Rechtspraak
Parket bij de Hoge Raad
2020-12-08
ECLI:NL:PHR:2020:1133
Strafrecht
2,292 tokens
Conclusie
F.W. Bleichrodt
In de zaak
[betrokkene] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1985,
hierna: de betrokkene.
Het cassatieberoep
1. Het gerechtshof 's-Hertogenbosch heeft bij uitspraak van 22 oktober 2019 het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat, vastgesteld op een bedrag van € 88.159,00 en de betrokkene ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel de verplichting opgelegd tot betaling aan de Staat van dat bedrag.
2. De zaak hangt samen met de strafzaak tegen de betrokkene met nummer 19/04988. In deze zaak zal ik vandaag ook concluderen.
3. Het cassatieberoep is ingesteld namens de betrokkene. Mr. J. Kuijper, advocaat te Amsterdam, heeft één middel van cassatie voorgesteld.
Het middel
4. Het middel bevat de klacht dat het oordeel van het hof dat de verdachte door middel van of uit de baten van het strafbare feit ter zake waarvan zij in de strafzaak is veroordeeld wederrechtelijk verkregen voordeel heeft verkregen, niet voldoende (begrijpelijk) is gemotiveerd.
5. De bestreden uitspraak houdt, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende in:
“Schatting van de hoogte van het wederrechtelijk verkregen voordeel
De veroordeling in de hoofdzaak
De betrokkene is bij arrest van dit gerechtshof van heden, gewezen onder parketnummer 20-000273-17, ter zake van ‘medeplegen van een gewoonte maken van het plegen van witwassen’, betrekking hebbend op het met haar partner [betrokkene 1] onder meer omzetten van geldbedragen tot een totaal van € 176.318,00 (feit 1), veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 6 (zes) maanden, met een proeftijd van 2 (twee) jaren, en een taakstraf voor de duur van 200 (tweehonderd) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 100 (honderd) dagen hechtenis. De onderhavige ontnemingsvordering is aan deze strafzaak gelieerd.
De wettelijke grondslag
Het hof stelt voorop dat in de onderhavige zaak artikel 36e (oud) en artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht van toepassing zijn. Artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht is na de inwerkingtreding per 1 juli 2011 van de wet van 31 maart 2011 (Stb 2011, 171), de Wet verruiming mogelijkheden voordeelontneming, gewijzigd. Het hof heeft in de strafzaak onder feit 1 bewezen verklaard dat de betrokkene zich in de periode van 1 januari 2007 tot en met 2 december 2013 schuldig heeft gemaakt aan witwassen. Het onder 1 bewezen verklaarde feit heeft derhalve zowel vóór als na 1 juli 2011 plaatsgevonden. Het hof zal het voordeel derhalve baseren op twee wettelijke grondslagen.
Artikel 36e, eerste en tweede lid, luidde tot de tot de inwerkingtreding op 1 juli 2011 van de Wet tot wijziging van het Wetboek van Strafrecht, het Wetboek van Strafvordering en enige andere wetten ter verbetering van de toepassing van de maatregel ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel (verruiming mogelijkheden voordeelontneming) van 31 maart 2011, Stb. 2011, 171:1. Op vordering van het openbaar ministerie kan bij een afzonderlijke rechterlijke beslissing aan degene die is veroordeeld wegens een strafbaar feit de verplichting worden opgelegd tot betaling van een geldbedrag aan de staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.
2. De verplichting kan worden opgelegd aan de in het eerste lid bedoelde persoon die voordeel heeft verkregen door middel van of uit de baten van het daar bedoelde strafbare feit of soortgelijke feiten of feiten waarvoor een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd, waaromtrent voldoende aanwijzingen bestaan dat zij door hem zijn begaan.
Artikel 36e, eerste en tweede lid, luidt (thans) na de inwerkingtreding van voornoemde wetswijziging als volgt:
1. Op vordering van het openbaar ministerie kan bij een afzonderlijke rechterlijke beslissing aan degene die is veroordeeld wegens een strafbaar feit de verplichting worden opgelegd tot betaling van een geldbedrag aan de staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.
2. De verplichting kan worden opgelegd aan de in het eerste lid bedoelde persoon die voordeel heeft verkregen door middel van of uit de baten van het daar bedoelde feit of andere strafbare feiten, waaromtrent voldoende aanwijzingen bestaan dat zij door de veroordeelde zijn begaan.
Het hof ontleent aan de inhoud van na te noemen bewijsmiddelen het oordeel dat de veroordeelde door middel van het begaan van het te haren laste onder 1 bewezen verklaarde medeplegen van een gewoonte maken van het plegen van witwassen wederrechtelijk verkregen voordeel heeft genoten. Zowel vóór als na 1 juli 2011 kon op grond van artikel 36e de verplichting worden opgelegd tot betaling van een geldbedrag aan de Staat, indien de veroordeelde voordeel heeft verkregen door middel van het in de strafzaak bewezen verklaarde feit. Het hof concludeert dat ten aanzien van de gehele in de strafzaak bewezen verklaarde periode is voldaan aan de vereisten van artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.(…)4. Wederrechtelijk verkregen voordeel
Het hof stelt voorop dat het bewezen verklaarde witgewassen geldbedrag in de strafzaak nog niet gelijk hoeft te staan aan een (even zo groot) daadwerkelijk wederrechtelijk verkregen voordeel. Anders gezegd: die geldbedragen vormen niet reeds door het bewezen verklaarde wederrechtelijk genoten voordeel. Daaraan doet niet af dat deze geldbedragen vermogensbestanddelen vormen die de verdachte tot voordeel (kunnen) strekken. Dát de betrokkene daadwerkelijk voordeel heeft verkregen door middel van of uit de baten van dat feit, behoeft nadere motivering.
Uit het dossier en de voormelde bewijsmiddelen blijkt naar het oordeel van het hof dat sprake is van omzetten en daarmee van een effectieve besteding van de geldbedragen (tot een bedrag van € 176.318,00) voor een bepaald doel waarvan de betrokkene profijt heeft gehad. Betrokkene heeft deze geldbedragen aangewend voor (onder meer) het verbouwen van de woning, vakanties en het reguliere levensonderhoud. Het vorenstaande maakt naar het oordeel van het hof dat in deze zaak het voordeelbedrag gelijkgesteld kan worden aan het bewezen verklaarde (totale) witgewassen geldbedrag.
Het hof stelt het geschatte door betrokkene genoten wederrechtelijk verkregen voordeel vast op een bedrag van € 176.318,00, zijnde het totaal aan witgewassen, omgezette geldbedragen.
Het voorgaande leidt er per saldo toe dat het hof het geschatte bedrag dat betrokkene aan wederrechtelijk verkregen voordeel heeft genoten vaststelt op € 176.318,00.”
6. In de met deze ontnemingsprocedure verband houdende strafzaak is ten laste van de betrokkene bewezen verklaard dat zij zich heeft schuldig gemaakt aan – kort gezegd – het medeplegen van gewoontewitwassen door geldbedragen (in totaal ongeveer € 176.318,00) te verwerven en om te zetten. In de hiervoor aangehaalde overwegingen heeft het hof tot uitdrukking gebracht dat de betrokkene wederrechtelijk voordeel heeft gekregen door middel van het in de strafzaak bewezen verklaarde feit, zoals bedoeld in art. 36e, tweede lid, Sr en art. 36e, tweede lid (oud), Sr. Het hof heeft verder geoordeeld dat het genoten voordeel gelijk staat aan het totaal van de bedragen waarvan in de strafzaak is bewezen verklaard dat de verdachte deze heeft verworven en omgezet. Een andere grondslag voor het ontnemen van voordeel ligt in de bestreden uitspraak niet besloten.
7. Vaste rechtspraak is dat geldbedragen die voorwerp zijn van (gewoonte)witwassen niet reeds daardoor wederrechtelijk verkregen voordeel belichamen dat door middel van of uit baten van dat (gewoonte)witwassen is verkregen. Het witwassen van geldbedragen betreft in de kern immers het verrichten van handelingen die de herkomst van uit misdrijf afkomstige voorwerpen verhullen, maar die – op zichzelf – niet een voordeel ter waarde van dat voorwerp genereren.
Conclusie
11. Het middel is terecht voorgesteld.
12. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
13. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof ’s-Hertogenbosch teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Zie o.a. HR 19 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY5217, NJ 2013/293, m.nt. Reijntjes; HR 3 december 2013, ECLI:NL:HR:2013:1559; HR 8 december 2015, ECLI:NL:HR:2015:3485; HR 23 januari 2018, ECLI:NL:HR:2018:88; HR 2 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:475.
Zie nader F.C.W. de Graaf, ‘Het ontnemen van voordeel na een veroordeling voor witwassen’, Sancties 2020/15.
Aldus HR 19 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY5217, NJ 2013/293, m.nt. Reijntjes.
HR 18 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1684, rov. 2.5.3.