Rechtspraak
Parket bij de Hoge Raad
2022-10-14
ECLI:NL:PHR:2022:952
Civiel recht; Verbintenissenrecht
6,479 tokens
Conclusie
T. Hartlief
In de zaak
1. [eiser 1] (hierna: ‘ [eiser 1] ’); en
2. [eiseres 2] (tezamen met [eiser 1] : ‘ [eisers] ’)
tegen
[verweerder]
(hierna: ‘ [verweerder] ’)
[eisers] hebben een koopovereenkomst met [verweerder] gesloten voor de overname tegen betaling van € 150.000 van een winkel, inventaris, voorraden en een huurovereenkomst. [eisers] hebben € 100.000 betaald en de winkel gedurende vijf maanden geëxploiteerd, waarna zij het winkelpand hebben leeggehaald en de sleutel van het pand bij de eigenaar daarvan (niet [verweerder] ) hebben ingeleverd. Vervolgens hebben zij [verweerder] in deze procedure aangesproken tot – in de kern – terugbetaling van de reeds aanbetaalde € 100.000 wegens tekortschieten door [verweerder] in diens verbintenissen uit de koopovereenkomst. Op zijn beurt heeft [verweerder] in reconventie, juist omdat [eisers] de koopprijs niet volledig hadden betaald, een verklaring voor recht gevorderd dat hij de koopovereenkomst heeft ontbonden althans gevorderd dat de koopovereenkomst alsnog gerechtelijk zou worden ontbonden, met veroordeling van [eisers] tot schadevergoeding op grond van art. 6:277 BW. Zowel rechtbank als hof zijn tot de conclusie gekomen dat [verweerder] niet en [eisers] wel zijn tekortgeschoten in de nakoming van hun verbintenissen, alsook dat [verweerder] de koopovereenkomst in verband hiermee buitengerechtelijk heeft ontbonden.
In cassatie gaat het enkel om de veroordeling door het hof van [eisers] tot schadevergoeding op grond van art. 6:277 BW. Daarbij heeft het hof, in cassatie niet bestreden, aan de hand van een deskundigenbericht geoordeeld dat niet is komen vast te staan dat, op het moment dat [eisers] de sleutels van de winkel inleverden, de winkel enige positieve waarde vertegenwoordigde die op de schade van [verweerder] in mindering moet worden gebracht. Het hof heeft daarom de volledige koopprijs van € 150.000 als ontbindingsschade van [verweerder] aangemerkt. Tegen dit oordeel van het hof richt zich het cassatiemiddel van [eisers]
Feiten
1.1
In cassatie kan van de volgende feiten worden uitgegaan.
1.2
[verweerder] is vennoot in de vennootschap onder firma Me Georgeous!, die meerdere winkels in parfums en cosmetica drijft, waaronder de winkel ‘Catwalk Look’ in Rotterdam.
1.3
In november 2014 zijn [eisers] met [verweerder] overeengekomen dat zij laatstgenoemde winkel en wat daarbij hoorde – de inventaris, de handelsnaam, de voorraden en de huurovereenkomst – van [verweerder] kochten. In cassatie kan worden uitgegaan van een (mondeling) overeengekomen koopprijs van € 150.000, hoewel [verweerder] in feitelijke instanties heeft gesteld dat de koopprijs € 173.000 bedroeg. Van de koopprijs hebben [eisers] € 100.000 aan [verweerder] betaald.
1.4
Medio januari 2015 hebben [eisers] de sleutel van het winkelpand gekregen; vanaf dat moment zijn zij de winkel gaan uitbaten.
1.5
Op 29 mei 2015 heeft [verweerder] met drie anderen de winkel bezocht en gezegd dat [eiser 1] uit de winkel moet vertrekken. [eiser 1] heeft de politie gebeld, waarop [verweerder] en de zijnen zijn vertrokken. [eisers] hebben de winkel daarna niet meer voor publiek geopend.
1.6
Op 1 juni 2015 is aan [eisers] een huurovereenkomst voor de winkel op eigen naam aangeboden, onder de voorwaarde van betaling aan [verweerder] van € 50.000 (het restant van de koopprijs). [eisers] zijn niet op dit aanbod ingegaan. [eisers] zijn de winkel vervolgens gaan leeghalen.
1.7
Bij brief van 15 juni 2015 heeft de toenmalig advocaat van [verweerder] [eisers] gesommeerd om het restant van de verschuldigde koopprijs uiterlijk op 19 juni 2015 te voldoen. Aan deze sommatie hebben [eisers] geen gehoor gegeven.
1.8
Op 18 juni 2015 hebben [eisers] de sleutel van de inmiddels lege winkel bij de eigenaar van het pand ingeleverd.
1.9
[verweerder] heeft op 21 december 2016 de ontbinding van de volgens hem gesloten koopovereenkomst ingeroepen in zijn conclusie van antwoord tevens eis in reconventie.
Procesverloop
Eerste aanleg
2.1
Op 27 oktober 2016 hebben [eisers] [verweerder] gedagvaard voor de rechtbank Rotterdam. Zij hebben gevorderd [verweerder] te veroordelen tot betaling van € 91.777, omdat hij zou zijn tekortgeschoten in de nakoming van zijn verbintenissen uit de koopovereenkomst. In de kern is de vordering gericht op terugbetaling door [verweerder] van het door [eisers] reeds betaalde deel van de koopprijs.
2.2
In reconventie heeft [verweerder] een verklaring voor recht gevorderd met als inhoud dat hij de koopovereenkomst buitengerechtelijk heeft ontbonden en subsidiair gevorderd de koopovereenkomst alsnog bij vonnis gerechtelijk te ontbinden, met veroordeling van [eisers] tot betaling van € 103.425,91. [verweerder] heeft betoogd dat juist [eisers] zijn tekortgeschoten in de nakoming van hun verbintenissen uit de koopovereenkomst. [verweerder] heeft gesteld dat vanwege de ontbinding over en weer ongedaanmakingsverplichtingen zijn ontstaan en een schadevergoedingsplicht tot opheffing van het geleden nadeel.
2.3
Bij vonnis van 15 november 2017 heeft de rechtbank geoordeeld dat [verweerder] de op hem rustende verbintenissen uit de koopovereenkomst is nagekomen en [eisers] de op hen rustende betalingsverbintenis uit de koopovereenkomst niet zijn nagekomen (rov. 4.3.). [eisers] zijn te dien aanzien in verzuim geraakt, waarna [verweerder] de koopovereenkomst mocht ontbinden (rov. 4.5.).
2.4
Ten aanzien van de gevolgen van de ontbinding (bevrijding van nog openstaande verbintenissen (zoals de verplichting van [eisers] tot betaling van het restant van de koopprijs (rov. 4.7.) (hierna randnummer 2.5)) en ongedaanmaking van de reeds verrichte prestaties (zoals restitutie door [verweerder] van de aanbetaling van € 100.000 (rov. 4.8.)) heeft de rechtbank geoordeeld dat de vordering in conventie van [eisers] kan worden toegewezen tot een bedrag van € 91.027 en de vordering in reconventie van [verweerder] tot een bedrag van € 40.493,15. Na verrekening heeft de rechtbank [verweerder] veroordeeld tot betaling aan [eisers] van € 50.553,85 en voor recht verklaard dat [verweerder] de koopovereenkomst buitengerechtelijk heeft ontbonden.
2.5
De rechtbank heeft de reconventionele vordering van [verweerder] afgewezen voor zover die zag op betaling van het restant van de koopsom door [eisers] :
“Gevolgen ontbinding
4.6. Een ontbinding bevrijdt de partijen van de daardoor getroffen verbintenissen. Voor zover deze reeds zijn nagekomen, blijft de rechtsgrond voor deze nakoming in stand maar ontstaat voor partijen een verbintenis tot ongedaanmaking van de reeds door hen ontvangen prestaties (artikel 6:271 BW). Artikel 6:277 BW bepaalt dat indien een overeenkomst geheel of gedeeltelijk wordt ontbonden, de partij wier tekortkoming een grond voor ontbinding heeft opgeleverd, verplicht is haar wederpartij de schade te vergoeden die deze lijdt doordat geen wederzijdse nakoming doch ontbinding van de overeenkomst plaatsvindt.
4.7. [verweerder] vordert de betaling van het restant van de koopsom. Dit deel van de vordering zal worden afgewezen omdat de ontbinding [eisers] bevrijdt van nakoming van de betalingsverbintenis uit de koopovereenkomst, ook al diende deze verbintenis al voor de ontbinding te worden nagekomen (zie het arrest van de Hoge Raad van 5 oktober 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW8307).”
Hoger beroep
2.6
[verweerder] is bij het hof Den Haag in hoger beroep gekomen van het vonnis van de rechtbank. Hij heeft daarin onder meer gevorderd dat [eisers] worden te veroordeeld tot betaling van € 107.723,83.
2.7
Bij tussenarrest van 23 april 2019, dat in cassatie niet wordt bestreden, heeft het hof, net als de rechtbank, geoordeeld dat [eisers] zijn tekortgeschoten in de nakoming van de koopovereenkomst en [verweerder] niet, waardoor [verweerder] de koopovereenkomst rechtsgeldig heeft ontbonden (rov. 6.4.-6.10.). Vervolgens is het hof ingegaan op de gevolgen van deze ontbinding en wat een en ander betekent voor de vorderingen van [eisers] respectievelijk [verweerder] .
2.8
Ten aanzien van de vordering van [eisers] heeft het hof, voor zover in cassatie nog van belang, aldus overwogen:
“De vordering van [eisers]
6.11. De vordering van [eisers] in eerste aanleg was opgebouwd uit (a.) het door hem betaalde deel van de koopprijs (€ 100.000), vermeerderd met (b.) een bedrag van € 4.750 dat [eiser 1] naar zijn zeggen contant aan [verweerder] heeft betaald voor de huur van de winkel, onder aftrek van (c.) door hem gegenereerde contante verkoopopbrengsten van € 8.973 en de opbrengst van de door hem verkochte restantvoorraad van € 4.000: € 100.000 + € 4.750 - € 8.973 - €4.000 = € 91.777.
6.12. Het hof merkt hierover het volgende op.
Ad. a. Het betaalde deel van de koopprijs vormt een aftrekpost in de vordering van [verweerder] [tot schadevergoeding ex art. 6:277 BW, A-G]. In zoverre staat deze vordering niet ter discussie.
(…)”
2.9
Daarop volgt een bespreking van de vordering van [verweerder] . In dit verband heeft het hof overwogen, ook hier voor zover in cassatie nog van belang, dat [verweerder] vergoeding van ontbindingsschade vordert (art. 6:277 lid 1 BW) en dat de waarde die de winkel/het huurcontract vertegenwoordigde op het moment dat [eisers] de winkel medio juni 2015 aan [verweerder] hebben “teruggegeven”, bij de begroting van de schade van [verweerder] moet worden verdisconteerd:
“De primaire vorderingen van [verweerder] (voorts)
6.13. Bij de beoordeling van de geldvordering van [verweerder] stelt het hof het volgende voorop. Op grond van de ontbinding van de koopovereenkomst hebben partijen over en weer aanspraak op ongedaanmaking van reeds door de ander ontvangen prestaties (artikel 6:271 van het Burgerlijk Wetboek (BW)) en waarde- respectievelijk schadevergoeding voor zover de betreffende prestaties naar hun aard niet ongedaan kunnen worden gemaakt (artikel 6:272 BW) of aan de betreffende ongedaanmakingsverbintenissen niet is of wordt voldaan (artikel 6:74 BW). Daarnaast heeft [verweerder] aanspraak op vergoeding van de schade die hij lijdt doordat geen wederzijdse nakoming, doch ontbinding van de overeenkomst heeft plaatsgevonden (artikel 6:277 lid 1 BW).
6.14. [verweerder] vordert primair ontbindingsschade (artikel 6:277 lid 1 BW). Zijn standpunt luidt dat hij bij wederzijdse nakoming de volledige koopprijs van € 173.000,- (post A (…)) zou hebben ontvangen. Van of vanwege [eisers] heeft [verweerder] een aanbetaling op de koopprijs en pinbetalingen ontvangen; deze bedragen trekt hij van zijn koopprijs af (posten B en C). Verder stelt [verweerder] dat hij bij wederzijdse nakoming diverse door hem gemaakte kosten van [eisers] vergoed zou hebben gekregen of niet zou hebben gemaakt. Deze telt hij dus weer bij zijn schade op (posten D-H). [verweerder] stelt dat het resultaat, uitkomend op een bedrag van € 107.723,83, de schade is die hij heeft geleden (…). [verweerder] gaat er bij de berekening van zijn vermogenspositie bij de ontbinding van uit dat de winkel die [eisers] medio 2015 heeft terug[ge]geven (bestaande uit de handelsnaam, de toen nog aanwezige inrichting en inventaris en, in zijn relatie tot [eisers] , het bijbehorende huurcontract) op dat moment voor hem geen (positieve) waarde vertegenwoordigde, zodat deze herkrijging niet in mindering strekt op zijn schade. [eisers] betwist dat: volgens hem vertegenwoordigde de winkel/het huurcontract wel waarde.
Conclusie
De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G
Ontleend aan rov. 2.1. tot en met 2.4. van het in cassatie niet bestreden tussenarrest van 23 april 2019 (hof Den Haag 23 april 2019, ECLI:NL:GHDHA:2019:815).
Het hof heeft [verweerder] bewijs opgedragen van zijn stelling dat de overeengekomen prijs € 173.000 bedroeg en niet € 150.000 (hof Den Haag 23 april 2019, ECLI:NL:GHDHA:2019:815, rov. 6.18.). [verweerder] heeft van bewijslevering afgezien (hof Den Haag 26 november 2019, zaaknummer 200.228.468/01 (niet gepubliceerd), rov. 2.2.), waarna het hof van een koopprijs van € 150.000 is uitgegaan. Hiertegen wordt in cassatie niet opgekomen.
Productie 2 bij de inleidende dagvaarding.
Productie 8 bij de conclusie van antwoord tevens eis in reconventie.
Conclusie
Dit bedrag van € 91.777 bestaat uit de door [eisers] aan [verweerder] betaalde koopsom van € 100.000, plus huurbetalingen van € 4.750, minus ontvangen contante betalingen van € 8.973, minus de opbrengst van de verkoop van de voorraad van de winkel ten bedrage van € 4.000. Zie Rb. Rotterdam 15 november 2017, zaaknummer C/10/513693 / HA ZA 16-1083 (niet gepubliceerd), rov. 3.2.
Dit bedrag van € 103.425,91 bestaat uit het niet ontvangen deel van de koopsom, plus een vergoeding voor diverse door [verweerder] gemaakte kosten in de periode van 15 januari 2015 tot 30 september 2015. Zie Rb. Rotterdam 15 november 2017, zaaknummer C/10/513693 / HA ZA 16-1083 (niet gepubliceerd), rov. 3.4. en 3.5.
Rb. Rotterdam 15 november 2017, zaaknummer C/10/513693 / HA ZA 16-1083 (niet gepubliceerd), rov. 3.5.
Rb. Rotterdam 15 november 2017, zaaknummer C/10/513693 / HA ZA 16-1083 (niet gepubliceerd).
De aanbetaling van € 100.000 minus ontvangen contante betalingen van € 8.973 = € 91.027. Zie Rb. Rotterdam 15 november 2017, zaaknummer C/10/513693 / HA ZA 16-1083 (niet gepubliceerd), rov. 5.1.
Betaalde huurpenningen van € 14.250, plus de waarde van de voorraad per 15 januari 2015 van € 37.701,31, plus betaalde energiekosten van € 118 en personeelskosten van € 696, minus ontvangen pinbetalingen van € 12.272,16 = € 40.493,15. Zie Rb. Rotterdam 15 november 2017, zaaknummer C/10/513693 / HA ZA 16-1083 (niet gepubliceerd), rov. 5.2.
Rb. Rotterdam 15 november 2017, zaaknummer C/10/513693 / HA ZA 16-1083 (niet gepubliceerd), rov. 5.3. en het dictum.
Rb. Rotterdam 15 november 2017, zaaknummer C/10/513693 / HA ZA 16-1083 (niet gepubliceerd).
Dit bedrag van € 107.723,83 bestaat uit de volgens [verweerder] overeengekomen koopsom van € 173.000, minus de reeds door [eisers] betaalde € 100.000, minus door [verweerder] ontvangen pinbetalingen van € 12.272,26, plus diverse door [verweerder] gemaakte kosten ten bedrage van in totaal € 46.996,09. Zie hof Den Haag 23 april 2019, ECLI:NL:GHDHA:2019:815, rov. 5.2.
Hof Den Haag 23 april 2019, ECLI:NL:GHDHA:2019:815.
Hof Den Haag 26 november 2019, zaaknummer 200.228.468/01 (niet gepubliceerd).
Hof Den Haag 6 juli 2021, ECLI:NL:GHDHA:2021:1969.
Aan de subsidiaire schadevergoedingsvordering van [verweerder] (in verband met schade geleden door niet-nakoming door [eisers] van hun ongedaanmakingsverbintenis) is het hof niet toegekomen. Zie hof Den Haag 6 juli 2021, ECLI:NL:GHDHA:2021:1969, rov. 2.21. e.v.
Randnummer 1. van de procesinleiding.
HR 8 juli 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ1684, NJ 2012/684 m.nt. T.F.E. Tjong Tjin Tai en Ars Aequi 2012, p. 366 e.v. m.nt. W.H. van Boom (G4 Beheer/Hanzevast Beleggingen), rov. 3.3.4. Zie verder onder meer Asser Verbintenissenrecht/C.H. Sieburgh, Deel 6-III. Algemeen overeenkomstenrecht, Deventer: Wolters Kluwer 2018, nrs. 710 en 711, Verbintenissenrecht algemeen (SBR-reeks deel 4), Deventer: Wolters Kluwer 2022, nr. 250 (G.T. de Jong/H.B. Krans) en F.B. Bakels, Ontbinding van overeenkomsten (Mon. BW B58), Deventer: Kluwer 2011, nr. 84.
HR 24 september 2004, ECLI:NL:HR:2004:AP7760, NJ 2006/201 m.nt. H.J. Snijders ([…]/[…]), rov. 4.2. Zie ook Parl. Gesch. Boek 6, p. 1036, Asser Verbintenissenrecht/C.H. Sieburgh, Deel 6-III. Algemeen overeenkomstenrecht, Deventer: Wolters Kluwer 2018, nr. 711 en GS Verbintenissenrecht, art. 6:277 BW (actueel tot en met 25 augustus 2020), aant. 4 (W.H. van Boom).
Het positieve contractsbelang houdt in dat de schuldeiser door de schadevergoeding in de positie moet worden gebracht alsof het contract behoorlijk was nagekomen. Dit moet worden onderscheiden van het negatief contractsbelang, dat bestaat uit de schade die de schuldeiser lijdt ten opzichte van de situatie waarin hij zou hebben verkeerd als geen overeenkomst zou zijn gesloten. Zie Asser Verbintenissenrecht/C.H. Sieburgh, Deel 6II. De verbintenis in het algemeen, tweede gedeelte, Deventer: Wolters Kluwer 2021, nr. 26 en Verbintenissen uit de wet en Schadevergoeding (SBR-reeks deel 5), Deventer: Wolters Kluwer 2021, nr. 203 (T. Hartlief).
HR 8 juli 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ1684, NJ 2012/684 m.nt. T.F.E. Tjong Tjin Tai en Ars Aequi 2012, p. 366 e.v. m.nt. W.H. van Boom (G4 Beheer/Hanzevast Beleggingen), rov. 3.3.4. Zie ook Asser Verbintenissenrecht/C.H. Sieburgh, Deel 6-III. Algemeen overeenkomstenrecht, Deventer: Wolters Kluwer 2018, nrs. 710 en 711, Verbintenissenrecht algemeen (SBR-reeks deel 4), Deventer: Wolters Kluwer 2022, nr. 250 (G.T. de Jong/H.B. Krans) en GS Verbintenissenrecht, art. 6:277 BW (actueel tot en met 25 augustus 2020), aant. 2 (W.H. van Boom).
Nota van repliek van [eisers] , eerste alinea.
Voetnoot 4 in de procesinleiding.
Randnummer 2. van de procesinleiding.
Procesverloop
[verweerder] betwist – terecht – niet dat als (het oordeel zou moeten luiden dat) de winkel/het huurcontract waarde vertegenwoordigde, deze dient te worden verdisconteerd bij de begroting van zijn schade.”
2.10
Het hof heeft in het tussenarrest van 23 april 2019 verder geoordeeld dat [verweerder] voorshands onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de winkel, inclusief het huurcontract en de handelsnaam ‘Catwalk Look’, per medio juni 2015 waardeloos was (rov. 6.29.). Volgens het hof lag het in de rede om in dit kader een deskundigenbericht te gelasten (rov. 6.30.). Bij tussenarrest van 26 november 2019 heeft het hof een deskundige benoemd.
2.11
Bij eindarrest van 6 juli 2021 (het bestreden arrest) heeft het hof overwogen dat de deskundige (i) de waarde van de winkel op ongeveer € 170.000 negatief heeft berekend, (ii) de waarde van het huurcontract op € 14.000 negatief per jaar en (iii) de positieve of negatieve invloed van het recht om de handelsnaam Catwalk Look te voeren niet heeft kunnen vaststellen (rov. 2.12.-2.14.). Het hof heeft geconcludeerd dat niet is komen vast te staan dat de teruggave van de winkel door [eisers] aan [verweerder] medio juni 2015 enige positieve waarde vertegenwoordigde die op de schade van [verweerder] in mindering moet worden gebracht (rov. 2.18.). [eisers] hebben deze conclusie van het hof in cassatie niet bestreden.
2.12
Het hof heeft de totale ontbindingsschade van [verweerder] aan de hand van de volgende specificatie vastgesteld op € 64.884,89 (rov. 2.20.):
A
overeengekomen koopprijs
€ 150.000,00
B
af: reeds ontvangen
- € 100.000,00
C
af: ontvangen pinbetalingen
- € 12.272,26
D
bij: personeelskosten
€ 1.471,00
E
bij: huur
€ 24.225,00
F
bij: energie
€ 1.051,00
G
bij: gemeentelijke heffingen
€ 410,15
H
bij: afgedragen btw
€ 0,00
€ 64.884,89
2.13
Het hof heeft het vonnis van de rechtbank vernietigd, de vorderingen van [eisers] afgewezen en [eisers] veroordeeld tot betaling aan [verweerder] van in hoofdsom € 64.884,89 (rov. 2.24.).
Cassatieberoep
2.14
Bij procesinleiding van 29 september 2021 hebben [eisers] – tijdig – cassatieberoep ingesteld tegen het bestreden arrest. [verweerder] heeft verweer gevoerd. [eisers] en [verweerder] hebben hun standpunten schriftelijk toegelicht en vervolgens gerepliceerd respectievelijk gedupliceerd.
3Bespreking van het cassatiemiddel
3.1
[eisers] klagen dat het onjuist of onbegrijpelijk is dat het hof in rov. 2.20. (randnummer 2.12 hiervoor) de overeengekomen koopsom van € 150.000 heeft betrokken bij de ontbindingsschade van [verweerder] . Volgens [eisers] behoort de koopsom niet tot de ontbindingsschade op grond van art. 6:277 BW, maar is deze onderdeel van de ongedaanmakingsverplichting op grond van art. 6:271 BW. Het hof had de overeengekomen koopsom van € 150.000 dus niet als ontbindingsschade van [verweerder] moeten aanmerken, maar moeten bepalen dat [verweerder] de door hem ontvangen € 100.000 als ongedaanmaking aan [eisers] moet restitueren.
3.2
De klachten falen.
3.3
Op grond van art. 6:277 lid 1 BW is, indien een overeenkomst wordt ontbonden, de partij wier tekortkoming een grond voor ontbinding heeft opgeleverd (in dit geval [eisers] ) verplicht om haar wederpartij ( [verweerder] ) de schade te vergoeden die zij lijdt doordat geen wederzijdse nakoming maar ontbinding van de overeenkomst plaatsvindt. Art. 6:277 BW strekt er aldus toe om buiten twijfel te stellen dat ook de schade die door de ontbinding wordt veroorzaakt (en die bij keuze van andere rechtsmiddelen niet zou zijn geleden) voor vergoeding in aanmerking komt.
3.4
De omvang van de door [eisers] te betalen schadevergoeding moet worden vastgesteld door een vergelijking te maken tussen enerzijds de hypothetische situatie waarin de schuldeiser ( [verweerder] ) zou hebben verkeerd bij een in alle opzichten onberispelijke wederzijdse nakoming en anderzijds de feitelijke situatie waarin de schuldeiser ( [verweerder] ) na ontbinding van de overeenkomst verkeert na afwikkeling van de, uit art. 6:271 BW voortvloeiende, verbintenissen tot teruggave dan wel ongedaanmaking. Dit houdt in dat ook de schade die het gevolg is van het niet (verder) uitvoeren van de overeenkomst, daaronder begrepen het zogenoemde positief contractsbelang, moet worden vergoed door de schuldenaar wiens verzuim heeft geleid tot het niet (verder) uitvoeren van de overeenkomst (in dit geval [eisers] ).
3.5
In deze zaak staat vast dat de tekortkoming van [eisers] een grond voor ontbinding door [verweerder] heeft opgeleverd, waardoor [eisers] verplicht zijn om de schade te vergoeden die [verweerder] heeft geleden doordat geen wederzijdse nakoming maar ontbinding van de koopovereenkomst heeft plaatsgevonden. De schade van [verweerder] moet worden berekend door een vergelijking te maken tussen de volgende twee situaties:
- de hypothetische situatie: indien [eisers] hun verplichtingen uit hoofde van de koopovereenkomst waren nagekomen, zou [verweerder] van hen een koopsom van € 150.000 hebben ontvangen; en
- de feitelijke situatie: na ontbinding van de koopovereenkomst en na nakoming van de over en weer geldende ongedaanmakingsverplichtingen (dus teruggave van de winkel door [eisers] en teruggave van de ontvangen € 100.000 door [verweerder] ), heeft [verweerder] de beschikking over de winkel, die op dat moment een negatieve waarde vertegenwoordigt.
3.6
Het verschil tussen de feitelijke situatie waarin [verweerder] zich bevindt en de hypothetische situatie waarin [verweerder] zich bij onberispelijke nakoming door [eisers] zou hebben bevonden, bedraagt € 150.000 in het nadeel van [verweerder] . Het is dan ook juist dat het hof de volledige koopsom van € 150.000 als onderdeel van de ontbindingsschade van [verweerder] heeft aangemerkt. Vervolgens heeft het hof, in het spoor van de vordering van [verweerder] (hiervoor randnummers 2.8, 2.9 en 2.12), van dit bedrag van € 150.000 afgetrokken het reeds door [verweerder] ontvangen deel van de koopsom ter grootte van € 100.000, welk bedrag hij aan [eisers] zou moeten terugbetalen op grond van art.