Rechtspraak
Parket bij de Hoge Raad
2022-06-10
ECLI:NL:PHR:2022:642
Civiel recht; Burgerlijk procesrecht
1,222 tokens
Conclusie
In de zaak
[eiser]
tegen
[verweerster]
1. Bij brief, ontvangen ter griffie van de Hoge Raad op 14 april 2022 (hierna: ‘procesinleiding’), heeft [eiser] zonder tussenkomst van een advocaat cassatieberoep ingesteld tegen het arrest van 18 januari 2022 van het hof Arnhem-Leeuwarden. In de procesinleiding wordt geen advocaat bij de Hoge Raad als bedoeld in art. 9j van de Advocatenwet aangewezen die [eiser] zal vertegenwoordigen.
2. Bij brief van 15 april 2022 heeft de griffie van de Hoge Raad aan [eiser] bericht dat het cassatieberoep niet op de voorgeschreven wijze is aangebracht, te weten door indiening van een procesinleiding in het webportaal van de Hoge Raad door een advocaat bij de Hoge Raad die [eiser] in het geding zal vertegenwoordigen. De griffie van de Hoge Raad heeft in de brief erop gewezen dat het verzuim kan worden hersteld door binnen twee weken na binnenkomst dezelfde procesinleiding opnieuw in te dienen, maar nu door een advocaat bij de Hoge Raad en via het webportaal van de Hoge Raad.
3. Bij brief met bijlagen, ontvangen ter griffie op 28 april 2022, heeft [eiser] aangegeven dat en op welke inhoudelijke gronden hij het cassatieberoep wil doorzetten. Op de daarvoor geldende formele vereisten wordt in die brief niet ingegaan.
4. De vraag die moet worden beantwoord is of [eiser] ontvankelijk is in zijn cassatieberoep. Een cassatieberoep in een burgerlijke zaak kan alleen worden ingesteld met tussenkomst van een advocaat bij de Hoge Raad. In een vorderingsprocedure, zoals deze procedure, moet het cassatieberoep op grond van art. 407 leden 1 en 3 Rv worden ingesteld door middel van een procesinleiding waarin een advocaat bij de Hoge Raad wordt aangewezen die eiser tot cassatie in het geding zal vertegenwoordigen. De procesinleiding moet op grond van art. 30c lid 1 in verbinding met art. 407 lid 1 Rv langs elektronische weg worden ingediend. Daarvoor is het webportaal van de Hoge Raad aangewezen.Volgens de rechtspraak van de Hoge Raad leidt het niet in acht nemen van deze voorschriften tot niet-ontvankelijkheid van eiser tot cassatie in zijn cassatieberoep. Dat is alleen anders indien de verzuimen zijn hersteld doordat dezelfde procesinleiding met inachtneming van de voorschriften opnieuw is ingediend. In dat verband hanteert de Hoge Raad een termijn van twee weken.
5. Herstel heeft in deze procedure niet plaatsgevonden.
6. [eiser] dient op grond van het voorgaande niet-ontvankelijk te worden verklaard in zijn cassatieberoep.
Conclusie
De conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van [eiser] in zijn cassatieberoep.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G
In burgerlijke zaken kan cassatieberoep immers slechts worden ingesteld door middel van een procesinleiding. Zie art. 407 lid 1 Rv en art. 426a lid 1 Rv.
Zaaknummer 200.293.275/01.
Uit de bijlagen valt af te leiden dat [eiser] van een advocaat bij de Hoge Raad een negatief cassatieadvies heeft ontvangen en dat de Deken van de Orde van advocaten op die grond een verzoek ex art. 13 Advocatenwet heeft afgewezen.
Dat is een advocaat die over bijzondere kwalificaties beschikt om in civiele cassatieprocedures te mogen optreden. Zie art. 9j van de Advocatenwet en de daarop gebaseerde regelgeving.
De grondslag daarvoor is te vinden in art. 30f Rv in verbinding met art. 2 van het Besluit elektronisch procederen (Stb. 2020/410). In art. 2.2.1 van het Procesreglement van de Hoge Raad (Stcrt. 2021/50896) is bepaald dat een procesdeelnemer die ingevolge een wettelijk voorschrift verplicht is in een procedure bij de Hoge Raad digitaal te procederen daartoe gebruikmaakt van het webportaal van de Hoge Raad.
Zie onder meer HR 29 september 2017, ECLI:NL:HR:2017:2525, NJ 2017/373 m.nt. A.I.M. van Mierlo, HR 6 april 2018, ECLI:NL:HR:2018:532, NJ 2018/260 m.nt. A.I.M. van Mierlo, HR 15 juni 2018, ECLI:NL:HR:2018:921, RvdW 2018/733, HR 28 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1786, RvdW 2018/1042, HR 15 februari 2019, ECLI:NL:HR:2019:237, RvdW 2019/269, HR 11 oktober 2019, ECLI:NL:HR:2019:1565, RvdW 2019/1059, HR 18 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:2090, RvdW 2021/91, HR 18 februari 2022, ECLI:NL:HR:2022:257, RvdW 2022/242 en HR 3 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:822. Voor wat betreft het voorschrift van art. 30c lid 1 Rv (indiening langs elektronische weg) volgt de sanctie van niet-ontvankelijkheid uit art. 30c lid 6, tweede volzin, Rv.
Zie de rechtspraak die in de voorgaande voetnoot is vermeld. Voor wat betreft het voorschrift van art. 30c lid 1 Rv (indiening langs elektronische weg) volgt uit art. 30c lid 6 Rv dat de rechter de gelegenheid moet geven het verzuim te herstellen binnen een door hem of haar te bepalen termijn.