Rechtspraak
Parket bij de Hoge Raad
2021-07-06
ECLI:NL:PHR:2021:676
Strafrecht
2,413 tokens
Conclusie
T.N.B.M. Spronken
In de zaak
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1996,
hierna: de verdachte.
1Het cassatieberoep
1.1.
Het gerechtshof Den Haag heeft de verdachte bij arrest van 22 januari 2020 wegens onder 1 “eenvoudige belediging, terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening” en onder 2 “wederspannigheid” veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 36 uur, subsidiair 18 dagen hechtenis.
1.2.
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en mr. L.E.G. van der Hut, advocaat te Den Haag, heeft één middel van cassatie voorgesteld. Het middel ziet op het ontbreken van handtekeningen op processtukken van het hof in verband met COVID-19.
2Het middel
2.1.
Het middel klaagt in de eerste plaats dat het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 8 januari 2020 niet overeenkomstig art. 327 Sv is vastgesteld noch is ondertekend en in de tweede plaats dat de bijlage met bewijsmiddelen bij het verkorte arrest van 22 januari 2020 niet overeenkomstig het bepaalde in art. 365b Sv is ondertekend door één van de rechters die het arrest hebben gewezen. Deze twee deelklachten lenen zich voor een gezamenlijke bespreking.
2.2.
Het proces-verbaal van de zitting houdt in dit verband in:
“Vanwege (de gevolgen van) COVID-19 is het proces-verbaal van deze zitting wel opgemaakt maar (nog) niet ondertekend.”
2.3.
In de bijlage met bewijsmiddelen bij het arrest staat vermeld:
"Deze bijlage is vanwege (de gevolgen van) COVID-19 wel door de voorzitter, mr. B.P. de Boer, op 30 april 2020 vastgesteld, maar (nog) niet ondertekend."
2.4.
Met betrekking tot het ontbreken van de handtekening(en) op het proces-verbaal en op de aanvulling van de bewijsmiddelen heeft de Hoge Raad inlichtingen ingewonnen bij het hof met het verzoek om een aparte schriftelijke verklaring, voorzien van een handtekening van (één of meer van) de betrokken raadsheren en/of griffier, waaruit blijkt dat het hof bekend en akkoord is met de inhoud van het proces-verbaal en de bijlage. Dit verzoek heeft geleid tot een verklaring die het volgende inhoudt:
“In deze strafzaak was het vanwege de maatregelen in verband met de uitbraak van COVID-19 eerder niet mogelijk om de navolgende stukken te ondertekenen:
- het proces-verbaal van de op 8 januari 2020 in het openbaar gehouden terechtzitting van dit hof, op welke terechtzitting de zaak is behandeld, alsmede- de bijlage houdende de bewijsmiddelen in de zaak.
De ondergetekenden verklaren hierbij dat door middel van ondertekening van deze verklaring de hiervoor genoemde documenten alsnog worden voorzien in de ondertekening daarvan.”
2.5.
De verklaring is met betrekking tot het proces-verbaal van de zitting door de oudste raadsheer, die de zaak op 8 januari 2020 heeft voorgezeten, en de griffier ondertekend. Voor zover deze verklaring betrekking heeft op de aanvulling met bewijsmiddelen heeft de voorzitter de verklaring ondertekend.
2.6.
Daarop heeft de rolraadsheer de raadsvrouw van de verdachte een nadere termijn verleend teneinde de eerder ingediende schriftuur te wijzigen, aan te vullen dan wel het middel in te trekken. De raadsvrouw heeft van deze gelegenheid gebruik gemaakt en het middel met betrekking tot de eerste deelklacht gehandhaafd omdat met de genoemde verklaring volgens haar nog steeds niet is voorzien in het wettelijke vereiste van vaststelling van de inhoud van het proces-verbaal van 8 januari 2020. Ten aanzien van de tweede deelklacht heeft zij zich gerefereerd aan het oordeel van de Hoge Raad.
2.7.
Gelet op de inhoud van deze aanvullende schriftuur heb ik nadere inlichtingen laten inwinnen bij het hof met betrekking tot de vraag of het proces-verbaal van 8 januari 2020 nu wel of niet is vastgesteld door de voorzitter en de griffier. Dit verzoek heeft geleid tot de volgende verklaring van de griffier van het hof:
“Met de zin onder het proces-verbaal inhoudende "Vanwege (de gevolgen van) COVID-19 is het proces-verbaal van deze zitting wel opgemaakt maar (nog) niet ondertekend." is bedoeld dat dit proces-verbaal door de voorzitter en de griffier is vastgesteld als bedoeld in artikel 327 Sv, maar nog niet door hen is ondertekend vanwege de (gevolgen van) COVID-19. Het proces-verbaal is, anders dan de woordkeuze mogelijk doet vermoeden, wel vastgesteld door de voorzitter en de griffier.”
2.8.
Wederom heeft de rolraadsheer de raadsvrouw van de verdachte een nadere termijn verleend om haar de in de gelegenheid te stellen, gelet op deze verklaring, de schriftuur te wijzigen, aan te vullen dan wel het middel in te trekken. Van deze gelegenheid is geen gebruik gemaakt.
2.9.
Bij de beoordeling van het middel zijn de volgende wettelijke bepalingen van belang.
Artikel 327 Sv:
“Het proces-verbaal wordt door den voorzitter of door een der rechters, die over de zaak heeft geoordeeld, en den griffier vastgesteld en zoo spoedig mogelijk na de sluiting van het onderzoek ter terechtzitting en in elk geval binnen den in het eerste lid van artikel 365 vermelden termijn onderteekend. Voor zoover de griffier tot een en ander buiten staat is, geschiedt dit zonder zijne medewerking en wordt van zijne verhindering aan het slot van het proces-verbaal melding gemaakt.”
Artikel 365a lid 2 Sv:
“Een verkort vonnis waartegen een gewoon rechtsmiddel is aangewend wordt aangevuld met de bewijsmiddelen bedoeld in artikel 359, derde lid, dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, wordt toegepast, een opgave van bewijsmiddelen tenzij het rechtsmiddel meer dan drie maanden na de uitspraak is aangewend of sprake is van een vonnis als bedoeld in artikel 410a, eerste lid.”
Artikel 365b lid 1 Sv:
“De aanvulling bedoeld in artikel 365a, tweede lid, wordt ondertekend door een van de rechters die het verkorte vonnis hebben gewezen of bij hun ontstentenis door de voorzitter van het gerecht.”
2.10.
Voorop staat dat het ontbreken van de ondertekening van het proces-verbaal in beginsel met zich brengt dat het proces-verbaal rechtskracht mist, zodat het onderzoek ter terechtzitting en de naar aanleiding daarvan gewezen uitspraak aan nietigheid lijden. Als het verzuim nog kan worden hersteld is dit gevolg niet aan de orde. Verder levert het niet ondertekenen van de aanvulling zoals bedoeld in het eerste lid van artikel 365b Sv geen schending “van een zodanig essentieel vormvoorschrift op dat dit nietigheid van de uitspraak meebrengt”.
2.11.
Recent heeft de Hoge Raad twee arresten gewezen naar aanleiding van soortgelijke zaken waarin de processtukken pas later zijn ondertekend in verband met de gevolgen van COVID-19. In één van die arresten heeft de Hoge Raad geoordeeld dat het verzuim als gevolg van het ontbreken van de ondertekening van een proces-verbaal kan worden hersteld indien het proces-verbaal alsnog wordt ondertekend door de voorzitter of één van de rechters die over de zaak hebben geoordeeld. Ten aanzien van de aanvulling met bewijsmiddelen heeft de Hoge Raad overwogen dat als de aanvulling als bedoeld in artikel 365a lid 2 Sv niet bij de vaststelling daarvan wordt ondertekend, die ondertekening ook op een later moment mag plaatsvinden. Met betrekking tot beide herstelmogelijkheden heeft het volgens de Hoge Raad de voorkeur dat (latere) ondertekening plaatsvindt in de vorm van een afzonderlijke, door één van de rechters die over de zaak hebben geoordeeld ondertekende verklaring. In het geval van de aanvulling ex art.
Conclusie
3.1.
Het middel faalt en kan worden afgedaan met de aan art. 81, lid 1 RO, ontleende motivering.
3.2.
Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
3.3.
Deze conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Vgl. HR 17 november 2020, ECLI:NL:HR:2020:1803, NJ 2020, 441, m. nt. W.H. Vellinga.
Zie HR 19 mei 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH7296 (waarin de fout niet werd hersteld) en HR 29 mei 1990, ECLI:NL:HR:1990:AD1142, NJ 1991/76, m.nt. Th.W. van Veen (waarin de fout wel werd hersteld).
HR 4 november 2008, ECLI:NL:HR:2008:BF0201, NJ 2008/582
HR 15 juni 2021, ECLI:NL:HR:2021:937 (rov 4.3.2)
HR 15 juni 2021, ECLI:NL:HR:2021:925 (rov 3.4)
HR 15 juni 2021, ECLI:NL:HR:2021:937 (rov 4.3.2) en HR 15 juni 2021, ECLI:NL:HR:2021:925 (rov 3.4)
HR 24 juni 1929, NJ 1929, p. 1453, zie ook A.L. Melai & M.S. Groenhuijsen e.a. (red.), Het wetboek van Strafvordering (losbl.), Deventer: Kluwer, art. 327 Sv, aantekening 2 (bijgewerkt tot 1 februari 1976)
Zie ook HR 7 januari 1986, ECLI:NL:HR:1986:AB9631, NJ 1986/463 en voor een geval waarin de ondertekening heeft plaatsgevonden door een rechter die niet had deelgenomen aan het onderzoek ter terechtzitting HR 2 juni 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH9945; dat leidde wel tot nietigheid.