Rechtspraak
Parket bij de Hoge Raad
2022-12-20
ECLI:NL:PHR:2022:1152
Strafrecht
2,179 tokens
Conclusie
D.J.M.W. Paridaens
In de zaak
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1997,
hierna: de verdachte.
Inleiding
De verdachte is bij arrest van 2 augustus 2021 door het gerechtshof Amsterdam wegens “mishandeling, begaan tegen zijn levensgezel” veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van drie weken met een proeftijd van twee jaren.
Namens de verdachte heeft G. Spong, advocaat te Amsterdam, één middel van cassatie voorgesteld.
Het middel
3. Het middel klaagt dat de bewezenverklaring onvoldoende met redenen is omkleed, nu uit de gebezigde bewijsmiddelen niet kan volgen dat [aangeefster] op 1 augustus 2019 de levensgezel van de verdachte was.
4. Het hof heeft ten laste van de verdachte bewezenverklaard dat:
“hij op 1 augustus 2019 te Alkmaar zijn levensgezel, [aangeefster] , heeft mishandeld door die [aangeefster] tegen het hoofd, althans het lichaam, te slaan en te duwen.”
5. De bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:
“1. Een proces-verbaal van bevindingen met nummer PL1100-2019148176-2 , van 1 augustus 2019, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 1] en [verbalisant 2] , doorgenummerde pagina’s 05-06.
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van verbalisanten of één van hen:
Op 1 augustus 2019 aan de [a-straat 1] te [plaats] troffen wij in de kamer aangeefster [aangeefster] . Wij hoorden [aangeefster] verklaren dat zij is mishandeld door haar partner [verdachte] . Wij hoorden [aangeefster] verklaren dat zij door [verdachte] was geslagen en geraakt in haar gezicht. Wij zagen dat [aangeefster] een keukenrol tegen haar neus drukte. Wij zagen dat er bloed op de keukenrol zat. Wij zagen dat [aangeefster] een bloedneus had. Wij zagen dat de bovenlip van [aangeefster] opgezwollen was. Wij hoorden [aangeefster] zeggen dat zij veel pijn in haar been en rug had.
2. Een proces-verbaal van aangifte met nummer PL1100-2019148176-1 , van 1 augustus 2019, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 2] , doorgenummerde pagina’s 09-11.
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als verklaring van de aangever [aangeefster] :
Op 1 augustus 2019 aan de [a-straat 1] te [plaats] . [verdachte] lag naast mij in bed. Ik zat op de rand van mijn bed. Ik voelde een enorme pijnscheut in mijn rug, ik kon ook moeilijk ademhalen. Deze klap of trap kwam van achter mij vandaan.
Hij duwde mij vervolgens tegen de grond en pakte mijn telefoon. Ik stond op en [verdachte] gaf mij gelijk een vuistslag in mijn gezicht. Ik voelde gelijk een pijnscheut in mijn neus en lip. Ik zag dat mijn neus gelijk begon te bloeden. Ik ben rondjes gaan rennen in huis en begon te schreeuwen: “help mij”. Tijdens het rennen in de woning ben ik meerdere keren geslagen en geschopt. Ik heb hierdoor pijn over de hele rechterkant van mijn lichaam.
3. Een proces-verbaal van verhoor verdachte met nummer PL1100-2019148176-8 , van 2 september 2020, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 3] , doorgenummerde pagina’s 24-29.
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de vragen (V) van de verbalisant, in antwoord (A) daarop, als de op voornoemde datum tegenover de verbalisant afgelegde verklaring van de verdachte:
V: Goed even naar 1 augustus vorig jaar. Weet jij nog wat er toen is gebeurd?
A: Het werd duwen en trekken. Ik wilde weten wat zij verborgen hield.
4. De verklaring van de getuige [aangeefster] op de terechtzitting in hoger beroep van 2 augustus 2021.
Deze verklaring houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als tegenover de raadsheer afgelegde verklaring van de getuige [aangeefster]:
Voorafgaand aan het incident met de telefoon en de worsteling kreeg ik een klap of trap tegen mijn rug. Ik stond op en [verdachte] gaf mij een vuistslag in mijn gezicht, waardoor mijn neus ging bloeden.”
6. Het bestreden arrest bevat de volgende bewijsoverweging:
“De raadsman heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep op het standpunt gesteld dat de verdachte van het ten laste gelegde feit moet worden vrijgesproken. Daartoe heeft hij – kort gezegd – aangevoerd dat wettig en overtuigend bewijs ontbreekt. De aangifte vindt geen steun in andere bewijsmiddelen, waardoor het enkel de verklaring van de verdachte tegenover de verklaring van de aangeefster is. Daarbij is erop gewezen dat de aangeefster inmiddels te kennen heeft gegeven haar aangifte te willen intrekken. Gelet op het voorgaande concludeert de raadsman dat de verdachte van het ten laste gelegde moet worden vrijgesproken.
Het hof overweegt als volgt.
De verdachte heeft verklaard dat hij en de aangeefster de afspraak hadden dat zij elkaars telefoon mochten bekijken. Op 1 augustus 2019 heeft de verdachte echter de confrontatie opgezocht toen hij haar telefoon wou bekijken terwijl zij dit niet wilde. Hierbij hebben de verdachte en de aangeefster door het huis gerend en is door de aangeefster om hulp geroepen. Bovendien heeft de verdachte verklaard dat er werd geduwd en getrokken. De aangeefster heeft zowel in haar aangifte als ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat de verdachte haar een vuistslag in haar gezicht heeft gegeven. Tevens is door de verbalisanten geconstateerd dat de aangeefster een bloedneus had en dat haar bovenlip was opgezwollen.
Anders dan de raadsman twijfelt het hof niet aan de juistheid van de inhoud van de aangifte. Dat de aangeefster later om haar moverende redenen te kennen heeft gegeven haar aangifte te willen intrekken, maakt dat niet anders. Temeer nu de aangeefster ook ter terechtzitting in hoger beroep heeft verklaard dat de verdachte haar heeft geslagen.
Alles afwegende is het hof van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan mishandeling van zijn levensgezel. Het tot vrijspraak strekkende verweer wordt verworpen.”
7. Art. 304 Sr luidt, voor zover hier van belang:
“De in de artikelen 300-303 bepaalde gevangenisstraffen kunnen met een derde worden verhoogd:
1°. ten aanzien van de schuldige die het misdrijf begaat tegen […] zijn levensgezel […];”
8. De Hoge Raad heeft in eerdere arresten de betekenis van het strafverzwarende bestanddeel ‘levensgezel’ afgeleid uit de toelichting bij de nota van wijziging bij het wetsvoorstel dat heeft geleid tot toevoeging van het bestanddeel ‘levensgezel’ aan art. 304 Sr. Daarin staat het volgende over de betekenis van het bestanddeel:
“Met het begrip «levensgezel» wordt aangesloten bij de algemene aanwijzingen voor de regelgeving (AR 72a), waarin dit begrip is aangewezen voor twee meerderjarigen die, anders dan als elkaars echtgenoot, «met elkaar een nauwe persoonlijke betrekking onderhouden». Het begrip komt momenteel in ongeveer tien andere wetten voor – o.a.
Conclusie
12. Het middel slaagt.
12. Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoort te geven.
12. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Amsterdam, opdat de zaak opnieuw wordt berecht en afgedaan.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Kamerstukken II 2002/03, 28484, nr. 5, p. 5, geciteerd in: HR 2 juli 2013, ECLI:NL:HR:2013:104, r.o. 4.3; HR 29 oktober 2013, ECLI:NL:HR:2013:1075, r.o. 3.2.2; HR 30 januari 2018, ECLI:NL:HR:2018:113, r.o. 3.3.2; HR 9 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:1875, r.o. 3.2.2; HR 5 maart 2019, ECLI:NL:HR:2019:246, r.o. 3.2.2 en HR 14 september 2021, ECLI:NL:HR:2021:1251, r.o. 3.2.2.
ECLI:NL:PHR:2021:574, onder 8.
HR 5 maart 2019, ECLI:NL:HR:2019:246, r.o. 3.3 en HR 29 oktober 2013, ECLI:NL:HR:2013:1075, r.o. 3.3.
HR 14 september 2021, ECLI:NL:HR:2021:1251, r.o. 3.3 en HR 2 juli 2013, ECLI:NL:HR:2013:104, r.o. 4.5.