Rechtspraak
Parket bij de Hoge Raad
2020-11-10
ECLI:NL:PHR:2020:1047
Strafrecht
1,987 tokens
=== CONCLUSIE ===
D.J.C. Aben
In de zaak
[betrokkene ] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1948,
hierna: de betrokkene.
1. Het gerechtshof 's-Hertogenbosch heeft bij arrest van 12 juni 2019 het jegens de betrokkene gewezen vonnis van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, bevestigd. Bij dat vonnis is het wederrechtelijk verkregen voordeel vastgesteld op een bedrag van € 212.790,- en is aan de betrokkene de verplichting opgelegd tot betaling van dat bedrag aan de staat.
2. Er bestaat samenhang met de strafzaak van de betrokkene (19/02897). In deze zaak zal ik vandaag ook concluderen.
3. Namens de betrokkene is tijdig beroep in cassatie ingesteld. Mr. A.B.E. van Kan en mr. A. Cinar, beiden advocaat te Heerlen, hebben zes middelen van cassatie voorgesteld.
4. Ik zie aanleiding allereerst het vijfde middel te bespreken. Het middel behelst de klacht dat de schatting van de omvang van het wederrechtelijk verkregen voordeel ontoereikend is gemotiveerd.
5. De betrokkene is in de strafzaak veroordeeld wegens witwassen. Ten laste van de betrokkene is bewezen verklaard dat hij:
“in de periode van 1 januari 2007 tot en 31 december 2010 in Nederland in totaal € 212.790,- heeft verworven, voorhanden heeft gehad en heeft overgedragen, terwijl hij wist dat bovenomschreven voorwerp - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf.”
6. De door het hof bevestigde uitspraak van de rechtbank houdt, voor zover voor de bespreking van het middel relevant en met weglating van voetnoten, het volgende in:
“
3.3 Het oordeel van de rechtbank
3.3.1 Inleiding
Bij voormeld vonnis d.d. 22 maart 2017 is [betrokkene ] veroordeeld wegens witwassen, gepleegd in de periode van 1 januari 2007 tot en met 31 december 2010.
De officier van justitie heeft de vordering ex artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht aanhangig gemaakt binnen de daarvoor gestelde termijn.
Ingevolge het bepaalde in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht moet worden onderzocht of, en zo ja in hoeverre, [betrokkene ] voordeel heeft verkregen door middel van of uit de baten van het feit waarvoor de veroordeling heeft plaatsgevonden en/of andere strafbare feiten, waaromtrent voldoende aanwijzingen bestaan dat zij door [betrokkene ] zijn begaan.
3.3.2 Het bewijs
In de onderliggende strafzaak is bewezen verklaard dat [betrokkene ] in de periode van 1 januari 2007 tot en met 31 december 2010 een geldbedrag van in totaal € 212.790,- heeft verworven, voorhanden heeft gehad en heeft overgedragen, terwijl hij wist dat dit geldbedrag - middellijk of onmiddellijk - afkomstig was uit enig misdrijf. Daarmee staat vast dat [betrokkene ] dit geldbedrag wederrechtelijk heeft verkregen. Omdat [betrokkene ] vrijelijk de beschikking heeft gehad over dit geld, acht de rechtbank aannemelijk dat hij daaruit ook voordeel heeft genoten.
Uit het vonnis in de onderliggende strafzaak blijkt dat [betrokkene ] in de bewezenverklaarde periode een Money Transfer van € 2.000,- heeft verricht en diverse keren contante geldbedragen op zijn rekeningen heeft gestort. Op zijn ING bedrijfsrekening is in totaal € 206.440,- gestort en op diverse privérekeningen van [betrokkene ] in totaal € 20.350,-.
In het onderliggende vonnis heeft de rechtbank vastgesteld dat het geld van de Money Transfer middellijk of onmiddellijk uit enig misdrijf afkomstig is en dat [betrokkene ] dat wist. Datzelfde geldt voor de contant gestorte gelden, met uitzondering van een bedrag van € 16.000,-, dat afkomstig is van (legale) huurinkomsten
Het door [betrokkene ] wederrechtelijk verkregen voordeel kan, gelet op het vorenstaande, worden geschat op:
Money Transfer
€ 2.000,-
Stortingen privérekeningen
€ 20.350,-
Contante stortingen ING
€ 206.440,-
€ 228.790,-
Legale stortingen huur
€ 16.000,- -/-
Totaal
€ 212.790,-
De rechtbank acht geen termen aanwezig het door [betrokkene ] te betalen bedrag lager vast te stellen dan het geschatte voordeel.
Ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel zal aan [betrokkene ] dan ook de verplichting worden opgelegd tot betaling aan de staat van een bedrag van € 212.790,-.”
7. De bestreden uitspraak van het hof houdt, voor zover voor de bespreking van het middel relevant, het volgende in:
“Door veroordeelde is betoogd dat hij geen gelden heeft witgewassen en derhalve geen wederrechtelijk verkregen voordeel heeft genoten. Ook is betoogd dat getuige [betrokkene 1] gedurende de volledige huurperiode dat hij het pand aan de [a-straat 1] te [plaats] van veroordeelde heeft gehuurd huurpenningen heeft voldaan, zodat dit hele bedrag in mindering dient te worden gebracht op het wederrechtelijk verkregen voordeel en niet slechts € 16.000, zoals de rechtbank heeft gedaan. Ten slotte is door de veroordeelde gesteld dat het lang duurde voor hij wist dat sprake was van een ontneming jegens hem.
Vonnis waarvan beroep
Het hof verenigt zich met het vonnis en met de redengeving waarop dit berust. De door de verdediging in hoger beroep aangevoerde verweren worden door de in het vonnis gebezigde bewijsmiddelen weerlegd en behoeven geen nadere bespreking.”
8. Uit de door het hof bevestigde overwegingen van de rechtbank kan worden afgeleid dat de rechtbank het in de hoofdzaak bewezen verklaarde feit als grondslag heeft aangemerkt voor de ontnemingsmaatregel. Daarmee heeft de rechtbank toepassing gegeven aan artikel 36e lid 2 Sr, in de redactie van vóór 1 juli 2011, en wel in die zin dat het gaat om voordeel dat wederrechtelijk is verkregen door middel van of uit de baten van het bewezen verklaarde witwassen.