Rechtspraak
Parket bij de Hoge Raad
2021-12-07
ECLI:NL:PHR:2021:1138
Strafrecht
2,549 tokens
Conclusie
D.J.M.W. Paridaens
In de zaak
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1999,
hierna: de verdachte.
Inleiding
1. Het gerechtshof Den Haag heeft bij arrest van 17 september 2020 de verdachte niet-ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Rotterdam van 8 januari 2019. In dat vonnis is de verdachte wegens “opzetheling” veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van zestig uren, subsidiair dertig dagen hechtenis.
2. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en mr. T. Arkesteijn, advocaat te Rotterdam, heeft drie middelen van cassatie voorgesteld.
Het eerste en het tweede middel
3. Het eerste middel klaagt dat geen betekening van de oproeping in hoger beroep voor de zitting van 17 september 2020 aan het BRP-adres van de verdachte en aan het openbaar ministerie heeft plaatsgevonden, zodat de oproeping nietig is. Het tweede middel klaagt dat geen afschrift van de oproeping in hoger beroep voor de zitting van 17 september 2020 aan het BRP-adres van de verdachte is toegezonden, zodat de oproeping nietig is. Beide middelen lenen zich voor een gezamenlijke bespreking.
4. Bij de op de voet van art. 434, eerste lid, Sv aan de Hoge Raad toegezonden stukken bevinden zich:
(i) het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 30 maart 2020 dat, voor zover voor de beoordeling van de middelen van belang, inhoudt dat het hof het onderzoek heeft geschorst voor onbepaalde tijd;
(ii) een afschrift van de oproeping van de verdachte om te verschijnen ter terechtzitting in hoger beroep van 17 september 2020;
(iii) een akte van uitreiking, inhoudende dat de oproeping voor deze terechtzitting op 23 juli 2020 niet kon worden uitgereikt op het adres [a-straat 1] te [plaats] omdat de verdachte niet (meer) woont op dit adres en dat op 31 juli 2020 bij controle van de GBA is geconstateerd dat de verdachte op de dag van de aanbieding van de oproeping en vijf dagen daarna bij de GBA stond ingeschreven op het hiervoor vermelde adres;
(iv) een aan de akte van uitreiking gehechte Informatiestaat SKDB-persoon d.d. 31 juli 2020, inhoudende dat de verdachte vanaf 4 juni 2018 in de basisregistratie personen (hierna: BRP) staat ingeschreven op het briefadres [a-straat 1] te [plaats] ;
(v) het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 17 september 2020 dat, voor zover voor de beoordeling van de middelen van belang, het volgende inhoudt:
“De verdachte, opgeroepen als:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1999,
adres: [a-straat 1] [plaats] ,
is niet ter terechtzitting verschenen.
De raadsvrouw van de verdachte mr. T. Arkesteijn, advocate te Rotterdam, is - hoewel behoorlijk opgeroepen - evenmin ter terechtzitting verschenen.
Het gerechtshof verleent verstek tegen de niet-verschenen verdachte.
De advocaat-generaal draagt de zaak voor en vordert, nu de verdachte geen schriftuur houdende grieven heeft ingediend noch heden ter terechtzitting is verschenen, dat de verdachte op grond van artikel 416, tweede lid van het Wetboek van Strafvordering, niet-ontvankelijk wordt verklaard in het hoger beroep.
(…)
Na sluiting van het onderzoek door de voorzitter doet het gerechtshof terstond uitspraak.”
(vi) het bij verstek gewezen bestreden arrest waarin het hof de verdachte op de voet van art. 416, tweede lid, Sv niet-ontvankelijk heeft verklaard in het hoger beroep.
5. Aan de middelen is ten grondslag gelegd dat op de akte van uitreiking niet is ingevuld dat de gerechtelijke brief is uitgereikt aan de medewerker van het openbaar ministerie en evenmin dat een afschrift van de brief is verzonden naar het op de akte vermelde adres, [a-straat 1] te [plaats] .
6. Voor de beoordeling van de middelen zijn de volgende bepalingen van belang:
art. 36e Sv:
“1. De uitreiking van de gerechtelijke mededeling, bedoeld in artikel 36b, tweede lid, geschiedt:
(…)
b. aan alle anderen: in persoon of indien betekening in persoon niet is voorgeschreven en de mededeling in Nederland wordt aangeboden:
1° aan het adres waar de geadresseerde als ingezetene is ingeschreven in de basisregistratie personen, dan wel,
(…)
2. Indien in het geval bedoeld in het eerste lid, onderdeel b,
(…)
b. geen uitreiking heeft kunnen geschieden, wordt de gerechtelijke mededeling uitgereikt aan de autoriteit van welke zij is uitgegaan. Indien vervolgens blijkt dat de geadresseerde op de dag van aanbieding en ten minste vijf dagen nadien als ingezetene in de basisregistratie personen was ingeschreven op het in de mededeling vermelde adres, wordt alsdan een afschrift van de gerechtelijke mededeling onverwijld toegezonden aan dat adres, alsmede aan het adres in Nederland dat de verdachte heeft opgegeven waaraan mededelingen over de strafzaak kunnen worden toegezonden. In de in dit onderdeel bedoelde gevallen wordt een akte van uitreiking als bedoeld in artikel 36h opgemaakt. Op de akte wordt aantekening gedaan van deze uitreiking en, indien daarvan sprake is, van deze toezending.
(…)”
art. 36n, eerste lid, Sv:
“De rechter kan, indien de uitreiking niet is geschied overeenkomstig het bepaalde in deze afdeling, de betekening nietig verklaren.”
7. Centraal in deze zaak staat de naleving van art. 36e, tweede lid, onder b, Sv. Op de akte is namelijk, zoals aan het middel ten grondslag is gelegd, niet aangekruist dat de gerechtelijke mededeling is uitgereikt aan de medewerker van het openbaar ministerie en evenmin dat een afschrift is verzonden naar het op de akte vermelde adres, [a-straat 1] te [plaats] .
8. Hoewel dit voor deze zaak geen gevolgen heeft, merk ik volledigheidshalve op dat art. 36e, tweede lid, onder b, Sv bij de Spoedreparatiewet herziening tenuitvoerlegging strafrechtelijke beslissingen is gewijzigd tussen de dag waarop in deze zaak de oproeping is aangeboden op het BRP-adres van de verdachte en de datum van de adresverificatie. Tot 25 juli 2020 hield deze bepaling namelijk in dat de gerechtelijke mededeling wordt uitgereikt “aan het openbaar ministerie” (thans: aan de autoriteit van welke zij is uitgegaan) en dat op de akte aantekening wordt gedaan van “de uitreiking aan het openbaar ministerie” (thans: deze uitreiking). Reden voor deze wijziging is dat het uitgangspunt van de betekeningsregeling weliswaar is dat de kennisgeving van gerechtelijke mededelingen op last van het openbaar ministerie geschiedt, maar dat bij wet anders kan worden bepaald (artikel 36a Sv). In gevallen waarin de opdracht tot betekening niet door het openbaar ministerie, maar door het parket van de procureur-generaal bij de Hoge Raad wordt gegeven, dient de gerechtelijke mededeling uiteindelijk niet te worden uitgereikt aan het openbaar ministerie, maar aan de autoriteit die het stuk heeft doen uitgaan.
9. Met betrekking tot de destijds in art. 588, derde lid, onder c, (oud) Sv voorgeschreven uitreiking aan de griffier heeft de Hoge Raad in zijn arrest van 12 maart 2002 overwogen:
“Wanneer geen uitreiking heeft kunnen geschieden, wordt de dagvaarding teruggestuurd naar de autoriteit van welke zij is uitgegaan. Vervolgens kan zij worden uitgereikt aan de griffier van de rechtbank van het arrondissement waarbinnen de zaak zal dienen. De dagvaarding is dan rechtsgeldig betekend op voorwaarde dat bij adresverificatie blijkt dat de verdachte op de dag waarop de dagvaarding op het GBA-adres is aangeboden en tenminste vijf dagen nadien op dat adres was ingeschreven. De griffier zendt vervolgens de dagvaarding onverwijld als gewone brief over de post aan het GBA-adres (art. 588 lid 3 sub c), ook indien de verdachte ten tijde van die verzending niet meer op dat adres was ingeschreven. […]”
10. De invoering van art.
Conclusie
16. Het eerste middel slaagt. Het tweede middel faalt. Het derde middel kan buiten bespreking blijven.
17. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
18. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot nietigverklaring van de betekening van de oproeping van de verdachte in hoger beroep om te verschijnen op de terechtzitting van het hof van 17 september 2020.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Ik merk daarbij op dat de omstandigheid dat het adres waarop de verdachte in de BRP staat ingeschreven een briefadres betreft voor de beoordeling van het eerste en het tweede middel niet van belang is. De Hoge Raad heeft eerder namelijk geoordeeld dat voor de toepassing van art. 588 (oud) Sv, bij gebreke van een "woonadres", een "briefadres" als bedoeld in art. 1.1 Wet basisregistratie personen moet worden aangemerkt als "het adres waar de geadresseerde als ingezetene is ingeschreven in de basisregistratie personen" waaraan gerechtelijke mededelingen kunnen worden betekend (HR 17 november 2015, ECLI:NL:HR:2015:3323).
Stb. 2020, 225.
Vgl. Kamerstukken II 2019/20, 35436, nr. 3, p. 2.
HR 12 maart 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD5163, NJ 2002/317 m.nt. Schalken, rov. 3.15.
HR 12 oktober 2021, ECLI:NL:HR:2021:1506, rov. 2.4.
Vgl. HR 27 maart 2018, ECLI:NL:HR:2018:434, onder verwijzing naar de conclusie van AG Spronken (ECLI:NL:PHR:2018:94, onder 3.3-3.5). In die zaak was op de akte van uitreiking aangetekend dat een afschrift van de inleidende dagvaarding was verzonden naar het adres van de verdachte in Bulgarije, maar was de datum van verzending niet ingevuld, terwijl uit de stukken van het geding ook overigens niet bleek dat de dagvaarding was verzonden naar dat adres van de verdachte. Het oordeel van het hof dat de betekening van de inleidende dagvaarding rechtsgeldig had plaatsgevonden, was daarom niet begrijpelijk.