Rechtspraak
Parket bij de Hoge Raad
2024-10-15
ECLI:NL:PHR:2024:1047
Strafrecht
737 tokens
Conclusie
E.J. Hofstee
In de zaak
[verdachte],
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2001,
hierna: de verdachte
Inleiding
1. Bij arrest van 28 juni 2022 heeft het gerechtshof Den Haag, zitting houdend in Amsterdam, zich verenigd met het vonnis van de politierechter in de rechtbank van Den Haag van 24 maart 2021. De verdachte is derhalve wegens ‘zaaksvernieling’ veroordeeld tot een geldboete van € 325,00, subsidiair zes dagen hechtenis. Voorts is de vordering van de benadeelde partij toegewezen tot het bedrag van € 791,27 en aan de verdachte de schadevergoedingsmaatregel als bedoeld in art. 36f Sr opgelegd, een en ander zoals nader bepaald in het vonnis.
2. Er bestaat samenhang met de zaak 22/02654. Ook in die zaak zal ik vandaag concluderen.
3. Namens de verdachte heeft H. Oldenhof, advocaat in 's‑Gravenhage, één middel van cassatie voorgesteld.
Het cassatiemiddel en de bespreking daarvan
Het middel
4. Het middel behelst onder meer de klacht dat het hof het verweer van de verdediging dat er feitelijk maar één getuige is die verklaart dat het de verdachte is geweest die het feit gepleegd heeft, onvoldoende gemotiveerd heeft verworpen. Ik begrijp dat de verdachte ontkent het hem tenlastegelegde feit te hebben begaan.
Beoordeling
5. Noch de aantekening mondeling vonnis van de politierechter, noch de aantekening mondeling arrest van het hof bevat de voor het bewijs van het tenlastegelegde feit gebezigde bewijsmiddelen. Ook bevindt zich bij de stukken van het geding niet een aanvulling als bedoeld in art. 365a lid 2 Sv met daarin de bewijsmiddelen die voor het bewijs zijn gebruikt.
6. Op grond van art. 359, leden 3 en 8, Sv moet een uitspraak op straffe van nietigheid de bewijsmiddelen bevatten die de feiten en omstandigheden inhouden die redengevend zijn voor de bewezenverklaring. De uitspraak van het hof voldoet niet aan dit vereiste en kan daarom niet in stand blijven.
Conclusie
7. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de uitspraak van het hof en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Den Haag, opdat de zaak opnieuw wordt berecht en afgedaan.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Aldus de aantekening van het mondeling arrest behorend bij het proces-verbaal terechtzitting. In die aantekening staat tevens vermeld: “In het dictum van de aantekening van het op 28 juni 2Ö22 mondeling gewezen arrest is abusievelijk het vonnis waarvan beroep vernietigd. Het hof herstelt deze misslag.”
De kwalificatie luidt: “opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen”.
Bij de aan de Hoge Raad toegezonden stukken bevindt zich niet een ‘proces-verbaal terechtzitting’ van de politierechter.