Rechtspraak
Parket bij de Hoge Raad
2021-11-23
ECLI:NL:PHR:2021:1093
Strafrecht
2,394 tokens
Conclusie
T.N.B.M. Spronken
In de zaak
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1981,
hierna: de verdachte.
1Het cassatieberoep
1.1.
Bij arrest van 21 oktober 2020 heeft het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden het vonnis van de rechtbank Overijssel, locatie Almelo, van 2 augustus 2017 bevestigd, met aanvulling van de bewijsmiddelen. In dat vonnis heeft de rechtbank de verdachte wegens de feiten 1 tot en met 5 ”telkens het misdrijf: diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 maanden. Verder heeft de rechtbank de vorderingen van de benadeelde partijen gedeeltelijk toegewezen en daarbij telkens aan de verdachte de schadevergoedingsmaatregel opgelegd, een en ander zoals nader in het vonnis omschreven.
1.2.
Er bestaat samenhang met de zaak 20/03400. In deze zaak zal ik vandaag ook concluderen.
1.3.
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en mr. J. Michels, advocaat te Oldenzaal, heeft één middel van cassatie voorgesteld dat betrekking heeft op de door het hof aan de verdachte opgelegde straf en maatregelen en dat het hof onvoldoende heeft gerespondeerd op het verweer dat gevoerd is in verband met de overschrijding van de redelijke termijn in de appelfase en geen rekening heeft gehouden met art. 63 Sr.
2Procesgang
2.1.
Namens de verdachte is op 16 augustus 2017 hoger beroep ingesteld. De zaak is op 18 januari 2019 voor de eerste keer bij het hof ter terechtzitting behandeld en op verzoek van de verdediging voor onbepaalde tijd aangehouden. Ook de twee daarop volgende zittingen is de behandeling van de zaak op verzoek van de verdediging voor onbepaalde tijd aangehouden. Op 17 april 2020 was de reden voor aanhouding gelegen in het feit dat de verdachte was gedetineerd in Spanje. Eenmaal op vrije voeten is de zaak van de verdachte opnieuw op zitting gepland en op 17 juni 2020 aangehouden omdat de verdachte zich inmiddels had gevestigd in Spanje en zich geconfronteerd zag met reisbeperkingen als gevolg van Covid-19. Ten slotte is de zaak op 7 oktober 2020 – buiten aanwezigheid van de verdachte – inhoudelijk behandeld.
2.2.
Uit het proces-verbaal ter terechtzitting in hoger beroep van 7 oktober 2020 komt naar voren dat de verdediging ten aanzien van de strafmaat het volgende heeft aangevoerd:
“De raadsman voert het woord tot verdediging overeenkomstig zijn op schrift gestelde aantekeningen, welke aan het hof is overgelegd en aan dit proces-verbaal is gehecht. In aanvulling daarop deelt de raadsman mee: (…)
“Voor zover uw hof de rechtbank en advocaat-generaal volgt in de bewezenverklaring van de feiten dan verzoek ik u een gevangenisstraf op te leggen van niet meer dan 13 maanden. Er is sprake van een overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep, waarbij u ook naar de verdediging mag kijken, en daarnaast is artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht van toepassing.”
2.3.
In de door de raadsman op 7 oktober 2020 ter terechtzitting in hoger beroep overgelegde aantekeningen staat met betrekking tot de straftoemeting verder opgenomen:
“StraftoemetingI Oordeel is sterk verweven met de bewezenverklaring.
II [verdachte] is veelpleger af.
• Autokraak 6 weken
• Woninginbraak -> 5 maanden
Op basis van de LOVS in minst gunstige geval: 11,5 maand.
III Overschrijding redelijke termijn in de appelfase. Overschrijding met meer dan 6 maanden
IV Artikel 63 Sr = van toepassing.
V Gewijzigde persoonlijke omstandigheden
Opgelegd: 2 maanden onvoorwaardelijke gevangenisstraf met aftrek.
Forse straf kijkende naar de LOVS: poging (!) autokraak - met relevante recidive = 4 weken.
In casu heeft cliënt al 2 + 14 dagen detentie ondergaan. Schorsing werd nl. ter terechtzitting opgeheven. Zou door het ressortsparket de gevangenhouding van cliënt zijn verzocht, werd deze zaak vandaag niet door uw hof behandeld.
Straftoemetingsvoorstel:
Tijdsverloop
Beperkte deuk in de rechtsorde.
Al vrijheidsbeneming ondergaan.
Artikel 63 Sr van toepassing.”
2.4.
Het hof heeft het vonnis van de rechtbank bevestigd, met aanvulling van de bewijsmiddelen. Dat betekent dat het hof ook de strafmotivering van de rechtbank heeft overgenomen. In het vonnis staat hierover onder het kopje “De op te leggen straf of maatregel” het volgende vermeld:
“(…) 7.3 De gronden voor een straf of maatregel
Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van de gepleegde feiten de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van de verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. De rechtbank acht daarbij het volgende van belang.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan vier auto-inbraken en een woninginbraak waarbij hij diverse persoonlijke eigendommen van de slachtoffers heeft ontvreemd. Door zijn handelen heeft de verdachte, met name daar waar het de woninginbraak betreft een ernstige inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van de slachtoffers. De eigen woning is bij uitstek een plaats waar men zich veilig en geborgen zou moeten kunnen voelen. Auto- en woninginbraken leveren (langdurig) gevoelens van angst, stress en onveiligheid op bij slachtoffers en zorgen voor overlast, hinder en intolerantie in de samenleving.
Bij dergelijke inbraken wordt ook vaak materiële schade toegebracht, zoals ook hier het geval is. De verdachte heeft behoudens persoonlijke eigendommen, eveneens een auto bij de woning weggenomen. Het handelen van de verdachte kan worden omschreven als uiterst brutaal temeer omdat de verdachte kennelijk niet heeft stil gestaan bij de gevoelens die deze feiten teweeg brengen bij de slachtoffers en de gevolgen van deze feiten voor de slachtoffers en de samenleving.
Ter terechtzitting heeft [betrokkene 1] , als reclasseringsmedewerker werkzaam bij Tactus Reclassering, te kennen gegeven dat de reclassering de verdachte een kans wil geven in het kader van een reclasseringstoezicht. Toezicht door de reclassering en een daaruit volgend begeleidingstraject wordt onder oplegging van een deels voorwaardelijke gevangenisstraf geadviseerd.
De rechtbank houdt rekening met de justitiële documentatie (het strafblad) van de verdachte waaruit volgt dat hij vaker is veroordeeld wegens soortgelijke vermogensdelicten. Deze veroordelingen en zelfs een ISD-maatregel hebben de verdachte er kennelijk niet van weerhouden zich opnieuw schuldig te maken aan dergelijke feiten. De rechtbank weegt deze omstandigheid ten nadele van verdachte mee bij de straftoemeting. Tevens heeft de rechtbank acht geslagen op de LOVS-oriëntatiepunten inzake diefstallen met braak.
De rechtbank overweegt dat, gezien de aard en ernst van de feiten, een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van aanmerkelijke duur op zijn plaats is. Alles overwegende is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van vijftien maanden passend en geboden is. De rechtbank acht het niet opportuun om de gevangenneming van de verdachte te bevelen en zal de vordering daartoe van de officier van justitie afwijzen.”
2.5.
In het vonnis van de rechtbank is onder het kopje “De toegepaste wettelijke voorschriften” opgenomen:
“De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 57 en 63 Sr.”
3Het middel
3.1.
Uit de toelichting op het middel begrijp ik dat het middel uiteen valt in drie klachten.
Conclusie
4.1.
Het middel slaagt ten dele.
4.2.
Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
4.3.
Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest echter uitsluitend wat betreft de strafoplegging; tot terugwijzing naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden teneinde de zaak in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw te berechten en af te doen.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Uit het proces-verbaal komt niet naar voren wat de reden hiervan is geweest.
HR 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578, NJ 2008/358 (rov. 3.8), m.nt. Mevis.
Vgl. HR 27 januari 2015, ECLI:NL:HR:2015:138 RvdW 2015/248.
Te summier was het beroep in HR 20 maart 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV9347, NJ 2012/254, m.nt. Mevis. In die zaak was van de zijde van de verdediging slechts betoogd dat bij de strafoplegging rekening dient te worden gehouden met overschrijding van de redelijke termijn. De Hoge Raad oordeelde dat het hof het betoog niet had hoeven opvatten als een uitdrukkelijk onderbouwd strandpunt in de zin van art. 359, tweede lid, tweede volzin, Sv, aangezien niet was aangevoerd op welke gronden de redelijke termijn als overschreden moet worden beschouwd.