Rechtspraak
Parket bij de Hoge Raad
2022-02-08
ECLI:NL:PHR:2022:117
Strafrecht
6,021 tokens
Conclusie
B.F. Keulen
In de zaak
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1990,
hierna: de verdachte.
Het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch heeft bij arrest van 27 november 2020 de verdachte niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de vrijspraak ter zake van het onder 2 tenlastegelegde en het vonnis van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant, locatie Breda, van 10 april 2017, voor het overige bevestigd met verbetering van de bewijsvoering en strafmotivering. Het hof heeft de verdachte daarmee wegens 1 primair. ‘opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven’, veroordeeld tot drie maanden gevangenisstraf, met aftrek van voorarrest.
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. Mr. R.J. Baumgardt, mr. P. van Dongen en mr. S. van den Akker, advocaten te Rotterdam, hebben één middel van cassatie voorgesteld.
Het middel bevat de klacht dat de bewezenverklaring en/of kwalificatiebeslissing onvoldoende met redenen is/zijn omkleed.
Ten laste van de verdachte is onder 1 primair bewezenverklaard dat hij:
‘op 21 april 2015 te [plaats] , opzettelijk [betrokkene 1] , wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd, immers heeft hij verdachte die [betrokkene 1] de woorden toegevoegd ‘Je tas inpakken en meekomen’ en ‘Je moet naar buiten komen’ en ‘Ik kom je halen’, en tegen het hoofd geslagen en vastgepakt en meegesleurd (vanaf een locatie gelegen aan de [a-straat] te [plaats] ) naar een (personen)auto.’
5. De rechtbank heeft bij het onder 1 primair tenlastegelegde het volgende overwogen (met weglating van vijftien voetnoten met verwijzingen naar bewijsmiddelen):
‘4.1 Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie acht niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte [betrokkene 1] (hierna: [betrokkene 1] ) wederrechtelijk van haar vrijheid heeft beroofd en verzoekt de rechtbank om verdachte van het tenlastegelegde onder 1 primair vrij te spreken.
De officier van justitie acht de mishandeling van [betrokkene 1] door verdachte, zoals onder 1 subsidiair ten laste is gelegd wel wettig en overtuigend bewezen. Zij baseert zich daarbij op de verklaring van [betrokkene 1] zelf bij de politie dat zij door verdachte aan haar haren werd getrokken, de verklaringen van de getuigen [getuige 1] en [getuige 2] bij de politie waar zij hebben verklaard dat [betrokkene 1] aan de haren werd getrokken en waar [getuige 2] ook verklaart dat [betrokkene 1] met haar hoofd tegen de muur werd geslagen en de verklaringen van de getuigen [getuige 3] , [getuige 4] en [getuige 5] die spreken over op het hoofd slaan/tikken en meesleuren van een meisje. Naar algemene ervaringsregels kan worden vastgesteld dat dergelijke handelingen pijn opleveren.
(...)
4.2 Het standpunt van de verdediging
De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen van feit 1 en wijst daarbij op het feit dat er te weinig direct redengevend en overtuigend bewijs voorhanden is. De getuigenverklaringen van de vriendinnen van [betrokkene 1] bevatten onwaarheden en discrepanties en de omwonenden verklaren verschillend over hetgeen zij hebben waargenomen. Verdachte is verwikkeld geraakt in een ruzie tussen vriendinnen waarbij de werkelijkheid geen belang meer leek te hebben. Bij de rechter-commissaris hebben de vriendinnen van [betrokkene 1] toegegeven dat de deur niet werd ingetrapt, maar door iemand werd opengedaan, dat er een woordenwisseling heeft plaatsgevonden tussen verdachte en [betrokkene 1] , maar dat zij met tas en jas met hem is meegegaan naar buiten en dat geen van hen gezien heeft wat zich buiten heeft afgespeeld. Er heeft geen mishandeling plaatsgevonden en er is geen sprake geweest van enigerlei wederrechtelijke vrijheidsberoving. Er was een ruzie ontstaan waaraan voor de deur van het appartement van getuige [getuige 1] al een einde was gebracht. [betrokkene 1] is door verdachte bij haar moeder afgezet en heeft meermalen, bij de politie en bij de rechter-commissaris, verklaard dat zij niet ontvoerd is. Onder verwijzing naar een arrest van de Hoge Raad van 12 mei 2015 verzoekt de verdediging de rechtbank verdachte vrij te spreken van feit 1 primair. Ook van de subsidiair tenlastegelegde mishandeling moet verdachte worden vrijgesproken.
(…)
4.3 Het oordeel van de rechtbank
Feit 1
Op 21 april 2015 in de avond was [betrokkene 1] aanwezig in de woning van haar vriendin [getuige 1] aan de [a-straat] te [plaats] . Op enig moment werd er door verdachte op de toegangsdeur van de centrale hal gebonkt en riep hij dat [betrokkene 1] naar buiten moest komen. Hij riep tevens ‘ik kom je halen’. Even later kwam verdachte de woning binnen. Hij riep herhaaldelijk ‘waar zijn die jongens?’ en doorzocht alle kamers van de woning. Vervolgens werd [betrokkene 1] door verdachte bij haar haren vastgepakt. De vriendinnen van [betrokkene 1] die in de woning aanwezig waren, waren bang. Verdachte trok aan de haren van [betrokkene 1] en zei dat ze haar spullen moest pakken en mee moest gaan.
Verdachte hield [betrokkene 1] aan haar arm vast en trok/sleurde haar naar buiten. Buiten werd [betrokkene 1] meegetrokken en toen zij zich probeerde los te rukken, werd zij opnieuw vastgepakt. [betrokkene 1] werd ook op haar hoofd geslagen door verdachte. Verdachte en [betrokkene 1] zijn vervolgens naar een auto gelopen en ingestapt.
Op grond van voornoemde bewijsmiddelen acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte opzettelijk [betrokkene 1] wederrechtelijk van haar vrijheid heeft beroofd door naar de woning te gaan waar [betrokkene 1] was, daar op de deur te bonken, vervolgens te schreeuwen dat ze naar buiten moest komen en dat hij haar op kwam halen en door de woning te doorzoeken en [betrokkene 1] bij haar haren vast te pakken en haar aan haar arm mee naar buiten te sleuren naar een auto.
Verdachte heeft met zijn gedrag een dreigende situatie gecreëerd, hetgeen ook blijkt uit de verklaringen van de vriendinnen van [betrokkene 1] , die bang waren. Daardoor en doordat verdachte [betrokkene 1] aan haar arm heeft meegesleurd, is zij met hem meegegaan naar de auto. Naar het oordeel van de rechtbank was [betrokkene 1] , wanneer hij dit niet had gedaan, niet met hem meegegaan, maar in de woning van [getuige 1] gebleven zodat ze samen een en ander ter plaatse zouden hebben kunnen uitpraten. [betrokkene 1] heeft immers verklaard dat zij tegen verdachte heeft gezegd dat ze op dát moment wilde praten en niet later. Verdachte heeft [betrokkene 1] dan ook wederrechtelijk van haar vrijheid beroofd om te gaan en staan waar zij wil. Naar het oordeel van de rechtbank bestond die situatie tot het moment van instappen in de auto, maar nadien niet meer. [betrokkene 1] heeft immers bij de rechter-commissaris nog verklaard dat verdachte haar bij het verlaten van de woning aan haar bovenarm vasthield en dat zij aangaf dat ze wilde praten, waarop verdachte antwoordde: ‘dat doen we zo’. Toen [betrokkene 1] aangaf dat zij niet wilde wachten en op dat moment wilde praten, had verdachte door dat ze niet aan het liegen was en zijn ze in de auto gestapt.
Op grond daarvan heeft de rechtbank de overtuiging dat wat er daarna volgens de verklaring van [betrokkene 1] is gebeurd, niet tegen haar wil is gebeurd, zodat vanaf dat moment geen sprake meer is van wederrechtelijke vrijheidsberoving.
Nu onvoldoende duidelijk uit het dossier volgt dat een andere persoon bij de wederrechtelijke vrijheidsberoving door verdachte betrokken is geweest, zal de rechtbank verdachte vrijspreken van het tenlastegelegde medeplegen.’
6.
Conclusie
Het hof heeft deze bewijsoverweging van de rechtbank in het bestreden arrest als volgt verbeterd en aangevuld (met weglating van verwijzingen):
‘Naast de door de eerste rechter gebruikte bewijsmiddelen, komt bewezenverklaring mede te berusten op:
- Het proces-verbaal verhoor getuige, (…) van het in het vonnis genoemde eindproces-verbaal, voor zover inhoudende als verklaring van [getuige 5] :
Op dinsdagavond 21 april 2015 omstreeks 22.10 uur zat ik thuis (het hof begrijpt: in zijn woning aan de [a-straat] te [plaats] ) toen ik opeens een hoop herrie bij mij voor de deur op het plein hoorde. Ik ben toen gelijk uit het raam gaan kijken. Ik zag dat er bij het portiek direct schuin onder mijn raam een man hard op het raam aan het bonken was.
Die man zag er als volgt uit: Forse man...Ik zag dat hij donkere kleding droeg.
k hoorde deze man roepen: “Je moet haar gewoon met rust laten. Je moet nu naar buiten komen, nu naar buiten”
(...)
Ongeveer 2 à 3 minuten nadat de man naar binnen was gegaan, zag ik hem met een vrouw naar buiten komen. Ik zag dat de forse man met zijn linkerarm om de nek van de vrouw heen zat. Ik zag dat de vrouw hierdoor ook voorover werd getrokken. Ik zag dat de vrouw erg aan het tegenstribbelen was en hierdoor ook bijna los kwam. Ik zag dat de forse man haar hierop weer stevig beetpakte om haar nek en haar meesleurde richting de [b-straat] . Vlak voordat ze uit het zicht verdwenen, zag ik dat er bij de twee paaltjes aan de [c-straat] opnieuw een worsteling ontstond tussen de forse man en de vrouw. Ik hoorde vervolgens nog wat geschreeuw en ik zag dat de forse man haar weer verder trok.
- Het proces-verbaal van bevindingen, (…) van het in het vonnis genoemde eindproces-verbaal, voor zover inhoudende als relaas van verbalisant [verbalisant 1] :
Op 21 april 2015 was ik belast met incidentenafwikkeling voor teamgebied Roosendaal . Ik kreeg omstreeks 21.40 uur een melding om te gaan naar [d-straat 1] te [plaats] . Daar zou een vrouw mishandeld zijn door vriendinnen. Ik hoorde het verhaal aan van het slachtoffer genaamd [betrokkene 2] . Zij gaf aan dat zij mishandeld zou zijn door ene [betrokkene 1] en [getuige 1] .
[betrokkene 2] geeft aan dat [betrokkene 1] roddels heeft verspreid over [betrokkene 2] en dat ze tegen de (ex) vriend van [betrokkene 1] heeft gezegd dat [betrokkene 1] vreemdgaat en het alleen doet om zijn geld. [betrokkene 1] is dit te weten gekomen en heeft daarna contact gezocht met [betrokkene 2] en dit zou de reden zijn voor de mishandeling.
[betrokkene 2] geeft aan dat ze de (ex) vriend van [betrokkene 1] heeft gebeld om te vertellen wat er was gebeurd. De (ex) vriend van [betrokkene 1] tegen [betrokkene 2] zei dat ze de politie er buiten moest laten en dat hij dit zelf wel zou oplossen.
(...)
Ondertussen had [verbalisant 2] gehoord dat er een melding uit was gegeven van een ontvoering in [plaats] . ...Ene [getuige 1] had een melding gedaan dat haar vriendin was meegenomen in een auto door een onbekende man die de deur had ingetrapt. Later in de melding staat vermeld dat de persoon die ontvoerd zou zijn [betrokkene 1] betrof.
Hierop heeft mijn [verbalisant 2] teruggebeld naar [betrokkene 2] om meer informatie in te winnen over de betreffende (ex) vriend van [betrokkene 1] . Ik hoorde dat mijn collega vroeg wat de naam van die (ex) vriend was. Ik hoorde dat [betrokkene 2] zei dat het [verdachte] was. (...) De vriendin van [betrokkene 2] zei dat de achternaam van [verdachte] , betreft.
Bespreking verweren
In hoger beroep is van de zijde van de verdachte vrijspraak bepleit. Daartoe is aangevoerd dat er geen sprake is geweest van enigerlei wederrechtelijke vrijheidsberoving, maar dat het slechts ging om een ruzie die door derden werd geënsceneerd en waaraan tussen de verdachte en [betrokkene 1] al lang daar voor de deur een einde aan was gekomen. [betrokkene 1] ontkent ook dat zij is ontvoerd door de verdachte, hetgeen zij als getuige ter terechtzitting in hoger beroep onder ede heeft bevestigd. Het handelen van de verdachte, zijn opzet, is niet gericht geweest op het beroven van [betrokkene 1] van haar persoonlijke vrijheid. Dit kan niet wettig en overtuigend worden bewezen.
Het hof is van oordeel dat de zijdens verdachte bepleite vrijspraak van het ten laste gelegde wordt weersproken door de bewijsmiddelen. Het hof heeft, gelet op het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep, geen reden om aan de juistheid en de betrouwbaarheid van die, van de lezing van de verdediging afwijkende, bewijsmiddelen te twijfelen.
Het hof hecht zwaarwegende betekenis aan de verklaringen van de als onafhankelijk aan te merken buurtbewoners. Uit onder meer de verklaringen van [getuige 5] , [getuige 3] en [getuige 4] volgt onmiskenbaar dat [betrokkene 1] niet vrijwillig de woning heeft verlaten maar tegen haar wil door de verdachte en onder dwang is meegenomen naar een verderop geparkeerd staande auto. Zo verklaren deze getuigen over een boze forse man die bij de woning aan de [a-straat 1] te [plaats] (op de ramen) aan het bonken en kloppen was en daarbij aan het schreeuwen was. Vervolgens zien de getuigen dat de man met een vrouw naar buiten komt, waarbij de vrouw door de man wordt vastgehouden en de vrouw probeert los te komen. Ook daarbij wordt geschreeuwd.
Het hof ziet geen aanleiding om aan de betrouwbaarheid van de getuigenverklaringen te twijfelen, nu deze tevens steun vinden in de overige bewijsmiddelen.
Alles overziende is het hof, met de rechtbank, van oordeel dat de verdachte met zijn gedrag een dreigende situatie heeft gecreëerd, hetgeen ook blijkt uit de verklaringen van de getuigen [getuige 1] , [getuige 2] en [getuige 6] . Het hof leidt daaruit af dat zij bang waren. Daardoor en omdat ze werd vastgehouden door de verdachte en ondanks tegenstribbelen niet los kon komen, is [betrokkene 1] met de verdachte meegegaan naar de auto. Derhalve is er naar het oordeel van het hof sprake geweest van een situatie waarbij [betrokkene 1] van haar persoonlijke vrijheid is beroofd, omdat zij op dat moment niet kon gaan en staan waar zij wilde. Het hof merkt daarbij op dat ook een korte beperking van de vrijheid van beweging als vrijheidsberoving in de zin van artikel 282 Sr. kan worden aangemerkt. Het verweer wordt verworpen.
Dat het slachtoffer ter terechtzitting in hoger beroep een verklaring heeft afgelegd die afwijkt van de opgenomen bewijsmiddelen doet aan de waarde van de door het hof gebezigde bewijsmiddelen niet af.
Het incident heeft geruime tijd geleden plaatsgevonden en de verdachte en het slachtoffer hebben gedurende enige tijd een affectieve relatie onderhouden. Deze liefdesverhouding, belangen in de relationele sfeer of invloed van de verdachte kunnen een rol hebben gespeeld bij het slachtoffer om op een later moment afwijkende verklaring af te leggen.’
7. De stellers van het middel klagen in de eerste plaats dat uit de bewijsmiddelen weliswaar kan volgen dat de vriendinnen van [betrokkene 1] bang zouden zijn geweest voor de verdachte, maar niet dat ook [betrokkene 1] bang is geweest voor de verdachte. Het hof zou dit bang zijn daarom ‘ten onrechte als reden (hebben) aangenomen (naast het vasthouden) waarom [betrokkene 1] met de verdachte is meegegaan naar de auto en ‘derhalve’ sprake is geweest van een situatie waarbij zij van haar vrijheid beroofd is geweest’. De bewezenverklaring zou om die reden onvoldoende met redenen zijn omkleed.
8. Het hof heeft geoordeeld dat de verdachte met zijn gedrag een dreigende situatie heeft gecreëerd. Aan dat oordeel heeft het hof ten grondslag gelegd dat de getuigen [getuige 5] , [getuige 3] en [getuige 4] hebben verklaard over een boze forse man die bij de woning (op de ramen) aan het bonken en kloppen was en daarbij aan het schreeuwen was.
Conclusie
En dat vervolgens door de getuigen is gezien dat de man met een vrouw naar buiten kwam, waarbij de vrouw door de man werd vastgehouden en de vrouw probeerde los te komen. Dat verdachte een dreigende situatie heeft gecreëerd blijkt volgens het hof ook uit de verklaringen van de getuigen [getuige 1] , [getuige 2] en [getuige 6] . Het hof heeft uit de verklaringen van deze getuigen afgeleid dat zij bang waren. Het hof stelt vervolgens vast dat [betrokkene 1] ‘daardoor en omdat ze werd vastgehouden door de verdachte en ondanks tegenstribbelen niet los kon komen’, met de verdachte is meegegaan naar de auto.
9. Uit ’s hofs overweging volgt naar het mij voorkomt dat het hof voor de bewezenverklaring van art. 282 Sr redengevend heeft geacht dat door de verdachte een dreigende situatie is gecreëerd. Dat er sprake was van een dreigende situatie heeft het hof (mede) gebaseerd op de verklaringen van de getuigen [getuige 1] , [getuige 2] en [getuige 6] . Het hof heeft uit deze verklaringen afgeleid dat zij bang waren. Voor zover het middel ervanuit gaat dat het hof in zijn overweging tot uitdrukking heeft gebracht dat [betrokkene 1] bang was voor de verdachte en dat zij daarom met de verdachte is meegegaan, mist het feitelijke grondslag. Voorts heeft het hof kunnen oordelen dat de omstandigheden dat er sprake was van een dreigende situatie, dat [betrokkene 1] door de verdachte werd vastgehouden en dat zij ondanks tegenstribbelen niet los kon komen, erin resulteerden dat [betrokkene 1] met de verdachte is meegegaan naar de auto.
10. De stellers van het middel menen voorts dat ‘het enkele (voor een zeer korte periode) vasthouden van [betrokkene 1] zoals i.c. volgens de door het hof bedoelde getuigen heeft plaatsgevonden, te weten enkele seconden, mede in het licht van hetgeen [betrokkene 1] ter terechtzitting heeft verklaard’, niet (zonder meer) kan worden gekwalificeerd als vrijheidsberoving als bedoeld in artikel 282 Sr.
11. Voor zover de stellers van het middel ervanuit gaan dat (uit de getuigenverklaringen volgt dat) de verdachte [betrokkene 1] slechts ‘enkele seconden’ heeft vastgehouden wijs ik erop dat uit de overwegingen van de rechtbank en het hof niet kan worden afgeleid hoe lang het vasthouden precies heeft geduurd. De rechtbank spreekt over het [betrokkene 1] aan haar arm vastpakken en naar buiten sleuren, het [betrokkene 1] buiten meetrekken en toen zij zich probeerde los te rukken opnieuw vastpakken, en daarna het naar de auto lopen en instappen. Het hof bezigt de verklaring van [getuige 5] tot het bewijs, die de verdachte ongeveer 2 à 3 minuten nadat hij naar binnen was gegaan, met een vrouw naar buiten zag komen. Hij zag dat de vrouw erg aan het tegenstribbelen was en hierdoor ook bijna los kwam. De verdachte pakte [betrokkene 1] hierop weer stevig beet om de nek en sleurde haar weer mee. Vlak voordat ze uit het zicht verdwenen zag [getuige 5] dat er ‘opnieuw een worsteling ontstond’ waarna de verdachte ‘haar weer verder trok’. Het hof spreekt over ‘een korte beperking van de vrijheid van beweging’, ook een vrijheidsbeperking van enkele minuten kan evenwel als (relatief) kort worden aangemerkt. De stelling dat (uit de getuigenverklaringen zou volgen dat) het zou gaan om een vrijheidsbeperking van enkele seconden ontbeert kortom feitelijke grondslag.
12. Dat ook een kortdurende beperking van de bewegingsvrijheid als vrijheidsberoving in de zin van art. 282 Sr kan worden aangemerkt, volgt onder meer uit een arrest uit 1985. Uw Raad wees op ‘de omstandigheid dat in het eerste lid van art. 282 Sr naast het opzettelijk wederrechtelijk iemand van de vrijheid beroven is strafbaar gesteld het opzettelijk wederrechtelijk iemand van de vrijheid beroofd houden’. Mede gelet op die omstandigheid was het volgens Uw Raad ‘duidelijk dat de wetgever doelt op het iemand doen vertoeven – zonder dat de dader daartoe gerechtigd is – op een plaats – waaronder ook kan vallen een voertuig – waarvan of waaruit deze zich niet op ieder gewenst ogenblik kan verwijderen, ook al bestaat bij de dader niet het opzet de toestand van de vrijheidsbeneming zich te doen uitstrekken over een tijd langer dan enige minuten. Ook in laatstgenoemd geval immers is het iemand beroven van de vrijheid om te gaan en te staan waar hij wil door hem dat zonder enig recht te beletten, voltooid’.
13. De stellers van het middel klagen tenslotte dat de vaststelling van het hof dat [betrokkene 1] door de verdachte 'onder dwang' is meegenomen naar een verderop staande geparkeerde auto ‘een overtreding van artikel 284 Sr oplevert in plaats van overtreding van artikel 282 Sr’. Zij wijzen er in dat kader op dat de maximumstraffen aanzienlijk verschillen. De kwalificatiebeslissing zou om die reden, zo begrijp ik, onvoldoende met redenen zijn omkleed.
14. Het hof heeft vastgesteld dat uit onder meer de verklaringen van [getuige 5] , [getuige 3] en [getuige 4] volgt ‘dat [betrokkene 1] niet vrijwillig de woning heeft verlaten maar tegen haar wil door de verdachte en onder dwang is meegenomen naar een verderop geparkeerd staande auto’. Voor zover de stellers van het middel ervanuit gaan dat deze vaststelling impliceert dat het hof het bewezenverklaarde had dienen te kwalificeren als het in art. 284, eerste lid, aanhef en onder 1o, Sr, omschreven misdrijf, gaan zij uit van een onjuist begrip van de verhouding tussen deze beide strafbaarstellingen. Van een specialiteitsverhouding tussen beide strafbaarstellingen is geen sprake. Indien het bewezenverklaarde meebrengt dat naast art. 282 Sr ook art. 284, eerste lid, aanhef onder 1o, Sr toepasselijk is, dan doet zich een geval van eendaadse samenloop voor (art. 55, eerste lid, Sr). Daarvan is naar het mij voorkomt in casu echter geen sprake, nu de bewezenverklaring niet met zoveel woorden inhoudt dat de verdachte [betrokkene 1] heeft gedwongen om met hem mee te gaan naar de auto. Het hof heeft het bewezenverklaarde aldus terecht gekwalificeerd overeenkomstig art. 282 Sr. Mede in aanmerking genomen dat in hoger beroep geen verweer is gevoerd inzake de kwalificatiebeslissing is deze ook toereikend gemotiveerd.
15. Het middel faalt en kan worden afgedaan met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende formulering. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
16. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Zie over manieren waarop vrijheidsberoving plaats kan vinden P.P.J. van der Meij, T&C Strafrecht, aant. 8 bij artikel 282 Sr, actueel tot en met 1 september 2021 en A.J. Machielse in Noyon/Langemeijer/Remmelink Strafrecht, aant. 2 bij artikel 282 Sr, actueel tot en met 2 april 2013. Machielse wijst onder meer op HR 3 januari 1921, ECLI:NL:HR:1921:223, NJ 1921, p. 320, waarin de verdachte de betrokkene wederrechtelijk had geboeid en hem vervolgens terwijl hij hem aan de boeien vasthield, had gevoerd ‘naar de woning van den ontvanger dier gemeente Houben’. Het omklemmen van de nek wijkt mijns inziens niet wezenlijk van het boeien af..
HR 23 april 1985, ECLI:NL:HR:1985:AC8856, NJ 1985/891.
Vgl. ook HR 10 juli 2001, ECLI:NL:HR:2001:ZD2869 (art. 81 RO, niet gepubliceerd). A-G Wortel leidde uit de bewijsmiddelen af dat de verdachte zijn zuster heeft vastgepakt, naar zijn auto heeft getrokken, op de bijrijdersstoel heeft geduwd, en haar vervolgens heeft belet om uit te stappen. Wortel merkt op dat het hem ‘niet juist (lijkt) de duur van aan iemand opgelegde vrijheidsbeperking, op zichzelf beschouwd, aan te merken als onderscheidend criterium om vast te stellen of iemand van zijn vrijheid is beroofd in de zin van deze strafbepaling. (…) Hooguit zou men kunnen zeggen dat bij een zeer korte vrijheidsbeneming, om als vrijheidsberoving in de zin van art.