Rechtspraak
Parket bij de Hoge Raad
2023-06-27
ECLI:NL:PHR:2023:620
Strafrecht
2,478 tokens
Conclusie
D.J.M.W. Paridaens
In de zaak
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1996,
hierna: de verdachte.
Inleiding
De verdachte is bij arrest van 23 juni 2021 door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Zwolle, wegens “overtreding van artikel 9, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twee weken.
Namens de verdachte hebben R.J. Baumgardt en M.J. van Berlo, beiden advocaat te Rotterdam, twee middelen van cassatie voorgesteld.
Het eerste middel
3. Het middel klaagt dat uit het (enige) voor het bewijs gebruikte bewijsmiddel niet kan blijken dat de verdachte wist of redelijkerwijs moest weten dat hem bij rechterlijke uitspraak of strafbeschikking de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen was ontzegd, waardoor de bewezenverklaring onvoldoende met redenen is omkleed.
4. Het hof heeft ten laste van de verdachte bewezenverklaard dat:
“hij, op 16 november 2017 te Amersfoort, terwijl hij wist of redelijkerwijs moest weten dat hem bij rechterlijke uitspraak of strafbeschikking de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen was ontzegd, gedurende de tijd dat hem die bevoegdheid was ontzegd, op de weg, de Sara Burgerhartsingel, een motorrijtuig, (snorfiets), heeft bestuurd.”
5. Het hof heeft de bewezenverklaring doen steunen op het volgende bewijsmiddel:
“Het in de wettelijke vorm door [verbalisant 1], agent van Politie Eenheid Midden-Nederland, district Oost-Utrecht, en [verbalisant 2], hoofdagent van Politie Eenheid Midden-Nederland, district Oost-Utrecht, opgemaakte, genummerd PL0900-2017373161-2, gesloten en getekend op 11 december 2017 te Amersfoort, als bijlage (pagina ??) gevoegd bij het stamproces-verbaal, voor zover inhoudende het verhoor van verdachte op 8 december 2017 – zakelijk weergegeven –:
De bevindingen van voornoemde verbalisanten, pagina 5:
‘wij, verbalisanten, reden op 16 november 2017, omstreeks 14:45 uur, op de Sarah Burgerhartsingel in de richting van winkelcentrum Schothorst. Ter hoogte van Oudegein zagen wij een witte Vespa scooter in tegengestelde richting rijden. Ik, [verbalisant 1], keek naar de bestuurder en herkende de bestuurder zijnde: [verdachte], geboren op [geboortedatum]-1996. Ik herkende de bestuurder doordat ik hem 13 november 2017 ook staande had gehouden voor het rijden van een snorfiets terwijl hij een volledig ontzegd rijbewijs had tot en met 14 maart 2018. Ik zag dat [verdachte] mij aankeek. Ik keek over mijn schouder en zag het kenteken van de witte Vespa bleek te zijn: [kenteken]. Ik, [verbalisant 2] draaide het voertuig. Wij zagen dat hij via de Oudegein de Oversticht op reed. Vervolgens hebben wij het voertuig en de bestuurder niet meer aangetroffen’.”
6. Voor de bespreking van het middel zijn de volgende wettelijke bepalingen van belang:
- Art. 9 lid 1 en 2 WVW 1994:
“1. Het is degene die weet of redelijkerwijs moet weten dat hem bij rechterlijke uitspraak of strafbeschikking de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen is ontzegd, verboden gedurende de tijd dat hem die bevoegdheid is ontzegd, op de weg een motorrijtuig te besturen of als bestuurder te doen besturen.
2. Het is degene die weet of redelijkerwijs moet weten dat een op zijn naam gesteld rijbewijs voor een of meer categorieën van motorrijtuigen dan wel voor een gedeelte van de geldigheidsduur ongeldig is verklaard, indien aan hem daarna geen ander rijbewijs voor het besturen van een motorrijtuig van de betrokken categorie of categorieën is afgegeven, verboden op de weg een motorrijtuig van die categorie of categorieën dan wel gedurende dat gedeelte van de geldigheidsduur te besturen of als bestuurder te doen besturen. Hetzelfde verbod geldt voor degene die weet of redelijkerwijs moet weten dat een op zijn naam gesteld rijbewijs zijn geldigheid heeft verloren en dat hij bij de aanvraag van een nieuw rijbewijs moet voldoen aan de bij algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 123b, derde lid, gestelde voorwaarden, tenzij aan hem, nadat hij aan deze voorwaarden heeft voldaan, een ander rijbewijs voor het besturen van een motorrijtuig van de betrokken categorie of categorieën is afgegeven.”
- Art. 180 lid 1 en 3 WVW 1994:
“1. Voor wat betreft de bijkomende straf van ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen is artikel 6:1:16, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering op rechterlijke uitspraken niet van toepassing. Een strafbeschikking houdende deze bijkomende straf is in zoverre eerst voor tenuitvoerlegging vatbaar als geen verzet meer kan worden gedaan.
[…]
3. Indien de rechterlijke uitspraak of strafbeschikking voor wat betreft de bijkomende straf voor tenuitvoerlegging vatbaar is geworden, geschiedt de tenuitvoerlegging niet dan nadat aan de veroordeelde in persoon een schrijven is uitgereikt, volgens de artikelen 36d en 36e van het Wetboek van Strafvordering, waarin het tijdstip van ingang en de duur van de ontzegging, de verplichting tot inlevering van het rijbewijs uiterlijk op dat tijdstip, alsmede het gevolg van niet tijdige inlevering worden medegedeeld.”
7. De stellers van het middel richten hun pijlen op het bewijs van het bestanddeel “weet of redelijkerwijs moet weten”. In de toelichting op het middel doen zij een beroep op de jurisprudentie die is ontwikkeld in het kader van art. 9 lid 2 WVW 1994, welke bepaling ziet op het rijden met een ongeldig verklaard rijbewijs, terwijl de verdachte in de onderhavige zaak is veroordeeld wegens overtreding van art. 9 lid 1 WVW 1994, dat betrekking heeft op het rijden tijdens een ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen (hierna: OBM). Een en ander werpt de vraag op of dit verschil maakt voor de bewijsvoering van voormeld bestanddeel.
8. Van art. 9 lid 2 WVW 1994 zal bekend zijn dat het bestanddeel “weet of redelijkerwijs moet weten” in cassatie vaker ter discussie is gesteld en ook regelmatig tot vernietigingen heeft geleid. Daarentegen zijn zaken over art. 9 lid 1 WVW 1994 veel schaarser. Dat zou – zonder kennis van de verdere context – opvallend genoemd kunnen worden. Zowel voor lid 1 als voor lid 2 geldt immers op gelijke voet dat moet worden vastgesteld dat de verdachte “wist of redelijkerwijs moest weten” van de OBM (lid 1) of van de ongeldigverklaring (lid 2).
9. Dat het bewijs van het bestanddeel “weet of redelijkerwijs moet weten” in verband met art. 9 lid 2 WVW 1994 in cassatie regelmatig tot discussie heeft geleid, terwijl het gelijkluidende bestanddeel van lid 1 van dat artikel nauwelijks in cassatie aan de orde komt, kan zijn verklaring vinden in de manier waarop de OBM enerzijds en de ongeldigverklaring anderzijds aan de (latere) verdachte bekend is gemaakt. Ik licht dat verschil nader toe, omdat dit bepaald van belang zal blijken voor de onderhavige zaak.
10. De ongeldigverklaring van het rijbewijs – die dus in art. 9 lid 2 WVW 1994 centraal staat – is een bestuursrechtelijke beslissing en de bekendmaking daarvan gebeurde tot voor kort per gewone en per aangetekende brief. Die manier van bekendmaking was voldoende om de ongeldigheid van het rijbewijs volgens de toepasselijke regels van het bestuursrecht “van kracht” te laten worden, maar wil nog niet zeggen dat de betrokkene ook daadwerkelijk kennis heeft genomen van de inhoud van de brief en dus “wist of redelijkerwijs moest weten” van die ongeldigverklaring. Bij deze manier van bekendmaking blijkt het bewijzen dat de verdachte wist of redelijkerwijs moest weten van de ongeldigverklaring – gelet op de vele vernietigingen in cassatie – bepaald geen sinecure. Tegelijk heeft de Hoge Raad in zijn overzichtsarrest van 9 juli 2019 over art. 9 lid 2 WVW 1994 een – in mijn ogen betrekkelijk simpele – oplossing voor deze bewijsproblematiek gepresenteerd.
Conclusie
18. Het eerste middel faalt. Het tweede middel slaagt, maar behoeft niet tot cassatie te leiden.
19. Naast hetgeen ik hiervoor onder randnummer 16 heb opgemerkt over de overschrijding van de redelijke termijn, heb ik ambtshalve geen grond aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoort te geven.
20. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Zie alleen al zeer recente zaken als HR 11 april 2023, ECLI:NL:HR:2023:536 en HR 16 mei 2023, ECLI:NL:HR:2023:722.
Volgens een nieuwsbericht op de site van het CBR d.d. 29 augustus 2022 wordt “vanaf 1 september 2022 – naast een aangetekende brief – ook persoonlijk een brief overhandigd” aan de bestuurder wiens rijbewijs ongeldig is verklaard.
Het voert te ver en is bovendien onnodig om in detail op deze werkwijze en alle consequenties daarvan in te gaan. Daarvoor verwijs ik naar de uitgebreide conclusie van mijn ambtgenoot Harteveld ECLI:NL:PHR:2019:349, onder 8, die voorafging aan HR 9 juli 2019, ECLI:NL:HR:2019:1146, NJ 2019/454, m.nt. W.H. Vellinga.
Zie HR 9 juli 2019, ECLI:NL:HR:2019:1146, NJ 2019/454, m.nt. W.H. Vellinga, r.o. 2.4.4.
Zoals ik hierboven in voetnoot 2 al opmerkte, is deze duidelijke hint van de Hoge Raad over de wijze van bekendmaking van de ongeldigverklaring van het rijbewijs inmiddels door het CBR opgepikt.
Dit vindt ook bevestiging in het Uittreksel Justitiële Documentatie van 12 mei 2021 dat zich bij de stukken bevindt.
HR 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578, NJ 2008/358, m.nt. P.A.M. Mevis, r.o. 3.6.2 onder C.