Rechtspraak
Parket bij de Hoge Raad
2023-11-28
ECLI:NL:PHR:2023:1078
Strafrecht
2,556 tokens
Conclusie
P.M. Frielink
In de zaak
[klager] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1972,
hierna: de klager
1Het cassatieberoep
1.1
De rechtbank Noord-Nederland, zittingsplaats Groningen, heeft bij beschikking van 2 november 2021 het op grond van art. 552a Sv ingediende klaagschrift van de klager, strekkende tot teruggave van de in beslag genomen tegoeden op een drietal bankrekeningen en tot teruggave van een in beslag genomen contant geldbedrag van € 6.410,-, niet-ontvankelijk verklaard met betrekking tot een van deze bankrekeningen en voor het overige ongegrond verklaard.
1.2
Het cassatieberoep is op 17 november 2021 ingesteld namens de klager. S.M. Ploegmakers, advocaat te Amsterdam, heeft twee middelen van cassatie voorgesteld. In het eerste middel wordt geklaagd dat de zaak zonder instemming van de klager schriftelijk is afgedaan. In het tweede middel wordt geklaagd dat de klager niet in de gelegenheid is gesteld te reageren op het verweerschrift van het openbaar ministerie tegen het ingediende klaagschrift.
1.3
De conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking vanwege het slagen van het eerste middel.
2Het verloop van de zaak
Chronologisch is de zaak – voor zover daarvan blijkt uit de in cassatie ter beschikking staande stukken – als volgt verlopen.
Op 15 september 2021 is onder de klager conservatoir beslag gelegd op tegoeden op een drietal bankrekeningen en op een bedrag van € 6.410,- aan contant geld. De beslagen zijn gelegd in het kader van een onder het gezag van het openbaar ministerie in Noord-Nederland lopend onderzoek van het team Financieel economische criminaliteit van de Eenheid Noord-Nederland.
Op 17 september 2021 is namens de klager bij de rechtbank Noord-Nederland een klaagschrift ingediend strekkende tot opheffing van de beslagen.
Op 21 september 2021 is door een medewerker van de strafgriffie van de rechtbank Noord-Nederland per e-mail aan de raadsvrouw van de klager bericht dat het ontvangen klaagschrift zal worden doorgestuurd naar de rechtbank Amsterdam omdat daar de inbeslagname heeft plaatsgevonden.
Op 20 oktober 2021 heeft de griffier van de rechtbank Noord-Nederland de raadsvrouw bericht dat het op 17 september 2021 ingediende klaagschrift bij de griffie van de rechtbank is ingeschreven.
Bij beschikking van 2 november 2021 heeft de enkelvoudige raadkamer van de rechtbank Noord-Nederland het klaagschrift ongegrond verklaard. In de beschikking staat dat ‘(h)et klaagschrift (…) niet (is) behandeld in raadkamer in verband met de genomen maatregelen rondom het Coronavirus.”
Op 15 november 2021 is bij de Hoge Raad een cassatieschriftuur binnengekomen waarin wordt geklaagd dat de klager niet heeft ingestemd met een schriftelijke afdoening van het klaagschrift en dat de klager niet in de gelegenheid is gesteld te reageren op het standpunt dat het Openbaar Ministerie over het klaagschrift heeft ingenomen.
Twee dagen later, op 17 november 2021, wordt bij de griffie van de rechtbank Noord-Nederland een “akte instellen cassatie” opgemaakt.
Weer twee dagen daarna, op 19 november 2021, ontvangt de Hoge Raad een aanvullende cassatieschriftuur. Daarin worden opmerkingen gemaakt over de tijdigheid van het cassatieberoep.
3De ontvankelijkheid van het beroep
3.1
In de aanvullende cassatieschriftuur wordt uiteengezet dat op 17 november 2021 tijdig cassatie is ingesteld, omdat de klager pas op 15 november 2021 bekend is geworden met de beschikking van 2 november 2021, toen deze “met de post is binnengekomen” en de klager geen weet had van de behandeling van het klaagschrift op 2 november 2021. De ontvankelijkheid van het cassatieberoep behoeft enkel en alleen daarom al aandacht.
3.2
In de onderhavige zaak is het klaagschrift niet in raadkamer behandeld “in verband met de genomen maatregelen rondom het Coronavirus”, aldus de rechtbank in haar beschikking. Tegen die achtergrond is het niet verwonderlijk dat uit het aan de Hoge Raad toegezonden dossier niet blijkt dat de klager een oproep voor een raadkamerzitting heeft ontvangen. Als er geen zitting is gepland, is er immers ook geen reden om oproepingen te verzenden. Uit het dossier blijkt evenmin dat de klager is geïnformeerd over de schriftelijke behandeling van het klaagschrift. Door deze gang van zaken lijkt de klager volledig te zijn verrast toen hij een beschikking van de rechtbank naar aanleiding van het door hem ingediende klaagschrift ontving.
3.3
In art. 552d Sv is bepaald dat een beschikking ingevolge art. 552a Sv onverwijld aan de klager wordt betekend en dat de klager binnen veertien dagen na deze betekening beroep in cassatie kan instellen. In het onderhavige geval is de beschikking op 2 november 2021 gewezen. Volgens de steller van het middel is die beschikking op 15 november 2021 per post bij de klager bezorgd. Aangezien het dossier geen aanwijzingen bevat dat de klager eerder dan 15 november 2021 op de hoogte is geraakt van de beschikking van 2 november 2021 is het op 17 november 2021 ingestelde beroep in cassatie tijdig ingesteld.
3.4
Aan de ontvankelijkheid van het cassatieberoep doet niet af dat in de onderhavige zaak het cassatieberoep is ingesteld nadat de cassatieschriftuur is ingediend. Dat is niet alleen een ongebruikelijke, maar ook een onhandige en niet helemaal risicoloze volgorde. Uit art. 447 Sv blijkt dat eerst cassatie moet worden ingesteld, dat daarna door het gerecht dat de bestreden beslissing heeft genomen de stukken van het geding naar de Hoge Raad worden gezonden, dat vervolgens aan de partij die cassatie heeft ingesteld wordt aangezegd dat de stukken van het geding bij de Hoge Raad zijn ingekomen en dat eerst dan pas een cassatieschriftuur moet worden ingediend. Deze volgorde verkleint het risico op fouten. Indien schrifturen worden ingediend voordat ter griffie van een gerecht – in dit geval een rechtbank – formeel cassatie is ingesteld, kunnen deze schrifturen in het ongerede raken doordat de zaak in het systeem van de Hoge Raad nog niet bekend is. De zaak wordt door de Hoge Raad pas ingeschreven en van een zaaknummer voorzien, nadat bij de griffie van het gerecht in feitelijke aanleg cassatie is ingesteld. Dat betekent echter niet dat de volgorde die art. 447 Sv voorschrijft dusdanig dwingend is dat afwijking van deze volgorde consequenties heeft voor de ontvankelijkheid van het cassatieberoep. Dat is uiteraard anders wanneer te vroeg cassatie is ingesteld, dat wil zeggen vóórdat de einduitspraak is gewezen.
3.5
Kortom: de klager is ontvankelijk in zijn cassatieberoep.
4Het eerste middel
4.1
In het middel wordt geklaagd dat de rechtbank “ten onrechte is overgegaan tot schriftelijke afdoening, zonder (de klager) daar expliciete toestemming voor te vragen en zonder (de klager) te informeren over deze schriftelijke afdoening”.
4.2
Het cassatiemiddel klaagt in de kern dat geen openbare behandeling van het klaagschrift heeft plaatsgevonden. Aangevoerd wordt dat de klager niet is verzocht of de procedure schriftelijk mocht worden afgedaan, dat hij daarmee niet in de gelegenheid is gesteld zijn beklag mondeling toe te lichten, dat hij nooit expliciet heeft afgezien van het geven van een mondelinge toelichting en dat het aanwezigheidsrecht is geschonden.
4.3
In de bestreden beschikking is met betrekking tot de gevolgde procedure het volgende opgenomen:
“Namens voornoemde klager is bezwaar ingediend, gericht tegen het uitblijven van een last tot teruggave met betrekking tot hetgeen onder hem inbeslaggenomen is.
Conclusie
5.1
Het eerste middel is terecht voorgesteld, zodat het tweede middel niet behoeft te worden besproken.
5.2
Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden beschikking aanleiding behoren te geven.
5.3
Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot terugwijzing van de zaak naar de rechtbank Noord-Nederland, opdat de zaak opnieuw wordt behandeld en afgedaan.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
De in de cassatieschriftuur betrokken stelling dat “de beschikking [AG: ik begrijp dat wordt bedoeld de beschikking van specifiek de rechtbank Noord-Nederland] geheel niet verwacht mocht worden, nu de laatste correspondentie afkomstig vanuit de rechtbank Noord-Nederland zag op het doorsturen van klaagschrift naar de rechtbank Amsterdam”, lijkt feitelijke grondslag te missen. De griffier van de rechtbank Noord-Nederland heeft immers per brief van 20 oktober 2021 aan de raadsvrouw bericht dat het door haar op 17 september 2021 ingediende klaagschrift bij de griffie van de rechtbank is ingeschreven. Wat daar ook van zij, voor de beoordeling van de ontvankelijkheid van het cassatieberoep, maakt dit geen verschil.
Vgl. ook A.J.A. van Dorst en M.J. Borgers, Cassatie in strafzaken, Deventer: Kluwer 2022, p. 44 en hun verwijzing naar HR 26 juni 2018, ECLI:NL:HR:2018:1015.
Vgl. ook A.J.A. van Dorst en M.J. Borgers, Cassatie in strafzaken, Deventer: Kluwer 2022, p. 44 en hun verwijzing naar HR 1 december 1981, NJ 1982/156 en HR 31 mei 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT3561, NJ 2005/428.
Vgl. HR 2 november 2021, ECLI:NL:HR:2021:1568, rov. 2.1. In die zaak werd in de cassatieschriftuur geklaagd over schending van het aanwezigheidsrecht en het recht op hoor en wederhoor en werd niet expliciet geklaagd dat geen openbare behandeling van het klaagschrift heeft plaatsgevonden.
Vgl. HR 22 juni 2021, ECLI:NL:HR:2021:854, NJ 2021/249 rov. 2.4, HR 2 november 2021, ECLI:NL:HR:2021:1568, rov. 2.4, HR 2 november 2021, ECLI:NL:HR:2021:1497, rov. 2.4 en HR 5 juli 2022, ECLI:NL:HR:2022:972, rov. 2.2.