Rechtspraak
Parket bij de Hoge Raad
2024-11-05
ECLI:NL:PHR:2024:1165
Strafrecht
12,861 tokens
Conclusie
D.J.C. Aben
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1998,
hierna: de verdachte
Inleiding
1. De verdachte is bij arrest van 21 november 2023 door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, wegens 1. en 2. primair (telkens) “verkrachting”, veroordeeld tot een gevangenisstraf van veertig maanden, met aftrek van voorarrest. Daarnaast heeft het hof beslissingen genomen ten aanzien van de schadevergoedingsvorderingen van de benadeelde partijen, een en ander zoals nader in het arrest bepaald.
2. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. D.N. de Jonge, advocaat in Rotterdam, heeft drie middelen van cassatie voorgesteld.
De middelen
3. Het eerste middel klaagt over de verwerping van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt over de (on)betrouwbaarheid van de verklaring van de aangeefster van feit 1. Het tweede middel komt op tegen ’s hofs oordeel dat de verklaring van de aangeefster van feit 2 voldoende steun vindt in de overige bewijsmiddelen. Het derde middel bevat een klacht over het gebruik van de constructie van ‘schakelbewijs’ ter onderbouwing van de bewezenverklaring van feit 1 en feit 2.
De bewezenverklaring
4. Ten laste van de verdachte is bewezen verklaard dat:
“1.
hij op 12 juni 2019 te [plaats] door geweld en andere feitelijkheden, te weten het
- plotseling en onverwachts in de nacht en/of vroeg in de ochtend, zonder toestemming (naakt) betreden van de slaapkamer van die [aangeefster 1] , terwijl die [aangeefster 1] lag te slapen, althans in bed lag en
- boven op die [aangeefster 1] gaan liggen en/of gaan zitten en
- vast- en/of beetpakken van de handen van die [aangeefster 1] en
- bij de keel vast pakken en/of(dicht) knijpen van/in de keel van die [aangeefster 1] , ten gevolge waarvan die [aangeefster 1] geen/minder lucht kreeg en
- opzij schuiven Van de string/onderbroek van die [aangeefster 1] en
- toevoegen van de woorden aan die [aangeefster 1] : "kankerbek houden",
[aangeefster 1] heeft gedwongen tot het ondergaan van handelingen die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [aangeefster 1] , immers heeft hij, verdachte, zijn geslachtsdeel in de vagina van die [aangeefster 1] gébracht en gehouden;
2. primair
hij op 27 oktober 2020 te [plaats] door geweld en andere feitelijkheden [aangeefster 2] heeft gedwongen tot het ondergaan van handelingen die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [aangeefster 2] , immers heeft hij, verdachte
- zijn penis en vinger(s) in de vagina van die [aangeefster 2] geduwd/gebracht en
- met zijn Vingers over de clitoris van die [aangeefster 2] gewreven, althans de clitoris van die [aangeefster 2] betast of aangeraakt, bestaande dit geweld en andere feitelijkheden hierin dat verdachte
- misbruik heeft gemaakt van de afhankelijkheidssituatie en/of zijn fysieke overwicht door die [aangeefster 2] in een auto mee te nemen en
- vervolgens die auto heeft geparkeerd op een parkeerplaats, op een afgelegen plek en
- de deuren van die auto op slot heeft gedaan, om ontsnapping van die [aangeefster 2] te voorkomen en - die [aangeefster 2] plaats heeft laten nemen op de achterbank van die auto en
- die [aangeefster 2] heeft betast en/of aangeraakt op/aan de (blote) borst(en) en/of bil(len) en
- die [aangeefster 2] heeft gezoend op de mond en/of in/op de nek en
- beide armen en/of handen van die [aangeefster 2] heeft vastgepakt en
- op die [aangeefster 2] is gaan liggen en
- (vervolgens) de benen van die [aangeefster 2] uit elkaar heeft geduwd en
- de broek en/of onderbroek van die [aangeefster 2] heeft uitgetrokken en
- (aldus) voor die [aangeefster 2] een bedreigende situatie heeft doen ontstaan.”
De bewijsvoering
5. Deze bewezenverklaring berust op de bewijsmiddelen die in de aanvulling op het verkorte arrest zijn opgenomen. Ik volsta hier met te verwijzen naar de inhoud daarvan.
6. Het hof heeft de bewezenverklaring, voor zover thans relevant, als volgt gemotiveerd (onderstrepingen mijnerzijds):
“Overwegingen met betrekking tot het bewijs van het onder 1 tenlastegelegde
(…)
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft aan de hand van een pleitnota bepleit dat – kort weergegeven – de verklaringen van aangeefster als onbetrouwbaar moeten worden aangemerkt, en dat het dossier geen, dan wel onvoldoende steunbewijs bevat voor de verklaringen van aangeefster.
De verdediging verzoekt het hof dan ook om verdachte vrij te spreken van het onder 1 tenlastegelegde.
Oordeel van het hof
Betrouwbaarheid van de verklaringen
In zedenzaken doet zich regelmatig de situatie voor dat er slechts twee personen aanwezig waren bij de seksuele handelingen: de aangever en de vermeende dader. Dat is ook in onderhavige zaak het geval. Aangeefster heeft verklaard door verdachte te zijn verkracht. Verdachte heeft aangegeven dat aangeefster en hij weliswaar seks hebben gehad, maar dat zij dit allebei wilden.
De eerste vraag waarvoor het hof zich ziet gesteld, is of de verklaringen van aangeefster als betrouwbaar moeten worden aangemerkt. Anders dan de verdediging is het hof van oordeel dat die vraag bevestigend moet worden beantwoord.
Zowel bij het informatieve gesprek als in de aangifte en later, tijdens het verhoor bij de rechter-commissaris, heeft aangeefster verklaard dat verdachte in de nacht plotseling naakt in de slaapkamer stond waarin zij op dat moment lag. Aangeefster is toen uit bed gesprongen en heeft gezegd dat verdachte weg moest gaan. Nadat verdachte was vertrokken, heeft aangeefster een paar mensen die zij kent geappt. Ergens daarna is zij in slaap gevallen. Op een bepaald moment werd zij wakker doordat verdachte bovenop haar lag. Toen aangeefster hem weg probeerde te duwen, pakte verdachte haar handen vast. Ze wilde schreeuwen, maar verdachte kneep haar keel dicht. Toen heeft hij haar verkracht. Verdachte ging van aangeefster af toen hij zijn vriendin op de gang hoorde, waarna hij met zijn vriendin mee terug ging naar haar kamer.
De verklaringen die aangeefster [aangeefster 1] heeft afgelegd over de tenlastegelegde handelingen zijn consistent en gedetailleerd en worden om die reden door het hof als betrouwbaar aangemerkt.
Bovendien worden haar verklaringen, zoals hieronder weergegeven, naar het oordeel van het hof in voldoende mate ondersteund door de inhoud van de overige bewijsmiddelen. Het feit dat de verklaringen van aangeefster op sommige punten niet helemaal overeenkomen met overige bewijsmiddelen omtrent de omstandigheden van de bewuste nacht (anders dan de seksuele handelingen), doet hieraan niet af.
Steunbewijs
Op grond van het bepaalde in artikel 342, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering (Sv) kan het bewijs dat de verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan niet uitsluitend worden aangenomen op de verklaring van één getuige.
Overwegingen
(…)
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft vrijspraak bepleit, wegens het ontbreken van voldoende wettig bewijs. Verdachte heeft zich op het standpunt gesteld dat het seksuele contact met wederzijds goedvinden heeft plaatsgevonden en er derhalve geen sprake was van enige vorm van dwang.
De verdediging heeft zich voorts op het standpunt gesteld dat het dossier geen, dan wel onvoldoende, steunbewijs bevat voor de verklaring van aangeefster.
Oordeel van het hof
Betrouwbaarheid van de verklaringen
In zedenzaken doet zich regelmatig de situatie voor dat er slechts twee personen aanwezig waren bij de seksuele handelingen: de aangever en de vermeende dader. Dat is ook in onderhavige zaak het geval. Aangeefster [aangeefster 2] heeft verklaard door verdachte in diens auto te zijn verkracht. Verdachte heeft aangegeven dat aangeefster en hij weliswaar seks hebben gehad, maar dat zij dit allebei wilden.
De eerste vraag waarvoor het hof zich ziet gesteld, is de vraag of de verklaringen van aangeefster als betrouwbaar moeten worden aangemerkt. Het hof is van oordeel dat die vraag bevestigend moet worden beantwoord.
Aangeefster heeft zowel tijdens het informatieve gesprek als in haar aangifte als volgt verklaard. Verdachte en aangeefster kenden elkaar via Snapchat en hadden al een paar keer afgesproken. Op 27 oktober 2020 haalde verdachte aangeefster op en reden ze naar de parkeerplaats van [A] in [plaats] . Verdachte vroeg aangeefster om achterin de auto te gaan zitten, omdat ze dan meer ruimte hadden. Vervolgens vroeg hij of ze bij hem op schoot kwam zitten. Dat deed ze, waarna verdachte haar begon te zoenen en aan haar borsten zat. Aangeefster heeft verklaard dat zij probeerde verdachte weg te duwen, maar dat hij kracht zette en dit niet lukte. Toen ze zei dit niet te willen, reageerde verdachte niet.
Verdachte ging met zijn hand in haar broek, en het lukte aangeefster niet om zijn hand weg te krijgen. Verdachte hield beide armen van aangeefster vast. Nadat aangeefster van de schoot van verdachte af ging, heeft verdachte haar op haar rug, met haar hoofd tegen de deur geduwd. Aangeefster kon de deur van de auto niet open krijgen, omdat verdachte die op slot had gedaan. Ze probeerde verdachte weg te duwen en hem te schoppen. Daar werd verdachte boos van en begon te schreeuwen. Nadat verdachte met zijn handen over en in haar vagina is gegaan, heeft hij haar benen uit elkaar geduwd, een condoom omgedaan en heeft hij aangeefster gepenetreerd. Het condoom heeft hij naar buiten gegooid, op straat. Daarna deden zowel verdachte als aangeefster hun kleding weer aan. Verdachte heeft aangeefster vervolgens afgezet. Zij heeft dit voorval later aan haar moeder verteld.
De verklaringen die aangeefster [aangeefster 2] heeft afgelegd over de tenlastegelegde handelingen zijn consistent en gedetailleerd en kunnen naar het oordeel van het hof als betrouwbaar worden aangemerkt.
Bovendien bevat het dossier voldoende steunbewijs voor deze verklaringen, zoals hieronder weergegeven.
Het hof wijt het gegeven dat het tenlastegelegde een dag later is gebeurd dan aangeefster aanvankelijk heeft verklaard, aan het feit dat aangeefster moeilijk kan plannen en een slecht besef heeft van dagen. Dit blijkt onder meer uit de getuigenverklaring van de moeder van aangeefster. Naar het oordeel van het hof is dit niet van invloed op de inhoud en betrouwbaarheid van de verklaringen van aangeefster.
Steunbewijs
Het hof verwijst voor wat betreft de eisen die aan steunbewijs worden gesteld naar de overwegingen dienaangaande gemaakt bij de beoordeling van het aan de verdachte onder 1
tenlastegelegde feit.
Het hof overweegt allereerst dat het condoom, waarvan aangeefster vertelde dat verdachte die uit de auto had gegooid, werd aangetroffen door verbalisanten op de plek die aangeefster had benoemd. Het condoom is door het NFI onderzocht.
Er zijn zowel DNA-sporen van verdachte als van aangeefster op aangetroffen.
Voorts overweegt het hof dat aangeefster direct na het gebeuren een goede vriend heeft gebeld en aan hem vertelde wat zij later in de aangifte ook heeft verteld en daarnaast kort na het voorval haar ervaring met verdachte in diens auto ook aan haar moeder heeft verteld.
Haar moeder, [betrokkene 4] , is door de politie als getuige gehoord.
Zij verklaart dat haar dochter niet zichzelf was, zich als verdoofd gedroeg en sindsdien erg verdrietig en kwaad is en slecht slaapt. Als moeder ziet zij hoe heftig dit is. Dit kun je, aldus de getuige, niet spelen. Deze verklaring begrijpt het hof aldus dat de getuige op grond van het gedrag van haar dochter, toen zij vertelde over haar ervaring met verdachte, maar ook uit haar gedrag nadien, de indruk krijgt dat haar dochter hetgeen zij haar heeft verteld ook kort tevoren daadwerkelijk heeft meegemaakt
. Het hof is van oordeel dat deze verklaring als steunbewijs kan worden gebezigd.
Het hof schuift de verklaring van verdachte, inhoudende dat de seks tussen aangeefster en hem vrijwillig heeft plaatsgevonden, als niet aannemelijk terzijde, nu – naast de inhoud van bovengenoemde bewijsmiddelen – verdachte bij de politie heeft volhard in zijn ontkenning van het seksueel binnendringen bij aangeefster, doch dit eerst ter terechtzitting in eerste aanleg, kennelijk nadat hij met de resultaten van het NFI-onderzoek van het gevonden condoom is geconfronteerd en zich de implicaties daarvan realiseerde, heeft erkend. De door verdachte gegeven reden voor zijn wisselende verklaringen hieromtrent – te weten: dat hij bang was dat hij zijn vriendin kwijt zou raken als ze erachter kwam dat hij wederom was vreemdgegaan – acht het hof niet aannemelijk en doet afbreuk aan de geloofwaardigheid. Van zijn stelling dat de seks tussen hem en aangeefster op vrijwillige basis heeft plaatsgevonden.
Overweging ten aanzien van het onder 1 en 2 tenlastegelegde
Op grond van de inhoud van de door het hof ten aanzien van het onder 1 en 2 primair tenlastegelegde gebezigde bewijsmiddelen stelt het hof vast dat verdachte zich telkens ter bevrediging van zijn seksuele lustgevoelens aan zijn beide slachtoffers – die elkaar overigens niet kennen – heeft opgedrongen. Als zij weerstand bieden heeft verdachte, om toch zijn zin door te drijven, jegens hen geweld aangewend. Deze vaststelling draagt eveneens bij aan de bewijsvoering en de daaruit voortvloeiende overtuiging.
”
Het eerste middel
7. Het eerste middel heeft betrekking op het onder 1 bewezen verklaarde en bevat de klacht dat het hof in strijd met artikel 359 lid 2, tweede volzin, Sv niet in het bijzonder de redenen heeft opgegeven waarom het is afgeweken van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt over (kort gezegd) de (on)betrouwbaarheid van de verklaring van de aangeefster.
Een nadere omschrijving van het eerste middel
8. Aan het middel is ten grondslag gelegd dat het hof “heel wezenlijke en indringend naar voren gebrachte onderdelen die de kern van het aan de verdachte gemaakte verwijt raken, geheel onbesproken heeft gelaten”.
Conclusie
33. De middelen falen en kunnen worden afgedaan met een aan artikel 81 lid 1 RO ontleende overweging.
34. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
35. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
De rechtbank Midden-Nederland had de verdachte bij vonnis van 1 oktober 2021 vrijgesproken van het onder 1 en onder 2. primair ten laste gelegde, en veroordeeld voor het onder 2. subsidiair ten laste gelegde.
Zie bijv. HR 5 oktober 2021, ECLI:NL:HR:2021:1413. Vgl. HR 23 juni 2020, ECLI:NL:HR:2020:1072; HR 21 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:780, NJ 2019/338 m.nt. Reijntjes, en HR 11 april 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU9130, NJ 2006/393 m.nt. Buruma. Zie hierover ook A.J.A. van Dorst & M.J. Borgers, Cassatie in strafzaken, Deventer: Wolters Kluwer 2022, p. 284.
Overigens merk ik op dat het oordeel van de feitenrechter dat aan het bewijsminimumvoorschrift is voldaan in cassatie mogelijk sneller overeind zal blijven als de rechter de verklaring van de aangeefster, onafhankelijk van de inhoud van het overige bewijs, al betrouwbaar heeft bevonden, bijvoorbeeld op grond van de consistentie van die verklaring. Zie bijv. de annotatie van T.M. Schalken (punt 3) onder HR 6 maart 2012, ECLI:NL:HR:2012:BQ6144, NJ 2012/252.
De steller van het middel doelt klaarblijkelijk op rechtspraak waarin de Hoge Raad heeft uitgemaakt dat indien het gaat om feiten of omstandigheden die door de rechter redengevend worden geacht voor de bewezenverklaring, de rechter die zich – al dan niet in reactie op een bewijsverweer – beroept op bepaalde niet in de bewijsmiddelen vermelde gegevens, met voldoende mate van nauwkeurigheid in zijn overweging (a) die feiten of omstandigheden dient aan te duiden, en (b) het wettige bewijsmiddel dient aan te geven waaraan die feiten of omstandigheden zijn ontleend. Zie HR 24 juni 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF7985, NJ 2004/165; HR 23 oktober 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA5858, NJ 2008/70 m.nt. Borgers; HR 19 juni 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW8738, en HR 25 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:708.
Zie o.a. HR 26 januari 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK2094, NJ 2010/512, en HR 13 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM2452, NJ 2010/515 met gemeenschappelijke noot van Borgers; HR 4 januari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO4493, NJ 2011/37; HR 12 november 2013, ECLI:NL:HR:2013:1158, NJ 2014/252 m.nt. Reijntjes; HR 2 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3472, NJ 2015/484 m.nt. Borgers; HR 15 mei 2018, ECLI:NL:HR:2018:717, NJ 2018/298 m.nt. Rozemond; HR 13 juni 2020, ECLI:NL:HR:2020:1095; HR 5 september 2023, ECLI:NL:HR:2023:1152, HR 23 april 2024 ECLI:NL:HR:2023:643 en HR 10 september 2024, ECLI:NL:HR:2024:1149, vlg. ook de conclusie van Harteveld die daaraan voorafging (ECLI:NL:PHR:2024:563).
In gevallen waarin de getuige de aangeefster in een emotionele toestand treft direct na het vermeende delict, en/of die waarneming van emoties gepaard gaat met waarnemingen van de fysieke gesteldheid van de aangeefster (gedacht kan worden aan huilen, abnormale ademhaling en/of hartslag, zichtbare pijnbeleving), is sprake van een eigen waarneming die – onder omstandigheden – voldoende steun kan opleveren. Daarbij kan betekenis worden toegekend aan de nadere motivering die de feitenrechter ten aanzien van het bewijsminimumvoorschrift heeft opgenomen.
Vgl. G.J.M. Corstens, Het Nederlands Strafprocesrecht, bewerkt door M.J. Borgers en T. Kooijmans, Deventer: Wolters Kluwer 2021, p. 853, en de noot van Borgers onder HR 7 juli 2015, ECLI:NL:HR:2015:BZ1817, NJ 2015/488, onder 6.
Zie in dit verband HR 12 november 2013, ECLI:NL:HR:2013:1158; HR 10 juli 2018, ECLI:NL:HR:2018:1117, en HR 5 september 2023, ECLI:NL:HR:2023:1152. In deze zaken werd geen schending van art. 342 lid 2 Sv aangenomen.
Volledigheidshalve wijs ik ook op bijv. HR 12 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ1890, NJ 2013/279 m.nt. Reijntjes, waarin de Hoge Raad wel casseerde op grond van een schending van art. 342 lid 2 Sv, en op de conclusie van Knigge (ECLI:NLPHR:2013:BZ1890) die daaraan voorafging. In deze zaak kon de door het hof gebezigde verklaring van de tante van de aangeefster – waaruit bleek dat de aangeefster had gehuild en overstuur was – het gat in de bewijsvoering niet dichten. Knigge overwoog: “Hier wreekt zich echter dat dat het hof zijn oordeel dat er voldoende steunbewijs was, niet heeft gemotiveerd. Of het hof het steunbewijs inderdaad in de waargenomen emoties heeft gezocht, is daarom niet duidelijk.”
Zie ook HR 23 april 2024, ECLI:NL:HR:2024:643, waarin de Hoge Raad overwoog dat het hof niet was ingegaan op de vraag of aan het bewijsminimum van artikel 342 lid 2 Sv was voldaan. “Gelet daarop en mede in aanmerking genomen wat de verdachte en de raadsvrouw op de terechtzitting hebben aangevoerd (…) is het kennelijke oordeel van het hof dat (…) aan het bewijsminimum van artikel 342 lid 2 Sv is voldaan, niet zonder meer begrijpelijk.” Vgl. ook de conclusie van Van Wees die daaraan voorafging (ECLI:NL:PHR:2024:251, randnrs. 2.11-2.15).
Vgl. over het acht slaan op door de verdediging aangevoerde ontlastende scenario’s bijv. mijn conclusies van 26 januari 2010, ECLI:NL:PHR:2010:BK2094 (voorafgaand aan HR 26 januari 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK2094, NJ 2010/512 m.nt. Borgers), en van HR 23 juni 2020, ECLI:NL:PHR:2020:825 (voorafgaand aan HR 22 september 2020, ECLI:NL:HR:2020:1459). Zie ook de conclusie van Harteveld 18 juni 2024, ECLI:NL:PHR:2024:563 (voorafgaand aan HR 10 september 2024, ECLI:NL:HR:2024:1149).
Zie de aanvulling verkort arrest d.d. 21 november 2023, onder bewijsmiddel 1 (pag. 12). “V: Wat hebben jullie toen gedaan? A: Hij vroeg waar hij me af kon zetten. Hij heeft me afgezet en toen belde ik mijn vriend.”
Ik wijs in dit verband op de verklaring van de aangeefster (politiedossier, pag. 43) en de verklaring van de getuige [betrokkene 5] (politiedossier, pag. 48 tot en met 51). [betrokkene 5] verklaart onder meer: “toen die laatste keer was het misgegaan in zijn auto. Dat was bij [A] in [plaats] . (…) “Hij wilde andere dingen doen dan zij op seksueel gebied. Toen probeerde ze weg te gaan, maar dat kon niet. Ze probeerde van alles om hem tegen te houden (…) Hij deed zijn broek uit en haar onderbroek en toen deed hij een condoom om en probeerde hij in haar te gaan zeg maar. Het was niet echt gelukt zei ze, want hij ging er half in (…)” V: Heeft [aangeefster 2] gezegd waarin hij is gegaan? A: Ja in haar geslachtsdeel (…)”
Zie de aanvulling verkort arrest d.d. 21 november 2023, pag. 10-13. Uit het NFI-rapport (bewijsmiddel 3) volgt dat het zedenmisdrijf op 26 oktober 2020 heeft plaatsgevonden, uit het proces-verbaal van bevindingen d.d. 29 oktober 2020 (bewijsmiddel 2) volgt dat er op 29 oktober 2020 een informatief gesprek is geweest tussen de aangeefster en verbalisanten, waarna met de aangeefster en haar moeder is afgesproken dat de verbalisanten naar de woning zouden komen om vervolgens met de aangeefster de route te rijden naar het plaats delict, de aangifte (bewijsmiddel 1) dateert van 2 november 2020 en de getuigenverklaring van de moeder van aangeefster (bewijsmiddel 4) van 13 november 2020. Deze vier bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien, doet bij mij geen twijfel rijzen op grond van welke bewijsmiddelen het hof heeft aangenomen dat de aangeefster haar moeder “kort na het voorval” heeft ingelicht.
Zie de getuigenverklaring van [betrokkene 4] (de moeder van de aangeefster) in het politiedossier, pag. 53. “V: Wanneer is haar dit overkomen? A: Maandag 26 oktober 2020. Zij heeft het woensdag 28 oktober 2020 mij verteld.”
Vgl. HR 26 september 2023, ECLI:NL:HR:2023:1303, rov. 3.8.
Conclusie
Deze bepaling strekt ter waarborging van de deugdelijkheid van de bewijsbeslissing, in die zin dat het de rechter verbiedt tot een bewezenverklaring te komen ingeval de feiten en omstandigheden die door die aangever/getuige worden genoemd op zichzelf staan en onvoldoende steun vinden in ander bewijsmateriaal. Ingevolge vaste jurisprudentie van de Hoge Raad staat hier echter tegenover dat, met name in zedenzaken, een geringe mate aan steunbewijs in combinatie met geloofwaardige verklaringen van het slachtoffer toch het volgens de wet vereiste minimum aan bewijs kan opleveren.
De vraag of voldoende steunbewijs aanwezig is, is afhankelijk van de omstandigheden van het concrete geval. Wel zijn hiervoor in de jurisprudentie enige regels geformuleerd. Zo moet het steunbewijs ‘voldoende steun’ geven aan de verklaring van de getuige. Dit betekent dat het steunbewijs op relevante wijze in verband moet staan met de inhoud van de verklaring van de getuige. Het steunbewijs mag in beginsel niet afkomstig zijn van dezelfde bron, in die zin dat als steunbewijs zou kunnen worden gebruikt de verklaring van een ander aan wie de getuige heeft verteld wat hem of haar is overkomen. Een dergelijke de auditu-verklaring levert op zichzelf niet voldoende steunbewijs op. Wel kunnen bepaalde waarnemingen die de de auditu-getuige persoonlijk heeft gedaan voldoende steunbewijs opleveren. Ook kunnen eigen waarnemingen van getuigen, die weliswaar niet het kernverwijt, bijvoorbeeld de verweten seksuele handelingen, bevestigen, binnen de context van de gebeurtenissen voldoende zelfstandig onderscheidend zijn om als objectief gegeven in combinatie met andere omstandigheden een rol van betekenis te kunnen spelen als steunbewijs naast de verklaring van het slachtoffer. Niet is vereist dat het steunbewijs betrekking dient te hebben op de ten laste gelegde gedragingen. Eveneens is niet vereist dat het steunbewijs rechtstreeks de betrokkenheid van de verdachte bij het ten laste gelegde feit bevestigt.
Met betrekking tot de vraag naar de aanwezigheid van steunbewijs ten aanzien van onderhavig feit slaat het hof, onder meer, acht op de zich in het dossier bevindende chatgegevens.
Uit een chatgesprek tussen aangeefster en verdachte blijkt onder meer dat aangeefster tegen verdachte zegt dat ze sliep, dat ze zich dood schrok en dat verdachte geen toestemming had om aan haar te zitten. Verdachte chat terug "sorry". Ze duidt ook nader waar ze van schrok, namelijk dat zij op bed ligt en hij naakt op haar komt liggen. Verdachte chat in reactie "neee Dat weet ik” en “ik kon me even niet inhouden" en geeft aan dat hij niet dacht dat ze wakker zou worden. Aangeefster blijft in de chats verdachte afwijzen en zeggen dat hij moet ophouden. Verdachte blijft aandringen of hij niet toch bij aangeefster mag komen liggen, dat hij terug wil komen als aangeefster slaapt, en of ze dan boos wordt en gaat schreeuwen. Behalve dat deze chats aangeven dat aangeefster geen behoefte heeft aan seksueel contact met verdachte, terwijl verdachte daarjuist op aandringt heeft verdachte, naar het oordeel van het hof, op deze wijze aangegeven de door aangeefster aangegeven grenzen niet zonder meer te zullen respecteren. In dit kader is ook nog van belang het chatgesprek, waarin verdachte aan aangeefster bericht: "Je bent fucking lekker, ik kan me niet inhouden”.
Behalve de inhoud van de chatberichten voorafgaand aan de sex steunt ook de inhoud van de chatberichten nadat een en ander heeft plaatsgevonden de lezing van aangeefster dat dit van haar kant niet vrijwillig was en dat dit voor verdachte kenbaar was
. Daarvoor wijst het hof op een bericht van verdachte aan aangeefster, waarin hij zegt: "Ik heb echt veel spijt van wat ik heb gedaan en wat er gebeurd is. Ik heb niet nagedacht en dit had niet mogen gebeuren. (...) Ik wil mijn excuses aanbieden aan je 1000x sorry sorry sorry ik hoop dat je me ooit vergeeft het spijt me echt”. Hierin is haar het oordeel van het hof tot uitdrukking gebracht dat verdachte spijt ervan heeft dat hij zich, aan aangeefster heeft opgedrongen en met toepassing van geweld seksueel bij haar is binnengedrongen.
De lezing die verdachte daaraan heeft gegeven, te weten dat het bericht is verstuurd omdat hij er spijt van heeft dat door het seksueel contact; tussen hem en aangeefster de vriendschap tussen zijn vriendin en aangeefster is verbroken, acht het hof niet aannemelijk. De lezing van verdachte, waarbij, aangeefster de sex zelf zou hebben geïnitieerd, zou haar immers ook zelf verantwoordelijk maken voor de verbroken vriendschap, zodat het volledig op zich nemen van de verantwoordelijkheid voor de situatie door verdachte niet voor de hand ligt.
Aangeefster heeft kort na het tenlastegelegde bovendien contact gehad met de vriendin van verdachte, [betrokkene 1] , die destijds ook heel goed bevriend was met aangeefster. Uit deze chatgesprekken blijkt dat aangeefster haar verhaal kort ha het gebeurde aan [betrokkene 1] heeft verteld, en daarbij heeft aangegeven dat zij verkracht is.
De chatgesprekken tussen aangeefster en [betrokkene 1] ondersteunen, naar het oordeel van het hof, de aangifte. In dit verband wijst het hof op het chatgesprek, waarin aangeefster aan de vriendin van verdachte schrijft: "Je bent bang om hem kwijt te raken, maar wie wil iemand die zijn pik in iemand anders steekt, tijdens de relatie, en dan ook nog eens een van jouw beste vriendin (...). Ik moet er niet aan denken dat [betrokkene 2] (het hof begrijpt: een vriend van aangeefster) en jij komen slapen en dat [betrokkene 2] jou verkracht en dat ik hem vergeef en hem boven jou zet. Dat is iets wat ik niet begrijp”. De vriendin van verdachte schrijft in antwoord hierop: “In mijn ogen verdiende hij uiteindelijk een tweede kans”. Het hof stelt vast dat [betrokkene 1] de beschuldiging van aangeefster, dat haar vriend – te dezen: verdachte – haar beste vriendin, te dezen aangeefster, heeft verkracht, niet weerspreekt, maar dat zij – niettegenstaande deze verkrachting – haar vriend opnieuw een kans wil bieden de relatie met haar te herstellen.
Daarnaast slaat het hof ook acht op de getuigenverklaring van [betrokkene 3] . Aangeefster heeft de ochtend na het tenlastegelegde ook direct aan [betrokkene 3] – en in lijn met haar latere aangifte – verteld wat haar is overkomen,
[betrokkene 3] verklaart dat aangeefster vertelde dat verdachte in de nacht naar de kamer ging waar aangeefster sliep, dat aangeefster niet wilde dat hij haar aanraakte en dat verdachte weer weg is gegaan. Hierna bleef verdachte aangeefster appen. Aangeefster viel in slaap. Daarna heeft verdachte aangeefster verkracht en bij haar nek gepakt.
Verdachte heeft – kort weergegeven – aangevoerd dat er inderdaad seks heeft plaatsgevonden tussen aangeefster en hem, maar dat dit vrijwillig was nadat ze buiten een sigaret hadden gerookt. Het hof overweegt dat, indien er vanuit zou worden gegaan dat verdachte en aangeefster samen een sigaret hebben gerookt, uit de chatgeschiedenis blijkt dat de ‘afspraak’ hiertoe kennelijk om 5.19 uur werd gemaakt. Daarna vraagt verdachte om 5.27 uur (en daarna) of hij niet bij aangeefster mag komen liggen op de volhardende wijze als hierboven reeds weergegeven. Verdachte heeft verklaard dat hij deze laatste berichten heeft verstuurd nadat aangeefster en hij seks hebben gehad. Het hof acht het hoogst onwaarschijnlijk dat in de acht minuten, gelegen tussen die berichten, aangeefster en verdachte naar beneden zijn gegaan, aldaar een sigaretje hebben gerookt (waarbij ze haar verdachtes eigen zeggen gezellig hebben gekletst en gelachen en wat naar zijn zeggen ongeveer 10 minuten duurde), zij vervolgens naar boven zijn gegaan en seks met elkaar hebben gehad, waarna verdachte naar de slaapkamer is gegaan waar hij met zijn vriendin sliep, en zij vervolgens allebei weer in hun bed lagen (verdachte naast zijn vriendin), waarna verdachte de voornoemde appjes aan aangeefster heeft verstuurd.
Overwegingen
In het licht van de inhoud en indringendheid van de aangevoerde argumenten, zoals (samengevat) weergegeven op pagina 9 van de cassatieschriftuur, en mede in aanmerking genomen dat het steunbewijs grotendeels van de aangeefster afkomstig is en daardoor niet zonder meer ‘voldoende steun’, als bedoeld in artikel 342 lid 2 Sv, oplevert, heeft het hof – zo betoogt de steller van het middel – onvoldoende gerespondeerd op het ter terechtzitting in hoger beroep ingenomen standpunt dat de verklaring van de aangeefster onbetrouwbaar is, althans is de bewezenverklaring niet (voldoende) begrijpelijk gemotiveerd.
De bespreking van het eerste middel
9. Klaarblijkelijk heeft het hof het betoog over de onbetrouwbaarheid van de verklaring van de aangeefster aangemerkt als een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt in de zin van artikel 359 lid 2, tweede volzin, Sv. Daarover wordt in cassatie dan ook niet geklaagd. Het hof is van dit standpunt afgeweken door de verklaring van de aangeefster tot het bewijs te bezigen.
10. Anders dan de steller van het middel betoogt, heeft het hof uiteengezet waarom het deze verklaring betrouwbaar acht. Dat oordeel acht ik niet onbegrijpelijk. Daarbij heb ik in aanmerking genomen dat het hof heeft overwogen dat de aangeefster zowel bij het informatieve gesprek, als in de aangifte en later tijdens het verhoor bij de rechter-commissaris consistent en gedetailleerd heeft verklaard over wat haar is overkomen, namelijk dat de verdachte in de nacht plotseling naakt in de slaapkamer stond waarin zij op dat moment lag, dat zij op een bepaald moment wakker werd, dat de verdachte toen bovenop haar lag, dat hij haar keel heeft dichtgeknepen en dat hij haar heeft verkracht.
11. Aldus bezien kan niet worden gesteld dat het hof niet of ontoereikend heeft gerespondeerd op het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt inzake de onbetrouwbaarheid van de verklaringen van de aangeefster. Dat het hof niet is ingegaan op elk onderdeel van dat standpunt doet daaraan niet af. Daartoe was het hof immers niet gehouden. In zoverre faalt het middel.
12. Nadat het hof heeft uiteengezet langs welke weg het de betrouwbaarheid van de verklaring van de aangeefster heeft getoetst, heeft het in een separate bewijsoverweging stilgestaan bij de vraag of er in het dossier voldoende steunbewijs aanwezig is voor de verklaring van de aangeefster. In dat verband heeft het hof – na weergave van de voor steunbewijs geldende jurisprudentiële vereisten – overwogen dat het met betrekking tot deze vraag onder meer acht heeft geslagen op de zich in het dossier bevindende chatgegevens. Behalve de inhoud van de chatberichten vóórafgaand aan de door de verdachte uitgevoerde seksuele handelingen, steunt ook de inhoud van de chatberichten nádat een en ander heeft plaatsgevonden de lezing van de aangeefster dat het seksuele contact van haar kant niet vrijwillig was en dat dit voor de verdachte kenbaar was, aldus het hof. Anders dan de steller van het middel doet voorkomen, heeft het hof daarbij ook gerespondeerd op het verweer dat ‘de aangeefster de seks zelf zou hebben geïnitieerd’ (en dat het bericht van de verdachte aan de aangeefster moet worden opgevat als ‘spijtbetuiging’ voor de verbreking van de vriendschap tussen de aangeefster en [betrokkene 1] die daarvan het gevolg was). Het hof is immers van oordeel dat deze door de verdachte geschetste gang van zaken niet aannemelijk is, nu dit de aangeefster “ook zelf verantwoordelijk (zou) maken voor de verbroken vriendschap, zodat het volledig op zich nemen van de verantwoordelijkheid voor de situatie door verdachte niet voor de hand ligt”. In zijn oordeel dat de verklaring van de aangifte voldoende wordt ondersteund door het overige bewijs, heeft het hof bovendien nog betrokken (i) dat, zo volgt eveneens uit de chatgegevens, de aangeefster kort na het voorval aan de getuige [betrokkene 1] (tevens de vriendin van de verdachte) heeft verteld dat zij is verkracht, (ii) dat de getuige [betrokkene 3] heeft verklaard dat de aangeefster haar de ochtend na het voorval heeft verteld wat haar die nacht was overkomen, en (iii) dat de inhoud van de verklaring van [betrokkene 3] strookt met de latere aangifte.
13. Gelet op het voorgaande, in onderling verband en samenhang beschouwd, faalt het middel ook voor zover wordt geklaagd dat het hof onvoldoende heeft gerespondeerd op het verweer van de verdediging dat de aangifte onvoldoende is ingebed in het overige bewijs. De bewezenverklaring is niet onbegrijpelijk en bovendien toereikend gemotiveerd.
14. Het eerste middel is daarmee vruchteloos voorgesteld.
Het tweede middel
15. Het middel klaagt over schending van artikel 342 lid 2 Sv, nu de verklaring van de aangeefster ten aanzien van feit 2 onvoldoende steun vindt in de overige bewijsmiddelen.
De toelichting op het tweede middel
16. Het middel strekt, blijkens de toelichting daarop, in de eerste plaats ten betoge dat de bewezenverklaring in de kern is gestoeld op de verklaring van één getuige (de aangeefster), nu de bewijsmiddelen 2 en 3 te algemeen van aard zijn en bovendien niets zeggen over de vraag of er sprake is geweest van de voor een bewezenverklaring benodigde geweldshandelingen, feitelijkheden en dwang, en nu de – aan bewijsmiddel 4 ontleende – door de moeder van de aangeefster bij haar dochter waargenomen emoties of gemoedstoestand aan de verklaring van de aangeefster niet de voor een bewezenverklaring vereiste steun kan geven. Deze emoties zijn immers, zo betoogt de steller van het middel, niet direct na het delict waargenomen en kunnen bovendien niet worden gekwalificeerd als hevige emoties en/of een (objectief vast te stellen) fysieke toestand.
17. In de tweede plaats wordt in de toelichting op het middel – onder verwijzing naar vaste rechtspraak van de Hoge Raad – nog de stelling verdedigd dat het hof niet met voldoende mate van nauwkeurigheid heeft aangegeven aan welk wettig bewijsmiddel het heeft ontleend (i) “dat aangeefster direct na het gebeuren een goede vriend heeft gebeld en aan hem vertelde wat zij later in de aangifte ook heeft verteld” en (ii) dat de aangeefster “kort na het voorval haar ervaring met verdachte in diens auto ook aan haar moeder heeft verteld”, terwijl het hof die feiten en omstandigheden voor de bewijsvoering wel (mede) redengevend heeft geacht.
De bespreking van het tweede middel
18. Het hof heeft naast de verklaring van de aangeefster (d.d. 2 november 2020), in het kort inhoudende dat de verdachte haar in een auto op een parkeerplaats heeft verkracht en dat hij na de verkrachting zijn condoom uit het raam van de auto heeft gegooid, voor het bewijs gebruikt:
(i) Een proces-verbaal van bevindingen waaruit volgt dat de verbalisanten op 29 oktober 2020 met de aangeefster een informatief gesprek hebben gevoerd, waarna de aangeefster de parkeerplaats heeft aangewezen waar zij zou zijn verkracht, en dat de verbalisanten een daar aangetroffen condoom in beslag hebben genomen.
(ii) Een NFI-rapport waaraan het hof heeft ontleend dat op het in beslag genomen condoom DNA-sporen van de verdachte en de aangeefster zijn aangetroffen.
(iii) Een verklaring van de moeder van de aangeefster (d.d. 13 november 2020), waaruit volgt dat haar dochter haar heeft verteld dat zij door een jongen is verkracht in een auto op een parkeerplaats en dat de jongen – toen hij ‘klaar’ was – het condoom naar buiten heeft gegooid. Bovendien heeft de getuige verklaard dat haar dochter toen zij het haar vertelde “niet zichzelf was”, dat zij geen emotie had, en verdoofd was, en ook dat haar dochter sinds een paar dagen slecht slaapt en dat zij verdrietig en kwaad is.
19. Het hof heeft zijn oordeel dat het bijkomende bewijsmateriaal voor de verklaring van de aangeefster (de in artikel 342 lid 2 Sv bedoelde) ‘voldoende ondersteuning’ biedt van een nadere motivering voorzien.
Conclusie
“Met de term schakelbewijs pleegt te worden aangeduid een bewijsvoering waarbij voor de bewezenverklaring van een feit mede redengevend wordt geacht de – uit één of meer bewijsmiddelen blijkende – omstandigheid dat de verdachte bij één of meer andere strafbare feiten betrokken was.”
Hoewel de toepassing van schakelbewijs allerminst een noviteit is, wordt de redengevendheid ervan ook de laatste jaren nog met enige regelmaat aan de Hoge Raad voorgelegd. Vgl. in dit verband mijn conclusie van 6 juni 2023, ECLI:NL:PHR:2023:555, onder randnummer 293-322 (voorafgaand aan HR 26 september 2023, ECLI:NL:HR:2023:1303 (Jos B.)), waarin ik uitgebreider bij deze bewijsconstructie stilsta. Zie ook mijn conclusies van 11 februari 2020, ECLI:NL:PHR:2020:134 (voorafgaand aan HR 30 juni 2020, ECLI:NL:HR:2020:1149, NJ 2020/372), en van 7 juni 2011, ECLI:NL:PHR:2011:BQ8600 (voorafgaand aan HR 15 november 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ8600, NJ 2012/279).
Verder wijs ik op: J.C. de Zoete, K.C.J. Vriend, M.M. Dolman, R.W.J. Meester & M.J. Sjerps, ‘Het gebruik van schakelbewijs; juridische en kanstheoretische gezichtspunten’, Expertise en Recht 2014, afl. 5, p. 153-167.
In HR 12 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3118, NJ 2018/84, rov. 2.4, en in HR 20 december 2022, ECLI:NL:HR:2022:1902, rov. 5.3, overwoog de Hoge Raad: “Daarbij is ten minste vereist dat de wijze waarop de onderscheidene feiten zijn begaan op essentiële punten overeenkomt.” Deze overweging kan de onjuiste indruk wekken dat een schakelbewijsconstructie uitsluitend toepassing kan vinden bij overeenkomende ‘modi operandi.’ Alleen al de kennisneming van het feitensubstraat in de aan deze arresten ten grondslag liggende zaken, zou die indruk moeten wegnemen. Zie ook mijn conclusie van 6 juni 2023, ECLI:NL:PHR:2023:555, onder de randnummers 309, en 317-318, en de conclusie van Van Wees van 5 maart 2024, ECLI:NL:PHR:2024:252, onder randnummer 2.9 (waaruit ik citeer): “Daarbij kan van belang zijn of en in hoeverre de wijze waarop en de omstandigheden waaronder de onderscheidene feiten zijn begaan, op essentiële punten overeenkomen. In dat verband kan bijvoorbeeld worden gedacht aan het handelen van de verdachte, de modus operandi en de situationele/contextuele omstandigheden, waaronder de omstandigheid dat de feiten binnen een beperkt tijdbestek en in de nabije omgeving zijn begaan.”
Vgl. HR 1 oktober 2019, ECLI:NL:HR:2019:1455, NJ 2019/467 m.nt. Reijntjes, rov. 3.3.1, en HR 26 september 2023, ECLI:NL:HR:2023:1303 (Jos B.), rov. 3.8. Zie ook mijn daaraan voorafgaande conclusie van 6 juni 2023, ECLI:NL:PHR:2023:555, onder randnummer 320 (met weglating van de voetnoot). “Bovendien hangt de kracht van een bewijsconstructie, waarvan schakelbewijs onderdeel is, af van de rol die dat schakelbewijs daarin vervult. De vraag of schakelbewijs reden geeft voor een bewezenverklaring “dient te worden beoordeeld in het licht van de gehele bewijsvoering”, aldus de Hoge Raad. Die ‘gehele bewijsvoering’ kan voor iedere zaak verschillen. Daarom is het ondoenlijk om generieke eisen te stellen aan de mate waarin schakelbewijs redengevend is voor een bewezenverklaring.”
Zie meest recentelijk HR 23 april 2024, ECLI:NL:HR:2024:654, rov. 2.4, en de daaraan voorafgaande conclusie van Van Wees, van 5 maart 2024, ECLI:NL:PHR:2024:252, onder de randnummers 2.8-2.10.
Verschillen zullen er immers altijd zijn. De kernvraag die bij toepassing van schakelbewijs voorligt, is nu juist of bij de vergelijking van verschillende delicten specifieke, kenmerkende overeenkomsten worden waargenomen die – ook met inachtneming van de waargenomen verschillen – in voldoende mate beter kunnen worden verklaard wanneer wordt aangenomen dat deze delicten door hetzelfde individu zijn begaan dan wanneer wordt aangenomen dat zij door verschillende individuen zijn begaan en de waargenomen overeenkomsten louter op toeval berusten. Zo ja, dan heeft dat tot gevolg dat de feitenrechter dat gegeven mag betrekken in zijn bewijsoordelen over de desbetreffende delicten, en dat hij het bewijsmateriaal voor het ene delict, voor zover relevant, mag gebruiken voor de bewijsvoering van het andere delict. Vlg. nogmaals mijn conclusie van 6 juni 2023, ECLI:NL:PHR:2023:555, onder randnummer 320.
Overwegingen
Het hof heeft in dat verband de verklaring van de moeder van de aangeefster en de door de haar bij haar dochter waargenomen emoties aangemerkt als bewijsmateriaal dat ondersteuning geeft aan de verklaring van de aangeefster dat het seksuele contact tussen haar en de verdachte niet vrijwillig was. Het hof is vervolgens mede op grond van deze getuigenverklaring tot de slotsom gekomen dat aan het bewijsminimumvoorschrift is voldaan. Dat oordeel acht ik niet onbegrijpelijk. Daarbij heb ik in aanmerking genomen dat het hof in een nadere overweging heeft gemotiveerd dat de verklaring van de moeder een kort na het delict (hierop kom ik onder randnummers 22 en 23 nog terug) omschreven eigen waarneming bevat van de door haar bij de aangeefster na het voorval getoonde (“verdoofde”) fysieke en/of emotionele gemoedstoestand, welke gepaard ging met gedragsverandering, kwaadheid, verdriet en slapeloosheid.
20. Bovendien kan de verklaring van de moeder van de aangeefster, gelet op ’s hofs overwegingen, niet anders dan in samenhang worden beschouwd met de overige door het hof vastgestelde feiten en omstandigheden. In het bijzonder heeft het hof nog gewezen op de door de verdachte afgelegde – wisselende – verklaringen (over het wel of niet seksueel binnendringen). De redenen die de verdachte heeft opgegeven voor dat wisselen van zijn verklaringen worden door het hof niet aannemelijk geacht. Bovendien doet dit volgens het hof afbreuk aan de geloofwaardigheid van zijn stelling dat de seks tussen hem en de aangeefster op vrijwillige basis had plaatsgevonden. Zodoende heeft het hof zijn oordeel dat aan het bewijsminimumvoorschrift is voldaan, voldoende gemotiveerd. In zoverre faalt het middel.
21. Ten aanzien van de klacht dat het hof niet met voldoende mate van nauwkeurigheid heeft aangegeven aan welk wettig bewijsmiddel het heeft ontleend (i) “dat aangeefster direct na het gebeuren een goede vriend heeft gebeld en aan hem vertelde wat zij later in de aangifte ook heeft verteld” en (ii) dat de aangeefster “kort na het voorval haar ervaring met verdachte in diens auto ook aan haar moeder heeft verteld”, het volgende.
22. Ten aanzien van de onder (i) weergeven omstandigheid, merk ik op dat het hof kennelijk op grond van de verklaring van de aangeefster heeft aangenomen dat er tussen de aangeefster en de vriend is gesproken over hetgeen haar is overkomen, nu uit de door het hof gebezigde aangifte (bewijsmiddel 1) blijkt dat de aangeefster heeft verklaard dat zij ‘haar’ vriend heeft gebeld nadat zij door de verdachte was afgezet. Omdat cassatie m.i. achterwege kan blijven als uit de overige dossierstukken kan worden afgeleid dat dit telefoongesprek inhoudelijk in lijn is met de aangifte, heb ik een blik achter de papieren muur geworpen. Uit de in het politiedossier bevindende verklaring van de aangeefster blijkt dat zij heeft verklaard: “Ik weet zeker dat ik vlak na het feit [betrokkene 5] heb gebeld. Ik heb het niet een dag voor me gehouden en ermee rond gelopen”. Tussen de stukken bevindt zich bovendien een getuigenverklaring van [betrokkene 5] waaruit (kort gezegd) volgt dat de aangeefster hem heeft opgebeld en hem heeft verteld wat haar is overkomen.
23. Ten aanzien van de onder (ii) weergeven omstandigheid, merk ik op dat – voor zover niet al uit een combinatie van de door het hof gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid dat het niet anders kan zijn dan dat de aangeefster haar moeder “kort na het voorval” heeft ingelicht – ook hier een blik achter de papieren muur uitwijst dat de moeder van de aangeefster heeft verklaard dat de aangeefster op 28 oktober 2020 heeft verteld dat zij op 26 oktober 2020 is verkracht.
24. Tegen deze achtergrond ontgaat mij het belang dat de steller van het middel met deze klachten voor ogen staat. Ook in zoverre faalt het middel.
25. Het tweede middel faalt in al zijn onderdelen.
Het derde middel en de toelichting daarop
26. Het derde middel komt op tegen het gebruik van de constructie van het zogeheten ‘schakelbewijs’, ter onderbouwing van de bewezenverklaring van beide verkrachtingen.
27. Geklaagd wordt dat het (kennelijke) oordeel van het hof dat gebruik kan worden gemaakt van 'schakelbewijs' onjuist, althans niet voldoende begrijpelijk is omdat niet wordt voldaan aan de voor schakelbewijs geldende voorwaarde dat ‘de wijze waarop de onderscheidene feiten zijn begaan op essentiële punten overeenkomt’.
De bespreking van het derde middel
28. De steller van het middel richt haar pijlen klaarblijkelijk op de onder het kopje “ten aanzien van het onder 1 en 2 ten laste gelegde” geciteerde nadere bewijsoverweging van het hof (zie randnummer 6), waaruit volgt dat het hof zich heeft beroepen op de vaststelling dat de verdachte zich telkens ter bevrediging van zijn seksuele lustgevoelens aan zijn beide slachtoffers – die elkaar overigens niet kennen – heeft opgedrongen, en dat hij jegens de slachtoffers geweld heeft aan gewend om – als zij weerstand boden – toch zijn zin door te drijven. In de toelichting op het middel wordt het gebruik van deze overweging voor de bewijsvoering ter discussie gesteld.
29. Opgemerkt zij dat de constructie van schakelbewijs zich in cassatie uitsluitend leent voor toetsing op haar begrijpelijkheid. De vraag of de redengevendheid van – in diverse varianten voorkomend – schakelbewijs begrijpelijk is, moet worden beoordeeld in het licht van de gehele bewijsvoering. Daarbij is niet alleen van belang of en in hoeverre ‘de wijze waarop de onderscheidene feiten zijn begaan’ op essentiële punten overeenkomt, ook essentiële overeenkomsten in ‘de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan’ kunnen aanleiding geven voor de toepassing van een schakelbewijsconstructie.
30. In de voorliggende zaak heeft het hof in aanmerking genomen, en heeft het m.i. ook in aanmerking kunnen nemen, dat twee onafhankelijk van elkaar afgelegde getuigenverklaringen uitwijzen dat de verdachte zich telkens ter bevrediging van zijn seksuele lustgevoelens aan zijn beide slachtoffers heeft opgedrongen en dat hij zodra zij weerstand boden “om toch zijn zin door te drijven” jegens hen geweld heeft aangewend. Nadat het hof omstandig uiteen heeft gezet wat die getuigenverklaringen inhouden en op welke gronden het hof daaraan geloof heeft gehecht, had het hof – anders dan de steller van het middel kennelijk ingang wil doen vinden – niet nogmaals méér specifiek uiteen hoeven zetten waarom het in deze zaken kenmerkende (en veelbetekenende) overeenkomsten heeft waargenomen. Dat is, lijkt mij, wel duidelijk.
31. Dat er verschillen bestaan in de toedracht van beide feiten doet daaraan overigens niet af. Bij toepassing van schakelbewijs gaat het erom dat de vastgestelde verschillen niet zodanig significant zijn dat zij afbreuk doen aan de bewijswaarde van de waargenomen overeenkomsten. Dat het hof in deze zaak voorbij is gegaan aan de door de steller van het middel in haar schriftuur opgesomde verschillen tussen beide feiten, acht ik niet onbegrijpelijk. Verweven als ’s hofs oordeel is met waarderingen van feitelijke aard, is voor verdere toetsing van dat oordeel in cassatie geen plaats.
32. Ook het laatste middel heeft geen kans van slagen.