Rechtspraak
Parket bij de Hoge Raad
2020-10-30
ECLI:NL:PHR:2020:1013
Civiel recht; Insolventierecht
15,517 tokens
Conclusie
R.H. de Bock
In de zaak
[eiser]
eiser tot cassatie, verweerder in het voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep
advocaat: mr. J. van Weerden
tegen
1. J.E. Stadig q.q.
2. Ph.W. Schreurs q.q.
(hierna gezamenlijk: de curatoren)
verweerders in cassatie, eisers in het voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep
advocaat: mr. M.A.J.G. Janssen
Gefailleerde verzoekt op grond van art. 69 Fw om verstrekking van de urenspecificaties van de curatoren. De rechter-commissaris wijst het verzoek af. De rechtbank maakt een belangenafweging en oordeelt dat de rechter-commissaris het verzoek terecht heeft afgewezen. In cassatie stelt gefailleerde dat de in art. 6 en 8 EVRM verankerde vrijheden slechts mogen worden beperkt indien de beperking ‘bij de wet is voorzien’. Aan die voorwaarde is volgens gefailleerde in dit geval niet voldaan, omdat er geen wettelijke basis is voor afwijzing van het verzoek. De curatoren hebben voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep ingesteld.
Feiten
In deze zaak kan van de volgende feiten worden uitgegaan, grotendeels ontleend aan de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 12 december 2018.
1.1
[eiser] (hierna: [eiser]) is op 16 april 2013 door de rechtbank Oost-Brabant in staat van faillissement verklaard. In dit faillissement zijn (laatstelijk) mr. S.J.O. de Vries als rechter-commissaris en mr. J.E. Stadig en mr. Ph.W. Schreurs als curator benoemd.
1.2
[eiser] is woonachtig te [woonplaats], Verenigde Arabische Emiraten.
1.3
[eiser] heeft op grond van art. 69 Fw drie afzonderlijke verzoeken aan de rechter-commissaris in het faillissement gedaan, te weten een ‘Verzoek artikel 69 Faillissementswet inzage administratie’, ‘Verzoeken ex artikel 69 Faillissementswet inzake urenverantwoording’ en ‘Verzoeken ex artikel 69 Faillissementswet betreffende inlichtingenplicht’. Bij drie afzonderlijke faxberichten van 6 juli 2018, op diezelfde datum naar [eiser] verzonden, heeft de rechter-commissaris de verzoeken afgewezen.
1.4
Met betrekking tot het verzoek om verstrekking van een specificatie van de door de curatoren in het faillissement gemaakte uren, heeft de rechter-commissaris bij faxbericht van 6 juli 2018 met het onderwerp: ‘Verzoeken ex artikel 69 Faillissementswet inzake urenverantwoording’ daarbij het volgende aan [eiser] bericht:
“Bij brieven van 24 mei 2017 en 3 oktober 2017, in herinnering gebracht bij brieven van 3 en 12 juni, 1 juli, 3, 11 en 18 oktober 2017, allen bij faxberichten van diezelfde data ter griffie van de rechtbank ontvangen, heeft u mij verzocht om curator mr. J.E. Stadig respectievelijk curator mr. Ph. W. Schreurs te bevelen om aan u – kort en zakelijk weergegeven – in uw faillissement de door hen gemaakte uren mee te delen.
In reactie op uw verzoek hebben curatoren aangegeven dat ingevolge artikel 2.2 sub d van de Recofa-richtlijnen voor faillissementen en surseances van betaling tijdregistraties, zoals door u opgevraagd, niet openbaar zijn.
Ik zie geen reden curatoren op te dragen de door hen in uw faillissement gemaakte uren mee te delen.
Uit het voorgaande volgt dat uw verzoek wordt afgewezen.”
1.5
Het genoemde art. 2.2 onder d van de Recofa-richtlijnen voor faillissementen en surseances van betaling luidt als volgt:
“Bij ieder openbaar verslag wordt de tijdregistratie gevoegd, zoals bedoeld in artikel 6.1 onder h, die betrekking heeft op de periode waarop het verslag betrekking heeft. Op een afzonderlijk (voor)blad worden de (sub)totalen per tijdschrijfgroep vermeld op de wijze als vermeld in het bij deze richtlijnen als bijlage H gevoegde model, dat ook via internet beschikbaar is. Deze tijdregistraties zijn niet openbaar.”
Procesverloop
2.1
Op 11 juli 2018 heeft [eiser] tegen de afwijzing van zijn verzoeken door de rechter-commissaris drie beroepschriften ex art. 67 Fw ingediend. Daarbij heeft [eiser], voor zover in cassatie van belang, in het beroepschrift gericht tegen de tweede beschikking van de rechter-commissaris inzake de urenverantwoording verzocht deze beschikking te vernietigen en de curatoren te bevelen om [eiser] een kopie van hun urenspecificaties als omschreven in het beroepschrift te verstrekken.
2.2
Ter zitting van 24 oktober 2018 heeft een mondelinge behandeling van de drie beroepschriften plaatsgevonden. Partijen hebben hun standpunten doen toelichten, mede aan de hand van overgelegde pleitaantekeningen. De curatoren hebben zich daarbij, voor zover hier relevant, op het standpunt gesteld dat het oorspronkelijke verzoek van [eiser] om de curatoren te bevelen een specificatie van de door hen in het faillissement gemaakte uren te verstrekken door de rechter-commissaris terecht is afgewezen, en dat daarvoor ook in hoger beroep aanleiding is.
2.3
Bij beschikking van 12 december 2018 heeft de rechtbank het hoger beroep van [eiser] tegen alle drie de beschikkingen van de rechter-commissaris, betreffende inzage administratie, urenverantwoording en inlichtingenplicht, ongegrond verklaard. Het meer of anders verzochte is afgewezen.
2.4
De in cassatie centraal staande overwegingen van de rechtbank met betrekking tot de beschikking inzake de urenverantwoording kunnen als volgt worden samengevat:
(i) [eiser] heeft geen recht op een gespecificeerde urenverantwoording door curatoren (rov. 5.8);
(ii) Curatoren gebruiken hun urenregistratie in de praktijk mede in het kader van de openbare verslaglegging en bij verzoeken tot salarisbepaling. Eerst dan ontstaat er enige relatie tussen het tijdschrijven door de curatoren en het faillissement (rov. 5.8);
(iii) [eiser] heeft uitdrukkelijk gesteld dat het hier niet om een art. 71 Fw-kwestie (salarisbepaling) gaat (rov. 5.8.1);
(iv) Uit art. 2.2. onder d van de Recofa-richtlijnen voor faillissementen en surseances van betaling volgt dat de curatoren op zichzelf gelijk hebben met hun stelling dat tijdsregistraties niet openbaar zijn. Langs de weg van de openbare verslaglegging zal de gefailleerde deze informatie omtrent de urenregistratie dus niet achterhalen (rov. 5.8.2);
(v) [eiser] wijst er echter op dat het hier niet gaat om de openbaarheid van informatie, maar om zijn positie als gefailleerde binnen het faillissement en dat hij in dat kader toegang moet hebben tot het ‘eigen dossier’. In dat verband beroept hij zich ook op art. 6 en 8 EVRM (rov. 5.8.3);
(vi) [eiser] miskent echter dat zijn faillissement zich bevindt in de fase van beheer, op zoek naar mogelijkheden tot vereffening. De curatoren doen hun werk in de eerste plaats ten behoeve van de crediteuren. Het belang van schuldeisers kan vergen dat de behandeling van het faillissement door curatoren in zekere mate buiten het zicht van de gefailleerde plaatsvindt, zij het wel onder toezicht van de rechter-commissaris (rov. 5.8.4);
(vii) Art. 6 en 8 EVRM geven aan [eiser] geen ongeclausuleerde bescherming (rov. 5.8.5);
(viii) Bij toetsing aan art. 8 EVRM geldt dat beperking van de bescherming van de persoonlijke levenssfeer van [eiser] mogelijk is door noodzakelijke toepassing van de Faillissementswet in verband met onder meer het belang van het economisch welzijn van het land, het voorkomen van strafbare feiten of voor de bescherming van rechten en vrijheden van anderen (rov. 5.8.5);
(ix) Zo voorts, met [eiser], wordt aangenomen dat in het onderhavige faillissement sprake is van vaststelling van burgerlijke rechten en verplichtingen van gefailleerde [eiser] (art. 6 EVRM), staat daar tegenover dat ook sprake is van een dergelijke vaststelling ten aanzien van de rechten van eventuele schuldeisers jegens [eiser] en van de mogelijkheden voor die schuldeisers om voldoening van hun vorderingen uit de boedel van [eiser] te verkrijgen. Dat maakt – ook bij erkenning van grondrechten van [eiser] – dat een weging van de tegenover elkaar staande belangen legitiem is (rov. 5.8.6);
(x) Kortom: in het faillissement van [eiser] telt niet alleen het belang van gefailleerde [eiser], maar leggen ook andere belangen, waaronder zwaarwegende maatschappelijke belangen en de belangen van zijn schuldeisers, gewicht in de schaal (rov. 5.8.6);
(xi) De curatoren hebben naar voren gebracht dat [eiser] mogelijk grote schade heeft toegebracht aan Nederlandse (systeem)banken, dat zij hem verdenken van strafbare feiten en daarvan aangifte hebben gedaan. Gebleken is dat zes strafrechtelijke aangiften tegen hem zijn gedaan, waaronder diverse aangiften ter zake van vormen van het, bij uitstek faillissementsgerelateerde, misdrijf bedrieglijke bankbreuk. Niet op voorhand onaannemelijk is zodoende dat een of meer ingevolge art. 8 EVRM toegestane beperkingen op de rechten van [eiser] (het economisch welzijn van het land, het tegengaan van strafbare feiten en legitieme rechten van anderen) in het geding zijn, welke belangen, ook in het licht van art. 6 EVRM, in dit geval de balans in het nadeel van [eiser] doen doorslaan (rov. 5.8.7);
(xii) Op een meer feitelijk niveau hebben de curatoren aangevoerd dat het hun werkzaamheden ernstig zou bemoeilijken indien [eiser] inzage zou hebben in de wijze waarop curatoren trachten het vermogen van failliet als bedoeld in art. 20 Fw te achterhalen en daar overeenkomstig hun wettelijk taak grip op te krijgen (rov 5.8.8);
(xiii) De vraag of in het gegeven geval aan het verlangen van [eiser] om inzage in de niet-openbare tijdsregistraties moet worden toegegeven, moet worden beoordeeld aan de hand van de afweging van het belang van de gefailleerde bij de inzage tegenover de belangen die zich tegen inzage verzetten (rov. 5.8.9);
(xiv) Het concrete belang van [eiser] om inzage in de urenregistratie (anders dan in verband met de salarisbepaling, maar die is naar [eiser] zelf stelt hier niet aan de orde) is niet nader toegelicht. Dan levert dat aan zijn zijde dus ook weinig zwaarwegend belang op. Curatoren hebben anderzijds gesteld op zoek te zijn naar mogelijk onttrokken vermogensbestanddelen, terwijl ook strafrechtelijke wegen tegen de gefailleerde worden bewandeld. Ook deze belangenafweging valt in het voordeel van curatoren uit (rov. 5.8.10);
(xv) De conclusie is, ook na afweging van de belangen, dat de rechter-commissaris in zijn beschikking inzake de urenverantwoording tot een juiste uitkomst is gekomen (rov. 5.8.11).
2.5
Bij een op 21 december 2018 bij de Hoge Raad ingekomen verzoekschrift heeft [eiser] tijdig cassatieberoep ingesteld tegen de beschikking van de rechtbank van 12 december 2018. Daarbij heeft [eiser] een voorbehoud tot aanvulling van het cassatiemiddel gemaakt voor het geval het proces-verbaal van de mondelinge behandeling bij de rechtbank van 24 oktober 2018, waarover [eiser] ten tijde van het indienen van het verzoekschrift nog niet beschikte, daartoe aanleiding zou geven. Van dit voorbehoud heeft [eiser] geen gebruik gemaakt.
2.6
De curatoren hebben bij incidenteel verzoekschrift van 11 januari 2019 ex art. 3.5.13.1 Procesreglement Hoge Raad verzocht te bepalen dat [eiser] zekerheid dient te stellen voor de proceskosten in het geding in cassatie, zulks op een wijze en tot een bedrag als de Hoge Raad in goede justitie zal vernemen te behoren, met veroordeling van [eiser] in de kosten van het incident.
2.7
[eiser] heeft bij verweerschrift in het incident van 1 februari 2019 verweer gevoerd tegen het incidentele verzoek en verzocht de curatoren in dit verzoek niet-ontvankelijk te verklaren, althans dit verzoek af te wijzen, met veroordeling van de curatoren in de proceskosten.
2.8
Bij beschikking in het incident van 11 oktober 2019 heeft de Hoge Raad het incidentele verzoek van de curatoren toegewezen.
Conclusie
3.40
De slotsom is dat geen van de klachten in het principale cassatieberoep tot succes kan leiden. Het verweer van de curatoren dat [eiser] (om drie redenen) geen belang zou hebben bij zijn cassatieberoep behoeft derhalve geen bespreking.
4Bespreking van het voorwaardelijk incidenteel cassatiemiddel
4.1
De curatoren hebben incidenteel cassatieberoep ingesteld onder de voorwaarde dat één of meer klachten in het principaal cassatieberoep leiden tot vernietiging van de beschikking van de rechtbank. Uit het voorgaande volgt dat deze voorwaarde niet is vervuld, zodat het incidentele cassatieberoep onbesproken kan blijven.
Conclusie
De conclusie strekt tot verwerping van het principale cassatieberoep.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G
Rb. Oost-Brabant 12 december 2018, ECLI:NL:RBOBR:2018:6148, JOR 2019/111 m.nt. R.J. van Galen, RI 2019/14 met wenk W.F. Korthals Altes, rov. 1.1-1.4, 2.2. Zie ook de feitenvaststelling in de uitspraak van de Hoge Raad op het door de curatoren ingediende incidenteel verzoek tot zekerheidstelling voor de proceskosten, HR 11 oktober 2019, ECLI:NL:HR:2019:1580, NJ 2019/426 met redactionele aantekening, rov. 2.1-2.2.
HR 11 oktober 2019, ECLI:NL:HR:2019:1580, rov. 2.2; bestreden beschikking, rov. 1.2-2.3.
Dictum
Beroepschrift inzake urenverantwoording, onder 38.
Vgl. de bestreden beschikking, rov. 2.13.
Zie de bestreden beschikking, rov. 4.1.
Rb. Oost-Brabant 12 december 2018, ECLI:NL:RBOBR:2018:6148, JOR 2019/111 m.nt. R.J. van Galen, RI 2019/14 met wenk W.F. Korthals Altes. De drie beroepschriften zijn door de rechtbank vanuit het oogpunt van proceseconomie en begrijpelijkheid in één beschikking afgedaan. Zie rov. 2.14 van de bestreden beschikking.
De cassatietermijn bedraagt op grond van art. 426 lid 2 Rv jo. art. 67 lid 1 Fw tien dagen, te rekenen vanaf de dag van de uitspraak. Zie mijn conclusie voor de uitspraak van de Hoge Raad in het incident tot zekerheidsstelling (HR 11 oktober 2019, ECLI:NL:HR:2019:1580), onder 1.6, voetnoot 2.
HR 11 oktober 2019, ECLI:NL:HR:2019:1580, JOR 2020/49 m.nt. A. van Hees, NJ 2019/426 met redactionele aantekening, rov. 3.4 en het dictum.
HR 11 oktober 2019, ECLI:NL:HR:2019:1580, rov. 3.4 en dictum.
Vgl. ook het verweerschrift in cassatie van de curatoren, onder 1.4.
Daarnaast wordt geciteerd uit het beroepschrift inzake de inlichtingenplicht (punten 79 en 83). Het gaat hier echter om het verzoek tot inzage in de urenspecificaties, zodat deze passages buiten beschouwing kunnen blijven.
Beroepschrift inzake de urenverantwoording, onder 14, 22-26; pleitaantekeningen van [eiser], onder 8, 21 en 27.
Zie m.n. de pleitaantekeningen van [eiser], onder 1, 21 (vgl. ook onder 25) en, meer impliciet, het beroepschrift inzake de urenverantwoording, onder 18, 22 en 26.
Zie nader over de beperkingssystematiek van het EVRM J. Gerards, EVRM – Algemene beginselen, 2011, p. 103-111; L. Lavrysen, ‘System of restrictions’, in: P. van Dijk e.a. (red.), Theory and Practice of the European Convention on Human Rights (Fifth edition), 2018, p. 308-311.
Overigens heeft [eiser] enkel in het kader van zijn beroep op art. 8 EVRM aangevoerd dat een verbod op inzage in het eigen faillissementsdossier ‘niet bij wet is voorzien’ (en dat hij dus toegang heeft tot zijn volledige dossier). In het kader van art. 6 EVRM heeft [eiser] zich niet op het ontbreken van een wettelijke basis beroepen. Zie het beroepschrift inzake de urenverantwoording, onder 14, 22-23 (art. 6 EVRM) en onder 26 (art. 8 EVRM) alsmede de pleitaantekeningen van [eiser], onder 27 (art. 8 EVRM), vgl. ook onder 8-12.
Vgl. de hierna (onder 3.17-3.21) te bespreken beschikking van de Hoge Raad van 22 september 1995, ECLI:NL:HR:1995:ZC1819, NJ 1997/339 m.nt. E.A. Alkema, waarin nadrukkelijk in het midden werd gelaten of art. 6 EVRM rechtstreek van toepassing was (rov. 3.4).
Vgl. J. Gerards, EVRM – Algemene beginselen, 2011, p. 97-98, 107-108.
Voorts geldt dat de beperking een legitiem doel (hier: één van de doelen genoemd in art. 8 lid 2 EVRM) moet dienen en noodzakelijk moet zijn in een democratische samenleving. Zie J. Gerards, General Principles of the European Convention on Human Rights, 2019, p. 198-260; F.M.C. Vlemminx, Het moderne EVRM, 2013, hoofdstuk 5; J. Vande Lanotte & Y. Haeck, Handboek EVRM. Deel 1. Algemene beginselen, 2005, p. 123-150.
Het legaliteitsvereiste is niet alleen te vinden in art. 8 EVRM (‘in accordance with the law’); ook de artikelen 9, 10 en 11 EVRM schrijven bijvoorbeeld voor dat een inbreuk bij de wet moet zijn voorzien (‘prescribed by law’). Het vereiste wordt, ondanks het verschil in formulering, steeds hetzelfde uitgelegd. Zie L. Lavrysen, ‘System of restrictions’, in: P. van Dijk e.a. (red.), Theory and Practice of the European Convention on Human Rights (Fifth edition), 2018, p. 311, met verwijzingen naar de relevante rechtspraak van het EHRM.
Zie nader over deze vereisten, met verdere verwijzingen naar de relevante rechtspraak van het EHRM, bijv. J. Gerards, General Principles of the European Convention on Human Rights, 2019, p. 199-291; L. Lavrysen, ‘System of restrictions’, in: P. van Dijk e.a. (red.), Theory and Practice of the European Convention on Human Rights (Fifth edition), 2018, p. 311-314; J. Gerards, EVRM – Algemene beginselen, 2011, p. 112-132; J. Vande Lanotte & Y. Haeck, Handboek EVRM. Deel 1. Algemene beginselen, 2005, p. 123-134.
In de literatuur wordt dit vereiste soms als onderdeel van de eis van voorzienbaarheid besproken en soms als zelfstandig (vierde) deelvereiste. Het EHRM laat een bespreking van de eis van ‘non-arbitrariness’ wel voorafgaan door een uiteenzetting van de andere deelvereisten, om vervolgens met de woorden “For domestic law to meet those requirements it must afford a measure of legal protection against arbitrary interferences (…)” tot een bespreking van deze eis over te gaan. Zie recent bijv. EHRM 6 oktober 2020, nr. 16435/10 (Karastelev c.s./Rusland), § 79. In EHRM 20 januari 2020, nr. 201/17 (Magyar Kétfarkú Kutya Párt/Hongarije), § 93 werd de eis echter ook wel geduid als “a corollary of the foreseeability test”. Vgl. over de wijze waarop het EHRM toepassing geeft aan dit vereiste J. Gerards, General Principles of the European Convention on Human Rights, 2019, p. 213-214.
Het gaat dan niet alleen om het begrip ‘law’ zoals dat voorkomt in de beperkingsclausules van (onder meer) art. 8-11 EVRM, maar ook om het begrip ‘law’ zoals dat elders (impliciet of expliciet) voorkomt in het EVRM, bijvoorbeeld in art. 7. Zie J. Vande Lanotte & Y. Haeck, Handboek EVRM. Deel 1. Algemene beginselen, 2005, p. 123-134. Vgl. in dit verband bijv. ook EHRM 8 juli 1999, nrs. 23536/94 en 24408/94 (Başkaya en Okçouğlu/Turkije), § 36.
Zie specifiek met betrekking tot art. 8 EVRM bijv. EHRM 24 april 1990, nr. 11105/84 (Huvig/Frankrijk), § 28 en EHRM 24 april 1990, nr. 11801/85 (Kruslin/Frankrijk), § 29 alsmede, van recenter datum, EHRM 14 juni 2016, nr. 49304/09 (Biržietis/Litouwen), § 50. Zie voorts in algemene zin met betrekking tot de beperkingsclausules in art. 8-11 EVRM bijv. EHRM 10 november 2005, nr. 44774/98 (Leyla Şahin/Turkije), § 88.
EHRM 10 november 2005, nr. 44774/98, (Leyla Şahin/Turkije), § 88, zoals herhaald in o.a. EHRM 14 september 2010, nr. 38224/03 (Sanoma Uitgevers/Nederland), § 83; EHRM 3 juli 2014, nrs. 37926/05, 25784/09, 36002/09, 44410/09 en 65546/09 (R&L c.s./Tsjechië), § 114; EHRM 15 mei 2018, nr. 37326/13 (Unifaun Theatre Productions c.s./Malta), § 79. De wortels van de door het EHRM gehanteerde materiële uitleg liggen in EHRM 26 april 1979, nr. 6538/74 (The Sunday Times/Verenigd Koninkrijk), § 47-49 (“(…) “law” (…) covers not only statute but also unwritten law.”). In de arresten Huvig/Frankrijk (EHRM 24 april 1990, nr. 11105/84, § 28) en Kruslin/Frankrijk (EHRM 24 april 1990, nr. 11801/85, § 29) verduidelijkte het EHRM vervolgens dat de materiële uitleg van het begrip ‘law’ ook geldt in de ‘continentale’ verdragsstaten (“In a sphere covered by the written law, the “law” is the enactment in force as the competent courts have interpreted it in the light, if necessary, of any new practical developments.”). Dat het wetsbegrip materieel moet worden uitgelegd is sindsdien in algemene zin vaste rechtspraak.
Zie bijv. EHRM 6 oktober 2020, nr. 16435/10 (Karastelev c.s./Rusland), § 78; EHRM 18 januari 2018, nrs. 48151/11 en 77769/13 (FNASS c.s./Frankrijk), § 160 (m.b.t. art. 8 EVRM); EHRM 26 november 2015, nr. 64846/11 (Ebrahimian/Frankrijk), § 48, alle met verdere verwijzingen.
Zie bijv. EHRM 22 oktober 2009, nr. 69519/01 (Pasko/Rusland), § 73, met verwijzing naar EHRM 17 juli 2001, nr. 39288/98 (Ekin/Frankrijk), § 46. Vgl. ook EHRM 26 april 2014, nr. 19920/13 (Cumhuriyet Halk Partisi/Turkije), § 93.
J. Gerards, EVRM – Algemene beginselen, 2011, p. 112; J. Gerards, General Principles of the European Convention on Human Rights, 2019, p. 199. Vgl. EHRM 14 juni 2016, nr. 49304/09 (Biržietis/Litouwen), § 50: “Even if domestic law may require the interference with the right to private life to be provided at a specific level of legislation, Article 8 of the Convention establishes no such requirement.”
Aldus J.
Procesverloop
De Hoge Raad heeft bevolen dat [eiser] ten behoeve van de curatoren zekerheid stelt voor een bedrag van € 2.900,- ter zake van de proceskosten waartoe [eiser] in de procedure in cassatie veroordeeld zou kunnen worden, en bepaald dat de zekerheid moet zijn gesteld uiterlijk op 8 november 2019, op straffe van niet-ontvankelijkheid van [eiser] in het cassatieberoep. De beslissing over de proceskosten in het incident is aangehouden. Daarnaast is in de hoofdzaak bepaald dat partijen tot 15 november 2019 bij brief aan de Hoge Raad zich erover kunnen uitlaten of zekerheid is gesteld.
2.9
Beide partijen, [eiser] bij brief van 7 november 2019 en de curatoren bij brief van 8 november 2019, hebben de Hoge Raad bericht dat de in de beschikking van 11 oktober 2019 bevolen zekerheid tijdig is gesteld.
2.10
De curatoren hebben vervolgens bij op 8 januari 2020 bij de Hoge Raad ingekomen verweerschrift geconcludeerd tot verwerping van het principaal cassatieberoep en tevens voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep ingesteld. [eiser] heeft geen verweer gevoerd in het voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep. Beide partijen hebben afgezien van een schriftelijke toelichting.
3Bespreking van het principale cassatiemiddel
3.1
Het principale cassatiemiddel ziet uitsluitend op de beoordeling door de rechtbank van het hoger beroep tegen de tweede beschikking van de rechter-commissaris inzake de urenverantwoording. Het middel richt zich daarbij tegen rov. 3.3.2 en 5.8.4-5.8.11 van de bestreden beschikking van de rechtbank.
3.2
In het verzoekschrift tot cassatie lees ik vier klachten.
Klacht 1
3.3
De eerste klacht is gericht tegen de overwegingen van de rechtbank in rov. 5.8.4-5.8.11. De klacht voert aan dat de rechtbank blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting omtrent de eisen die zijn te stellen aan beperking van de in art. 6 lid 1 EVRM en art. 8 EVRM vastgelegde vrijheden. De rechtbank zou hebben miskend dat de door haar, op grond van een belangenafweging, toegepaste beperking op deze vrijheden, niet bij wet is voorzien. Een dergelijke beperking behoeft immers een wettelijke basis, aldus de klacht.
3.4
De klacht vervolgt dat hierover in beroep is geklaagd, waarbij de klacht verwijst naar onder meer de volgende passages uit het beroepschrift inzake de urenverantwoording en de pleitaantekeningen van [eiser]:
Beroepschrift inzake de urenverantwoording, onder 22
“22. Het recht op verstrekking van de urenspecificaties van de Curatoren volgt nog veel sterker uit het uitgangspunt dat de gefailleerde recht heeft op inzage in het gehele faillissementsdossier. Het faillissement betreft immers een gerechtelijke procedure die betrekking heeft op de vaststelling van burgerlijke rechten en verplichtingen van de gefailleerde. Het faillissement is daarmee een gerechtelijke procedure in de zin van art. 6 EVRM. Art. 6 lid 1 EVRM stelt de openbaarheid van de behandeling van gerechtelijke procedures voorop.”
Pleitaantekeningen van [eiser], onder 27
“27. In de recente literatuur wordt de toegang tot het gehele procesdossier en eigen persoonsdossier als een uitvloeisel van fundamentele rechten gezien (art. 6 en 8 EVRM). Uit artikel 8 EVRM (persoonlijke levenssfeer) volgt een recht op inzage in het eigen dossier. Dit recht wordt versterkt door de in de artikelen 12 en verder van de Algemene Verordening Gegevensbescherming neergelegde rechten en verplichtingen. Dat kan op grond van art. 8 EVRM alleen anders zijn, wanneer een verbod tot inzage bij wet voorzien is. Zo’n wettelijke beperking ontbreekt. [eiser] heeft toegang tot het dossier [eiser]. [Volgt een citaat uit J. van Apeldoorn, Insolventieprocedures en grondrechten (diss. Tilburg), 2009, p. 35-36); A-G].”
3.5
Bij de beoordeling van de klacht kan het volgende worden vooropgesteld. De klacht spreekt heel algemeen over de door de rechtbank ‘toegepaste beperking op de genoemde vrijheden’, zonder te concretiseren welke van de in art. 6 lid 1 EVRM en art. 8 EVRM verankerde vrijheden c.q. uit deze vrijheden voortvloeiende (deel)rechten precies worden bedoeld. Tot echte onduidelijkheden leidt dat hier echter niet, gelet op de door de klacht genoemde passages uit de processtukken van [eiser] en de inzet van het onderhavige geschil. [eiser] heeft zich in feitelijke instanties met betrekking tot het verzoek om verstrekking van de urenspecificaties door de curatoren op het standpunt gesteld dat de failliet op grond van art. 6 lid 1 EVRM en art. 8 EVRM recht heeft op inzage in het volledige eigen faillissementsdossier, en dus ook het niet-openbare gedeelte van zijn eigen dossier moet kunnen inzien. De urenspecificaties van de curatoren maken volgens [eiser] onderdeel uit van het niet-openbare gedeelte van het faillissementsdossier, zodat ook te dien aanzien voor de failliet een recht op inzage zou bestaan.
3.6
Tegen deze achtergrond begrijp ik de klacht als volgt. De rechtbank had het verzoek van [eiser] om verstrekking van de urenspecificaties door de curatoren niet mogen afwijzen, omdat voor deze afwijzing geen “wettelijke basis” bestaat. De door de rechtbank in het kader van het beroep van [eiser] op art. 6 en art. 8 EVRM gemaakte belangenafweging wordt daarmee op zichzelf niet bestreden, evenmin als het feit dát de rechtbank in dat kader een belangenafweging aanlegt (rov. 5.8.6-5.8.7). Hetzelfde geldt voor de tweede belangenafweging die de rechtbank maakt (rov. 5.8.9-5.8.10).
3.7
Deze klacht is kennelijk gegrond op een van de vereisten uit de algemene beperkingsclausule die het EVRM voor verschillende verdragsrechten hanteert, namelijk dat beperkingen van de desbetreffende rechten ‘bij de wet’ moeten zijn voorzien. Op te merken is dat dit vereiste weliswaar is opgenomen in de algemene beperkingsclausule van art. 8 lid 2 EVRM, maar dat art. 6 EVRM niet een dergelijke algemene clausule heeft. Voor zover de klacht betrekking heeft op art. 6 lid 1 EVRM, kan de klacht derhalve, zo art. 6 EVRM in het onderhavige geval al rechtstreeks van toepassing zou zijn, niet tot succes leiden.
3.8
Ook overigens kan de klacht niet tot cassatie leiden. Daartoe geldt het volgende.
3.9
Het in art. 8 EVRM verankerde recht op eerbiediging van de persoonlijk levenssfeer heeft, net als de meeste in het EVRM opgenomen rechten en vrijheden, geen absolute gelding. Het recht kan, onder voorwaarden geformuleerd in de algemene beperkingsclausule van art. 8 lid 2 EVRM en in de rechtspraak van het EHRM, door de verdragsstaten worden beperkt. Eén van deze voorwaarden is dat een inbreuk op de door art. 8 EVRM beschermde rechten ‘bij de wet moet zijn voorzien’. In het tweede lid van art. 8 EVRM wordt dit legaliteitsvereiste als volgt verwoord:
“There shall be no interference by a public authority with the exercise of this right except such as is in accordance with the law (…).”
De officiële Nederlandse vertaling luidt:
“Geen inmenging van enig openbaar gezag is toegestaan in de uitoefening van dit recht, dan voor zover bij de wet is voorzien (…).”
3.10
Dit algemene legaliteitsvereiste – zoals dat hier tot uitdrukking komt in de uitdrukking ‘in accordance with the law’ – valt blijkens vaste rechtspraak van het EHRM uiteen in verschillende deelvereisten.
Dictum
Gerards, EVRM – Algemene beginselen, 2011, p. 112, 116; P.J. Huisman & F.J. van Ommeren, Hoofdstukken van privaatrechtelijk overheidshandelen (HSB), 2019/10.6.2. Vgl. ook J. Vande Lanotte & Y. Haeck, Handboek EVRM. Deel 1. Algemene beginselen, 2005, p. 126-128.
Zie hierover – naast de reeds genoemde en in de volgende voetnoot nog te noemen verwijzingen – in het bijzonder nog EHRM 24 april 1990, nr. 11105/84 (Huvig/Frankrijk), § 28 en EHRM 24 april 1990, nr. 11801/85 (Kruslin/Frankrijk), § 29, alsmede F. van der Jagt, ‘Het recht op bescherming van persoonsgegevens’, in: J. Gerards e.a. (red.), Grondrechten. De nationale, Europese en internationale dimensie, 2013, p. 165 onder verwijzing naar EHRM 5 oktober 2010, nr. 420/07 (Köpke/ Duitsland); de conclusie van A-G Langemeijer voor HR 18 december 2015, ECLI:NL:HR:2015:3627, NJ 2016/31, onder 3.5 (“Behalve uit ‘statutory law’ kan de vereiste grondslag voor een inbreuk ook worden gevonden in bestendigde ‘case law’, mits deze is gepubliceerd en daarmee toegankelijk is voor de burger, zodat deze zijn gedragingen op die norm kan afstemmen.”), onder verwijzing naar EHRM 25 mei 1993, nr. 14307/88 (Kokkinakis/Griekenland) en EHRM 20 november 1989, nr. 10572/83 (Markt Intern Verlag c.s./Duitsland); de conclusie van A-G Timmerman voor HR 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:286, NJ 2016/200 m.nt. F.M.J. Verstijlen, onder 2.21. Vgl. ook J. Vande Lanotte & Y. Haeck, Handboek EVRM. Deel 1. Algemene beginselen, 2005, p. 132.
Zie de onder 3.11 geciteerde overweging uit het arrest Leyla Şahin/Turkije alsmede, met verdere verwijzingen naar de rechtspraak van het EHRM, J. Gerards, EVRM – Algemene beginselen, 2011, p. 112; J. Vande Lanotte & Y. Haeck, Handboek EVRM. Deel 1. Algemene beginselen, 2005, p. 126-127; P.J. Huisman & F.J. van Ommeren, Hoofdstukken van privaatrechtelijk overheidshandelen (HSB), 2019/10.6.2. Zie op basis van de hoger geciteerde overweging uit het arrest Leyla Şahin/Turkije L. Lavrysen, ‘System of restrictions’, in: P. van Dijk e.a. (red.), Theory and Practice of the European Convention on Human Rights (Fifth edition), 2018, p. 311.
EHRM 26 april 1979, nr. 6538/74 (The Sunday Times/Verenigd Koninkrijk), § 49.
J. Gerards, EVRM – Algemene beginselen, 2011, p. 119; J. Vande Lanotte & Y. Haeck, Handboek EVRM. Deel 1. Algemene beginselen, 2005, p. 128-129, beide met verwijzingen naar relevante rechtspraak van het EHRM. Vgl. ook L. Lavrysen, ‘System of restrictions’, in: P. van Dijk e.a. (red.), Theory and Practice of the European Convention on Human Rights (Fifth edition), 2018, p. 312.
J. Gerards, EVRM – Algemene beginselen, 2011, p. 120; J. Vande Lanotte & Y. Haeck, Handboek EVRM. Deel 1. Algemene beginselen, 2005, p. 130; P. de Hert, ‘Artikel 8: Recht op privacy’, in: J. Vande Lanotte & Y. Haeck (red.), Handboek EVRM. Deel 2. Artikelsgewijze Commentaar (volume I), 2004, p. 717. Vgl. EHRM 12 juni 2014, nr. 56030/07 (Fernández Martínez/Spanje), § 117: “(…) thus implies, inter alia, that domestic law must be sufficiently foreseeable in its terms to give individuals an adequate indication as to the circumstances in which and the conditions on which the authorities are entitled to resort to measures affecting their rights under the Convention.”
EHRM 26 april 1979, nr. 6538/74 (The Sunday Times/Verenigd Koninkrijk), § 49. Dit is sindsdien vaste rechtspraak. Zie in algemene zin m.b.t. de beperkingsclausules van art. 8-11 EVRM bijv. EHRM 17 februari 2004, nr. 39748/98 (Maestri/Italië), § 30 en EHRM 15 november 2018, nr. 29580/12 (Navalnyy/Rusland), § 114, beide met verdere verwijzingen.
Zie EHRM 26 april 1979, nr. 6538/74 (The Sunday Times/Verenigd Koninkrijk), § 49 en daarna bijv. EHRM 15 november 1996, nr. 17862/91 (Cantoni/Frankrijk), § 31; EHRM 17 februari 2004, nr. 44158/98 (Grozelik c.s./Polen), § 64; EHRM 17 mei 2016, nrs. 42461/13 en 44357/13 (Karácsony c.s./Hongarije), § 124; EHRM 15 november 2018, nr. 29580/12 (Navalnyy/Rusland), § 114; EHRM 28 februari 2019, nr. 4755/16 (Beghal/Verenigd Koninkrijk), § 87.
O.m. EHRM 17 februari 2004, nr. 39748/98 (Maestri/Italië), § 30; EHRM 4 december 2008, nrs. 30562/04 en 30566/04 (S. en Marper/Verenigd Koninkrijk), § 96; EHRM 17 mei 2016, nrs. 42461/13 en 44357/13 (Karácsony c.s./Hongarije), § 125; EHRM 15 november 2018, nr. 29580/12 (Navalnyy/Rusland), § 114; EHRM 28 februari 2019, nr. 4755/16 (Beghal/Verenigd Koninkrijk), § 88.
EHRM 12 januari 2010, nr. 4158/05 (Gillan en Quinton/Verenigd Koninkrijk), § 77, met veel verwijzingen naar eerdere rechtspraak. Zie daarnaast bijv. EHRM 2 augustus 1984, nr. 8691/79 (Malone/Verenigd Koninkrijk), § 67-68; EHRM 24 maart 1988, nr. 10465/83 (Olsson/Zweden) § 61; en meer recent EHRM 28 februari 2019, nr. 4755/16 (Beghal/Verenigd Koninkrijk), § 87; EHRM 20 januari 2020, nr. 201/17 (Magyar Kétfarkú Kutya Párt/Hongarije), § 93-94; EHRM 6 oktober 2020, nr. 16435/10 (Karastelev c.s./Rusland), § 79.
HR 22 september 1995, ECLI:NL:HR:1995:ZC1819, NJ 1997/339 m.nt. E.A. Alkema, Bb 1995-24 m.nt. J.M. Smits, TvI 1995/6 m.nt. H. Wien, TVVS 1996/46 m.nt. H.P.J. Ophof.
Uit de conclusie van A-G Strikwerda voor de beschikking (onder 3) volgt dat de rechter-commissaris hieraan ten grondslag heeft gelegd dat “voor de gefailleerde alleen die stukken ter inzage zijn waarvan een ieder ingevolge de Faillissementswet ter griffie inzage kan krijgen”.
Zie punten 8 en 11 van de conclusie.
Smits schrijft in zijn commentaar bij de beschikking (Bb 1995-24, p. 206) dat “het door de Hoge Raad gegeven voorbeeld van dreigende onttrekking van vermogensbestanddelen aan de boedel (…) praktisch gezien wel het belangrijkste geval [zal] blijken te zijn”. Wien, op zijn beurt, merkt in zijn noot (TvI 1995/6, onder 9) op dat voorbeelden van belangenafwegingen die zouden kunnen leiden tot toewijzing van het verzoek niet eenvoudig zijn te bedenken.
HR 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:286, NJ 2016/200 m.nt. F.M.J. Verstijlen, JOR 2016/282 m.nt. C. Rijckenberg, RI 2016/43 met wenk J.A. Stal, rov. 3.3.3 en 3.4.1. Vgl. ook HR 21 januari 2005, ECLI:NL:HR:2005:AS3534, NJ 2005/249 m.nt. P. van Schilfgaarde (Jomed I), waarin de Hoge Raad overwoog dat bij de beoordeling van een door de schuldeisers op de voet van art. 69 Fw gedaan verzoek om informatieverstrekking, een belangenafweging moet worden gemaakt “waarin niet alleen, (…), de belangen aan de zijde van de boedel en/of de curatoren bij het niet verstrekken van de informatie, maar ook de belangen van de schuldeisers bij het wel verstrekken daarvan moeten worden betrokken. (…).” (rov. 3.7).
Vgl. hierover het verweerschrift in cassatie van de curatoren, onder 4.1.5 en 4.3.21. De juistheid van de lezing die de curatoren op dit punt aan de overwegingen van de rechtbank geven, kan in het midden blijven.
De curatoren betogen in hun verweerschrift in cassatie dat art. 6 EVRM en art. 8 EVRM niet van toepassing zijn (onder 4.1.2-4.1.6 en 4.3.10-4.3.27) en dat de urenregistraties geen onderdeel uitmaken van het faillissementsdossier (onder 4.3.3-4.3.4).
Pleitaantekeningen van de curatoren in het beroep tegen de beschikking van de rechter-commissaris inzake de urenverantwoording, onder 3; verweerschrift in cassatie van de curatoren, onder 4.3.3-4.3.4.
Aan zijn betoog dat de rechter-commissaris het verzoek om verstrekking van de urenspecificaties ten onrechte heeft afgewezen, heeft [eiser] ook ten grondslag gelegd dat art. 2.2. onder d van de Recofa-richtlijnen voor faillissementen en surseances van betaling niet aan verstrekking in de weg staat, en dat toegang tot niet-openbare stukken in het faillissementsdossier afhankelijk is van een belangenafweging en dat de rechter-commissaris die afweging in zijn beschikking niet inzichtelijk heeft gemaakt. Zie het beroepschrift inzake de urenverantwoording, onder 14. In cassatie zijn de overwegingen van de rechtbank met betrekking tot deze gronden niet aan de orde.
Voor zover de klacht berust op art.
Procesverloop
Getoetst moet niet alleen worden of de beperking van het verdragsrecht enige basis heeft in het nationale recht (‘some basis in domestic law’), maar ook of het nationale recht waarop de beperking berust voldoet aan de door het EVRM gestelde kwaliteitseisen van voldoende toegankelijkheid (‘accessibility’) en voorzienbaarheid (‘foreseeablity’). Ook stelt het EHRM wel de eis – al dan niet in het kader van de eis van voorzienbaarheid – dat sprake moet zijn van voldoende bescherming tegen willekeurige inmengingen door de overheid.
3.11
Ten aanzien van het eerste deelvereiste (‘enige basis in het nationale recht’) kan worden vooropgesteld dat het begrip ‘wet’ (‘law’) door het EHRM niet van een formele, maar van een (autonome en) materiële uitleg is voorzien. Deze uitleg houdt volgens het EHRM het volgende in (met de kanttekening dat de uitleg door het EHRM wel in wisselende bewoordingen wordt geduid):
“Further, as regards the words “in accordance with the law” and “prescribed by law” which appear in Articles 8 to 11 of the Convention, the Court observes that it has always understood the term “law” in its “substantive” sense, not its “formal” one; it has included both “written law”, encompassing enactments of lower ranking statutes (see De Wilde, Ooms and Versyp v. Belgium, judgment of 18 June 1971, Series A no. 12, pp. 45‑46, § 93) and regulatory measures taken by professional regulatory bodies under independent rule-making powers delegated to them by Parliament (see Barthold v. Germany, judgment of 25 March 1985, Series A no. 90, pp. 21-22, § 46), and unwritten law. “Law” must be understood to include both statutory law and judge-made “law” (see, among other authorities, The Sunday Times v. the United Kingdom (no. 1), judgment of 26 April 1979, Series A no. 30, p. 30, § 47; Kruslin, cited above, pp. 21-22, § 29 in fine; and Casado Coca v. Spain, judgment of 24 February 1994, Series A no. 285-A, p. 18, § 43). In sum, the “law” is the provision in force as the competent courts have interpreted it.”
In andere uitspraken overweegt het EHRM kortweg dat ““Law” includes everything that goes to make up the written law, including enactments of lower rank than statutes (…), and the relevant case law-authority (…)”, waarbij het slot ook wel wordt geformuleerd als “(…) and the court-decisions interpreting them”.
3.12
Het EHRM stelt dus geen formele of procedurele eisen aan het wetsbegrip en beperkt de reikwijdte van het begrip evenmin tot bepaalde specifieke grondslagen, zoals wetgeving in formele zin. Welke vorm de beperkingsgrondslag aanneemt is als gevolg van de gekozen materiële uitleg niet relevant, zolang aan de door het EHRM geformuleerde kwaliteitsvoorwaarden is voldaan (hierna, onder 3.13-3.15). Dit betekent dat de voor de beperking van een verdragsrecht vereiste basis in het nationale recht niet alleen kan worden gevormd door formele wetgeving, maar onder andere ook door lagere wet- en regelgeving, beleid(sregels), vaste jurisprudentie en ongeschreven recht.
3.13
Het legaliteitsvereiste stelt voorts de eis dat het (geschreven of ongeschreven) nationale recht waarop een beperking berust voldoende toegankelijk (‘accessibile’) moet zijn. Deze eis houdt in dat de burger op de hoogte moet kunnen zijn van de van toepassing zijnde beperkingsgrondslag: “(…) the citizen must be able to have an indication that is adequate in the circumstances of the legal rules applicable to a given case”. Aan dit vereiste zal in het algemeen zijn voldaan als de betrokken regels op behoorlijke wijze zijn gepubliceerd.
3.14
Dat het nationale recht waarop de beperking berust daarnaast voldoende voorzienbaar (‘foreseeable’) moet zijn, betekent dat de burger zich op basis van dit recht een redelijk duidelijk beeld moet kunnen vormen van de beperkingen die zijn gesteld op de uitoefening van zijn vrijheden. De desbetreffende regels moeten zodanig precies zijn geformuleerd dat de burger, met een redelijke mate van zekerheid, kan voorzien wat de rechtsgevolgen van zijn handelen zijn, zodat hij zijn gedrag erop kan afstemmen. Het EHRM verwoordt het als volgt:
“(…), a norm cannot be regarded as a “law” unless it is formulated with sufficient precision to enable the citizen to regulate his conduct: he must be able – if need be with appropriate advice – to foresee, to a degree that is reasonable in the circumstances, the consequences which a given action may entail.”
Absolute voorspelbaarheid is evenwel niet vereist. Een zeker mate van vaagheid of algemeenheid in formulering wordt door het EHRM niet alleen onvermijdelijk maar ook noodzakelijk geacht teneinde het recht gelijke tred te laten houden met veranderende omstandigheden.Daarbij geldt dat “the level of precision required of domestic legislation (…) depends to a considerable degree on the content of the law in question, the field which it is designed to cover and the number and status of those to whom it is addressed”.
3.15
Tot slot ligt in het legaliteitsvereiste de eis besloten dat het nationale recht voldoende bescherming moet bieden tegen willekeurige inmengingen door de overheid met de door het EVRM beschermde rechten (‘a measure of legal protection against arbitrary interferences’). Dit brengt volgens het EHRM met zich dat “the law must indicate with sufficient clarity the scope of any such [legal] discretion conferred upon the competent authorities and the manner of its exercise”.
3.16
Tegen deze achtergrond is het vervolgens de vraag wat heeft te gelden indien de gefailleerde verzoekt om inzage in (het niet-openbare gedeelte van) zijn faillissementsdossier. In dat kader is het volgende van belang.
3.17
De Hoge Raad heeft zich reeds bij beschikking van 22 september 1995 uitgesproken over de kwestie of een gefailleerde inzage kan verzoeken in het niet-openbare gedeelte van het faillissementsdossier. In die zaak had de gefailleerde verzocht om inzage in haar volledige faillissementsdossier, inclusief de niet-openbare verslagen. De rechtbank wees het verzoek in navolging van de rechter-commissaris af, waartoe de rechtbank onder meer overwoog dat de Faillissementswet aan de gefailleerde geen ‘recht op inzage van het gehele procesdossier’ toekent.
3.18
In cassatie stelde de gefailleerde zich onder meer op het standpunt dat de weigering om haar inzage te verlenen in haar faillissementsdossier een schending oplevert van art. 6 EVRM, omdat daardoor geen sprake zou zijn van een eerlijke en openbare behandeling en afwikkeling van het faillissement binnen een redelijke termijn. A-G Strikwerda deelt dit standpunt niet. Volgens de A-G is art. 6 EVRM niet van toepassing op de gerechtelijke vereffening van de faillissementsboedel en brengt het beperkte stelsel van publiciteit van de Faillissementswet met zich dat het aan de gefailleerde toekomende recht op inzage in de stukken met betrekking tot het beheer en de vereffening van de boedel beperkt is tot de stukken waarvan eenieder op grond van de Faillissementswet ter griffie inzage kan krijgen.
3.19
De Hoge Raad oordeelt echter anders. Volgens de Hoge Raad heeft de gefailleerde in beginsel recht op inzage in het niet-openbare deel van het faillissementsdossier. Of de inzage in een concreet geval ook daadwerkelijk moet worden verschaft, is afhankelijk van de uitkomst van een belangenafweging. Indien het verzoek wordt afgewezen, moet uit de motivering blijken dat deze afweging heeft plaatsgevonden. In de woorden van de Hoge Raad (rov. 3.4):
“3.4 (…). Voorop moet worden gesteld dat de Faillissementswet wel van een aantal stukken bepaalt dat zij openbaar zijn, zodat ook de gefailleerde steeds recht op inzage daarvan heeft (bijv. art. 73a lid 1, tweede zin, F.).
Procesverloop
Doch dit brengt (…) niet mee dat de gefailleerde elke aanspraak op inzage van de niet openbare stukken in het faillissementsdossier ontbeert. In verband met de aard van de gegevens die zich in het niet openbare deel van het dossier kunnen bevinden en die zowel het vermogen als andere aspecten van de persoon van de gefailleerde kunnen betreffen, moet worden aangenomen dat hij een zodanige inzage moet kunnen verlangen en dat de vraag of aan een zodanig verlangen in het gegeven geval gevolg moet worden gegeven, door de rechter moet worden beoordeeld aan de hand van een afweging van het belang van de gefailleerde bij de inzage tegen de eventuele belangen die zich tegen inzage verzetten. (…). Geëist moet echter worden dat uit de motivering van de afwijzing blijkt dat een afweging als hiervoor bedoeld heeft plaatsgevonden.”
3.20
De Hoge Raad noemt daarbij twee voorbeelden van belangen die de balans in de belangenafweging zouden kunnen doen doorslaan naar afwijzing van een inzageverzoek (rov. 3.4):
“3.4 (…). Zo zal bijv. een afwijzing van het verzoek kunnen worden gegrond op de omstandigheid dat het belang van een nog niet voltooid onderzoek naar vermogensbestanddelen van de gefailleerde die wellicht aan de boedel zijn onttrokken of dreigen te worden onttrokken, inzage niet toelaat. Ook het belang van derden die vertrouwelijke inlichtingen omtrent de gefailleerde of diens vermogen hebben gegeven, bij eerbiediging van hun persoonlijke levenssfeer kan aan inzage van daarop betrekking hebbende stukken in de weg staan. (…).”
3.21
Tot slot licht de Hoge Raad toe waarop zijn beslissing is gebaseerd (rov. 3.4):
“3.4 (…). Een andere opvatting zou niet stroken met de rechtsontwikkeling ter zake van het recht op inzage van gegevens die van de zijde van de overheid of een daarmee gelijk te stellen instelling met betrekking tot een persoon, diens vermogen daaronder begrepen, zijn samengebracht, zoals deze rechtsontwikkeling onder meer tot uiting komt in de WOB, die overigens een ruimer gebied dan alleen dat van persoonlijke gegevens bestrijkt, in HR 2 december 1988, NJ 1989, 752 (medisch dossier), en in de art. 28 e.v. van de Wet persoonsregistraties, die stoelen op art. 10 lid 3 Gr.w en overigens niet alleen de overheid betreffen. Daargelaten of art. 6 EVRM in het onderhavige geval rechtstreeks van toepassing is, sluit de hier aanvaarde opvatting voorts aan bij het recht van een ieder op een eerlijke behandeling van zijn zaak, zoals dit recht voor strafzaken uitwerking vindt in, voor zover hier van belang, de art. 30–35 Sv.”
3.22
De Hoge Raad heeft de kernoverweging uit zijn beschikking van 22 september 1995 (zie hiervóór onder 3.19) herhaald in een zaak waarin het ging om een verzoek van een gefailleerde om toezending van een proces-verbaal van een op de voet van art. 66 Fw gehouden getuigenverhoor. Ook een dergelijk inzageverzoek moet volgens de Hoge Raad worden beoordeeld aan de hand van de maatstaven uit de beschikking van 22 september 1995.
3.23
Ik keer terug naar de eerste klacht.
3.24
Deze klacht lees ik zo, dat wordt betoogd dat de beperking van het door [eiser] gestelde inzagerecht – de afwijzing van zijn inzageverzoek – niet ‘bij de wet is voorzien’, omdat er geen wettelijke grondslag bestaat voor deze beperking. De stelling dat de rechtbank heeft miskend dat de door haar toegepaste beperking op de in art. 6 lid 1 EVRM en art. 8 EVRM vastgelegde vrijheden niet bij wet is voorzien, wordt namelijk slechts als volgt toegelicht: “De rechtbank heeft miskend dat de door haar, op grond van afweging van belangen, toegepaste beperking op de genoemde vrijheden, niet bij wet is voorzien. Een dergelijke beperking behoeft immers een wettelijke basis”. Daarmee stelt de klacht alleen aan de orde of er voor de afwijzing van het verzoek van [eiser] een basis is in het nationale recht, zoals vereist door het in art. 8 lid 2 EVRM opgenomen legaliteitsvereiste (‘bij de wet voorzien’) (zie onder 3.10-3.12).
3.25
Daarbij gaat de klacht uit van een aantal vooronderstellingen, namelijk dat (i) (art. 6 lid 1 EVRM en) art. 8 EVRM in dit geval rechtstreeks van toepassing is (zijn); (ii) uit deze verdragsbepaling(en) voor de failliet een recht op inzage in het hele faillissementsdossier volgt c.q. dat het niet mogen inzien van het niet-openbare gedeelte van het faillissementsdossier een inbreuk vormt op de in deze verdragsbepaling(en) verankerde vrijheden; en (iii) de urenspecificaties van de curatoren onderdeel zijn van het niet-openbare gedeelte van het faillissementsdossier. Ook de rechtbank is hier kennelijk – al dan niet veronderstellenderwijs – van uitgegaan, getuige het feit dat zij het inzageverzoek van [eiser] inhoudelijk heeft beoordeeld zonder voornoemde vooronderstellingen expliciet te adresseren. Dat de urenspecificaties niet openbaar zijn, heeft de rechtbank overigens wél met zoveel woorden vastgesteld. Zie de overwegingen aan het slot van rov. 5.8.2 (“Op zichzelf hebben de curatoren gelijk met hun stelling, dat de tijdsregistraties niet openbaar zijn. Langs de weg van de verslaglegging zal de gefailleerde deze informatie omtrent de urenregistratie dus niet achterhalen.”) en aan het begin van rov. 5.8.9 (“het verlangen van gefailleerde [eiser] om inzage in de niet-openbare tijdsregistraties”). Die overwegingen zijn in cassatie op zichzelf niet bestreden.
3.26
Bij de beoordeling van de klacht kan de juistheid van genoemde vooronderstellingen in het midden blijven. Als zou moeten worden geoordeeld dat de urenspecificaties géén onderdeel uitmaken van het faillissementsdossier, zoals de curatoren hebben verdedigd, dan zou de grond ontvallen aan het inzageverzoek van [eiser], dat immers – voor zover in cassatie nog aan de orde – berust op een gesteld recht op inzage in de urenspecificaties als onderdeel van het faillissementsdossier. Bij cassatie zou [eiser] in dat geval reeds daarom geen belang hebben.
3.27
Maar indien zou moeten worden aangenomen dat de urenspecificaties van de curatoren wél onderdeel zijn van het faillissementsdossier, heeft in dit geval als uitgangspunt te gelden dat deze gegevens tot het niet-openbare gedeelte van dit dossier behoren. Het oordeel van de rechtbank dat de urenspecificaties niet openbaar zijn, wordt in cassatie immers niet aangevochten. Bij die stand van zaken kan in het midden blijven of art. 8 EVRM in deze zaak rechtstreeks van toepassing is en of [eiser] aan die bepaling een recht op inzage in zijn hele faillissementsdossier kan ontlenen. Zo dit al het geval zou zijn, heeft namelijk te gelden dat de hier aan de orde zijnde beperking op dit recht – afwijzing van het verzoek om verstrekking van de urenspecificaties – wel degelijk een ‘wettelijke’ basis heeft, zoals het legaliteitsvereiste van art. 8 lid 2 EVRM voorschrijft. Daartoe geldt het volgende.
3.28
Bij de beoordeling van het betoog van [eiser] dat hij recht heeft op inzage in de urenspecificaties van de curatoren, maakt de rechtbank op twee ‘momenten’ een belangenafweging (die in cassatie als zodanig onbestreden zijn gebleven; zie onder 3.6). De eerste belangenafweging vindt plaats in het kader van het beroep van [eiser] op art. 6 en 8 EVRM, waarbij de rechtbank vooropstelt dat “in het faillissement van [eiser] (…) niet alleen het belang van de gefailleerde [eiser] [telt], maar (…) ook andere belangen, waaronder zwaarwegende maatschappelijke belangen en de belangen van zijn schuldeisers, gewicht in de schaal [leggen]” (rov. 5.8.6). Vervolgens overweegt de rechtbank dat niet onaannemelijk is dat een of meer ingevolge art. 8 EVRM toegestane beperkingen op de rechten van [eiser], namelijk het economisch welzijn van het land, het tegengaan van strafbaar handelen en legitieme rechten van anderen, in het geding zijn. Dit zijn volgens de rechtbank belangen die, ook in het licht van art.
Procesverloop
6 EVRM, “in dit geval de balans in het nadeel van [eiser] doen doorslaan” (rov. 5.8.7). Bij de daarop volgende tweede belangenafweging neemt de rechtbank het door de Hoge Raad in zijn beschikking van 22 september 1995 geformuleerde toetsingskader tot uitgangspunt, zonder daarbij overigens aan deze beschikking te refereren (rov. 5.8.9). Na een afweging van het (volgens de rechtbank niet nader toegelichte) concrete belang van [eiser] bij de gevraagde inzage en de belangen die zich volgens de curatoren tegen inzage verzetten, komt de rechtbank tot het oordeel dat “ook deze belangenafweging (…) in het voordeel van de curatoren [uitvalt]” (rov. 5.8.10).
3.29
De rechtbank komt aldus op basis van een afweging van de belangen van [eiser] en de belangen die zich tegen inzage verzetten tot een beperking van het door [eiser] gestelde inzagerecht. Dat alleen op grond van een dergelijke belangenafweging tot een beperking kan worden gekomen van het recht van de gefailleerde op inzage in het niet-openbare gedeelte van zijn faillissementsdossier, blijkt uit de eerder besproken beschikking van 22 september 1995.
3.30
Gelet op het algemene en principiële karakter van de beschikking van 22 september 1995, zoals later bevestigd door de Hoge Raad (zie onder 3.22), is sprake van bestendige jurisprudentie van de Hoge Raad. De ‘door de rechtbank toegepaste beperking’ op het door [eiser] gestelde recht op inzage in de niet-openbare urenspecificaties, waarover de eerste klacht zich beklaagt, vindt hierin zijn grondslag. Daarmee is voldaan aan het vereiste dat de beperking van de in art. 8 EVRM neergelegde rechten en vrijheden een basis moet hebben in het nationale recht. Blijkens de rechtspraak van het EHRM kan de vereiste ‘wettelijke’ grondslag voor een beperking immers (ook) worden gevonden in vaste jurisprudentie (zie onder 3.11-3.12 en de verwijzingen aldaar).
3.31
Het voorgaande betekent dat wat Van Apeldoorn hierover stelt – en waarnaar door [eiser] is verwezen ter onderbouwing van zijn standpunt – mij dus niet juist lijkt. Van Apeldoorn schrijft het volgende (voetnoten overgenomen):
“Voor het recht op informatie geeft de Faillissementswet dus beperkingen, maar het EVRM is wel van belang. In het bijzonder de arresten in de zaak Leander v. Zweden
en in de zaak Gaskin v. Verenigd Koninkrijk.
Deze arresten gaan in op het recht op informatie betreffende de eigen persoonsgegevens krachtens artikel 8 EVRM. In artikel 10 EVRM is geen positieve verplichting voor de overheid opgenomen om inlichtingen te verschaffen. Toch lijkt mij een verbod op kennisname door de schuldenaar van informatie die hem zelf betreft niet juist. De schuldenaar moet het niet openbare gedeelte van zijn faillissementsdossier mijns inziens altijd mogen inzien. Het niet mogen inzien is in strijd met artikel 8 EVRM. Een verbod moet bij de wet zijn voorzien. Dat is thans niet het geval.
”
En:
“De schuldenaar heeft zelf geen onbeperkt recht op inzage van zijn eigen dossier, maar hij moet mijns inziens het niet openbare gedeelte van zijn faillissementsdossier altijd mogen inzien. Het niet mogen inzien is in strijd met artikel 8 EVRM. Dit verbod moet bij de wet zijn voorzien. Dat is thans niet het geval.”
Anders dan Van Apeldoorn stelt heeft de gefailleerde dat recht níet altijd; of in een concreet geval inzage in het niet openbare deel van het faillissementsdossier bestaat, hangt af van een door de rechter te maken belangenafweging.
3.32
Hiermee faalt de eerste klacht.
Klachten 2 en 3
3.33
De tweede klacht houdt in dat de ter zitting namens [eiser] ingebrachte aanvullende opmerkingen onvolledig zijn weergegeven in rov. 3.3.2 (derde gedachtestreepje) van de bestreden beschikking, omdat [eiser] in zijn pleitaantekeningen in hoger beroep (onder 27) meer heeft doen aanvoeren dan dat de toegang tot het faillissementsdossier afhankelijk is van een belangenafweging en dat de rechter-commissaris die belangenafweging in zijn beschikking niet inzichtelijk heeft gemaakt.
3.34
De derde klacht verwijt de rechtbank in strijd met art. 24 Rv niet te zijn ingegaan op “het hier aangesneden thema”, althans de beschikking onvoldoende te hebben gemotiveerd door niet te overwegen dat de door de rechtbank gevonden beperking wel bij wet is voorzien.
3.35
De klachten lenen zich voor een gezamenlijke behandeling. Op zichzelf voeren de klachten terecht aan dat de rechtbank in rov. 3.3.2 niet vermeldt dat [eiser] ook heeft gesteld dat een verbod tot inzage niet ‘bij de wet is voorzien’ (klacht 2) en deze stelling van [eiser] ook overigens niet bespreekt (klacht 3). De klachten kunnen echter niet tot cassatie leiden, omdat uit de bespreking van de eerste klacht volgt dat de door de rechtbank onbesproken gelaten stelling van [eiser] niet opgaat. [eiser] heeft dus geen belang bij de klachten 2 en 3.
Klacht 4
3.36
De vierde klacht richt zich tegen de overweging van de rechtbank in rov. 5.8.5, dat het bij de beschikking van de rechter-commissaris inzake de urenverantwoording niet zozeer gaat om inbreuken op de persoonlijke levenssfeer van [eiser], maar om de tijdsregistratie door de curatoren. Volgens de klacht miskent de rechtbank hiermee dat de tijdsregistratie aan de rechter-commissaris is toegezonden en daardoor onderdeel is gaan uitmaken van het faillissementsdossier, zodat de weigering om [eiser] daarin inzage te geven wel degelijk een inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van [eiser] oplevert. De tijdsregistratie ziet tenslotte bij uitstek op de persoonlijke levenssfeer van [eiser], omdat zijn faillissement daarin ingrijpt, zo besluit de klacht.
3.37
De door de klacht bestreden overweging van de rechtbank wordt voorafgegaan door de overweging dat het beroep van [eiser] op art. 8 EVRM “overigens” niet zo voor de hand ligt. Tezamen luiden de overwegingen als volgt (rov. 5.8.5):
“5.8.5. (…). In dit verband ligt overigens een beroep van [eiser] op artikel 8 EVRM, naar het de rechtbank voorkomt, niet zo voor de hand. Het gaat bij beschikking II ‘urenverantwoording’ immers niet zozeer om inbreuken op de persoonlijke levenssfeer van [eiser], maar om de tijdsregistratie door curatoren. (…).”
3.38
Deze overwegingen zijn niet dragend voor het oordeel van de rechtbank dat het beroep van [eiser] ongegrond is (rov. 5.8.11), maar hebben het karakter van een opmerking terzijde. Dit valt niet alleen af te leiden uit het woord ‘overigens’, dat de rechtbank in de eerste overweging gebruikt, maar volgt ook uit het feit dat de rechtbank vervolgens in rov. 5.8.7 wel degelijk ervan is uitgegaan dat art. 8 EVRM van toepassing is. De rechtbank zou zonder bedoelde overwegingen niet anders hebben geoordeeld over de gegrondheid van het beroep van [eiser].
3.39
Dit betekent, wat er verder ook van de bestreden overweging zij, dat de vierde klacht bij gebrek aan belang niet tot cassatie kan leiden. De in de klacht besloten liggende kwesties of de tijdsregistratie door toezending aan de rechter-commissaris onderdeel is gaan uitmaken van het faillissementsdossier en of de weigering om inzage in deze registratie te verschaffen daarmee een inbreuk vormt op de persoonlijke levenssfeer van de gefailleerde, kunnen bij die stand van zaken onbesproken blijven.