Rechtspraak
Parket bij de Hoge Raad
2021-01-12
ECLI:NL:PHR:2021:9
Strafrecht
3,976 tokens
Conclusie
E.J. Hofstee
In de zaak
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1972,
hierna: de verdachte.
Bij arrest van 20 januari 2020 heeft het gerechtshof Den Haag de verdachte niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Den Haag van 23 oktober 2017 waarbij de verdachte bij verstek wegens “overtreding van het bepaalde in artikel 107 lid 1 Wegenverkeerswet 1994” (op 12 juni 2017) is veroordeeld tot hechtenis voor de duur van twee weken.
Er bestaat samenhang met de zaak 20/00712. Ook in die zaak zal ik vandaag concluderen.
Namens de verdachte hebben mr. R.J. Baumgardt, mr. P. van Dongen, mr. S. van den Akker, advocaten te Rotterdam, één middel van cassatie voorgesteld.
Het middel klaagt dat het hof de verdachte op ontoereikende gronden niet-ontvankelijk heeft verklaard in zijn hoger beroep, althans dat dit oordeel onbegrijpelijk dan wel onvoldoende is gemotiveerd.
5. Het hof heeft de verdachte niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep en daartoe blijkens de aantekening mondeling arrest overwogen:
“Ontvankelijkheid van de verdachte in het hoger beroep
Het hof stelt aan de hand van de akte van uitreiking mededeling uitspraak vast dat de verdachte in ieder geval op 2 oktober 2019 bekend is geworden met de op 23 oktober 2017 in eerste aanleg gegeven einduitspraak.
Ingevolge het bepaalde in artikel 408, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering had de verdachte binnen veertien dagen nadat hij op 2 oktober 2019 bekend was geworden met de einduitspraak hoger beroep dienen in te stellen. Namens de verdachte is echter eerst op 25 oktober 2019 hoger beroep ingesteld, derhalve na het verstrijken van genoemde termijn.
Nu het hoger beroep na het verstrijken van genoemde termijn is ingesteld, dient de verdachte daarin niet-ontvankelijk te worden verklaard.”
6. Op de terechtzitting van het hof van 20 januari 2020 was de verdachte aanwezig. Hij werd niet bijgestaan door een raadsman. Blijkens het daarvan opgemaakte proces-verbaal heeft de verdachte ter terechtzitting aangevoerd dat hij eerder, binnen de gestelde beroepstermijn, een bezwaarschrift had ingediend bij het arrondissementsparket te Utrecht. Voor alle duidelijkheid geef ik hieronder weer wat de verdachte toen heeft verklaard:
“De handtekening op de akte van uitreiking is mijn handtekening. Ik ben op 2 oktober 2019 bekend geworden met de op 23 oktober 2017 in eerste aanleg gegeven einduitspraak. U zegt mij dat ik ingevolge het bepaalde in artikel 408, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering binnen veertien dagen nadat ik op 2 oktober 2019 bekend was geworden met de einduitspraak hoger beroep had moeten instellen. U constateert dat namens mij op 25 oktober 2019 hoger beroep is ingesteld, derhalve niet binnen veertien dagen. Ik ben mij hiervan bewust. Op de akte van uitreiking staat:
"Arrondissementsparket te Utrecht" en een postbusadres.
Omstreeks 10 oktober 2019 heb ik een bezwaarschrift aan dat postbusadres verzonden. Omdat ik geen bevestiging kreeg, heb ik telefonisch contact met het arrondissementsparket te Utrecht opgenomen. Mij is toen medegedeeld dat indien men mijn bezwaarschrift had ontvangen, men dat zou hebben doorgestuurd naar de rechtbank Den Haag. Daarop heb ik contact met de rechtbank Den Haag opgenomen. Mij is medegedeeld dat ik nog hoger beroep kon instellen. Dat heb ik vervolgens ook gedaan. Volgens mijn raadsman was de dagvaarding voor de zitting in eerste aanleg niet goed betekend. Ik heb die dagvaarding nooit ontvangen.”
7. De advocaat-generaal heeft hierop desgevraagd meegedeeld te persisteren bij de eerder gedane vordering tot niet-ontvankelijkverklaring van de verdachte in het namens hem ingestelde hoger beroep en daarnaast opgemerkt:
“Uit het bezwaarschrift d.d. 25 oktober 2019 volgt dat de verdachte eerder een bezwaarschrift heeft verzonden. Dat eerste bezwaarschrift heb ik evenwel niet in het dossier aangetroffen. Ik kan dus niet nagaan of het verhaal van de verdachte klopt. Gelet op die stand van zaken persisteer ik bij mijn vordering. Het is aan de verdachte om de juiste procedure te volgen.”
8. Bij de aan de Hoge Raad toegezonden stukken bevindt zich de akte instellen hoger beroep. Deze akte houdt het volgende in:
“Parketnummer 96-114119-17
Op 25 oktober 2019 kwam ter griffie van deze rechtbank,
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] 1972 te [geboorteplaats]
wonende te [a-straat 1], [plaats]
die verklaarde:
hoger beroep in te stellen tegen het eindvonnis, door de kantonrechter in deze rechtbank, locatie 's-Gravenhage, op 23 oktober 2017 gewezen.
Aan de verdachte is meegedeeld, dat deze bevoegd is toevoeging van een raadsman te verzoeken.”
9. Aan de akte is als bijlage gehecht een handgeschreven brief van de verdachte d.d. 25 oktober 2019. Deze brief, die blijkens de daarop geplaatste stempel eveneens op 25 oktober 2009 is ingekomen bij de centrale balie (ik begrijp van voormelde griffie, A-G), houdt het volgende in:
“Bezwaarschrift II 25 oktober 2019
Betreft parketnummers: 9603788719
9611411917
9611177517
Zoals U in de aanhef kunt zien dien ik nogmaals bezwaarschrift in. Heb het originele bezwaarschrift naar Utrecht gestuurd. Na vanochtend met [betrokkene 1] gesproken te hebben zei hij zet alles nogmaals op schrift. Dus bij deze wil ik graag in beroep gaan tegen bovenstaande zaken. Dus voor de duidelijkheid heb in het weekend van de 13e oktober het verstuurd. Dit bezwaarschrift vandaag persoonlijk afgegeven.
[verdachte]”
10. Voorts bevindt zich onder de aan de Hoge Raad toegezonden stukken een ‘akte van uitreiking’ d.d. 2 oktober 2019 gericht aan de verdachte betreffende het parketnummer 96-114119-17. Op deze akte van uitreiking is onder meer vermeld:
“Adres voor terugzending
Arrondissementsparket te Utrecht
Postbus 8267
3503 RG Utrecht”
11. Ter onderbouwing van de klacht wordt in de toelichting op het middel in de kern betoogd dat het hof ten onrechte in het midden heeft gelaten “of de verdachte de volmacht binnen de appeltermijn naar een onjuiste instantie heeft gestuurd”, zodat gelet hierop het er in cassatie voor moet worden gehouden “dat de verdachte tijdig een volmacht tot het instellen van hoger beroep aan de griffie van de rechtbank heeft doen toekomen”.
12. Art. 408 Sv luidt voor zover voor de beoordeling van het middel van belang:
“1. Het hoger beroep moet binnen veertien dagen na de einduitspraak worden ingesteld indien:
[…].
2. In andere gevallen dan de in het eerste lid genoemde moet het hoger beroep worden ingesteld binnen veertien dagen nadat zich een omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat de einduitspraak de verdachte bekend is.”
13. Ingevolge art. 408, tweede lid, Sv moet de verdachte dus binnen veertien dagen nadat zich een omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat de einduitspraak de verdachte bekend is geworden, hoger beroep instellen tegen het vonnis van de rechtbank. Deze termijn is van openbare orde, hetgeen meebrengt dat overschrijding van de beroepstermijn in de regel betekent dat de verdachte niet-ontvankelijk zal worden verklaard in het door hem ingestelde hoger beroep. Het gevolg van niet-ontvankelijkheid kan daaraan uitsluitend dan niet aan de termijnoverschrijding worden verbonden, indien sprake is van “bijzondere, de verdachte niet toe te rekenen, omstandigheden welke de overschrijding van de termijn verontschuldigbaar doen zijn”.
Conclusie
Bij een ‘bijzondere omstandigheid’ kan gedacht worden aan de situatie waarin vóór het verstrijken van de beroepstermijn informatie is verstrekt door een ambtelijke instantie waardoor bij de verdachte de gerechtvaardigde verwachting is gewekt dat de beroepstermijn op een ander tijdstip aanvangt of aan een zodanige psychische gesteldheid van de verdachte waardoor het niet instellen van hoger beroep niet aan de verdachte kan worden toegerekend, aldus reeds HR 6 januari 2004, ECLI:NL:HR:2004:AN8587, NJ 2004/181. Is duidelijk en gemotiveerd het verweer gevoerd dat een termijn voor het instellen van hoger beroep verontschuldigbaar is overschreden, dan is de rechter verplicht bij verwerping van dit verweer zijn beslissing uitdrukkelijk en met redenen omkleed te nemen.
14. Het door de verdachte gevoerde verweer in hoger beroep kan bezwaarlijk anders worden verstaan dan als een verweer dat inhoudt dat de termijn voor het instellen van hoger beroep verontschuldigbaar is overschreden. Daarbij heb ik in aanmerking genomen dat de verdachte ter zitting niet werd bijgestaan door een advocaat. Dat dit een rol kan spelen bij de vraag of sprake is van verontschuldigbare termijnoverschrijding, blijkt bijvoorbeeld uit HR 12 oktober 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL7694, NJ 2010/585, m.nt. Buruma.
15. Het verweer is door het hof (kennelijk) verworpen, maar het heeft nagelaten in dit opzicht een uitdrukkelijke en gemotiveerde beslissing te nemen. Het middel is in zoverre terecht voorgesteld.
16. De vraag is vervolgens of dit verzuim ook tot cassatie dient te leiden. Ik meen van wel. Het verweer is niet van dien aard dat enkel een verwerping in het vizier komt. Hoewel ik bij mijn blik achter de papieren muur geen aan het bedoelde postbusadres in Utrecht gericht bezwaarschrift ben tegengekomen, had het mijns inziens hier op de weg van het hof gelegen daar (nader) onderzoek naar te doen. De verklaring van de verdachte dat hij zich aanvankelijk bij het verkeerde (Utrechtse) loket had vervoegd omdat hij uit de akte van uitreiking had opgemaakt dat hij het ‘bezwaarschrift’ aan het daarop genoemde postbusadres moest verzenden, is immers niet onaannemelijk, te minder nu – gezien de zich onder de gedingstukken bevindende akte van uitreiking – deze verklaring op in ieder geval het punt van het postbusadres juist blijkt te zijn. De verdachte heeft verklaard dit eerste bezwaarschrift te hebben gestuurd ‘omstreeks 10 oktober 2019’ en dat was nog binnen de beroepstermijn.
17. Mocht blijken dat de verdachte binnen die appeltermijn een ‘bezwaarschrift’ heeft verstuurd naar het arrondissementsparket Utrecht, dan is nog altijd sprake van een verkeerde instantie maar dient niettemin dit ‘bezwaarschrift’ te worden aangemerkt als een bijzondere volmacht in de zin van art. 450, eerste lid onder b Sv tot het instellen van hoger beroep en had het ‘bezwaarschrift’ moeten worden doorgezonden naar de juiste instantie; de verdachte heeft verklaard dat hem (ik begrijp door het Utrechtse arrondissementsparket, A-G) is meegedeeld dat indien men het bezwaarschrift had ontvangen men dat zou hebben doorgestuurd naar de rechtbank Den Haag. Het hof had ook de juistheid van deze uit het verweer voortvloeiende omstandigheid niet in het midden mogen laten. De omstandigheid dat uit de stukken van het geding niet van een doorzending blijkt (misschien is het feitelijk wel gebeurd), mag ook in dat geval niet ten nadele van de verdachte strekken. De slotsom zou alsdan vermoedelijk hebben geluid dat de verdachte ontvankelijk is in het door hem ingestelde beroep. Daarbij neem ik in aanmerking dat, als gezegd, uit de akte van uitreiking van het vonnis van de kantonrechter blijkt dat een postbusadres is vermeld van het arrondissementsparket te Utrecht. Zowel op de voor- als op de achterzijde van deze akte zijn – voor zover ik heb kunnen nagaan – geen verdere gegevens vermeld waar (dus bij welk loket) en hoe een eventueel hoger beroep door de verdachte had kunnen worden ingesteld. Het is goed voorstelbaar dat de verdachte door de tekst op de akte van uitreiking op het verkeerde been is gezet en dat – naar door hem is gesteld – hij zijn eerste ‘bezwaarschrift’ naar het arrondissementsparket in Utrecht heeft gestuurd.
18. In het licht van het voorgaande ben ik van mening dat het hof de verdachte op ontoereikende gronden niet-ontvankelijk heeft verklaard in het door hem ingestelde beroep.
19. Het middel slaagt mitsdien.
20. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.
21. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Den Haag, opdat de zaak opnieuw kan worden berecht en afgedaan.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Dit is het parketnummer van de onderhavige zaak bij de rechtbank en het hof.
HR 28 maart 1995, ECLI:NL:HR:1995:ZC9981, NJ 1995/500, m.nt. Schalken, HR 6 januari 2004, ECLI:NL:HR:2004:AN8587, NJ 2004/181 en HR 14 januari 2020, ECLI:NL:HR:2020:38, NJ 2020/55. (Vgl. ook de civiele kamer van HR 21 februari 2014, ECLI:NL:HR:2014:413, NJ 2014/131). De Hullu heeft in zijn dissertatie opgemerkt dat duidelijkheid moet bestaan over de status van strafrechtelijke beslissingen: “Vooral met het oog op de tenuitvoerlegging dient gemakkelijk bepaalbaar te zijn of een strafrechtelijke beslissing onherroepelijk is of niet.” Zie J. de Hullu, Over rechtsmiddelen in strafzaken, Arnhem Gouda Quint, 1989, p. 365.
In dezelfde zin HR 7 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM6671, NJ 2010/488, HR 6 december 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ9060, HR 8 oktober 2019, ECLI:NL:HR:2019:1553 en HR 30 juni 2020, ECLI:NL:HR:2020:1161.
HR 12 oktober 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL7694 en HR 15 november 2011, ECLI:NL:HR:2011:BT2681, NJ 2011/546.
Vgl. ook de, hierboven in randnummer 7 weergegeven, mededeling van de advocaat-generaal bij het hof.
Vgl. HR 7 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM6671, NJ 2010/488: “2.4. Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte niet alleen aangevoerd dat zij voorafgaand aan de terechtzitting in eerste aanleg tegen de gerechtsbode heeft gezegd dat zij niet aanwezig kon zijn bij de inhoudelijke behandeling van haar zaak, maar ook dat de gerechtsbode haar heeft medegedeeld dat zij een nieuwe oproep zou ontvangen. Het Hof had de juistheid van de als laatste aangevoerde omstandigheid niet in het midden mogen laten.” Zie voorts HR 20 oktober 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZD1259, NJ 1999/50: “4.4 […] Indien de verdachte binnen de appeltermijn op de hiervoor geldende wijze een volmacht rechtsmiddelen heeft ingediend teneinde hoger beroep in te stellen tegen het vonnis van de Politierechter in de Rechtbank te Zwolle, mag de omstandigheid dat die volmacht na het verstrijken van de appeltermijn ter griffie van het juiste gerecht — de Rechtbank te Zwolle — is ingekomen zodat aldaar niet tijdig een appelakte is opgemaakt, niet zonder meer ten nadele van de verdachte strekken op de grond dat dit het gevolg is van de door de verdachte gekozen en voor zijn rekening komende wijze om die volmacht bij de verkeerde instantie in te dienen. Immers, uit de gang van zaken zoals deze is vermeld in 4.1 vloeit rechtstreeks de mogelijkheid voort dat de verdachte — van wie mag worden aangenomen dat hij het hem ter beschikking staande rechtsmiddel wenste in te stellen met inachtneming van de bij de wet gestelde voorschriften — tot het indienen van die volmacht bij de verkeerde instantie is bewogen doordien hij verkeerde in de verontschuldigbare dwaling dat hij die volmacht moest indienen in het gerechtsgebouw waar het gerecht dat zijn hoger beroep zou behandelen was gehuisvest.