015 in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen een personenauto (VW Golf, gekentekend [kenteken]) heeft verworven en voorhanden gehad, terwijl hij en zijn mededaders ten tijde van het verwerven of het voorhanden krijgen van die personenauto wisten dat het een door misdrijf verkregen goed betrof”
5.3
Deze bewezenverklaring steunt op de bewijsmiddelen zoals in de aanvulling op het bestreden arrest zijn opgenomen, waarnaar ik hier kortheidshalve verwijs. Daarbij merk ik op dat voor de bewezenverklaring van de feiten 1, 2 en 3 in de zaak met parketnummer 03-721595-15 en de feiten 1 en 2 in de zaak met parketnummer 03-866314-7 in totaal dertig bewijsmiddelen zijn gebezigd, zonder dat deze bewijsmiddelen per feit zijn uitgesplitst.
5.4
In de toelichting op het middel wordt aangevoerd dat uit de gebezigde bewijsmiddelen weliswaar volgt dat de verdachte mede de Volkswagen Golf voorhanden heeft gehad, maar niet dat hij wist dat het een door misdrijf verkregen voorwerp betrof. De omstandigheden dat de auto tijdens het schietincident is gebruikt, was voorzien van Duitse kentekenplaten en na het schietincident in brand is gestoken, kunnen het oordeel van het hof dat de verdachte ten tijde van het verwerven en voorhanden krijgen wist dat de Volkswagen Golf een door misdrijf verkregen voorwerp betrof volgens de steller van het middel niet dragen. Daarbij wordt opgemerkt dat niet is vastgesteld dat er zichtbare sporen (braakschade, het ontbreken van een contactsleutel, etc.) in of op de Volkswagen aanwezig waren op basis waarvan moet worden aangenomen dat de verdachte minst genomen de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat de Golf van misdrijf afkomstig was. Ook heeft het hof niet vastgesteld dat de verdachte wist dat de Volkswagen valse c.q. oneigenlijke, te weten: Duitse, kentekenplaten voerde, terwijl dit gegeven ook niet zonder meer redengevend zou zijn, omdat de gemeenten Brunssum en Heerlen zich beide dicht bij de grens van Duitsland bevinden. Het in die contreien plaatsnemen in een personenauto met Duitse kentekenplaten zou geen bezigheid zijn die bedachtzaamheid of zelfs een onderzoeksplicht in het leven roept. Evenmin is vastgesteld dat de verdachte onrechtmatig over de Volkswagen beschikte en/of dat de verdachte een onaannemelijke verklaring heeft gegeven over het door hem voorhanden krijgen van de Volkswagen. Volgens de steller van het middel kan aan de omstandigheid dat de Volkswagen na het schietincident op 25 september 2015 in brand is gestoken evenmin het bewijs worden ontleend van wetenschap bij de verdachte dat de Volkswagen van misdrijf afkomstig was.
Conclusie
Het willen wegwerken van een bij een misdrijf betrokken voertuig ligt, ook indien het voertuig niet van misdrijf afkomstig is, in de rede.
5.5
Het middel ziet eraan voorbij dat bewijsmiddel 23 inhoudt dat de aangever de twee originele sleutels die hij bij de aanschaf van de VW Golf GTI met [kenteken] had, nog in zijn bezit had (ik begrijp: na de diefstal). Daaruit kan worden afgeleid dat de auto - een driedeurs - zonder originele sleutel moet zijn geopend en ook zonder originele sleutel is gestart, terwijl uit bewijsmiddel 8 blijkt dat de verdachte heeft verklaard dat hij samen met [medeverdachte 1] en een andere man in de auto van [medeverdachte 1] is gegaan ([medeverdachte 1] als bestuurder, de andere man als bijzitter en de verdachte achterin) en de verdachte derhalve niet op een later moment is ingestapt. Hieruit, in samenhang met de overige door het hof vastgestelde omstandigheden, heeft het hof kunnen afleiden dat de verdachte ten tijde van het voorhanden krijgen van de auto wist - in de betekenis van voorwaardelijk opzet - dat het een door misdrijf verkregen goed betrof.
5.6
De omstandigheid dat uit de gebezigde bewijsmiddelen niet kan volgen dat de verdachte ten tijde van het verwerven wist dat het een door misdrijf verkregen goed betrof kan niet tot cassatie leiden, nu het verwerven door het gebruik van het woordje “of” in de tenlastelegging en bewezenverklaring als alternatief van het voorhanden krijgen is opgenomen. Het bewijs van een van beide volstaat derhalve. Hoe dan ook wordt de aard en de ernst van het bewezenverklaarde feit ook na weglating van dit onderdeel niet aangetast.
5.7
Het middel faalt en kan worden afgedaan met de aan art. 81 RO ontleende motivering.
6Het tweede middel
6.1
Het middel klaagt dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM is geschonden, omdat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden.
6.2
Op 7 maart 2023 is namens de verdachte beroep in cassatie ingesteld. De stukken van het geding zijn op 17 januari 2024 bij de griffie van de Hoge Raad binnengekomen. Dat betekent dat de in dit geval geldende inzendtermijn van zes maanden met meer dan vier maanden is overschreden. Een voortvarende behandeling van de zaak in cassatie behoort niet meer tot de mogelijkheden. Dit brengt mee dat strafvermindering moet volgen.
7. Ambtshalve heb ik voor het overige geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
8. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf, tot vermindering daarvan en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
In de zaak van de [medeverdachte 2] heeft het hof de verdachte vrijgesproken van het medeplegen van de moord op [slachtoffer 1] en de poging tot moord op [slachtoffer 2] (Gerechtshof ‘‘s-Hertogenbosch 2 maart 2023, ECLI:NL:GHSHE:2023:773). Het Openbaar Ministerie heeft in die zaak geen cassatieberoep ingesteld.
Overigens blijkt uit de door de verdachte op 6 december 2018 bij de raadsheer-commissaris afgelegde verklaring dat [slachtoffer 1] problemen met [medeverdachte 1] had (bewijsmiddel 8).
In die zaak heeft het hof in de aanvulling met bewijsmiddelen opgemerkt dat de verwijzing naar “de eerder besproken TCI-informatie” op een vergissing berust, zodat deze verwijzing komt te vervallen. Daarbij wordt opgemerkt dat deze wijziging niet afdoet aan de resterende onderbouwing van de bewezenverklaring in het arrest en dat de verdachte door deze wijziging evenmin in enig rechtens te respecteren belang wordt geschaad.
Door A-3930 als zodanig herkend (zie bewijsmiddel 9).
Dat deze auto bij het misdrijf betrokken was volgt uit de bewijsmiddelen 23-26.
Zie bijv. HR 9 oktober 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX5527, rov. 2.3.