Rechtspraak
Parket bij de Hoge Raad
2023-01-17
ECLI:NL:PHR:2023:10
Strafrecht
2,307 tokens
Conclusie
D.J.M.W. Paridaens
In de zaak
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1953,
hierna: de verdachte.
Inleiding
De verdachte is bij arrest van 16 juli 2021 door het gerechtshof Den Haag niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep tegen het verstekvonnis van de politierechter in de rechtbank Den Haag van 7 februari 2020, waarbij de verdachte wegens “overtreding van artikel 9, vijfde lid, van de Wegenverkeerswet 1994” is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twee weken.
Namens de verdachte hebben J.G.W.M. Lut en M.G. Cantarella, beiden advocaat te Den Haag, één middel van cassatie voorgesteld.
Het middel
3. Het middel bevat de klacht dat het hof de verdachte ten onrechte, althans onbegrijpelijk gemotiveerd, niet-ontvankelijk heeft verklaard in het namens hem ingestelde hoger beroep.
4. De aan de Hoge Raad gezonden stukken houden – voor zover voor de bespreking van het middel van belang – het volgende in:
(i) op 28 december 2019 is de dagvaarding voor de terechtzitting van de politierechter van 7 februari 2020 aan de verdachte in persoon uitgereikt;
(ii) op 7 februari 2020 is de verdachte door de politierechter bij verstek veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twee weken;
(iii) op 6 maart 2020 heeft de Reclassering een detentieverklaring opgesteld waaruit blijkt dat de verdachte op 27 januari 2020 in Frankrijk is gearresteerd en daar sindsdien in detentie verblijft;
(iv) op 13 maart 2020 is namens de verdachte hoger beroep ingesteld tegen het voornoemde verstekvonnis van 7 februari 2020;
(v) op 16 juli 2021 heeft het hof de verdachte bij arrest niet-ontvankelijk verklaard in het namens hem ingestelde hoger beroep.
5. Uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 16 juli 2021 blijkt dat de raadsman van de verdachte aldaar het woord heeft gevoerd overeenkomstig de bij die gelegenheid overlegde pleitaantekeningen. Deze houden onder meer het volgende in:
“2. Door de verdediging wordt niet betwist dat de dagvaarding in eerste aanleg op 28 december 2019 in persoon aan cliënt is uitgereikt. Evenmin wordt betwist dat niet binnen de geldende termijn ex artikel 408, eerste lid, Sv hoger beroep is ingesteld tegen het vonnis van de politierechter. Blijkens staande jurisprudentie dient het voorgaande niet tot niet-ontvankelijkheid in het hoger beroep te leiden wanneer er sprake is van bijzondere, niet aan cliënt toe te rekenen, omstandigheden welke de overschrijding van de termijn verontschuldigbaar doen zijn.
3. Cliënt is in eerste aanleg niet door een raadsman bijgestaan. Vervolgens is cliënt zelf op 27 januari 2020, kort voor de zitting, in hechtenis genomen in Frankrijk. Daar heeft hij geruime tijd verbleven. Het behoeft volgens de verdediging geen uitleg dat deze detentie communicatie, in de vorm van een aanhoudingsverzoek of het instellen van hoger beroep, in ernstige mate bemoeilijkt en clients aandacht gericht was op het beëindigen van de detentie in Frankrijk. Bij de beoordeling van deze omstandigheden dient bovendien te worden betrokken dat cliënt er niet zonder meer van had mogen uitgaan dat de zaak op 7 februari 2020, buiten zijn aanwezigheid vanwege zijn detentie, zou worden afgedaan. Dat cliënt daar ook niet van uit ging blijkt mijns inziens uit de omstandigheid dat het niet cliënt zelf is geweest die contact heeft opgenomen om hoger beroep in te stellen, maar de vrouw van cliënt die aan de bel heeft getrokken nadat zij een brief over de uitspraak ontving.
4. Gelet op het voorgaande is er naar de mening van de verdediging sprake van bijzondere, niet aan cliënt toe te rekenen, omstandigheden die overschrijding van de termijn rechtvaardigen. Mijns inziens is cliënt dan ook ontvankelijk in zijn hoger beroep.”
6. Het hof heeft de verdachte niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep en in de aantekening mondeling arrest het volgende overwogen:
“Ontvankelijkheid van de verdachte in het hoger beroep
De dagvaarding van de verdachte om te verschijnen op de terechtzitting van de politierechter, is op 28 december 2019 in persoon uitgereikt aan de verdachte. De verdachte was dus op de hoogte van de terechtzitting. Het hof stelt verder vast dat de verdachte er in het procesdossier blijk van heeft gegeven de Nederlandse taal te beheersen. Dit betekent dat de verdachte binnen veertien dagen na het vonnis van 7 februari 2020 hoger beroep had moeten instellen. Naar het oordeel van het hof is niet gebleken van een verschoonbare overschrijding van deze termijn. De verdachte moet derhalve niet-ontvankelijk in het hoger beroep worden verklaard.”
7. Bij de bespreking van het middel moet het volgende worden voorop gesteld. De wet bepaalt in welke gevallen en binnen welke termijn een rechtsmiddel kan worden ingesteld. Deze termijnen zijn van openbare orde. Overschrijding van de termijn voor het instellen van hoger beroep betekent dat de verdachte niet in zijn hoger beroep kan worden ontvangen. Slechts als sprake is van bijzondere, de verdachte niet toe te rekenen omstandigheden die de overschrijding van de termijn verontschuldigbaar doen zijn, kan het gevolg van niet-ontvankelijkverklaring achterwege blijven. Daarbij kan worden gedacht aan de omstandigheid dat de verdachte in een zodanige psychische gesteldheid verkeerd dat het verzuim tijdig hoger beroep in te stellen niet aan hem kan worden toegerekend. Ook kan de termijnoverschrijding verschoonbaar zijn indien er ambtelijke informatie is verstrekt waarmee de gerechtvaardigde verwachting is gewekt dat de beroepstermijn op een later tijdstip aanvangt dan uit de wettelijke regeling voortvloeit, of in geval er sprake is van ander handelen of nalaten van de overheid. In ieder geval geldt dat de rechter die een duidelijk en gemotiveerd verweer betreffende de verontschuldigbaarheid van de termijnoverschrijding verwerpt, deze beslissing uitdrukkelijk en met redenen omkleed moet nemen.
8. Het middel klaagt ten eerste dat het hof heeft nagelaten te responderen op het verweer dat sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding vanwege de detentiesituatie van de verdachte in Frankrijk en de gestelde daarmee samenhangende bemoeilijkte communicatie met Nederland.
9. De raadsman van de verdachte heeft in hoger beroep betoogd dat er sprake is van bijzondere, niet aan de verdachte toe te rekenen, omstandigheden die overschrijding van de termijn rechtvaardigen. Daartoe heeft hij aangevoerd dat de verdachte kort voor de terechtzitting in eerste aanleg in hechtenis is genomen in Frankrijk en dat daardoor communicatie, in de vorm van een aanhoudingsverzoek of het instellen van hoger beroep, in ernstige mate bemoeilijkt was. Bovendien had de verdachte er vanwege zijn detentie (in Frankrijk) niet vanuit hoeven gaan dat de zaak in eerste aanleg buiten zijn aanwezigheid zou worden afgedaan.
10. Het hof heeft overwogen dat de verdachte op de hoogte was van de terechtzitting in eerste aanleg en dat hij tevens de Nederlandse taal beheerst. Vervolgens heeft het hof geoordeeld dat van een verschoonbare termijnoverschrijding niet is gebleken en de verdachte niet-ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep. Met de overweging dat “niet [is] gebleken van een verschoonbare overschrijding van deze termijn” heeft het hof gereageerd op het verweer van de raadsman. Het hof heeft deze beslissing – gelet op hetgeen ik onder randnummer 7 heb vooropgesteld – echter ten onrechte niet met redenen omkleed. Het middel klaagt daarover terecht.
11. De vraag is vervolgens of dit verzuim tot cassatie dient te leiden. Daarbij neem ik ten eerste in aanmerking dat er in onderhavige zaak geen sprake is van een verweer dat ziet op de psychische gesteldheid van de verdachte of op een ambtelijk verzuim, dan wel ander handelen of nalaten van de overheid.
Conclusie
15. Het middel faalt.
16. Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoort te geven.
17. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
HR 28 maart 1995, ECLI:NL:HR:1995:ZC9983 (niet gepubliceerd), NJ 1995/500, m.nt. T.M. Schalken, r.o. 5.3.
HR 6 januari 2004, ECLI:NL:HR:2004:AN8587, r.o. 3.4.
Zie bijvoorbeeld HR 9 juli 2019, ECLI:NL:HR:2019:1082, r.o. 2.5.2 en HR 30 juni 2020, ECLI:NL:HR:2020:1161, r.o. 3.8.
Zie in dit verband HR 11 juni 2013, ECLI:NL:HR:2013:CA2539, r.o. 2.4 en HR 6 december 2022, ECLI:NL:HR:2022:1816, r.o. 2.5.
HR 22 februari 2005, ECLI:NL:HR:2005:AR3700, r.o. 3.7, zoals herhaald in HR 12 oktober 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL7694, NJ 2010/585, m.nt. Y. Buruma, r.o. 2.5 en HR 23 november 2021, ECLI:NL:HR:2021:1742, r.o. 2.3.
Zie ECLI:NL:PHR:2014:590, onder 4.7. De Hoge Raad deed de zaak af met de aan art. 81 lid 1 RO ontleende motivering.