Rechtspraak
Parket bij de Hoge Raad
2023-10-17
ECLI:NL:PHR:2023:919
Strafrecht
983 tokens
Conclusie
M.E. van Wees
In de zaak
[verdachte],
gevestigd te [vestigingsplaats],
hierna: de verdachte.
Inleiding
1.1
Het gerechtshof Amsterdam heeft bij arrest van 13 januari 2022 het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 29 januari 2019 bevestigd. De verdachte is bij voormeld vonnis wegens “medeplegen van gewoontewitwassen, begaan door een rechtspersoon“, veroordeeld tot een geheel voorwaardelijke gelboete van € 25.000,-.
1.2
Er bestaat samenhang met de zaken 22/00248, 22/00249 en 22/00251. In deze zaken zal ik vandaag ook concluderen.
1.3
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en W. de Vries, advocaat te Amsterdam, heeft een middel van cassatie voorgesteld.
De zaak in het kort
2. Samengevat gaat het in de vier samenhangende zaken om het volgende. [medeverdachte 1] (zaak 22/00251; hierna: [medeverdachte 1]) is via een holdingmaatschappij bestuurder van [medeverdachte 2] B.V. (zaak 22/00248). Op haar beurt is [medeverdachte 2] enig aandeelhouder in [medeverdachte 3] (zaak 22/00249) en de verdachte [verdachte] Deze laatste twee vennootschappen houden zich bezig met de aankoop van grond voor de bouw van zonneparken in respectievelijk Ansen (gemeente De Wolden) en Willemsoord (gemeente Steenwijkerland). Zij geven hiervoor obligatieleningen uit. Het geld dat met deze lening is opgehaald wordt door de beide vennootschappen doorgesluisd, al dan niet via contante opnames, naar [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1]. Het hof heeft [medeverdachte 1] veroordeeld voor de verduistering van dit geld en de oplichting van een tweetal investeerders. [medeverdachte 1], [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] zijn daarnaast veroordeeld voor het valselijk opmaken van rekening-courantovereenkomsten die ten grondslag zouden liggen aan de geldtransacties. Alle vier verdachten zijn ten slotte veroordeeld voor het witwassen van de weggesluisde bedragen.
Het middel
3.1
Het middel richt zich tegen het bewezen verklaarde medeplegen van gewoontewitwassen. De eerste cassatieklacht houdt in dat het hof heeft verzuimd te reageren op het uitdrukkelijk naar voren gebrachte en onderbouwde verweer dat voor het bewezen verklaarde voorhanden hebben van gelden ontslag van alle rechtsgevolgen had moeten volgen. De tweede klacht richt zich tegen het oordeel van het hof dat bewezen is dat de verdachte heeft verborgen of verhuld wie de rechthebbenden op de geldbedragen waren.
3.2
Ten laste van de verdachte heeft het hof, door een bevestiging van het vonnis van de rechtbank, bewezenverklaard dat zij:
“in de periode van 1 mei 2017 tot en met 17 augustus 2017 in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, geldbedragen van in totaal Euro 121.859,50, heeft omgezet en heeft overgedragen en van die geldbedragen gebruik heeft gemaakt en van die geldbedragen de herkomst heeft verhuld terwijl zij, verdachte en haar mededaders, wisten dat die geldbedragen afkomstig waren uit enig misdrijf, terwijl zij, verdachte en haar mededaders daarvan een gewoonte hebben gemaakt.”
3.3
Het hof heeft dus niet ‘voorhanden hebben’ en ook niet ‘verhullen van de rechthebbende’ van de geldbedragen bewezen verklaard. Het middel ontbeert daarom feitelijke grondslag.
3.4
Het middel faalt.
Conclusie
4.1
Het middel faalt en kan worden afgedaan met de aan art. 81 lid 1 RO ontleende motivering.
4.2
Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
4.3
Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
plv. AG