Rechtspraak
Parket bij de Hoge Raad
2024-11-19
ECLI:NL:PHR:2024:1137
Strafrecht
10,803 tokens
Conclusie
T.N.B.M. Spronken
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1982,
hierna: de verdachte
1Het cassatieberoep
1.1
De verdachte is bij arrest van 12 april 2023 door het gerechtshof Amsterdam, wegens
- onder 1 " eendaadse samenloop van deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van een misdrijf als bedoeld in artikel 10, derde, vierde en vijfde lid, 10a, eerste lid, van de Opiumwet en deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven";
- onder 2 “opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod”; en
- onder 3 “witwassen”,
veroordeeld tot een geheel onvoorwaardelijk gevangenisstraf van 3 jaren en 6 maanden, met aftrek van het voorarrest. Voorts heeft het hof een aantal in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, verbeurd verklaard en de bewaring ten behoeve van de rechthebbende van twee geldbedragen en de teruggave van een telefoon gelast.
1.2
Er bestaat samenhang met de zaken 23/01428, 23/01425, 23/01480 en 23/01487. In de zaak 23/01428 is reeds arrest gewezen. In de overige zaken zal ik vandaag ook concluderen.
1.3
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. R.J. Baumgardt en M.J. van Berlo, beiden advocaat in Rotterdam, hebben één middel van cassatie voorgesteld.
1.4
Het middel klaagt over de verwerping door het hof van het door de verdediging gedane beroep op de kwalificatie-uitsluitingsgrond ten aanzien van het onder 3 bewezen verklaarde en als witwassen gekwalificeerde, verwerven en voorhanden hebben van een uit misdrijf afkomstig geldbedrag.
1.5
Voordat ik het middel bespreek, geef ik hieronder eerst de bewezenverklaring, de bewijsmiddelen, de bewijsoverwegingen en de overwegingen omtrent de strafbaarheid van het bewezenverklaarde weer; alle voor zover voor de beoordeling van het middel van belang.
2. Bewezenverklaring, bewijsmiddelen, bewijsoverwegingen en overwegingen omtrent de strafbaarheid van het bewezenverklaarde
2.1
Ten laste van de verdachte is bewezen verklaard dat:
“feit 1
hij in de periode van 1 december 2016 tot en met 6 november 2017 in Nederland en/of in Turkije een/of in Dubai, tezamen en in vereniging met anderen, heeft deelgenomen aan een organisatie, die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven, namelijk
- een of meer misdrijven als bedoeld in artikel 10, derde, vierde en vijfde lid, 10a, eerste lid, Opiumwet
- witwassen als bedoeld in artikel 420bis Wetboek van Strafrecht,
welke organisatie bestond uit een groep samenwerkende personen, bestaande naast verdachte uit [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] en [medeverdachte 5] en [medeverdachte 6] ;
feit 2
hij in de periode van 1 januari 2017 tot en met 6 november 2017 in Nederland opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne;
feit 3
hij op 6 november 2017 (op het adres [a-straat 1] ) te [plaats] een voorwerp, te weten: een geldbedrag van 18.700 euro, heeft verworven en voorhanden gehad terwijl hij wist dat dit geldbedrag geheel of gedeeltelijk - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf.”
2.2
Ten aanzien van verdachtes rol in de criminele organisatie beslaan de door het hof gebezigde bewijsmiddelen bijna 40 pagina’s. Nu de inhoud van deze bewijsmiddelen en de door het hof gedane gevolgtrekkingen hieruit in cassatie niet worden betwist, zal ik volstaan met de weergave van een deel van de bewijsoverwegingen van het hof waarin verdachtes rol in de organisatie – voor zover voor de beoordeling van het middel van belang – uiteen wordt gezet:
“6.8 Relatie bijnamen en financiële administraties
[…]
Ten slotte is ook bij [verdachte] administratie aangetroffen. Hierin staan financiële aantekeningen (het woord ‘balance’ komt meerdere keren voor) die mede gelet op de inhoud betrekking hebben op de handel in verdovende middelen. Verder komen hierin ook bijnamen voor die gelijk zijn aan de bij [medeverdachte 1] aangetroffen financiële administratie, te weten (onder andere): [medeverdachte 4] , [medeverdachte 6] , [medeverdachte 5] en [medeverdachte 3] . Er is ook een aantal data in mei 2017 genoteerd. Ten slotte komen in de administratie ook tokens voor die terugkomen in de berichten van de hieronder te bespreken telefoon van [verdachte] . Kennelijk is er alleen al op basis van de aangetroffen tokens, een bedrag van € 1.275.010,00 uitgegaan en € 100.000,00 ingekomen.
6.9
EncroChat-telefoon [verdachte]
Bovengenoemde telefoon betreft een BQ Aquaris X5 (hierna: BQ) met EncroChat-software en is bij [verdachte] thuis aangetroffen. In de BQ staat verder een contactenlijst met daarin onder andere, gelet op hetgeen onder 6.7 is overwogen, [medeverdachte 4] , [medeverdachte 6] en [medeverdachte 3] . Deze komen ook voor in de financiële administratie die bij [medeverdachte 1] in de woning is aangetroffen.
Er staat een groot aantal chat- en e-mailberichten in de telefoon. Het oudste bericht dateert van 16 mei 2017, het laatste van 5 november 2017. Om deze zo goed mogelijk weer te geven heeft de politie een chronologisch overzicht gemaakt van in totaal 58 ‘gebeurtenissen’. Van het merendeel van deze gebeurtenissen kan naar het oordeel van het hof zonder twijfel gezegd worden dat het betrekking heeft op de handel in verdovende middelen. Dat is, afgezien van genoemde onderlinge relaties en nog nader te bespreken tap- en OVC-gesprekken, vanwege de eerder genoemde tokens en daarmee samenhangende, forse geldbedragen. Uit gebeurtenis 1 blijkt bijvoorbeeld dat er iemand naar de [a-straat 1] in [plaats] (de woning van [verdachte] ) komt om daar, blijkens de papieren administratie, € 93.000,00 op te halen. De link met de handel in verdovende middelen blijkt verder bijvoorbeeld uit het gebruik van termen als ‘blok’, ‘stempel’, 'keta' (het hof begrijpt: ketamine), ‘Peru dingen’, ‘voor 23,5’ (het hof begrijpt: € 23.500,00 hetgeen past bij de kiloprijs van cocaïne), ‘broenoe’ (het hof begrijpt: bruin/heroïne) en ‘blokken die droog genoeg zijn om te roken’.
[verdachte] heeft in hoger beroep bevestigd dat hij is benaderd om ‘klusjes’ uit te voeren. Die bestonden volgens hem uit het in ontvangst nemen, bewaren en weer afgeven van geld, Dat de geschatte omvang van de transacties op basis van bovengenoemde tokens boven één miljoen euro uitkomt, klopt volgens de verdachte. Hij heeft daarnaast ook bevestigd dat de berichten (gebeurtenissen) in de BQ betrekking hebben op de handel in verdovende middelen.
[…]
6.12
Doorzoekingen
[…]
Woning [verdachte] - [a-straat 1] te [plaats]
In de woning van [verdachte] is de reeds hierboven besproken administratie aangetroffen als ook de BQ EncroChat-telefoon. Daarnaast werd in totaal € 38.700,00 aangetroffen, waarvan € 20.000.00 volgens [verdachte] toebehoorde aan - de eveneens in het onderzoek naar voren gekomen - [betrokkene 1] . De rest was van [verdachte] en had hij verdiend met de eerder beschreven geldtransacties, zo heeft hij in hoger beroep verklaard.
[…]
6.14
Conclusie
Het voorgaande houdt samengevat het volgende in:
(i) [medeverdachte 1] werkte voor een organisatie waarvan de leden in drugs, met name cocaïne, handelden. Bij hem thuis zijn ook grote hoeveelheden drugs en geld van de organisatie aangetroffen, alsook de financiële administratie betreffende deze drugshandel.
(ii) Leden van de organisatie kwamen ook bij [medeverdachte 1] thuis, onder wie [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] die op 9 november 2016 een flinke hoeveelheid verdovende middelen hebben gebracht.
(iii) [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] kunnen gelet op hun betrokkenheid aangemerkt worden als de, door [medeverdachte 1] zo omschreven, ‘werkers’ van de organisatie.
(iv) Ook [medeverdachte 6] en [medeverdachte 4] zijn bij [medeverdachte 1] thuis geweest, waarbij in het bijzonder van belang is dat op een plastic tas met zeven vuurwapens bloed is, aangetroffen, waarvan het DN A-profiel matcht met het DNA-profiel van [medeverdachte 6] .
(v) In de bij [medeverdachte 1] aangetroffen administratie komen verschillende bijnamen voor, waaronder [medeverdachte 4] en [medeverdachte 6] . Dit zijn de bijnamen van [medeverdachte 4] en [medeverdachte 6] . Er is tevens een schrift aangetroffen met financiële administratie waarop de initialen [medeverdachte 4] zijn geschreven, hetgeen past bij de initialen van [medeverdachte 4] .
(vi) Bij [medeverdachte 4] en [medeverdachte 6] thuis is eveneens administratie aangetroffen die te herleiden is tot de handel in verdovende middelen. Bovendien komen daarin gedeeltelijk dezelfde bijnamen voor als in de bij [medeverdachte 1] aangetroffen administratie.
(vii) Bij [verdachte] thuis is eveneens administratie gevonden die te herleiden is tot de handel in verdovende middelen en waarin bijnamen voorkomen die ook voorkomen in de administratie die bij [medeverdachte 1] is aangetroffen. Het betreft hier, mede blijkens de verklaring van [verdachte] , de registratie van criminele inkomsten en uitgaven. [verdachte] fungeerde in dat opzicht als een soort kassier van de organisatie. Daarnaast heeft [verdachte] met een EncroChat-telefoon berichten ontvangen en verstuurd die verband hielden met de handel in verdovende middelen.
(viii) Een deel van die berichten is van en aan [medeverdachte 4] en [medeverdachte 6] , waarbij opvalt dat [verdachte] degene is die dingen moet uitzoeken. En hij houdt [medeverdachte 4] en [medeverdachte 6] op de hoogte van de financiële positie van de organisatie door balansen van inkomsten en uitgaven te sturen.
(ix) [medeverdachte 4] en [medeverdachte 6] zitten dan in het buitenland, hebben geen legaal inkomen maar beschikken kennelijk wel over veel geld. Een (gering) deel van hun illegale inkomen bestaat uit een gefingeerd dienstverband. Deze salarisbetalingen’ verwerkt [verdachte] ook in zijn administratie, terwijl [medeverdachte 3] hem voorafgaand instrueert.
(x) [medeverdachte 4] heeft [medeverdachte 1] ‘zakgeld en snipperdagen’ gegeven,
(xi) Bij [medeverdachte 6] , [medeverdachte 4] , en [verdachte] zijn grote contante geldbedragen aangetroffen, die geen aannemelijke legale herkomst hebben.
Op grond hiervan kan worden geconcludeerd dat er sprake was van een criminele organisatie als bedoeld in 6.2 die tot oogmerk had de - samengevat - (voorbereiding) van handel in verdovende middelen en het witwassen van geld. Dit samenwerkingsverband bestond uit [medeverdachte 6] , [medeverdachte 4] , [medeverdachte 1] , [medeverdachte 3] . [medeverdachte 2] , [verdachte] en [medeverdachte 5] . Niet ieders rol is even duidelijk geworden, maar in elk geval blijkt dat [medeverdachte 6] en [medeverdachte 4] een leidende positie hadden. Dat volgt niet enkel uit de vaststelling dat zij over het meeste geld beschikten, en zodoende een jaar op de vlucht konden blijven, maar ook uit het feit dat voor hen een zogenaamd legaal salaris werd geregeld, [medeverdachte 4] een ‘eigen’ administratie had bij [medeverdachte 1] thuis, door [verdachte] aan hen beiden verantwoording werd afgelegd over de financiële positie, [medeverdachte 6] aan [verdachte] opdrachten gaf en [medeverdachte 4] zich ten opzichte van [medeverdachte 1] letterlijk gedroeg als ‘werkgever’ door hem ‘snipperdagen en zakgeld’ te geven. De rol van [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] kan als meer ondersteunend worden gezien door het bewaren en vervoeren van drugs en/of geld. Ook [medeverdachte 3] hield zich, daarmee bezig, maar zijn rol was groter, aangezien hij ook veelvuldig, met bijvoorbeeld [medeverdachte 5] en [verdachte] , communiceerde over de drugshandel en aan [verdachte] opdrachten gaf ‘salarisbetalingen’ voor [medeverdachte 6] en [medeverdachte 4] in de boekhouding te verwerken. Behalve dat [verdachte] dus ook een rol speelde in de drugshandel zelf, was hij de ‘kassier’ van de organisatie. Bij hem gingen enorme bedragen geld in en uit de kas. De rol van [medeverdachte 5] komt minder prominent naar voren, maar duidelijk is dat hij betrokken was bij de feitelijke drugshandel ten behoeve van de organisatie en ook voorraad bij hem thuis was opgeslagen. Hij komt dan ook veelvuldig terug in de administratie van de organisatie.
Bovengenoemde gedragingen van de verdachten hielden verband met of strekten tot verwezenlijking van het oogmerk van de organisatie: de handel in verdovende middelen en witwassen. Ook gelet op de omvang van de illegale handel die miljoenen euro’s bedroeg kan het niet anders zijn dan dat men al langere tijd georganiseerd te werk ging. Er is dan ook sprake van een gestructureerd en duurzaam samenwerkingsverband.
Dat brengt het hof bij de vraag gedurende welke periode de organisatie heeft geopereerd. [medeverdachte 1] heeft in dat verband verklaard dat hij al 3,5 jaar voor de organisatie werkte. Voor de periode vanaf 2016 is hiervoor ook steun te vinden in het feit dat in de administratie wordt gesproken over ‘seizoen 16/17’. Naar het oordeel van het hof is dit echter te weinig om met de vereiste mate van zekerheid vast te kunnen stellen dat de organisatie ook al in de periode daarvóór, volgens de tenlastelegging vanaf 1 januari 2013, heeft bestaan. Laat staan dat ieders rol in deze eerdere periode kan worden vastgesteld. Met in achtneming van hetgeen hiervoor uiteen is gezet komt het hof op grond van de bewijsmiddelen tot het oordeel dat de organisatie heeft bestaan vanaf 1 januari 2016 tot en met 6 november 2017. Dat is dus bijna twee jaar.
Met betrekking tot het aanvangsmoment van de deelname van [verdachte] aan de criminele organisatie overweegt het hof nog het volgende. Uit onderzoek naar de in de woning van de verdachte aangetroffen en inbeslaggenomen iPhone 5S is gebleken dat de daarop aangetroffen data afkomstig is uit de eerder door hem gebruikte OnePlus telefoon. Op 18 december 2016 zijn de bestanden, waaronder foto’s, gekopieerd, naar de iPhone 5S. De laatste activeringstijd van de mobiele telefoon betreft 10 januari 2017. Hieruit kan worden afgeleid dat de verdachte de iPhone 5S van 18 december 2016 tot en met 10 januari 2017 in gebruik heeft gehad. Op de iPhone 5S zijn afbeeldingen van notities aangetroffen die - gelet op de inhoud daarvan - erop wijzen dat de verdachte zich toen heeft bezig gehouden met het inwinnen van informatie met het oog op het transporteren van hoeveelheden verdovende middelen via verschillende trajecten, transporteurs en transportmethodes. Uit de datum en tijdstippen van het maken van de afbeeldingen van de notities blijkt dat deze in, de periode rondom 15 oktober 2016 zijn gemaakt. De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep van 8 maart 2023 bevestigd dat hij informatie over de invoer van verdovende middelen heeft opgezocht.
Het hof leidt uit het voorgaande af dat de drugs gerelateerde notities vóór of op 15 oktober 2016 moeten zijn gemaakt, in ieder geval voor het in gebruik nemen van de iPhone 5S op 18 december 2016.
Conclusie
4.1
Het middel faalt.
4.2
Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
4.3
Deze conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Hierbij wordt verwezen naar HR 16 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3618, NJ 2015/160 m.nt. Keijzer en HR 7 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:888, NJ 2015/339 m.nt. Keijzer onder NJ 2015/340 van diezelfde datum, en het overzichtsarrest van HR 13 december 2016, ECLI:NL:HR:2016:2842, NJ 2017/218 m.nt. Mevis, rov. 2.4.2.
In beginsel heeft deze regel geen betrekking op het ‘overdragen’, ‘gebruik maken’ en ‘omzetten’, maar het valt niet uit te sluiten dat in bijzondere gevallen anders moet worden geoordeeld (vgl. HR 25 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:714, NJ 2014/303, m.nt. Keijzer, rov. 2.4.1 en 2.4.2).
De kwalificatie-uitsluitingsgrond werd al in 2008 door Borgers in zijn noot onder HR 2 oktober 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA7923, NJ 2008/16 voorgesteld. In HR 26 oktober 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM4440, NJ 2010/655, m.nt. Keijzer bepaalde de Hoge Raad ten aanzien van het ‘voorhanden hebben’ van een onmiddellijk uit eigen misdrijf verkregen goed dat dit niet kon worden gekwalificeerd als (schuld)witwassen. In HR 18 juni 2013, ECLI:NL:HR:2013:CA3302, NJ 2013/453, m.nt. Reijntjes bepaalde de Hoge Raad dat dit ook dient te gelden voor het verwerven. Vgl. m.b.t. middellijk uit misdrijf afkomstige voorwerpen HR 25 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:702, NJ 2014/302, m.nt. Keijzer, rov. 3.8.
HR 21 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:1090, rov. 3.5.
HR 17 december 2013, ECLI:NL:HR:2013:2001, NJ 2014/75, m.nt. Borgers, rov. 2.3.
HR 13 december 2016, ECLI:NL:HR:2016:2842, NJ 2017/218, m.nt. Mevis, rov. 2.4.2.
HR 23 juni 2015, ECLI:NL:HR:2015:1705
Zie voor meer recente uitspraken waarin eveneens speelt in hoeverre de buitverdeling na het medeplegen van het grondfeit moet worden beschouwd als vanzelfsprekend gevolg van het grondfeit en wanneer er sprake is van middellijke verdeling waarvoor de kwalificatie-uitsluitingsgrond niet van toepassing is HR 6 december 2022, ECLI:NL:HR:2022:1820, NJ 2023/135, m.nt. Lindenberg en HR 6 december 2022, ECLI:NL:HR:2022:1822, NJ 2023/136, m.nt. Lindenberg.
ECLI:NL:PHR:2015:959.
Stb. 2016, 313 (inwerkingtredingsbesluit: Stb. 2016, 378).
Kamerstukken II, 2015/16, 34294, nr. 6, p.4 en 6.
Vgl. in dit verband de noot van Reijntjes onder 1 en zijn talrijke voorbeelden onder 3 t/m 9 bij HR 29 september 2017, ECLI:NL:HR:2017:2499, NJ 2019/102. Zie ook F. Diepenmaat, De Nederlandse strafbaarstelling van witwassen, Deventer: Wolters Kluwer 2016, p.118. Hij schrijft dat de kwalificatie-uitsluitingsgrond slechts van toepassing is als het voorhanden hebben “het noodzakelijke gevolg van het voltooien van het gronddelict” is.
VN-mensenrechtencomité 2 september 2022, CCPR/C/135/D/3256/2018, Jaddoe vs Nederland
Het is de vraag hoe de term ‘not guilty’ in rov 11.3 In de zaak Jaddoe moet worden opgevat.
HR 24 januari 2023, ECLI:NL:HR:2023:40, NJ 2023/106, m.nt. N. Keijzer, rov. 2.5.
Zij achtten de kwalificatie-uitzonderingsgrond wel van toepassing.
Conclusie
Verder acht het hof het in het kader van de strafrechtelijk relevante periode van belang dat de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep van 8 maart 2023 heeft verklaard dat het begon met klusjes zoals het ontvangen van geld en dat hij in mei 2017 van diezelfde persoon de encrypted BQ Aquarius telefoon heeft gekregen. Verder heeft de verdachte verklaard dat de gesprekken in de BQ Aquarius betrekking hebben op de handel in drugs. Op grond van het voorgaande is het hof van oordeel dat ten aanzien van [verdachte] als aanvangsmoment van de pleegperiode in elk geval kan worden aangemerkt 1 december 2016. Daarbij betrekt het hof dat vanaf het moment dat [verdachte] startte met de op drugsinvoer gerichte informatievergaring hij heeft bijgedragen aan de verwezenlijking van het oogmerk van de organisatie. Daarbij is het aandeel of de ondersteuning van de verdachte niet beperkt gebleven tot een incidentele bijdrage, maar is deze gevolgd door het ontvangen, bewaren en verstrekken van grote sommen geld voor de organisatie, en het beheren van de financiële drugsadministratie vanaf mei 2017. Het hof verklaart dan ook bewezen dat de verdachte vanaf 1 december 2016 deel heeft uitgemaakt van een crimineel samenwerkingsverband dat mede het oogmerk had het voorbereiden van Opiumwetdelicten. Het verweer dat de strafrechtelijk relevante periode voor wat betreft de deelname aan de criminele organisatie pas in mei 2017 aanvangt, wordt verworpen, maar is wel aanzienlijk korter dan de advocaat-generaal heeft betoogd.”
2.3
Ten aanzien van het onder 3 bewezen verklaarde verwerven en voorhanden hebben van een geldbedrag heeft het hof de volgende bewijsmiddelen gebezigd:
“1. De verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep van 8 maart 2023.
Deze verklaring houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:
Voor iedere geldoverdracht die ik verrichtte ontving ik een vergoeding van ongeveer € 300.00 tot € 500.00. Het geldbedrag van € 18.700,00 dat bij mij thuis is aangetroffen is het totaal van deze vergoedingen.
2. Een proces-verbaal van bevindingen betreffende doorzoeking [a-straat 1] te [plaats] van 7 november 2017, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar T-450 (…).
Dit proces-verbaal houdt in voor zover van belang en zakelijk weergegeven als relaas van deze opsporingsambtenaar:
Op 6 november 2017 bevond ik mij in de woning aan de [a-straat 1] te [plaats] , teneinde daar een doorzoeking ter inbeslagname te verrichten. In de keuken was aan de achterzijde van de onderste kastjes van het keukenblok een plaat aangebracht. Na het losmaken van deze plaat bleek er een ruimte te zijn tussen het keukenblok en de achterliggende muur. Op de bodem van deze ruimte werden twee plastic boodschappentassen van Albert Heijn en Vomar aangetroffen. In de beide tassen zat een bundel bankbiljetten met onder andere 500 euro biljetten. De bundels werden bij elkaar gehouden middels elastieken. Beide tassen met inhoud zijn in beslag genomen. Het geld is ter plaatse geteld en bleek een totaalbedrag van € 38.700,- te zijn.
3. Een proces-verbaal van bevindingen (aangetroffen geldbedragen in woningen) van 15 november 2017, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar T-425 (…).
Dit proces-verbaal houdt in voor zover van belang en zakelijk weergegeven als relaas van deze opsporingsambtenaar:
Bij de doorzoekingen op 6 november 2017 in diverse panden zijn diverse bedragen geld aangetroffen.
[a-straat 1] te [plaats] :
Er werd aangetroffen in een rode Vomartas (5479152).
Van het bedrag € 18.700 is € 18.150,- afgestort (5479139) en € 550.- apart inbeslaggenomen voor forensisch onderzoek (5479147).
Geld uit rode Vomartas
Goednummer 5479139
Totaal: 18150 euro
Afzonderlijk inbeslaggenomen voor forensisch onderzoek
Beslagcode: JON63.7.4
Goednummer 5479147
Totaal: 550 euro
4. Een geschrift, te weten een KVI, met overzicht van de afgestorte bedragen aangetroffen op de [a-straat 1] in [plaats] (…).
Dit geschrift vermeldt, voor zover van belang:
Inbeslagneming
Datum: 6 november 2017
Plaats: [a-straat 1] in [plaats]
Omstandigheden: doorzoeking woning [a-straat 1] in [plaats]
Beslagene:
Achternaam: [verdachte]
Voornamen: [verdachte]
Goednummer: 5479139
Object: geld
Aantal: 79 stuks
Inhoud: 27 x 500, 1 x 200, 38 x 100 en 13 x 50
Bijzonderheden: aangetroffen in keuken achter schot keukenblok.”
2.4
Het hof heeft met betrekking tot feit 3 de volgende bewijsoverwegingen in het arrest opgenomen:
“Beoordelingskader
Het hof stelt voorop dat voor een bewezenverklaring van het in de delictsomschrijving van artikel 420bis/420ter Sr opgenomen bestanddeel ‘afkomstig uit enig misdrijf’ niet is vereist dat uit de bewijsmiddelen kan worden afgeleid dat het desbetreffende voorwerp afkomstig is uit een nauwkeurig aangeduid misdrijf. Wel is voor een veroordeling ter zake van dit wetsartikel vereist dat vaststaat dat het voorwerp afkomstig is uit enig misdrijf.
Dat een voorwerp ‘afkomstig is uit enig misdrijf’ kan, indien op grond van de beschikbare bewijsmiddelen geen rechtstreeks verband valt te leggen met een bepaald misdrijf, niettemin bewezen worden geacht, indien het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat het in de tenlastelegging genoemde voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is. Indien door het Openbaar Ministerie feiten en omstandigheden zijn aangedragen die een vermoeden rechtvaardigen dat het niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is, mag van de verdachte worden verlangd dat deze een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is.
(Vermoeden van) witwassen
In de woning van de verdachte is in de keuken een tweetal geldbedragen aangetroffen. Aan de achterzijde van de onderste kastjes van, het keukenblok was een plaat aangebracht. Na verwijdering van deze plaat bleek een ruimte aanwezig te zijn waarin twee plastic boodschappentassen van respectievelijk Albert Heijn en Vomar lagen. In de tas van Albert Heijn zat een bundel van 40 biljetten van 500 euro (een totaalbedrag van € 20.000,00). In de tas van Vomar zat een bundel met in elk geval 27 biljetten van 500 euro. Het totaalbedrag dat in die tas is aangetroffen is € 18.700,00.
De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat hij het bedrag van € 18.700,00 heeft ontvangen als beloning voor de hierboven beschreven werkzaamheden; voor iedere geldtransactie die hij verrichtte ontving hij een bedrag van ongeveer € 300.00 tot € 500.00.
Conclusie
Door de verdediging is niet betwist en ook het hof stelt vast - in aanmerking genomen de omstandigheden waaronder deze betalingen aan de verdachte zijn verricht - dat het bedrag van € 18.700,00 uit misdrijf afkomstig is en dat de verdachte dit wist.”
2.5
Ten aanzien van de strafbaarheid van het bewezenverklaarde heeft het hof het volgende overwogen:
“8.1 Overweging met betrekking tot de kwalificatie-uitsluitingsgrond
De verdediging heeft ten aanzien van de strafbaarheid van feit 3, voor zover het betreft het bedrag van € 18.700,00, een beroep gedaan op de zogenoemde kwalificatie-uitsluitingsgrond.
De kwalificatie-uitsluitingsgrond strekt ertoe dat, indien vaststaat dat het enkele verwerven of voorhanden hebben door de verdacht; van een voorwerp dat onmiddellijk afkomstig is uit een door hemzelf begaan misdrijf niet kan hebben bijgedragen aan het verbergen of verhullen van de criminele herkomst van dat voorwerp, die gedraging niet als (schuld)witwassen kan worden gekwalificeerd.
Voor de conclusie dat een voorwerp onmiddellijk uit eigen misdrijf afkomstig is zal met name in de volgende gevallen aanleiding bestaan:
(i) er is sprake van een ten laste van de verdachte uitgesproken bewezenverklaring ter zake van het begaan van een ander misdrijf met betrekking tot hetzelfde voorwerp, door middel van welk misdrijf de verdachte dat voorwerp kennelijk heeft verworven of voorhanden heeft (bijvoorbeeld de buit van een door de verdachte zelf begaan vermogensmisdrijf);
(ii) uit de bewijsvoering vloeit rechtstreeks, voort dat sprake is van het verwerven of voorhanden hebben van een voorwerp dat onmiddellijk afkomstig is uit een door de verdachte zelf begaan misdrijf; of
(iii) de verdachte heeft met voldoende concretisering een toelichting gegeven op dit verwerven of voorhanden hebben door eigen misdrijf.
Van dergelijke gevallen is echter geen sprake. Uit de verklaring van de verdachte volgt, samengevat, dat hij uit misdrijf afkomstige - namelijk, zoals uit het dossier blijkt, ten behoeve van de handel in verdovende middelen - geldbedragen van derden in ontvangst heeft genomen en deze vervolgens aan anderen heeft verstrekt. Deze gelden zijn onmiddellijk afkomstig uit een door de verdachte begaan misdrijf en het verwerven en, voorhanden hebben hiervan zouden, indien dit aan de verdachte ten laste was gelegd, dan ook niet als (schuld)witwassen kunnen worden gekwalificeerd. Het ten laste gelegde bedrag van € 18.700,00 is evenwel het bedrag dat de verdachte - later - als beloning heeft ontvangen voor de door hem verrichte criminele werkzaamheden; dit bedrag is dus niet het onmiddellijke resultaat van die werkzaamheden zelf. De gedraging van het verwerven en voorhanden hebben van de criminele beloning dient te worden onderscheiden van de werkzaamheden (en de in dat kader ontvangen en verstrekte gelden) zelf en kan dus ook als zelfstandige witwasgedraging worden gekwalificeerd. Het verweer wordt verworpen.”
3Het middel
3.1
Het middel klaagt over de verwerping door het hof van het door de verdediging gedane beroep op de kwalificatie-uitsluitingsgrond ten aanzien van het bewezen verklaarde verwerven en voorhanden hebben van het uit misdrijf afkomstig geldbedrag van € 18.700,00. Aangevoerd wordt dat uit het arrest volgt dat de verdachte heeft deelgenomen aan een criminele organisatie die aanzienlijke geldbedragen heeft verworven. Het bedrag dat aan de verdachte is verstrekt als beloning voor zijn in het kader van de bewezen verklaarde deelname aan de criminele organisatie verrichtte werkzaamheden, is dus uit eigen misdrijf afkomstig. Nu niet is vastgesteld dat deze bedragen eerst zijn overgeboekt naar de rekening van derden alvorens aan de verdachte te worden uitgekeerd, is de verwerping door het hof van het beroep op de kwalificatie-uitsluitingsgrond ontoereikend gemotiveerd.
Bespreking van het middel
3.2
Voor de bespreking van het middel is het volgende van belang. Uit de jurisprudentie van de Hoge Raad volgt dat een gedraging niet als witwassen kan worden gekwalificeerd ingeval het gaat om het verwerven of voorhanden hebben van een voorwerp dat onmiddellijk afkomstig is uit een door de verdachte zelf begaan misdrijf. De daaraan ten grondslag liggende gedachte is, dat hiermee wordt beoogd te voorkomen dat een verdachte die een bepaald misdrijf heeft begaan (medeplegen daarbij inbegrepen) en die het door dat misdrijf verkregen voorwerp verwerft of onder zich heeft en dus voorhanden heeft, zich automatisch (ook) schuldig maakt aan witwassen. Door dit niet te kwalificeren als witwassen wordt ook bevorderd dat in zo’n geval het door de verdachte begane (grond)misdrijf in de vervolging centraal staat. In het overzichtsarrest van 13 december 2016 worden drie factoren genoemd op grond waarvan er (mogelijk) sprake is van een onmiddellijk uit eigen misdrijf afkomstig voorwerp, namelijk dat:
“(i)
naast het tenlastegelegde witwassen sprake is van een ten laste van de verdachte uitgesproken bewezenverklaring ter zake van het begaan van een ander misdrijf met betrekking tot hetzelfde voorwerp, door middel van welk misdrijf de verdachte dat voorwerp kennelijk heeft verworven of voorhanden heeft (bijvoorbeeld de buit van een door de verdachte zelf begaan vermogensmisdrijf), dan wel
(ii)
rechtstreeks uit de bewijsvoering voortvloeit dat sprake is van — kort gezegd — het verwerven of voorhanden hebben van een voorwerp dat onmiddellijk afkomstig is uit een door de verdachte zelf begaan misdrijf, dan wel
(iii)
de juistheid in het midden is gelaten van hetgeen door of namens de verdachte met voldoende concretisering is aangevoerd met betrekking tot dit verwerven of voorhanden hebben door eigen misdrijf.”
3.3
In de onderhavige zaak heeft het hof overwogen dat ten aanzien van het geldbedrag van € 18.700,00 geen sprake is van gelden die onmiddellijk afkomstig zijn uit een door de verdachte begaan misdrijf. Ik begrijp de overwegingen van het hof zo dat indien aan de verdachte zou zijn ten laste gelegd dat hij uit misdrijf afkomstige – zoals uit het dossier blijkt, ten behoeve van de handel in verdovende middelen – geldbedragen van derden in ontvangst heeft genomen en deze vervolgens aan anderen heeft verstrekt, het voorhanden hebben hiervan niet als (schuld)witwassen zou kunnen worden gekwalificeerd, omdat deze gelden onmiddellijk afkomstig zijn uit een door de verdachte begaan misdrijf. Het hof beschouwt het geldbedrag van € 18.700,00 dat de verdachte als beloning heeft ontvangen voor het in ontvangst nemen en verstrekken aan derden van uit misdrijf afkomstige gelden, echter niet als het onmiddellijke resultaat van het door de verdachte begane misdrijf (het doorsluizen van gelden) en kwalificeert het ontvangen van een beloning hiervoor als een zelfstandige witwashandeling, waarop de kwalificatie-uitsluitingsgrond niet van toepassing is. In feite zegt het hof hiermee dat de door de verdachte ontvangen beloning niet kan worden aangemerkt als onmiddellijk uit eigen misdrijf afkomstig.
3.4
De vraag die in deze zaak centraal staat, is of de redenering van het hof stand houdt.
3.5
Voor de beantwoording van deze vraag zoek ik aanknopingspunten bij een vergelijkbare zaak die heeft geleid tot het arrest van de Hoge Raad van 23 juni 2015. Daaraan lag de volgende casus ten grondslag. Ten laste van verdachte was bewezen verklaard dat hij had deelgenomen aan een criminele organisatie gericht op het in de uitoefening van een beroep of bedrijf opzettelijk telen van hennep (feit 1) en dat hij tezamen en in vereniging, opzettelijk hennep had geteeld (feit 2).
Conclusie
Uit de bewijsmiddelen bleek dat de rol van verdachte erin bestond dat hij meermalen hennep had geknipt bij verschillende hennepkwekerijen en dat hij daarvoor door zijn zwager [medeverdachte 3] werd betaald. Tevens bleek uit de bewijsmiddelen in dat in de woning van de verdachte een kluis aanwezig was, waarin een geldbedrag van € 298.050, - werd aangetroffen dat afkomstig was van de hennepteelt en door de zwager bij de verdachte in bewaring was gegeven. De verdachte werd door het hof veroordeeld wegens medeplegen van witwassen ten aanzien van het in de kluis aangetroffen bedrag (feit 3). In cassatie werd een beroep gedaan op de kwalificatie-uitsluitingsgrond. De Hoge Raad oordeelde dat er geen sprake was van een onmiddellijk uit eigen misdrijf afkomstig voorwerp. Het geld was immers door de schoonbroer bij de verdachte in bewaring gegeven.
Ik noem deze zaak met name, omdat mijn voormalige ambtgenoot Knigge in zijn conclusie voorafgaande aan dit arrest twee voorbeelden aanhaalt die voor onderhavige zaak verhelderend werken:
“ 4.5. […] het komt mij voor dat er geen reden is om [AG TS: voor de toepasselijkheid van de kwalificatie-uitsluitingsgrond] een principieel onderscheid te maken tussen misdrijven die door de verdachte zijn gepleegd en misdrijven die door hem zijn medegepleegd. De overwegingen die door de Hoge Raad ten grondslag zijn gelegd aan zijn oordeel dat het enkele voorhanden hebben van voorwerpen die onmiddellijk uit eigen misdrijf afkomstig zijn niet als witwassen kan worden gekwalificeerd, gelden in beginsel evenzeer als de voorwerpen onmiddellijk afkomstig zijn uit medegepleegde misdrijven. Daarmee is evenwel niet gezegd dat de gehele opbrengst van het gezamenlijk gepleegde misdrijf in alle gevallen kan worden aangemerkt als onmiddellijk afkomstig van dat misdrijf. Het voorgaande kan wellicht het beste aan de hand van enkele voorbeelden worden verduidelijkt.
4.6.
Als twee bankovervallers er met de buit vandoor gaan, geldt op dat moment voor beiden dat de buit die zij gezamenlijk voorhanden hebben, onmiddellijk afkomstig is uit het door hen medegepleegde misdrijf. Er is in dit geval geen goede reden om hen ook strafbaar te achten wegens witwassen. Dat zou dubbelop zijn. Datzelfde geldt als een van de twee overvallers er met de gehele buit vandoor gaat. Al het geld dat hij voorhanden heeft, is dan onmiddellijk uit het door hem medegepleegde misdrijf afkomstig. Anders wordt het als de beide overvallers de buit verdelen. Doorgaans zal ieder dan alleen zijn eigen aandeel voorhanden hebben (dat onmiddellijk afkomstig is het samen gepleegde misdrijf). Het kan echter dat de ene overvaller zijn aandeel in bewaring geeft aan de ander (wellicht omdat de herkomst daarvan op die manier kan worden verhuld). Die ander heeft dan de gehele buit voorhanden, maar alleen het eigen aandeel is onmiddellijk uit het medegepleegde misdrijf afkomstig. De rest heeft hij als gevolg van de bewaargeving voorhanden en is daarom alleen middellijk uit het medegepleegde misdrijf afkomstig.
4.7.
Anders ligt het ook als de een (A) bereid is om samen met een ander (B) een hennepkwekerij leeg te roven tegen een vooraf door die ander in het vooruitzicht gestelde beloning van pakweg € 200, -. Die beloning kan, als zij inderdaad door B wordt uitgekeerd, wellicht beschouwd worden als direct afkomstig uit het door A medegepleegde misdrijf (al zou ook betoogd kunnen worden dat alleen de geroofde hennepplanten onmiddellijk afkomstig zijn van dat misdrijf). De vraag hier is hoe het zit met de geroofde planten. Als A zich voor nog eens € 200, - bereid verklaart die planten bij hem thuis op zolder te verbergen, geldt weer dat de planten die A aldus voor B op zolder bewaart, niet onmiddellijk uit het medegepleegde misdrijf afkomstig zijn. De bewaargeving zit daar weer als schakel tussen. Het hangt, zo leren deze voorbeelden, af van de bijzonderheden van het geval of sprake is van voorwerpen die onmiddellijk uit het medegepleegde misdrijf afkomstig zijn.”
Het hof heeft in onderhavige zaak een gelijksoortige redenering gevolgd. Het deelnemen van de verdachte aan de criminele organisatie bestaat onder andere uit het in ontvangst nemen en doorbetalen van gelden die kennelijk zijn verkregen uit, of worden aangewend voor handel in verdovende middelen. Ten aanzien van het voorhanden hebben van deze gelden is, zo redeneert het hof, mocht dit zijn tenlastegelegd als witwashandeling, de kwalificatie-uitsluitingsgrond van toepassing. Maar dat geldt niet voor de beloning die de verdachte voor deze handelingen heeft gekregen, naar zijn eigen zeggen € 500 per transactie. Die beloning zit, om met de woorden van Knigge zijn laatste voorbeeld te spreken, als “schakel” tussen de onmiddellijk uit het misdrijf verkregen gelden en het geld dat daaruit middellijk is verkregen.
3.6
Voor deze benadering zijn ook aanknopingspunten in de parlementaire geschiedenis te vinden. De minister maakt, zo blijkt uit de nota naar aanleiding van het verslag bij de wet waarbij eenvoudig witwassen strafbaar is gesteld een onderscheid tussen misdrijven waar het voorhanden hebben van de winsten het vanzelfsprekende gevolg is van het misdrijf (denk aan de buit van een overval) en gevallen waarin dat niet zo is (dit betreft de figuur van de ‘criminele beloning’). Beide worden door de minister aangemerkt als onmiddellijk uit eigen misdrijf verkregen voorwerpen:
“Met deze leden ben ik van mening dat ook na de inwerkingtreding van dit wetsvoorstel een prudent vervolgingsbeleid gericht moet zijn op de kern van het strafrechtelijke verwijt en moet worden bekeken of een vervolging op grond van het grondmisdrijf haalbaar en aangewezen is. Het openbaar ministerie zal, na onderzoek, die strafbare feiten vervolgen die tot een effectieve afdoening leiden van de feiten en omstandigheden die in een onderzoek zijn vastgesteld. Daarbij wordt benadrukt dat het bestaansrecht van de voorgestelde nieuwe strafbaarstellingen vooral ligt in het voorkomen van straffeloosheid op het moment dat een veroordeling voor het grondmisdrijf niet mogelijk is of niet is aangewezen.
Bovenstaande neemt niet weg dat de vervolging van de nieuwe misdrijven tezamen met het grondmisdrijf niet uitgesloten is. Van belang is dat met het grondmisdrijf en eenvoudig witwassen andere rechtsgoederen (kunnen) worden beschermd. Verder moet bedacht worden dat er ook situaties zijn waarin weliswaar sprake is van onmiddellijk uit enig eigen misdrijf verkregen crimineel geld, maar dat dat niet betekent dat het voorhanden hebben van dat vermogen ook een vanzelfsprekend en niet te voorkomen gevolg van het grondmisdrijf is. Ik noem het geval waarin een persoon zich laat betalen door een opdrachtgever voor een door hem te plegen misdrijf.
[…]
De leden van de ChristenUnie-fractie vroegen of er spanning kan ontstaan met het beginsel dat iemand niet twee keer voor hetzelfde feit wordt vervolgd. Ik kan deze leden bevestigen dat het mogelijk is dat een persoon die is veroordeeld voor een gronddelict eveneens veroordeeld kan worden voor eenvoudig (schuld)witwassen. Daarbij moet bedacht worden dat er situaties zijn waarin weliswaar sprake is van onmiddellijk uit eigen misdrijf verkregen winsten, maar dat dat niet betekent dat het voorhanden hebben van die winsten ook een vanzelfsprekend en niet te voorkomen gevolg van dat misdrijf is. Eerder noemde ik al het voorbeeld waarin een persoon zich laat betalen door een opdrachtgever voor een door hem gepleegd misdrijf.”
3.7
Kortom, de ratio van de kwalificatie-uitsluitingsgrond is het voorkomen van automatische dubbele strafbaarheid, hetgeen zich voordoet als het verwerven en voorhanden hebben van het voorwerp het vanzelfsprekende gevolg is van het begane misdrijf.