Rechtspraak
Parket bij de Hoge Raad
2023-12-19
ECLI:NL:PHR:2023:1148
Strafrecht
4,188 tokens
Conclusie
A.E. Harteveld
In de zaak
[klaagster],
gevestigd te [vestigingsplaats],
hierna: de klaagster
1Het cassatieberoep
1.1
De rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, heeft bij beschikking van 7 maart 2023 het klaagschrift van de klaagster ex art. 552a Sv strekkende tot opheffing van het beslag en teruggave aan de klaagster van de inbeslaggenomen stukken respectievelijk vernietiging van en verbod op gebruik van de vastgelegde gegevens, gegrond verklaard ten aanzien van het beslag op de fysieke goederen, de teruggave gelast van die goederen aan de redelijkerwijs rechthebbende en het beklag voor het overige ongegrond verklaard.
1.2
Er bestaat samenhang met de zaken 23/01615, 23/01617, 23/01618, 23/01619, 23/01620, 23/01621, 23/01622, 23/01625, 23/01626, 23/01628, 23/01632, 23/01633, 23/01634, 23/01635, 23/01636, 23/01639, 23/01640, 23/01641, 23/01642, 23/01643 en 23/01644. In deze zaken zal ik vandaag ook concluderen.
1.3
Het cassatieberoep is ingesteld namens de klaagster. Th.J. Kelder, advocaat te De Haag, heeft drie middelen van cassatie voorgesteld.
2De procesgang
2.1
Uit de stukken van het geding kan over de procesgang bij de Hoge Raad tot nu toe het volgende worden opgemaakt:
(i) op 27 oktober 2020 hebben medewerkers van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit in het kader van het strafrechtelijk onderzoek “Marjolein” vanwege een verdenking van grootschalige fraude in de voedselketen onder leiding van de officier van justitie twee bedrijfspanden van de [A-groep] aan de [a-straat 1] in [plaats] en [b-straat 1] in [plaats] doorzocht. Tijdens die doorzoeking zijn onder meer fysieke dossiers en een kopie van een back-up van het ICT-systeem van de [A-groep] in beslag genomen;
(ii) op 29 januari 2021 is namens de klaagster een klaagschrift als bedoeld in art. 552a Sv ingediend, strekkende tot primair opheffing van het beslag en teruggave aan de klaagster van de inbeslaggenomen stukken respectievelijk vernietiging van en verbod op het gebruik van de vastgelegde gegevens en subsidiair verwijzing van de zaak naar de rechter-commissaris voor het volgen van de procedure als bedoeld in art. 98 Sv;
(iii) op 2 april 2021 is bovengenoemd klaagschrift behandeld door de meervoudige economische raadkamer die de zaak heeft verwezen naar de rechter-commissaris voor het volgen van de procedure als bedoeld in art. 98 Sv;
(iv) op 30 augustus 2022 heeft de rechter-commissaris een beschikking als bedoeld in art. 98 Sv gegeven;
(v) op 12 september 2022 is namens de klaagster tegen deze beschikking een klaagschrift als bedoeld in art. 98 lid 4 Sv, in verbinding met art. 552a Sv, ingediend;
(vi) op 7 februari 2023 zijn het klaagschrift ex art. 552a Sv van 29 januari 2021 en het klaagschrift ex art. 98 lid 4 Sv van 12 september 2022 door de meervoudige economische raadkamer behandeld. Vervolgens heeft de rechtbank bij separate beschikkingen van 7 maart 2023 het klaagschrift ex art. 552a Sv gegrond verklaard ten aanzien van het beslag op de fysieke goederen, de teruggave gelast van die goederen aan de redelijkerwijs rechthebbende, het beklag voor het overige ongegrond verklaard en de klaagster niet-ontvankelijk verklaard in het beklag tegen de beschikking van de rechter-commissaris;
(vii) op 21 maart 2023 is namens de klaagster beroep in cassatie ingesteld tegen die beschikkingen van 7 maart 2023. Het onderhavige cassatieberoep ziet op de gedeeltelijke (on)gegrondverklaring van het klaagschrift ex art. 552a Sv van 29 januari 2021.
3Het eerste middel
3.1
Het eerste middel bevat de klacht dat de behandeling in raadkamer op 2 april 2021 niet conform art. 552a lid 7 Sv in het openbaar heeft plaatsgevonden.
3.2
Art. 552a lid 7 Sv bepaalt dat de behandeling van het klaagschrift door de raadkamer plaatsvindt in het openbaar. Dit voorschrift is van zodanige betekenis dat – behoudens toepassing van art. 22 lid 2 en 3 Sv – de niet naleving daarvan leidt tot nietigheid van het onderzoek en van de naar aanleiding daarvan gegeven beschikking.
3.3
Blijkens het daarvan opgemaakte proces-verbaal heeft de behandeling van het klaagschrift voor de eerste maal plaatsgevonden in de meervoudige economische raadkamer van 2 april 2021 en is de zaak behandeld door A.H.J.J. van de Wetering, voorzitter, A.C. Palmboom en C.M. Zandbergen, leden, in tegenwoordigheid van L.S. Wobbes, griffier. Dit proces-verbaal houdt niet in dat de behandeling in het openbaar heeft plaatsgevonden, terwijl ook niet blijkt dat toepassing is gegeven aan art. 22 lid 2 en 3 Sv.
3.4
Blijkens het daarvan opgemaakte proces-verbaal heeft de nadere behandeling van het klaagschrift plaatsgevonden op 7 februari 2023. Dit proces-verbaal vermeldt wel dat die behandeling in het openbaar heeft plaatsgehad.
3.5
De bestreden beschikking houdt eveneens niet in dat de behandeling van het klaagschrift in de meervoudige economische raadkamer van 2 april 2021 in het openbaar heeft plaatsgevonden, maar wel dat “[d]e meervoudige economische raadkamer […] op 07 februari 2023 de behandeling van het klaagschrift ex artikel 552a Sv [heeft] voortgezet in openbare economische raadkamer”. Voorts houdt de bestreden beschikking in dat deze “in het openbaar [is] uitgesproken op 07 maart 2023”.
3.6
De Hoge Raad heeft op de voet van art. 83 RO inlichtingen ingewonnen bij de rechtbank Oost-Brabant. A.H.J.J. van de Wetering, senior rechter bij de rechtbank, die als voorzitter bij de behandeling in de raadkamer van 2 april 2021 tegenwoordig is geweest, heeft bij brief van 10 november 2023 aan de Hoge Raad het volgende medegedeeld:
“Hierbij verklaar ik, ondergetekende, dat de behandeling van de klaagschriften in het onderzoek Marjolein op 2 april 2021 heeft plaatsgevonden in openbare raadkamer.”
3.7
Op grond van de inhoud van deze brief moet het ervoor worden gehouden dat als gevolg van een kennelijke misslag is verzuimd in het proces-verbaal van de behandeling in raadkamer van 2 april 2021 op te nemen dat de behandeling van het klaagschrift in het openbaar heeft plaatsgevonden. De Hoge Raad kan het proces-verbaal met verbetering van deze misslag lezen. Daardoor mist het eerste middel feitelijke grondslag, zodat het niet tot cassatie kan leiden.
3.8
Het eerste middel faalt.
4Het tweede middel
4.1
Het tweede middel bestaat uit drie deelklachten die opkomen tegen het (kennelijke) oordeel van de rechtbank dat het verschoningsrecht waarop de klaagster zich beroept zich er niet tegen verzet dat de na de onder leiding van de rechter-commissaris gemaakte schifting overgebleven inbeslaggenomen stukken en vastgelegde gegevens ter beschikking worden gesteld voor strafrechtelijk onderzoek.
4.2
De Hoge Raad heeft in zijn beschikking van 13 oktober 2015 beslist dat in de beklagzaak van de beslagene die niet de verschoningsgerechtigde is, het oordeel in de beklagprocedure van de verschoningsgerechtigde, als dat onherroepelijk is geworden, tot uitgangspunt moet worden genomen. Indien in die laatste procedure onherroepelijk is beslist dat inbeslagneming van de inbeslaggenomen stukken of vastgelegde gegevens in strijd is met het verschoningsrecht, is het klaagschrift van de beslagene in zoverre gegrond en is kennisneming van die stukken of gegevens niet toegestaan. In het geval dat het beroep van de verschoningsgerechtigde op zijn verschoningsrecht ongegrond wordt verklaard, moet de beslagene niet-ontvankelijk worden verklaard in zijn klaagschrift voor zover het de klachten met betrekking tot het verschoningsrecht betreft.
4.3
Dit brengt het volgende mee.
Beoordeling
[…]
In geval van een beklag tegen een op grond van artikel 94 Sv gelegd beslag dient de raadkamer eerst te beoordelen of het belang van strafvordering het voortduren van het beslag vordert. Als het strafvorderlijk belang voortduring van het beslag vordert, wordt geen teruggave gelast. Het belang van strafvordering verzet zich tegen teruggave als het veiligstellen van de belangen waarvoor artikel 94 Sv de inbeslagneming toelaat, het voortduren van het beslag nodig maakt. Dat is bijvoorbeeld het geval wanneer dat voorwerp kan dienen om de waarheid aan de dag te brengen -ook in een zaak betreffende een ander dan de klager-, wanneer dat voorwerp kan dienen om wederrechtelijk verkregen voordeel aan te tonen of als niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, de verbeurdverklaring of de onttrekking aan het verkeer van dat voorwerp zal bevelen.
Uit het dossier en hetgeen in raadkamer is besproken, is het volgende gebleken.
Het fysieke beslag
De officier van justitie heeft aangevoerd dat het fysieke beslag kan worden opgeheven en de goederen geretourneerd kunnen worden aan de redelijkerwijs rechthebbende. Nu het strafvorderlijk belang zich hiermee niet langer verzet tegen teruggave van het fysieke beslag zal de raadkamer het beklag ten aanzien van dit deel van het beslag gegrond verklaren en de teruggave gelasten aan de redelijkerwijs rechthebbende.
[…]
Dictum
De meervoudige economische raadkamer:
- verklaart het beklag gegrond ten aanzien van het beslag op de fysieke goederen en gelast de teruggave van deze goederen aan de redelijkerwijs rechthebbende.”
5.3
In de bestreden beschikking ligt als vaststelling van de rechtbank besloten dat het beslag is gelegd op grond van art. 94 Sv. Bij de beoordeling van een klaagschrift van de beslagene dat is gericht tegen een beslag als bedoeld in art. 94 Sv moet de rechter a. beoordelen of het belang van strafvordering het voortduren van het beslag vordert, en zo nee, b. de teruggave van het inbeslaggenomen voorwerp gelasten aan de beslagene, tenzij een ander redelijkerwijs als rechthebbende ten aanzien van dat voorwerp moet worden beschouwd. In dit laatste geval moet het klaagschrift van de beslagene ongegrond worden verklaard en kan, mits de hiervoor bedoelde ander zelf een klaagschrift heeft ingediend, de teruggave aan die rechthebbende worden gelast.
5.4
Ingevolge art. 552a lid 10 Sv moet de rechtbank, wanneer zij het beklag gegrond acht, de daarmee overeenkomende last geven. In het geval van gegrondverklaring van een beklag strekkende tot opheffing van een beslag is dat een last tot teruggave. De wet kent wat betreft de beklagprocedure van art. 552a e.v. Sv niet de mogelijkheid van een last tot teruggave van inbeslaggenomen voorwerpen aan een ander dan degene die een klaagschrift strekkende tot teruggave heeft ingediend.
5.5
Het klaagschrift ex art. 552a Sv van 29 januari 2021 bevat onder andere een verzoek tot opheffing van het beslag en teruggave aan de klaagster van de inbeslaggenomen stukken. De rechtbank heeft enerzijds het beklag gedeeltelijk gegrond verklaard, namelijk voor zover het betreft het “fysieke beslag”, doch anderzijds de teruggave van dat beslag gelast aan “de redelijkerwijs rechthebbende”, en dus aan een ander dan de klaagster, terwijl de rechtbank blijkens de bestreden beschikking niet heeft vastgesteld of die ander zelf een klaagschrift heeft ingediend. Hiermee heeft de rechtbank hetgeen hiervoor onder 5.3-5.4 is vooropgesteld, miskend. Het derde middel is derhalve terecht voorgesteld.
5.6
Nu de rechtbank – zoals de steller van het middel terecht opmerkt – niet heeft vastgesteld of de klaagster met betrekking tot het fysieke beslag moet worden aangemerkt als (mede)beslagene en wie als rechthebbende van het fysieke beslag moet worden beschouwd, kan de zaak niet zonder (nieuw) onderzoek naar de feiten worden afgedaan. Mijns inziens is voor afdoening door de Hoge Raad derhalve geen plaats.
5.7
Ten overvloede merk ik op dat voor zover de rechtbank van oordeel is dat het fysieke beslag niet aan de klaagster moet worden teruggegeven en kennelijk bij vergissing het beklag gegrond heeft verklaard in plaats van overeenkomstig haar kennelijke bedoeling als beslissing heeft vermeld dat het beklag ongegrond is, dat oordeel niet zonder meer begrijpelijk is nu de rechtbank niet heeft vastgesteld wie redelijkerwijs als rechthebbende van het fysieke beslag moet worden aangemerkt. Voor een verbeterde lezing door de Hoge Raad van de bestreden beschikking op dit punt is naar mijn mening derhalve geen plaats.
Conclusie
6.1
Het eerste middel faalt en kan worden afgedaan met de aan art. 81 lid 1 RO ontleende motivering. Het tweede middel dient onbesproken te blijven. Het derde middel slaagt.
6.2
Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
6.3
Deze conclusie strekt tot
- vernietiging van de bestreden beschikking, maar uitsluitend wat betreft de last tot teruggave van het fysieke beslag aan de redelijkerwijs rechthebbende en terugwijzing van de zaak naar de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, teneinde op het bestaande beklag opnieuw te worden beoordeeld en afgedaan;
- niet-ontvankelijkverklaring van de klaagster in haar beroep voor zover het de klachten over het verschoningsrecht betreft;
- en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Bovenaan de bestreden beschikking wordt de datum van 7 februari 2023 genoemd. Onderaan de beschikking staat echter vermeld dat deze op 7 maart 2023 in het openbaar is uitgesproken. Verder houdt de beschikking onder meer in dat de behandeling van het klaagschrift op 2 april 2021 door de meervoudige economische raadkamer is aangehouden en op 7 februari 2023 is voortgezet. In het proces-verbaal van de behandeling in de raadkamer van 7 februari 2023 is voorts gerelateerd dat het klaagschrift op 7 februari 2023 ter openbare terechtzitting is behandeld en dat de beschikking op 28 februari 2023 ter openbare terechtzitting zal worden uitgesproken. De “Akte instellen cassatie” houdt – kort gezegd – in dat op 21 maart 2023 namens de klaagster cassatieberoep wordt ingesteld tegen de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant, locatie ’s-Hertogenbosch, van 7 maart 2023. Derhalve ga ik ervan uit dat de vermelding van de datum van 7 februari 2023 bovenaan de beschikking berust op een kennelijke verschrijving en versta ik de beschikking aldus dat deze dateert van 7 maart 2023.
HR 28 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL2823, r.o. 2.4, NJ 2010/654, m.nt. P.A.M. Mevis; HR 8 november 2011, ECLI:NL:HR:2011:BT2087, r.o. 2.2; HR 4 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2237, r.o. 2.2; HR 12 maart 2019, ECLI:NL:HR:2019:345, r.o. 2.2.1.
Vgl. HR 4 oktober 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP0207. Zie ook de randnummers 4.1-4.6 van de conclusie van mijn ambtgenoot Spronken vóór HR 7 februari 2023, ECLI:NL:HR:2023:15. De Hoge Raad deed het middel waarin werd geklaagd dat de behandeling van het klaagschrift in raadkamer niet conform art. 552a lid 7 Sv in het openbaar had plaatsgevonden (en de overige middelen), af met de aan art. 81 lid 1 RO ontleende motivering.
HR 13 oktober 2015, ECLI:NL:HR:2015:3076, r.o. 2.5.3, NJ 2016/8, m.nt. F. Vellinga-Schootstra.
Vgl. bijv. HR 28 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1343, NJ 2016/377, m.nt. F. Vellinga-Schootstra en HR 6 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1031.
HR 28 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL2823, r.o. 2.8, NJ 2010/654, m.nt. P.A.M. Mevis.
HR 10 februari 1981, ECLI:NL:HR:1981:AC1259, r.o. 6, NJ 1981/319 en HR 31 mei 2005, ECLI:NL:HR:2005:AS7591, r.o. 4.1-4.2.
HR 26 november 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE6595, r.o. 3.3.1; HR 19 juni 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA0482, r.o. 3.3; HR 15 december 2009, ECL:NL:HR:2009:BJ9900, r.o. 2.4 en HR 28 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL2823, r.o. 2.6, NJ 2010/654, m.nt. P.A.M. Mevis.
Vgl. HR 24 mei 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP9413.
Vgl. HR 31 mei 2005, ECLI:NL:HR:2005:AS7591, waarin de Hoge Raad de zaak wel zelf afdeed door (alsnog) de teruggave te gelasten.
Vgl. HR 26 november 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE6595.