Rechtspraak
Parket bij de Hoge Raad
2022-05-24
ECLI:NL:PHR:2022:444
Strafrecht
2,275 tokens
Conclusie
T.N.B.M. Spronken
In de zaak
[klaagster],
gevestigd te [vestigingsplaats],
hierna: de klaagster.
1Het cassatieberoep
1.1.
De rechtbank Noord-Nederland, zittingsplaats Leeuwarden, heeft bij beschikking van 20 augustus 2020 het klaagschrift ex art. 552a Sv van de klaagster strekkende tot opheffing van het beslag en teruggave aan de klaagster van de onder [betrokkene 1] ex art. 94 Sv in beslag genomen bestelauto, merk Volkswagen Transporter met kenteken [kenteken], ongegrond verklaard.
1.2.
Het cassatieberoep is ingesteld namens de klaagster en C.H.W. Janssen, advocaat te Arnhem, heeft één middel van cassatie voorgesteld. Het middel heeft betrekking op de door de rechtbank gevolgde procedure, meer in het bijzonder dat er geen mondelinge behandeling van het klaagschrift heeft plaatsgevonden.
2De ontvankelijkheid van het cassatieberoep
2.1.
Als eerste stel ik de ontvankelijkheid van het cassatieberoep aan de orde. Mijns inziens is het cassatieberoep niet op de juiste wijze ingesteld. Ik licht dat hierna toe.
2.2.
Bij de stukken van het geding bevindt zich een akte van uitreiking van de bestreden beschikking van 20 augustus 2020 met rekestnummer 20/005903 waaruit volgt dat deze op 3 september 2020 is uitgereikt op het vestigingsadres van de klaagster aan een ‘medewerker’.
2.3.
Verder bevindt zich bij de stukken een akte rechtsmiddel gedateerd 28 september 2020. Deze akte houdt het volgende in:
“Op 28 september 2020 kwam ter griffie van deze rechtbank, [betrokkene 2], medewerker centrale balie van voornoemde rechtbank, die - daartoe gemachtigd blijkens de aan deze akte gehechte brief welke dient te worden beschouwd als een bijzondere volmacht, verklaarde namens:
naam : [klaagster] gevestigd te : [vestigingsplaats], [a-straat 1],
beroep in cassatie in te stellen tegen de beschikking op het klaagschrift ex artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering in de zaak met bovenvermeld rekestnummer, tegen haar gewezen op 20 augustus 2020 door de enkelvoudige raadkamer, in deze rechtbank.”
2.4.
Aan deze akte is een drietal stukken gehecht. In de eerste plaats de bestreden beschikking met rekestnummer 20/005903. In de tweede plaats een brief van 24 september 2020 van de Hoge Raad aan de strafgriffie van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden met als onderwerp “doorsturen correspondentie”. Deze brief houdt, voor zover hier van belang, het volgende in:
“Hierbij stuur ik u de op 16 september 2020 bij de Hoge Raad binnengekomen brief van [betrokkene 3], gemachtigde namens [betrokkene 4] van [klaagster].
Uit de brief kan worden opgemaakt dat de betrokkene - het niet eens is met de beslissing van de rechtbank Noord-Holland, locatie Leeuwarden, van 20 augustus 2020. - cassatie wenst in te stellen tegen de uitspraak in de zaak met het rekestnummer 20/005903.
Of de inhoud van de brief kan worden opgevat als een bijzondere schriftelijke volmacht tot het instellen van een rechtsmiddel als bedoeld in art. 450 Sv laat ik ter beoordeling van de griffier van uw gerecht.
Ik verzoek u de bijgaande brief verder af te handelen.”
2.5.
Ten slotte is aan de akte een brief gehecht van 16 september 2020 van [betrokkene 3] aan de Hoge Raad met als onderwerp “Cassatie tegen beslissing Noord-Nederland”. De brief houdt het volgende in:
“Hierbij ga ik [betrokkene 3], wonende en kantoor hebbende aan de [b-straat 1] te [plaats], namens mijn cliënt, [betrokkene 4] van [klaagster], gelegen aan de [a-straat 1] te [vestigingsplaats], in cassatie tegen de beslissing op het klaagschrift van cliënt, door de Rechtbank Noord Nederland, afdeling strafrecht, locatie Leeuwarden (rekestnummer 20/005903).
Immers, op generlei wijze is mijn cliënt in de gelegenheid gesteld om te reageren of gehoord te worden op het verweerschrift van de betreffende officier, die op het klaagschrift van mijn cliënt is opgesteld. Ook is mijn cliënt op generlei wijze geïnformeerd over de mogelijkheid om te reageren op het verweerschrift van de officier, terwijl het verweerschrift nieuwe inzichten heeft gegeven in het gehele proces, waartegen mijn cliënt zich dus niet heeft mogen en kunnen verweren. Ook is mijn cliënt nimmer geïnformeerd over de datum van de rechtszitting, heeft daartoe nimmer een uitnodiging ontvangen en is zodoende belemmerd in zijn verweer tegen de officier. Wel heb ik, namens cliënt, gereageerd binnen een redelijke termijn (twee weken na het toegestuurde verweerschrift van de officier) op het verweerschrift van de officier, aangezien er vele nieuwe aannames zijn weergegeven door de officier. Echter, deze reactie op het verweerschrift is nimmer in behandeling genomen daar de rechtszitting één week na het verweerschrift plaatsvond. Hierover is mijn cliënt nimmer geïnformeerd waarmee zijn belangen zijn geschaad doordat hij nimmer in de gelegenheid is gesteld om inhoudelijk zijn visie te kunnen geven op het verweerschrift van de officier.
De rechtbank heeft zijn besluit genomen enkel en alleen op het verweerschrift van de officier; mijn cliënt is buiten deze procedure gehouden door hem op geen enkele manier te vragen naar een reactie op het verweerschrift en hem niet uit te nodigen voor de zitting waarbij hij zich zou kunnen verdedigen tegen het verweerschrift van de officier.
Ik verzoek u de beslissing van de rechtbank Noord Nederland, afdeling strafrecht, locatie Leeuwarden (rekestnummer 20/005903) ongegrond te verklaren en de zaak opnieuw te openen waarbij mijn cliënt volledig betrokken wordt bij de te volgen procedure opdat alle aspecten van deze zaak door een onafhankelijke rechter opnieuw beoordeeld kunnen worden.”
2.6.
Het voorgaande roept de vraag op of er tijdig en op de juiste wijze beroep in cassatie is ingesteld.
2.7.
Zoals gezegd houdt de akte van uitreiking van de beschikking in dat deze op 3 september 2020 is uitgereikt op het vestigingsadres van de klaagster. Op 16 september 2020 is bij de Hoge Raad schriftelijk namens de klaagster cassatie ingesteld door [betrokkene 3] welke eveneens in deze brief grieven tegen de beschikking naar voren heeft gebracht. Op 24 september 2020 is deze brief door de griffie van de Hoge Raad doorgezonden naar de rechtbank, waarbij het aan het oordeel van de griffier van de rechtbank is gelaten of de brief kan worden opgevat als een bijzondere schriftelijke volmacht tot het instellen van een rechtsmiddel als bedoeld in art. 450 Sv. De griffier van de rechtbank heeft vervolgens kennelijk geoordeeld dat de aan de cassatieakte gehechte brief dient te worden beschouwd als een bijzondere volmacht tot het instellen van cassatie en heeft op 28 september 2020 een cassatieakte opgemaakt.
2.8.
Ingevolge art. 552d Sv kan de klaagster binnen 14 dagen na de betekening van de beschikking cassatie instellen. Dat is echter pas op 28 september 2020 gebeurd. Nu namens de klaagster wel tijdig, te weten op 16 september 2020 is kenbaar gemaakt dat zij het niet eens is met de beschikking en het enige tijd heeft geduurd voordat deze brief bij de rechtbank terecht is gekomen en een cassatieakte is opgemaakt zou nog kunnen worden aangenomen dat het cassatieberoep van de klaagster schuldeloos tardief is.
2.9.
Er speelt echter nog een ander probleem. De brief aan de Hoge Raad is niet door de klaagster zelf verzonden, maar door [betrokkene 3]. die – zo heb ik geconstateerd op de website van de Nederlandse Orde van Advocaten – niet als advocaat op het tableau staat ingeschreven.
Conclusie
3.1.
Deze conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van de klaagster in het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Een van de vennoten van de klaagster, zie het uittreksel uit de Kamer van Koophandel betreffende de klaagster dat is gevoegd bij de akte van uitreiking van de aanzegging/kennisgeving van de PG.
Zie Kennisgeving van inbeslagneming.
Zie het in noot 1 genoemde uittreksel uit de Kamer van Koophandel betreffende de klaagster, de vof [klaagster], gevestigd aan de [a-straat 1] te [vestigingsplaats].
Rekestnummer 20/005903.
Zie A.J.A. van Dorst, Cassatie in strafzaken, Deventer: Wolters Kluwer 2018, 9e druk, p. 36.
HR 5 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3071, NJ 2018/49, m.nt. Kooijmans en HR 2 november 2021, ECLI:NL:HR:2021:1591 en de conclusie van mijn ambtgenoot Harteveld die daar aan vooraf is gegaan onder. 2.6-2.10).