Rechtspraak
Parket bij de Hoge Raad
2019-07-02
ECLI:NL:PHR:2019:712
Strafrecht
3,943 tokens
Inleiding
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 16/00356
Zitting 2 juli 2019
Conclusie
T.N.B.M. Spronken
In de zaak
[klaagster] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1971,
hierna: de klaagster.
1Inleiding
1.1
De rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, heeft bij beschikking van 22 december 2015 het klaagschrift van de klaagster ex art. 552a Sv gegrond verklaard.
1.2
Het bij de rechtbank ingediende klaagschrift strekte tot opheffing van het beslag op een aantal voorwerpen en tot teruggave daarvan aan de klaagster. De voorwerpen betreffen 34 armaturen, 5 luchtafzuigers, 8 inbouwventilatoren, 60 lampen van 600 watt, 3 ledlampen, 8 transformatoren, 7 koolstoffilters en 1 prototype van het ‘iGrowbox intensive irrigation system’.
1.3
Uit het dossier blijkt dat in het kader van een controle van diverse bedrijfspanden (growshops) op 28 juli 2015 de desbetreffende voorwerpen in beslag zijn genomen in één van de panden die alle gelegen zijn aan het adres [a-straat 1] te Eindhoven. Het pand waar de voorwerpen in beslag zijn genomen werd gehuurd door de klaagster. Net als de hoofdhuurder van de panden aan dit adres, de [medeverdachte] , is de klaagster daarbij als verdachte aangemerkt van overtreding van art. 11a Opiumwet (Ow).
1.4
Door de klaagster is kort gezegd aangevoerd dat de voorwerpen eigendom van de klaagster zijn en geenszins blijkt van enig misdrijf in verband waarmee beslag kan worden gelegd, althans dat geen sprake is van een criminele intentie ten aanzien van het aanwezig hebben van deze voorwerpen.
1.5
De rechtbank heeft, zoals gezegd, het klaagschrift gegrond verklaard en daartoe het volgende overwogen:
‘’De Opiumwet is gewijzigd bij “Wet van 12 november 2014 tot wijziging van de Opiumwet in verband met de strafbaarstelling van handelingen ter voorbereiding of vergemakkelijking van illegale hennepteelt”. Hierbij is een nieuw artikel ingevoegd dat luidt:
Artikel 11a
Hij die stoffen of voorwerpen bereidt, bewerkt, verwerkt, te koop aanbiedt, verkoopt, aflevert, verstrekt, vervoert, vervaardigt of voorhanden heeft dan wel vervoermiddelen, ruimten, gelden of andere betaalmiddelen voorhanden heeft of gegevens voorhanden heeft, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van een van de in artikel 11, derde en vijfde lid, strafbaar gestelde feiten, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste drie jaar of geldboete van de vijfde categorie.
In artikel 11, derde lid, van de Opiumwet wordt strafbaar gesteld het in de uitoefening van een beroep of bedrijf opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, onder B, gegeven verbod, terwijl artikel 11, vijfde lid, van de Opiumwet betrekking heeft op het handelen in strijd met (onder meer) een in artikel 3, onder B, gegeven verbod, terwijl het feit betrekking heeft op een grote hoeveelheid van een middel.
Het nieuwe artikel 11a van de Opiumwet is met ingang van 1 maart 2015 in werking getreden.
Het beslag op de goederen is gelegd op grond van artikel 94 van het Wetboek van Strafvordering.
De rechtbank dient te beoordelen of het belang van strafvordering verlangt dat het beslag wordt voortgezet. Hiervan is sprake wanneer het in beslag houden van het voorwerp kan dienen om de waarheid aan de dag te brengen of om wederrechtelijk voordeel aan te tonen dan wel wanneer het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, de verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer van het voorwerp zal bevelen.
Bij de beoordeling van de vraag of het al dan niet hoogst onwaarschijnlijk moet worden geacht dat de strafrechter, later oordelend, tot verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer zal komen, dient de rechtbank na te gaan of er aanwijzingen zijn dat klaagster de inbeslaggenomen goederen voorhanden had, terwijl zij wist of ernstig reden had om te vermoeden dat de goederen bestemd waren voor de beroeps- of bedrijfsmatige dan wel grootschalige hennepteelt. Blijkens de parlementaire geschiedenis dient sprake te zijn van zowel een criminele intentie als een daaruit voortvloeiende handeling.
Uit het proces-verbaal van bevindingen van [verbalisant] van 3 augustus 2015 (productie 13 bij het klaagschrift) en het verhandelde in raadkamer maakt de rechtbank dat op 28 juli 2015 er vier verschillende panden, gelegen aan de [a-straat 1] te Eindhoven zijn gecontroleerd en dat aldaar diverse goederen zijn aangetroffen die gebruikt konden worden bij het opzetten van een hennepkwekerij. Daarbij zijn onder meer 130 hennepstekjes aangetroffen. Ter zake is op 28 juli 2015 een kennisgeving van inbeslagneming opgemaakt. Blijkens de schriftelijke conclusie van het openbaar ministerie van 19 november 2015 betreft deze kennisgeving de inbeslagneming van de goederen in alle vier panden. Klaagster huurde slechts een van die vier panden, zoals blijkt uit een door haar overgelegd huurcontract (productie 2 bij het klaagschrift). Klaagster heeft in haar klaagschrift en ook ter zitting aangegeven welke goederen onder haar in beslag zijn genomen. Ter zitting heeft klaagster aangegeven dat het gaat om de hierboven in de inleiding van deze beschikking opgesomde goederen. De rechtbank gaat ervan uit dat deze goederen alle onder klaagster in beslag genomen goederen zijn, nu het openbaar ministerie geen beslaglijst heeft overgelegd waarop is gespecificeerd, welke goederen in het door klaagster gehuurde pand in beslag zijn genomen.
Klaagster heeft ter zitting bestreden dat zij de criminele intentie had deze goederen te bestemmen voor beroeps-/bedrijfsmatige en/of grootschalige hennepteelt. Zij heeft verklaard dat haar bedrijf zich bezighoudt met het ontwikkelen van lichtsystemen, zoals het inbeslaggenomen prototype van het iGrowbox intensive irrigation system. Zij heeft daarbij verwezen naar twee uitspraken van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 28 juli 2015 (ECLI:NL:RBZWB:2015:4979 en ECLI:NL:RBZWB:2015:5032).
Naar het oordeel van de rechtbank zijn er op basis van de thans beschikbare processtukken en het verhandelde ter zitting onvoldoende aanwijzingen, dat klaagster ten aanzien van de in beslag genomen goederen wist dan wel ernstig reden had om te vermoeden dat deze goederen bestemd waren voor de beroeps-/ bedrijfsmatige dan wel grootschalige hennepteelt. Hierbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat bij klaagster slechts één kast is aangetroffen waarin maximaal vier hennepplanten kunnen worden geteeld. Overige goederen die gerelateerd kunnen worden aan hennepteelt zijn slechts in beperkte hoeveelheden aangetroffen. De hennepstekjes zijn in beslag genomen in een ander pand dan het pand dat klaagster had gehuurd. Van een criminele intentie blijkt ook niet uit de bedrijfsvoering van klaagster en haar partner, [getuige] . Niet gebleken is dat het openbaar ministerie nader onderzoek heeft gedaan naar die bedrijfsvoering. Uit hetgeen klaagster en [getuige] hierover ter zitting hebben verklaard, kan ook niet die criminele intentie worden opgemaakt.
Gelet op het voorgaande acht de rechtbank het op basis van de thans beschikbare informatie hoogst onwaarschijnlijk dat de strafrechter, later oordelend, de beslaggenomen goederen zal verbeurd verklaren of zal onttrekken aan het verkeer. Ook overigens is de rechtbank niet gebleken van een strafvorderlijk belang bij handhaving van het beslag. Derhalve dient het klaagschrift gegrond te worden verklaard.’’
1.6
Het cassatieberoep is ingesteld namens het openbaar ministerie en mr. H.H.J.
Beoordeling
3.4.1
Uit het proces-verbaal van de behandeling in raadkamer blijkt, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende:
‘’De officier van justitie:
Vorige week is de zaak [medeverdachte] behandeld. Omdat hij huurder is van de panden zijn alle daarin aangetroffen goederen onder hem inbeslaggenomen. Zijn beklag is ongegrond verklaard. Van belang is te weten waarop het onderhavige klaagschrift precies ziet.
De raadsvrouw voert aan:
Het onderhavige klaagschrift heeft betrekking op de teruggave van 34 armaturen, 5 afzuigers, 8 inbouwventilatoren, 60 600 wattlampen, 3 ledlampen, 8 transformatoren, 7 koolstoffïlters, en 1 prototype van de iGrowkast. Deze kast is ontworpen voor het project met de gemeente. Daarin kunnen maximaal 4 planten worden gekweekt. Dit was de enige kast die er stond.
Klaagster verklaart:
Bij mij zijn geen hennepstekjes in beslag genomen. (…)
De officier van justitie:
Ik persisteer bij de schriftelijke conclusie van mr. M.M.M. Kooij van 19 november 2015.
De goederen zijn in beslag genomen omdat er ook nog 130 hennepplantjes zijn aangetroffen. Dit in samenhang met de hennep gerelateerde goederen die in de andere panden zijn aangetroffen. Er zijn diverse indicaties die erop duiden dat klaagster in strijd met artikel 11a van de Opiumwet goederen aanwezig heeft gehad. Het is dan ook niet hoogst onwaarschijnlijk dat de meervoudige strafkamer, die de zaak op 17 februari 2016 zal behandelen, de in beslag genomen goederen verbeurd zal verklaren.
Klaagster verklaart:
Het ontwikkelings- en productiebedrijf bestaat nog maar 1 jaar. Het pand waarin het bedrijf is gevestigd hebben we van [medeverdachte] gehuurd. (…)
De raadsvrouw voert aan:
Ik persisteer bij hetgeen is verwoord in het klaagschrift van 1 oktober 2015.
Op het bedrijventerrein bevinden zich meerdere panden die aan diverse personen toebehoren. In een van die panden heeft mijn cliënt haar bedrijf. De politie is bij diverse panden naar binnen gegaan en heeft daar diverse goederen inbeslaggenomen. Mijn cliënte is alleen verantwoordelijk voor de goederen die in het door haar gehuurde pand zijn aangetroffen. Op die ruimte zat een apart slot. (…)
3.4.2
In het dossier bevindt zich een kennisgeving van inbeslagname (KVI). Daarin staat niet vermeld onder wie de voorwerpen in beslaggenomen zijn. Wel is daarin opgenomen dat geen eigenaar bekend is en dat de voorwerpen aan de [a-straat 1] te Eindhoven in beslag zijn genomen, zonder te specificeren in welke van de verschillende panden aan dit adres de voorwerpen zijn aangetroffen. Uit een zich eveneens in het dossier bevindend proces-verbaal blijkt dat deze voorwerpen kennelijk zijn aangetroffen in ‘pand 4’.
3.4.3
Gelet hierop en in aanmerking genomen dat de klaagster heeft aangevoerd dat de voorwerpen in haar pand in beslag zijn genomen en de stelling van de officier van justitie dat zij verdacht wordt van overtreding van art. 11a Ow, acht ik het oordeel van de rechtbank dat de voorwerpen onder de klaagster, als beslagene, in beslag zijn genomen niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd. Dat brengt mee dat de rechtbank het juiste beoordelingskader heeft aangelegd, door te toetsen of het belang van strafvordering het voortduren van het beslag vordert en zo dit niet het geval is de teruggave van het inbeslaggenomen voorwerp te gelasten aan de beslagene, tenzij een ander redelijkerwijs als rechthebbende ten aanzien van dat voorwerp moet worden beschouwd.
3.4.4
De eerste deelklacht faalt.
3.4.5
Over de tweede deelklacht kan ik kort zijn. Aan de steller van het middel kan worden toegegeven dat de rechtbank met haar oordeel, dat bij de klaagster geen sprake is van een criminele intentie, te ver vooruit is gelopen op het latere oordeel van de strafrechter. Gelet op de stand van zaken zoals deze hiervoor onder 2 is weergegeven, is echter het belang van strafvordering inmiddels komen te vervallen. Er is immers reeds onherroepelijk beslist in de strafzaak van zowel de klaagster als de [medeverdachte] . Daarnaast is niet gebleken dat het openbaar ministerie een (afzonderlijke) vordering tot onttrekking aan het verkeer heeft ingediend. Dat betekent dat het oordeel van de rechtbank dat het belang van strafvordering zich niet tegen teruggave verzet (naar de huidige stand van zaken) juist is, wat er ook zij van de motivering.
3.4.6
Ook de tweede deelklacht faalt.
3.5
Het middel faalt.
4. Ten overvloede wil ik opmerken dat in onderhavig geval art. 119 lid 2 Sv van overeenkomstige toepassing is omdat door de vernietiging van de voorwerpen de feitelijke teruggave niet meer mogelijk is. Dit brengt mee dat indien zou moeten worden aangenomen dat de verkoop van de voorwerpen redelijkerwijze enig bedrag zou hebben opgebracht, de bewaarder dat bedrag aan de klaagster dient uit te betalen.
Conclusie
5.1
Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
5.2
Deze conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Zie HR 2 september 2003, ECLI:NL:HR:2003:AG1758 en vgl. HR 22 december 2015, ECLI:NL:HR:2015:3710. Daarnaast blijkt uit het dossier dat na (en ondanks) de vernietiging alsnog een opdracht tot bewaring is gegeven.
Dat blijkt uit een op 3 januari 2019 onherroepelijk geworden vonnis van 23 december 2016 waarbij hij veroordeeld is voor overtreding van art. 11a Ow. In dat vonnis staat onder meer vermeld: ‘’De loods (pand 4) wordt door verdachte aan een derde verhuurd: [klaagster] en haar echtgenoot [getuige] . Niet vastgesteld is kunnen worden dat verdachte de beschikking heeft gehad over de in die loods aangetroffen goederen zodat deze goederen bij de beoordeling in deze strafzaak achterwege zullen blijven.’’
Gelet op het cassatieberoep was de beschikking van de rechtbank ten tijde van de strafzaak immers nog niet onherroepelijk zodat geen sprake is van een last tot teruggave als bedoeld in art. 353 lid 1 Sv.
Zie bijv. conclusie AG Bleichrodt van 3 oktober 2017, ECLI:NL:PHR:2017:1212, onder 12.
Kennelijk zal bedoeld zijn: ‘anderbeslag’.
Zie in dit verband ook de Conclusie OM d.d. 19 november 2015 naar aanleiding van het klaagschrift waarin het OM ervan lijkt uit te gaan dat de klaagster huurster is van een van de panden aan de [a-straat 1] te Eindhoven (p. 2) en uit de opmerking op p. 4 “Naast klaagster hoeft niemand als belanghebbende(n) worden opgeroepen (ex artikel 552a, lid 4 Sv)” zou kunnen worden afgeleid dat klaagster door het OM als beslagene wordt aangemerkt.
HR 28 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL2823, NJ 2010/654 m.nt. Mevis, rov. 2.2.
Vgl. HR 2 september 2003, ECLI:NL:HR:2003:AG1758, rov. 3.3.1 waar de strafzaak werd beëindigd door middel van een sepot.
Naast een last tot teruggave aan de rechthebbende is dit nog de enige mogelijkheid na het einde van de strafzaak.
Vgl. HR 2 september 2003, ECLI:NL:HR:2003:AG1758, rov. 3.3.2.