Rechtspraak
Parket bij de Hoge Raad
2019-09-24
ECLI:NL:PHR:2019:913
Strafrecht
635 tokens
=== CONCLUSIE ===
F.W. Bleichrodt
In de zaak
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1960,
hierna: de verdachte.
De verdachte is bij arrest van 1 december 2017 door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, wegens 1. “deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van een misdrijf als bedoeld in artikel 11, derde lid, van de Opiumwet alsmede het deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven”, 2. ”medeplegen van in de uitoefening van een beroep of bedrijf opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod”, 4. “handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie” en 5. “handelen in strijd met artikel 13, eerste lid, van de Wet wapens en munitie” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zestien maanden met aftrek als bedoeld in art. 27(a) Sr.
De zaak hangt samen met de strafzaken tegen de medeverdachten [medeverdachte 5] (15/05643), [medeverdachte 2] (17/05745), [medeverdachte 3] (18/00234) en [medeverdachte 4] (18/04966), waarin ik vandaag ook concludeer.
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. Mr. J.G. Kabalt, advocaat te Breukelen, heeft één middel van cassatie voorgesteld.
Het middel behelst de klacht dat de inzendtermijn in cassatie is overschreden.
Het middel strekt er slechts toe te klagen dat als gevolg van het instellen van het cassatieberoep na de bestreden uitspraak de redelijke termijn in de zin van art. 6, eerste lid, EVRM is overschreden. De verdachte heeft kennelijk geen (cassatie)klachten over de bestreden uitspraak en/of over de behandeling van de zaak door het hof. Daarmee betreft het een klacht die onvoldoende belang bij het cassatieberoep tot uitdrukking brengt.
6. Deze conclusie strekt ertoe dat de verdachte in zijn cassatieberoep op de voet van art. 80a RO niet-ontvankelijk wordt verklaard.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Zie HR 11 september 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX0132, NJ 2013/244 m.nt. Bleichrodt en HR 7 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1005, NJ 2016/430, rov. 2.4.2, HR 11 september 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX0146, NJ 2013/241, rov. 2.4.2. en A.J.A. van Dorst, ‘Cassatie in strafzaken’, negende druk, Deventer: Kluwer 2018, p. 214.