Rechtspraak
Parket bij de Hoge Raad
2019-04-09
ECLI:NL:PHR:2019:757
Strafrecht
2,017 tokens
=== CONCLUSIE ===
[verdachte]
Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, heeft de verdachte bij arrest van 1 oktober 2013 niet-ontvankelijk verklaard in het namens hem ingestelde hoger beroep tegen een bij verstek gewezen vonnis van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 25 april 2013. De politierechter heeft de verdachte wegens “diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak” veroordeeld tot een gevangenisstraf van 4 weken, waarvan 2 weken voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren en met aftrek als bedoeld in art. 27 Sr.
Namens de verdachte is cassatieberoep ingesteld en mr. J. Kuijper, advocaat te Amsterdam, heeft één middel van cassatie voorgesteld.
Het middel klaagt dat de afwijzing door het gerechtshof van het door de niet-gemachtigde raadsman gedane verzoek tot aanhouding om (alsnog) in staat te worden gesteld om van de verdachte een machtiging te krijgen zodat hij namens hem de verdediging kan voeren, onbegrijpelijk is dan wel onvoldoende met redenen is omkleed.
3.1. Het proces-verbaal van de zitting in hoger beroep van 1 oktober 2013 houdt het volgende in:
“De verdachte (…) is niet verschenen.
Ter terechtzitting is aanwezig mr. T. den Haan, advocaat te Amsterdam, die verklaart niet uitdrukkelijk door verdachte te zijn gemachtigd de verdediging te voeren.
Op vordering van de advocaat-generaal verleent het hof verstek tegen de niet verschenen verdachte en beveelt dat met de behandeling van de zaak zal worden voortgegaan.
De advocaat-generaal draagt de zaak voor.
De raadsman verklaart, zakelijk weergegeven:
Ik verzoek u om de behandeling van deze zaak aan te houden. Ik wil proberen een machtiging van mijn cliënt te krijgen, zodat ik namens hem de verdediging kan voeren. Mijn cliënt en ik zijn in eerste aanleg ter zitting verschenen, maar mijn cliënt was toen te laat en ik was niet gemachtigd om hem ter zitting te verdedigen. De zaak is toen buiten aanwezigheid van mijn cliënt behandeld.
Ik heb namens mijn cliënt hoger beroep aangetekend tegen het in eerste aanleg gewezen vonnis. Ik heb geen contact meer met mijn cliënt. Ik heb hem wel uitgenodigd voor een gesprek, maar hij heeft daarop niet gereageerd. Een medeverdachte heeft gezegd dat hij nog wel contact heeft met mijn cliënt.
De advocaat-generaal deelt mede, zakelijk weergegeven:
Ik verzet mij tegen een aanhouding van de behandeling van de zaak, nu verdachte zowel in eerste aanleg als in hoger beroep niet is verschenen. Verdachte is al geruime tijd op de hoogte was van de zittingsdatum van de onderhavige zaak, hij neemt geen contact op met zijn raadsman en reageert niet op een uitnodiging van zijn raadsman. Kennelijk wenst verdachte geen gebruik te maken van zijn recht om bij de behandeling van zijn zaak aanwezig te zijn. Ik concludeer dan ook dat het verzoek tot aanhouding van de behandeling moet worden afgewezen omdat een voortvarende behandeling van de zaak dient te prevaleren boven de belangen van verdachte.
Het hof onderbreekt het onderzoek voor beraadslaging.
Na beraad wordt het onderzoek hervat en deelt de voorzitter als beslissing van het hof mede dat de omstandigheid dat de raadsman wil proberen om door verdachte gemachtigd te worden om namens hem de verdediging te voeren, onvoldoende is om het verzoek om aanhouding van de behandeling toe te wijzen. Het hof wijst het verzoek dan ook af omdat de noodzaak daartoe ontbreekt en het belang van een voortvarende rechtspleging prevaleert boven het belang van de verdachte bij aanhouding van de behandeling van de zaak.”
3.2. In zijn overzichtsarrest van 16 oktober 2018 heeft de Hoge Raad onder meer het volgende overwogen:
“2.5.
Indien zich niet het geval voordoet dat de aan het verzoek ten grondslag gelegde omstandigheid niet aannemelijk is geoordeeld, dient de rechter een afweging te maken tussen alle bij aanhouding van het onderzoek ter terechtzitting betrokken belangen. Het gaat daarbij om het belang van de verdachte bij het kunnen uitoefenen van zijn in art. 6, derde lid onder c, EVRM gewaarborgde aanwezigheidsrecht - waaronder het recht om zich in zijn afwezigheid ter terechtzitting door een daartoe uitdrukkelijk gemachtigde raadsman te doen verdedigen - en, kort gezegd, het belang dat niet alleen de verdachte maar ook de samenleving heeft bij een doeltreffende en spoedige berechting. (Vgl. HR 26 januari 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZD1314, NJ 1999/294.) Van deze afweging, waarbij de aan het verzoek tot aanhouding ten grondslag gelegde gronden moeten worden betrokken, dient de rechter in geval van afwijzing van het verzoek blijk te geven in de motivering van zijn beslissing.
(…)
Buiten deze situatie van verhindering wegens ziekte van de verdachte geldt in het algemeen dat niet op voorhand kan worden aangegeven hoe vorenstaande belangenafweging zal moeten uitvallen. De rechter dient deze afweging te maken in de concrete omstandigheden van het geval en, in geval van afwijzing van het verzoek tot aanhouding, de daarop gebaseerde beslissing te motiveren. In cassatie kan die motivering slechts op haar begrijpelijkheid worden getoetst.”
3.3. Een niet verschenen verdachte kan zich op de terechtzitting laten verdedigen door een advocaat die verklaart daartoe uitdrukkelijk gemachtigd te zijn, zo bepaalt art. 279 lid 1 Sv. Indien er een raadsman aanwezig is, maar deze verklaart niet gemachtigd te zijn, dan is hem toegestaan om toe te lichten waarom de verdachte afwezig is én kan hij verzoeken om aanhouding van de behandeling van de zaak “met het oog op de effectuering van het aanwezigheidsrecht van de verdachte of ten behoeve van het alsnog verkrijgen van een machtiging als hiervoor bedoeld, en dat bij gebreke van een zodanige machtiging de behandeling van de zaak geldt als een procedure bij verstek”.
3.4. In deze zaak heeft de raadsman van de verdachte een aanhoudingsverzoek gedaan met het oog op het alsnog verkrijgen van een machtiging. In een dergelijk geval zal de rechter een afweging moeten maken tussen het belang van de verdachte bij het kunnen uitoefenen van zijn in art. 6, derde lid onder c, EVRM gewaarborgde aanwezigheidsrecht en, kort gezegd, het belang dat niet alleen de verdachte maar ook de samenleving heeft bij een doeltreffende en spoedige berechting. Onder het aanwezigheidsrecht van de verdachte wordt ook begrepen het recht om zich in zijn afwezigheid ter terechtzitting door een daartoe uitdrukkelijk gemachtigde raadsman te doen verdedigen. Bij zijn afwijzing heeft het hof aansluiting gezocht bij dit kader, door te oordelen dat het belang van een voortvarende rechtspleging prevaleert boven het belang van de verdachte bij aanhouding van de behandeling van de zaak. Ook overweegt het hof dat de noodzaak ontbreekt. De omstandigheid dat de raadsman wil proberen om door verdachte gemachtigd te worden om namens hem de verdediging te voeren, is volgens het hof onvoldoende om het verzoek om aanhouding van de behandeling toe te wijzen.
3.5. In cassatie wordt geklaagd dat het hof bij de belangenafweging ten onrechte niet het “belang van een goede organisatie van de rechtspleging” heeft betrokken. In oudere rechtspraak werd dit criterium nog naast het belang van de doeltreffende en spoedige berechting genoemd. In het in oktober gewezen overzichtsarrest noemt de Hoge Raad dit aspect niet meer expliciet. Dat valt te begrijpen, nu het inmiddels weggestreepte criterium weinig meerwaarde heeft naast het belang van de doeltreffende en spoedige berechting en in zoverre hierin al besloten ligt. Nu het hof de ‘voortvarende rechtspleging’ in aanmerking heeft genomen, heeft het hof het toepasselijke kader dan ook niet miskend.
3.6. De vraag is of de afwijzing van het aanhoudingsverzoek de begrijpelijkheidstoets kan doorstaan.