Rechtspraak
Parket bij de Hoge Raad
2023-08-18
ECLI:NL:PHR:2023:722
Civiel recht; Personen- en familierecht
2,863 tokens
Conclusie
M.L.C.C. Lückers
In de zaak
[betrokkene] ,
verzoekster tot cassatie,
hierna: betrokkene,
advocaat: mr. R.P. Streng
tegen
de Officier van Justitie in het arrondissementsparket Midden-Nederland,
verweerder in cassatie,
hierna: de officier van justitie,
niet verschenen.
In deze zaak op grond van de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz) wordt in cassatie geklaagd dat de rechtbank bij het verlenen van een zorgmachtiging betrokkene niet goed heeft opgeroepen en de hoorplicht heeft geschonden.
Feiten
1.1
Op 1 maart 2023 heeft de officier van justitie bij de rechtbank Midden-Nederland een verzoekschrift ingediend tot het verlenen van een zorgmachtiging ten aanzien van betrokkene voor de duur van zes maanden. Als bijlagen bij het verzoekschrift zijn onder meer de bevindingen van de geneesheer-directeur, de medische verklaring en het zorgplan overgelegd.
1.2
In het zorgplan van 14 februari 2023 is vermeld dat betrokkene geen vast woonadres heeft en dat haar verblijfadres daklozenopvang ‘ [verblijfplaats 1] ’ op [verblijfadres] is. Ook is vermeld: “Cliënte heeft geen eigen woonruimte meer, verblijft vaak bij de daklozenopvang in [plaats] ( [verblijfplaats 1] ).” In de op 20 februari 2023 opgemaakte medische verklaring is bij de rubriek ‘Verblijfsadres (indien afwijkend van woonadres)’ “[verblijfplaats 1]” en het [verblijfadres] ingevuld. In de bevindingen van de geneesheer-directeur van 27 februari 2023 is als woonadres van betrokkene [woonadres] genoemd. Het verzoekschrift van de officier van justitie van 1 maart 2023 vermeldt dat het Basisregistratie Personen(BRP)-adres van betrokkene [BRP-adres] is en dat zij verblijvende is op de [verblijfadres] .
1.3
In een aangetekende brief van 9 maart 2023 is betrokkene door de griffier opgeroepen voor de mondelinge behandeling van het verzoek. De brief is gericht aan het [BRP-adres] .
1.4
De rechtbank heeft het verzoek op 20 maart 2023 mondeling behandeld in het gebouw van Jellinek te Hilversum. Bij die gelegenheid heeft de rechtbank gehoord: de advocaat van betrokkene, de curator van betrokkene, en de behandelend psychiater.
1.5
Het proces-verbaal van de mondelinge behandeling bevat de vermelding dat betrokkene is opgeroepen en niet verschenen. Volgens de bij dit proces-verbaal gevoegde zittingsaantekeningen van de griffier heeft de advocaat opgemerkt dat zij betrokkene niet heeft gesproken. Ook staat in deze aantekeningen dat op een daartoe strekkende vraag van de rechter door de behandelaar is geantwoord dat niet bekend is waar betrokkene nu verblijft, dat de politie bij de zaak is betrokken en dat een signalering is uitgezet.
1.6
Bij op 20 maart 2023 mondeling gegeven beschikking, schriftelijk uitgewerkt en getekend op 19 april 2023, heeft de rechtbank ten aanzien van betrokkene de verzochte machtiging verleend met een geldigheidsduur tot en met 20 september 2023. In de kop van de beschikking is vermeld dat betrokkene wonende is te [BRP-adres] en verblijvende is bij de [verblijfplaats 2] te [plaats] .
1.7
Namens betrokkene is tijdig cassatieberoep ingesteld van deze beschikking. De officier van justitie heeft geen verweerschrift ingediend.
2Bespreking van het cassatiemiddel
2.1
Het middel omvat drie onderdelen. In een inleiding op de klachten is gesteld dat betrokkene rondzwerft en onvindbaar is.Onderdeel 1 klaagt dat uit de bestreden beschikking op geen enkele wijze blijkt dat de rechtbank heeft onderzocht of met voldoende zekerheid kan worden vastgesteld of de oproeping voor de mondelinge behandeling betrokkene heeft bereikt en of betrokkene al dan niet in staat en bereid was om zich te doen horen als bedoeld in art. 6:1 lid 1 Wvggz. Hierdoor zou de rechtbank de op haar rustende onderzoeksplicht en motiveringsplicht hebben geschonden. Deze klacht wordt in de subonderdelen 1.1-1.4 vanuit verschillende invalshoeken verder uitgewerkt. Onderdeel 2 vervolgt met een rechtsklacht voor zover de rechtbank heeft gemeend dat er geen reële mogelijkheid was om betrokkene een oproeping te doen toekomen en voorrang heeft gegeven aan de beteugeling van gevaar (vgl. HR 20 november 2015, ECLI:NL:HR:2015:3335). Onderdeel 3 bouwt op de vorige klachten voort en klaagt over schending van art. 5 en 6 EVRM.
2.2
De hoorplicht van art. 6:1 Wvggz is al vaker in cassatie aan de orde geweest. Ik volsta daarom met een korte weergave van het voor de klachten relevante juridisch kader.
2.3
Teneinde te worden gehoord, dient de betrokkene behoorlijk voor de mondelinge behandeling te worden opgeroepen overeenkomstig het bepaalde in art. 6:1 lid 10 Wvggz in verbinding met 272 e.v. Rv. Is de woon- of verblijfplaats van de betrokkene bekend, dan geschiedt de oproeping door de griffier bij aangetekende brief, tenzij de rechter anders bepaalt in een algemene of bijzondere instructie aan de griffier. Als de betrokkene moeilijk per post te bereiken is, kan er voor de rechter reden zijn om van deze bevoegdheid gebruik te maken en (ook) een andere wijze van uitreiking te bepalen. Voor het oordeel dat behoorlijk is opgeroepen, hoeft de rechter niet te onderzoeken of de oproeping de betrokkene daadwerkelijk heeft bereikt.
2.4
Art. 6:1 lid 1 Wvggz bepaalt dat de rechter de betrokkene hoort na ontvangst van het verzoekschrift voor een zorgmachtiging, tenzij de rechter vaststelt dat de betrokkene niet in staat is of niet bereid is zich te doen horen. In de parlementaire toelichting op deze bepaling is benadrukt dat de rechter betrokkene moet horen tenzij deze dat niet wil of daartoe niet in staat is en dat de rechter zelf moet vaststellen, desnoods ter plekke, dat betrokkene niet kan of wil gehoord worden.
2.5
Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad gaat het hier om meer dan hetgeen reeds voortvloeit uit het fundamentele beginsel van een behoorlijke rechtspleging dat iedere partij de gelegenheid moet krijgen om haar standpunt naar voren te brengen voordat de rechter een beslissing neemt. Ook dient immers zoveel mogelijk gewaarborgd te zijn dat aan iemand niet zijn vrijheid kan worden ontnomen zonder dat hij, zo hij dit wenst, zelf door de rechter wordt gehoord. Het is tegen deze achtergrond dat de onderzoeksplicht van de rechter naar de bereidheid van de betrokkene om zich te doen horen en de motivering van zijn vaststelling dat die bereidheid niet aanwezig was, moeten worden beoordeeld.
2.6
De Hoge Raad heeft verder geoordeeld dat de rechter die van oordeel is dat de bereidheid om te worden gehoord ontbrak, dit in zijn beschikking dient vast te stellen en de gronden waarop dat oordeel berust, moet vermelden. Hieraan heeft de Hoge Raad toegevoegd:
“Niet noodzakelijk is evenwel dat de rechter vaststelt dat de betrokkene heeft verklaard voormelde bereidheid te missen. Voldoende is dat dit naar het oordeel van de rechter kan worden afgeleid uit de wijze waarop de betrokkene zich heeft gedragen, in het bijzonder ook bij de door de rechter aangewende pogingen om de betrokkene in zijn woon- of verblijfplaats te horen op de voet van art. 6:1 lid 2 Wvggz. Indien naar het oordeel van de rechter deze gedragingen op zichzelf nog niet voldoende zijn om aan te nemen dat de voormelde bereidheid ontbreekt, maar daaruit wel mag worden afgeleid dat de betrokkene in staat is zich naar de rechtbank te begeven, is de rechter vrij om dit ontbreken af te leiden uit de omstandigheid dat de betrokkene vervolgens behoorlijk ter zitting is opgeroepen, maar daar niet is verschenen.”
2.7
Indien de betrokkene behoorlijk is opgeroepen en in staat kan worden geacht om naar de mondelinge behandeling te komen maar niet is verschenen, dan volgt daaruit echter niet zonder meer dat de betrokkene de bereidheid mist om zich te laten horen. De onderzoeksplicht van art. 6:1 lid 1 Wvggz brengt met zich dat de rechter dan toch moet nagaan of met voldoende zekerheid kan worden vastgesteld dat de oproeping de betrokkene heeft bereikt.
Conclusie
De conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot terugwijzing naar de rechtbank Midden-Nederland.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G
Aan de voet van het proces-verbaal is overigens vermeld dat dit “door de kinderrechter” en de griffier is vastgesteld en ondertekend op 13 juni 2023.
De procesinleiding in cassatie is op 20 juni 2023 ingediend in het webportaal van de Hoge Raad. Van het voorbehoud tot aanvulling van het middel na kennisname van het proces-verbaal van de mondelinge behandeling (zie p. 1-2 van de procesinleiding) is geen gebruik gemaakt.
Procesinleiding p. 2 (onder ‘Essentie van de zaak’). Ook is op p. 1, eerste alinea, vermeld dat betrokkene rondzwervend zonder vaste verblijfplaats is.
Zie recent HR 24 februari 2023, ECLI:NL:HR:2023:316, NJ 2023/187 m.nt. J. Legemaate, JGz 2023/22 m.nt. M.A.J.M. van Sprundel-Jansen; HR 9 juni 2023, ECLI:NL:HR:2023:876, RvdW 2023/668; en mijn conclusie van 19 juni 2023, ECLI:NL:PHR:2023:607.
HR 24 februari 2023, ECLI:NL:HR:2023:316, rov. 3.2.2 (zaak 22/03342).
Aldus plv. P-G Langemeijer in zijn conclusie (onder 2.4) voor HR 11 juni 2021, ECLI:NL:HR:2021:880, RvdW 2021/643, JGz 2021/61. Zie ook W.J.A.M. Dijkers, SDU Commentaar Gedwongen zorg, art. 6:1 Wvggz, aant. 4.4.5 (publicatiedatum 6 maart 2023).
Zie onder meer de conclusie van plv. P-G Langemeijer (onder 2.6) voor HR 11 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:2016, NJ 2021/96 m.nt. J. Legemaate, JGz 2021/7, onder verwijzing naar HR 14 februari 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZC2283, NJ 1997/378 m.nt. J. de Boer, rov. 3.4.
Tweede nota van wijziging, Kamerstukken II 2015-2016, 32 399, nr. 25, p. 168.
HR 11 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:2016, NJ 2021/96 m.nt. J. Legemaate, JGz 2021/7, rov. 3.1; herhaald in HR 11 juni 2021, ECLI:NL:HR:2021:880, rov. 3.2; HR 16 juli 2021, ECLI:NL:HR:2021:1165, RvdW 2021/832, JGz 2021/64, rov. 3.2; HR 14 januari 2022, ECLI:NL:HR:2022:18, NJ 2022/30, JGz 2022/6 m.nt. R.B.M. Keurentjes, rov. 3.1.2; en HR 9 juni 2023, ECLI:NL:HR:2023:876, RvdW 2023/668, rov. 3.2.
HR 14 januari 2022, ECLI:NL:HR:2022:18, NJ 2022/30, JGz 2022/6 m.nt. R.B.M. Keurentjes, rov. 3.1.2; en HR 21 januari 2022, ECLI:NL:HR:2022:59, NJ 2022/40, JGz 2022/8 m.nt. R.B.M. Keurentjes, rov. 3.2.
HR 14 januari 2022, ECLI:NL:HR:2022:18, rov. 3.1.2.
Zie Langemeijer in de conclusie (onder 2.8) voor HR 5 november 2010, ECLI:NL:HR:2010:BN7892, NJ 2010/596, JVggz 2011/1 m.nt. E.J. van Keken; en onder de Wvggz onder meer de conclusie (onder 2.12) voor HR 11 juni 2021, ECLI:NL:HR:2021:880.
Vgl. HR 9 juni 2023, ECLI:NL:HR:2023:876, RvdW 2023/668, rov. 3.3. Zie ook de conclusie van A-G Snijders (onder 3.8) voor HR 16 juli 2021, ECLI:NL:HR:2021:1165; en W.J.A.M. Dijkers, SDU Commentaar Gedwongen zorg, art. 6:1 Wvggz, aant. 4.4.6 (publicatiedatum 6 maart 2023).
HR 11 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:2016, rov. 3.3.