Rechtspraak
Parket bij de Hoge Raad
2022-11-11
ECLI:NL:PHR:2022:1054
Civiel recht; Burgerlijk procesrecht
4,611 tokens
Conclusie
M.L.C.C. Lückers
In de zaak
1. [de vader] (hierna: de vader),
2. [de moeder] (hierna: de moeder),
(hierna gezamenlijk: de ouders), verzoekers tot cassatie, advocaat: mr. A.H. Vermeulen,
tegen
de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de raad),verweerder in cassatie,niet verschenen.
Het hof heeft tevens als belanghebbenden aangemerkt:
1. Stichting Jeugdbescherming West Zuid-Holland (hierna: de GI),
2. [de pleegouders]
(hierna: de pleegouders).
1Inleiding en samenvatting
1.1
In deze jeugdbeschermingszaak klagen de ouders in cassatie over de beslissing tot beëindiging van hun ouderlijk gezag over één van hun uit huis geplaatste kinderen en de motivering daarvan. Volgens de ouders is het oordeel van het hof over de opvoedsituatie bij de ouders en het toekomstperspectief van de minderjarige, onbegrijpelijk en onvoldoende gemotiveerd. Ook klagen de ouders over de afwijzing van hun verzoek om een contra-expertise ex artikel 810a lid 2 Rv.
Feiten
2.1
De vader en de moeder zijn met elkaar gehuwd. Zij zijn de ouders van zeven kinderen, onder wie: [de minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2009 (hierna: de minderjarige).
2.2
De ouders oefenen gezamenlijk het gezag uit over de minderjarige.
2.3
De minderjarige stond sinds 12 juli 2018 onder toezicht van de GI. De ondertoezichtstelling was laatstelijk verlengd tot 12 juli 2021.
2.4
De minderjarige was op grond van daartoe strekkende machtigingen sinds 15 november 2018 gedurende dag en nacht uit huis geplaatst. De machtiging was laatstelijk verlengd tot 12 juli 2021.
Procesverloop
2.5
Bij de rechtbank Den Haag (hierna: de rechtbank) is op 5 oktober 2020 ingekomen het verzoek van de raad tot beëindiging van het gezag van de ouders over de minderjarige en benoeming van de GI tot voogd over de minderjarige. De ouders hebben zich tegen deze verzoeken verweerd.
2.6
Bij tussenbeschikking d.d. 26 november 2020 heeft de rechtbank de zaak aangehouden tot een nader te bepalen zitting, omdat zij zich onvoldoende voorgelicht achtte. Omdat de vraag rees of de gezagsbeëindiging contraproductief zou kunnen uitpakken voor de minderjarige, verzocht de rechtbank de raad om nader onderzoek te doen naar de vraag of sprake is van contra-indicaties voor de beëindiging van het gezag en daarover te rapporteren.
2.7
De raad heeft d.d. 30 juni 2021 een aanvullend raadsrapport opgesteld, bij de rechtbank ingekomen op 6 juli 2021, en daarin het verzoek tot het beëindigen van het gezag van de ouders over de minderjarige en het benoemen van de GI tot voogd over de minderjarige gehandhaafd.
2.8
Op 9 juli 2021 is de behandeling van de zaak ter zitting voortgezet. Bij beschikking van 9 juli 2021 heeft de rechtbank het ouderlijk gezag van de ouders over de minderjarige beëindigd en de GI tot voogd over de minderjarige benoemd.
2.9
De ouders zijn op 7 oktober 2021 bij het hof Den Haag (hierna: het hof) in hoger beroep gekomen van deze beschikking. De ouders hebben daarbij verzocht om het verzoek tot beëindiging van het gezag alsnog af te wijzen en om een contra-expertise ex artikel 810a lid 2 Rv.
2.10
De GI en de raad hebben zich daartegen verzet en het hof verzocht de bestreden beschikking te bekrachtigen en de verzoeken van de ouders in hoger beroep af te wijzen.
2.11
Voorafgaand aan de mondelinge behandeling in hoger beroep heeft een kindgesprek met de minderjarige plaatsgevonden.
2.12
De mondelinge behandeling in hoger beroep heeft op 13 januari 2022 plaatsgevonden. Verschenen zijn:
- de vader en de moeder, bijgestaan door hun advocaat;
- de raad, vertegenwoordigd door [betrokkene 1];
- de GI, vertegenwoordigd door [betrokkene 2] en [betrokkene 3];
- de pleegouders.
2.13
Bij beschikking van 23 februari 2022 heeft het hof de in hoger beroep bestreden beschikking van de rechtbank bekrachtigd en het meer of anders verzochte afgewezen.
2.14
De ouders hebben – tijdig – cassatieberoep ingesteld. Er is geen verweerschrift ingediend.
3Bespreking van het cassatiemiddel
3.1
Het cassatiemiddel is gericht tegen de gehele motivering van de beslissing van het hof tot gezagsbeëindiging, vermeld in de rechtsoverwegingen 5.1 tot en met 5.15 van de bestreden beschikking. Blijkens de behandeling van de klachten in de procesinleiding zijn deze klachten in het bijzonder gericht tegen rechtsoverwegingen 5.9, 5.11 en 5.15 van de bestreden beschikking. De klachten, die ik hieronder achtereenvolgens behandel, gaan zodoende over het oordeel van het hof ten aanzien van 1) de opvoed- en thuissituatie van de ouders, 2) het toekomstperspectief van de minderjarige en 3) het verzoek van de ouders om een contra-expertise ex artikel 810a lid 2 Rv.
De opvoed- en thuissituatie
3.2
De ouders richten allereerst een motiveringsklacht tegen ‘s hofs oordeel over de opvoed- en thuissituatie van de ouders. In rechtsoverweging 5.9 van de bestreden beschikking oordeelt het hof dat “niet kan komen vast te staan dat de opvoedsituatie van de ouders inmiddels voor de minderjarige voldoende veilig is en zij thans of op korte termijn weer bij hen kan opgroeien zonder ernstig in haar ontwikkeling te worden bedreigd.” De ouders betogen dat er sprake is van een onbegrijpelijk oordeel. Ten eerste omdat onduidelijk is wat het hof onder een ‘korte termijn’ verstaat. Ten tweede omdat onduidelijk is waarom het feit dat de vier oudere zussen van de minderjarige inmiddels en kennelijk zonder problemen weer bij de ouders wonen naar het oordeel van het hof niet ter zake doet.
3.3
Doordat er onvoldoende zicht is op de huidige opvoed- en thuissituatie van de ouders, kan naar het oordeel van het hof niet geverifieerd worden of deze voor de minderjarige voldoende veilig is en of de minderjarige ‘thans of op korte termijn’ weer bij de ouders kan opgroeien zonder ernstig in haar ontwikkeling te worden bedreigd. De ouders stellen dat in de beschikking onduidelijk blijft wat het hof onder ‘korte termijn’ verstaat. Dat is mijns inziens niet het geval. Hoewel het hof niet expliciteert wat het precies onder ‘korte termijn’ verstaat, volgt uit de beschikking dat deze termijn overeenstemt met de termijn van onzekerheid over het toekomstperspectief van de minderjarige die voor de minderjarige aanvaardbaar is. Het hof sluit zich immers aan bij het oordeel van de rechtbank dat de aanvaardbare termijn verstreken is.
3.4
De vraag waarom het feit dat de vier oudere zussen van de minderjarige enige tijd geleden weer zijn thuisgeplaatst niet ter zake doet, wordt – anders dan door de ouders wordt betoogd – door het hof uitvoerig gemotiveerd. Het hof overweegt in rechtsoverweging 5.9 namelijk als volgt:
“Het hof gaat daarbij dus voorbij aan de stelling van de ouders dat uit het feit dat de oudere zussen van de minderjarige enige tijd geleden weer zijn thuisgeplaatst kan worden afgeleid dat de opvoedsituatie van de ouders voldoende veilig is. De reden voor de thuisplaatsing van de zussen was gelegen in de omstandigheid dat voor hen geen geschikte plek buiten het gezin beschikbaar was. De zussen zijn daarom onder strikte voorwaarden weer thuisgeplaatst. Gebleken is dat de ouders zich niet aan de aan die thuisplaatsing verbonden voorwaarden hebben gehouden en dat ook vanuit de ondertoezichtstelling van de oudere zussen niet of nauwelijks hulpverlening door de ouders wordt geaccepteerd. Er is geen zicht op de zussen in de thuissituatie (cursivering A-G). Dat er geen zorgen worden geuit vanuit de middelbare school die door de zussen wordt bezocht acht het hof gezien het beperkte blikveld van een middelbare school onvoldoende om te concluderen dat het ook daadwerkelijk goed gaat met die kinderen in de thuissituatie bij de ouders.”
Daarmee heeft het hof, net als de rechtbank, oog gehad voor de omstandigheid dat de oudere zussen weer bij de ouders wonen en voldoende duidelijk gemaakt waarom dat in deze kwestie niet bijdraagt aan een beter zicht op de opvoed- en thuissituatie van de ouders.De klacht faalt.
Het toekomstperspectief van de minderjarige
3.5
In rechtsoverweging 5.11 van de bestreden beschikking oordeelt het hof “dat het toekomstperspectief van de minderjarige niet bij de ouders ligt, maar bij de pleegouders.” De ouders menen dat er sprake is van een onbegrijpelijk althans onvoldoende gemotiveerd oordeel, omdat het hof de mening van de minderjarige (die thuisgeplaatst wil worden) en de visie van de pleegouders (opvoedperspectief ligt bij de ouders) niet kenbaar in de beoordeling heeft betrokken. Dat de thuissituatie op korte termijn onvoldoende zou zijn, is onvoldoende motivering voor het oordeel dat het perspectief bij de pleegouders ligt.
3.6
Uit de bestreden beschikking volgt dat het hof met de rechtbank van oordeel is dat de aanvaardbare termijn waarbinnen de minderjarige in onzekerheid kan worden gelaten over het toekomstperspectief is verstreken. Blijkens de bestreden beschikking heeft het hof daarbij acht geslagen op de wens van de minderjarige om thuisgeplaatst te worden. Het hof overweegt in rechtsoverweging 5.10 als volgt.
“Het hof overweegt verder dat gezien wordt dat de minderjarige graag wil worden thuisgeplaatst en zij een sterke loyaliteit naar de ouders voelt.
Beoordeling
Het verzoek om een contra-expertise
3.8
De overige klachten (een rechts- en motiveringsklacht) zijn gericht tegen de afwijzing van het verzoek om een deskundigenonderzoek (contra-expertise) ex artikel 810a lid 2 Rv (rechtsoverweging 5.15). De ouders klagen in cassatie dat het hof deze afwijzing niet heeft gemotiveerd, hetgeen leidt tot een onjuiste en onbegrijpelijke beslissing. Dit omdat, zo betogen de ouders, de pleegouders en de oudere zussen van de minderjarige vinden dat de minderjarige teruggeplaatst kan worden. Ook zou een contra-expertise, zo begrijp ik de klacht, juist inzicht kunnen geven met betrekking tot de veiligheid van de thuissituatie bij de ouders en het toekomstperspectief van de minderjarige. Voorts zou het hof onterecht geen aandacht hebben besteed aan de vraag of “gelet op de cultureel zeer van Nederland verschillende Afrikaanse achtergrond van de familie [de vader], niet een modus operandi zou kunnen worden gevonden om na een contra expertise met zoveel mogelijk behoud van de culturele achtergronden van het gezin te bewerkstelligen dat de Nederlandse normen ook worden nageleefd.”
3.9
Artikel 810a lid 2 Rv omvat het recht op contra-expertise. Overeenkomstig vaste rechtspraak – en zoals door het hof in de betreden beschikking ook is overwogen – moet het verzoek tot een contra-expertise, dat feiten en omstandigheden bevat die zich lenen voor een onderzoek door een deskundige, in beginsel worden toegewezen indien de rechter geen feiten of omstandigheden aanwezig oordeelt op grond waarvan moet worden aangenomen dat toewijzing van het verzoek strijdig is met het belang van het kind. Dit vergt dus onderzoek. Of toewijzing van een verzoek ex artikel 810a lid 2 Rv strijdig is met de belangen van het kind betreft een waardering van feitelijke aard die in cassatie alleen op begrijpelijkheid kan worden onderzocht.
3.10
Bij een afwijzing van het verzoek zal de rechter moeten motiveren waarom aan (ten minste) een van de afwijzingsgronden is voldaan. Uit rechtspraak van de Hoge Raad volgt dat die motivering niet mag berusten op een verboden prognose en voorts niet kan luiden dat de rechter zich reeds voldoende voorgelicht acht. Maar zoals ik in een eerdere conclusie al aangaf, bestaat er geen verzwaarde motiveringsplicht.
3.11
Anders dan het cassatiemiddel stelt, heeft het hof het verzoek om een contra-expertise gemotiveerd afgewezen. Het hof overweegt immers in rechtsoverweging 5.15:
“Een onderzoek als bedoeld in artikel 810a lid 2 Rv zou de minderjarige nodeloos belasten en opnieuw in onzekerheid laten en is daarom strijdig met haar belang. Het hof zal het verzoek om een deskundigenonderzoek te gelasten dan ook afwijzen.”
3.12
Het hof heeft de juiste maatstaf gehanteerd, nu het hof toewijzing van het verzoek strijdig acht met het belang van de minderjarige cf. artikel 810a lid 2 Rv. Er zijn verschillende situaties denkbaar waarin een contra-expertise strijdig kan zijn met het belang van het kind; waarbij in ieder geval de spoedeisendheid van een in het belang van het kind te nemen maatregel, het belastende karakter van de door het kind aan het onderzoek te verlenen medewerking en een te lang uitblijven van een beslissing zich tegen verdere aanhouding van de zaak kunnen verzetten.
3.13
Hoewel beknopt geeft de motivering inzicht in de redenen waarom het belang van de minderjarige zich tegen het deskundigenonderzoek verzet. Dat behelst – voor de duidelijkheid – een andere motivering dan de vraag of het deskundigenonderzoek in het belang van de minderjarige is. De motivering dient in samenhang te worden gelezen met rechtsoverweging 5.10 van de bestreden beschikking. Daarin wordt duidelijk waarom het volgens het hof noodzakelijk is dat de minderjarige niet langer door een nieuw onderzoek in onzekerheid wordt gelaten. Het hof overweegt daarin: ‘Mede gelet op de duur van de uithuisplaatsing en het reeds ruim drie jaar uitblijven van (zichtbare) vorderingen in de houding en opvoedsituatie van de ouders, acht het hof het in het belang van de minderjarige noodzakelijk dat er op dit moment daadwerkelijk duidelijkheid wordt gecreëerd over haar toekomstperspectief’. De klacht faalt.
Conclusie
De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G
Ontleend aan de beschikking van het hof Den Haag van 23 februari 2022, ECLI:NL:GHDHA:2022:480, r.o. 3.1-3.5.
Ontleend aan de beschikkingen in eerste en tweede aanleg. Zie voor het procesverloop in eerste aanleg de tussenbeschikking: Rb. Den Haag 26 november 2020, met zaaknummer C/09/600339 / FA RK 20-6933 (niet gepubliceerd op rechtspraak.nl) en de eindbeschikking: Rb. Den Haag 9 juli 2021, met zaaksgegevens FA RK 20-6933 / C/09/600339 / C/09/612085 / JE RK 21-1182 (niet gepubliceerd op rechtspraak.nl). Zie voor het procesverloop in hoger beroep de beschikking van het hof Den Haag van 23 februari 2022, ECLI:NL:GHDHA:2022:480, r.o. 2.1-2.5.
Zie ook het proces-verbaal van de rechtbank Den Haag d.d. 26 november 2020, p. 3.
Zie ook het beroepschrift, p. 5.
De procesinleiding is binnen drie maanden na de bestreden beschikking op 19 mei 2022 ingediend in het portaal van de Hoge Raad.
Blijkens de omschrijving van het cassatiemiddel op pagina 2 van de procesinleiding.
Blijkens de randnummers 2.1 t/m 2.3 van de procesinleiding.
Zie de procesinleiding onder randnummer 2.1.
Het hof expliciteert dit niet, maar dit volgt uit de eindbeschikking van de rechtbank d.d. 9 juli 2021 en rechtsoverwegingen 5.7 en 5.10 van de bestreden beschikking.
Zie de eindbeschikking van de rechtbank d.d. 9 juli 2021, p. 4.
Zie de procesinleiding onder randnummer 2.2. Gesproken wordt over ‘het opvoedperspectief’, maar gelet op de bestreden overweging van het hof is duidelijk dat daarmee ‘het toekomstperspectief’ wordt bedoeld.
Zie de bestreden beschikking in hoger beroep, r.o. 5.10.
K. van der Zon, Pleegrechten voor kinderen. Een onderzoek naar het realiseren van rechten van kinderen die in het kader van een ondertoezichtstelling in een pleeggezin zijn geplaatst, Den Haag: Boom juridisch 2020, p. 351.
VN-kinderrechtencomité, General Comment nr. 12 ( 2009), par. 45.
J.H. Lieber, De rechter en de taal van het kind, FJR 2018/40 en S. D. Poot, In de kinderschoenen; onderzoek naar kindvriendelijke uitspraken in de Nederlandse civiele rechtspraktijk, FJR 2020/45.
Zie hierover ook Bruning en Mol, ‘Child Participation In International And Regional Human Rights Instruments’, in: W.M. Schrama e.a. (red.), International Handbook on Child Participation in Family Law, Intersentia 2021, p. 38. “While the judgment and the motivation thereof cannot always be recorded and explained in child-friendly wording, due to legal requirements, children should have those decisions explained to them, either by their lawyer or another appropriate person, such as a parent or a social worker.”
Zie randnummer 2.3 van de procesinleiding.
Hof Den Haag 23 februari 2022, r.o. 5.14.
Zie HR 5 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2632, r.o. 3.3.3; HR 12 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:575, r.o. 3.3.4; HR 11 juni 2021, ECLI:NL:HR:2021:887, r.o. 3.1.2.
Zie ook mijn conclusie voor HR 16 april 2021, ECLI:NL:PHR:2021:283, randnummer 2.7 en met verwijzing naar R.Y. Nauta, T&C Burgerlijke Rechtsvordering, art. 810a Rv (2020), aant. 2d. Zie ook mijn conclusie voor HR 16 juli 2021, ECLI:NL:PHR:2021:564, onder 3.8.
HR 11 juni 2021, ECLI:NL:HR:2021:887.
HR 5 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2632 en HR 12 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:575.
Zie mijn conclusie voor HR 16 april 2021, ECLI:NL:PHR:2021:283, randnummer 2.7 en met verwijzing naar R.Y. Nauta, T&C Burgerlijke Rechtsvordering, art. 810a Rv (2020), aant. 2d. Zie ook mijn conclusie voor HR 16 juli 2021, ECLI:NL:PHR:2021:564, onder 3.8.
Zoals eerder aangehaald in mijn conclusie ECLI:NL:PHR:2022:812, zie Wortmann, annotatie onder HR 5 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2632, NJ 2014/469, met verwijzing naar de brief van Staatssecretaris van Justitie van 16 november 1993, Kamerstukken II 1993/94, 22 487 en 22 003, nr. 13. Vgl. ook Kamerstukken II 1993/94, 22 487, nr. 14.