Rechtspraak
Parket bij de Hoge Raad
2019-06-25
ECLI:NL:PHR:2019:679
Strafrecht
3,967 tokens
Inleiding
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 17/05224
Zitting 25 juni 2019
Conclusie
T.N.B.M. Spronken
In de zaak
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1981,
hierna: de verdachte.
1Inleiding
1.1
De verdachte is bij arrest van 26 oktober 2017 door het gerechtshof Den Haag wegens “medeplegen van opzettelijk valse bankbiljetten uitgeven”, veroordeeld tot een geldboete van € 300,00, subsidiair zes dagen hechtenis.
1.2
Er bestaat samenhang met de zaak 18/01968 tegen de medeverdachte. In deze zaak zal ik vandaag ook concluderen.
1.3
Het cassatieberoep is (beperkt) ingesteld namens de verdachte en mr. D.J.G.J. Cornelissen, advocaat te 's-Gravenhage, heeft drie middelen van cassatie voorgesteld.
1.4
Het eerste middel bevat de klacht dat het bewezenverklaarde ‘medeplegen’ niet uit de bewijsvoering van het hof kan volgen. Het tweede middel bevat de klacht dat het hof niet de redenen heeft opgegeven waarom het is afgeweken van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt dat de verdediging in hoger beroep heeft ingenomen. Dit standpunt hield in dat niet kan worden bewezen het de verdachte was die een vals biljet heeft uitgegeven. Het derde middel bevat de klacht dat het bewezenverklaarde ‘opzet’ ontoereikend is gemotiveerd. Ik zal beginnen met de bespreking van het derde middel, omdat hetgeen in de toelichting op dit middel naar voren wordt gebracht ook van betekenis is voor de andere middelen.
2De bewezenverklaring en de bewijsvoering
2.1
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:
“zij op 18 oktober 2016 te Rotterdam, tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk valse bankbiljetten van vijftig euro heeft uitgegeven.”
2.2
Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:
“1. De verklaring van de verdachte.
De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep van 12 oktober 2017 verklaard -zakelijk weergegeven-:
Ik ging met mijn zoon en dochter de vader van mijn zoon, genaamd [medeverdachte] , op 18 oktober 2016, opzoeken in Rotterdam. Ik had niet met hem afgesproken, ik wilde hem verrassen. Ik had gehoord dat hij ziek was. Later heb ik gehoord dat hij niet ziek was.
2. Een proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 20 oktober 2016 van de Politie Eenheid Rotterdam met nr. PL1700-2016340053-15. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (blz. 27-31):
als de op 20 oktober 2016 afgelegde verklaring van [verdachte] :
Ik had honderd euro en daarmee ben ik, volgens mij zaterdag, naar de markt (het hof begrijpt: in Den Haag) gegaan om een jurk voor mijn dochter te kopen. Totaal had ik vijftig euro, een twintigje en losgeld teruggekregen bij die jurk en het fruit en groente.
Ik was op 18 oktober 2016 met mijn kinderen naar Rotterdam gekomen. De kinderen hadden herfstvakantie en ik ging een paar uurtjes met ze de deur uit. We gingen pizza kopen. Ik heb die pizza betaald met die vijftig euro die ik op de markt heb gekregen. Ik ken [medeverdachte] . Dat is de vader van mijn jongste kind. Met hem heb ik een LAT-relatie. Ik was van plan naar hem toe te gaan. Ik belde hem nog maar hij nam niet op. Toen ze honger kregen zijn we pizza gaan eten.
3. Een proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 18 oktober 2016 van de Politie Eenheid Rotterdam met nr. PL1700-2016340053-7.
Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (blz. 22-26):
als de op 18 oktober 2016 afgelegde verklaring van medeverdachte [medeverdachte] :
Donderdag ben ik op de markt te Rotterdam gegaan. Ik had thuis een briefje van 100 euro liggen. Ik heb boodschappen gedaan op de markt. Ik heb toen die meneer gevraagd dat ik ijsbergsla wilde kopen maar dat ik alleen 100 euro had. Die man van de markt had geen wisselgeld. Toen waren daar twee heren die hebben voor mij gewisseld, voor twee vijftigjes. Toen heb ik op de markt ijsbergsla en komkommer gekocht van één van die vijftigjes. Op 18 oktober 2016 ging ik vanaf mijn huis bij die broodjeszaak, een kwartiertje lopen, en ik had die vijftig euro nog over. Ik heb in die winkel bier gevraagd en een Turkse pizza besteld. Ik betaalde die man en die man zei dit geld is niet goed. Ik wist niet dat het vals was.
4. Een proces-verbaal van aangifte d.d. 18 oktober 2016 van de Politie Eenheid Rotterdam niet nr. PL1700-2016340053-1. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (blz. 5-7):
als de op 18 oktober 2016 afgelegde verklaring van [benadeelde] :
Ik ben eigenaar van broodjeszaak [A] te Rotterdam. Op 18 oktober 2016 kwam er omstreeks 14:30 uur een vrouw binnen in de zaak. Ik zag dat de vrouw het volgende signalement had: Hindoestaans uiterdijk, ongeveer 1.55 meter lang, dik persoon, ongeveer 40-45 jaar, een grijze sjaal over het hoofd en een bloemachtige jurk. Ze droeg zwarte sokken en had één gouden tand in de linker bovenzijde van haar gebit. Ik hoorde dat deze vrouw 1 Turkse pizza bestelde. De vrouw rekende af met 50 euro. Nadat de vrouw de winkel had verlaten voelde en zag ik dat het briefje van 50 euro vals was.
Ongeveer 5 minuten later kwam er een man de zaak binnen. Ik hoorde dat de man 1 Turkse pizza, 1 blikje Heineken en 1 blikje Fernandes rood bestelde. Ik zag dat de man wilde betalen met 50 euro. Ik pakte dit geld aan en zag gelijk dat dit geld vals was. Ik voelde dat dit briefje van 50 euro dikker aanvoelde dan andere briefjes van 50 euro. Ik weet dat er in een echt briefje van 50 euro een deur moet zitten. Ik zag dat er in dit briefje van 50 euro geen deur zat. Ik zei tegen de man dat dit geld vals was. Ik hoorde dat de man zei 'dat kan niet, ik heb dit geld op de markt gekregen'. Vervolgens heb ik het briefje teruggegeven. Nadat ik de politie had gebeld zag ik dat de man tegen de vensterbank aan ging staan. Ik zag dat de man het briefje van 50 euro onder de reclamebladen die op de vensterbank lagen frommelde. Hierna zag ik dat de politie in mijn winkel kwam. Ik verklaarde tegen de politie dat de man het valse briefje van 50 euro probeerde te verstoppen onder de reclamefolders op de vensterbank. Ik zag dat een van de agenten het briefje vond onder de reclamefolders op de vensterbank.
5. Een proces-verbaal van bevindingen d.d. 18 oktober 2016 van de politie Eenheid Rotterdam met nr. PL1700-2016340053-8. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (blz. 11-12) :
als relaas van de betreffende opsporingsambtenaren:
Op 18 oktober 2016 omstreeks 14:35 uur kwamen wij ter plaatse bij de snackbar [A] te Rotterdam. De eigenaar van de winkel, [benadeelde] , verklaarde ons het volgende. Er kwam een vrouw mijn zaak binnen. Zij heeft haar bestelling betaald met een 50 euro biljet waarvoor ik haar wisselgeld heb teruggegeven. Op dat moment had ik nog niet in de gaten dat het biljet wat zij mij gegeven had een vals biljet was. De vrouw heeft mijn zaak verlaten en ik weet niet waar ze nu is. Deze man kwam enkele minuten later mijn winkel in. Wij verbalisanten zagen dat hij wees naar een man die voor de toonbank en naast de vensterbank stond. Deze man bestelde een blikje frisdrank, een blikje limonade en een Turkse pizza Op het moment van af rekenen, overhandigde hij mij een biljet van eveneens 50 euro. Op het moment dat ik hem aanpakte voelde ik dat het briefje vreemd aanvoelde. Nadat ik het briefje beter bekeken had zag ik dat het briefje niet was voorzien van een watermerk. Ook zag het briefje er voor de rest anders uit dan normaal. De ribbeling die normaal in het briefje zit voelde ik ook niet.
Conclusie
Op grond van deze onderzoeksresultaten kan worden geconcludeerd dat de aangeboden biljetten vals zijn.”
2.3
Het bestreden arrest bevat voorts de volgende overwegingen:
“Verweer
Ter terechtzitting in hoger beroep is door de raadsman van de verdachte vrijspraak bepleit van het primair en subsidiair tenlastegelegde overeenkomstig zijn overgelegde pleitaantekeningen. De raadsman heeft daartoe onder, meer aangevoerd dat ten onrechte medeplegen en opzet is bewezen verklaard, aangezien er geen sprake was van een nauwe en bewuste samenwerking en de verdachte nooit geweten heeft dat zij in het bezit was, van vals geld.
Uit het onderzoek ter terecht zitting in hoger beroep en uit het dossier blijkt van de volgende feiten en omstandigheden.
Aangever [benadeelde] heeft bij de politie verklaard dat een vrouw (met een gouden tand), (naar later bleek de verdachte), een Turkse pizza wilde kopen en hem ter betaling een biljet van € 50,- gaf. Nadat zij de winkel had verlaten zag en voelde hij dat het briefje van € 50,- vals was. Vijf minuten later kwam er een man (de medeverdachte [medeverdachte] ) binnen die een Turkse pizza en twee blikjes drank wilde kopen met eveneens een biljet van € 50,-. Aangever merkte meteen dat het biljet vals was. Hij heeft het briefje terug gegeven en toen hij de politie belde zag hij dat [medeverdachte] het briefje onder de reclamebladen die op de vensterbank lagen frommelde. De ter plaatse gearriveerde politie heeft het biljet van € 50,- verfrommeld in een vensterbank gevonden. Beide biljetten zijn in beslag genomen. Uit onderzoek is gebleken dat de biljetten vals zijn en beiden hetzelfde serienummer hebben. Naar later bleek, hebben de verdachte en de medeverdachte een LAT-relatie en hebben zij samen een kind.
De verdachte heeft bij de politie verklaard dat zij de zaterdag ervoor met een briefje van honderd euro naar de markt in Den Haag was gegaan, boodschappen had gedaan en toen onder meer een briefje van vijftig euro terug had gekregen. Zij was met haar kinderen naar Rotterdam gegaan omdat ze herfstvakantie hadden en zij een paar uurtjes met ze uit wilde. Zij wilde naar de medeverdachte gaan. Zij had hem gebeld, maar hij nam niet op. De kinderen kregen honger en toen zijn ze pizza gaan eten. Haar kinderen waren daar niet bij, want die waren met hun vriendjes aan het shoppen. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte verklaard dat zij met de kinderen naar de medeverdachte ging omdat hij ziek was. Ze had niet met hem afgesproken, want ze wilde hem verrassen. Later had ze gehoord dat hij niet ziek was.
De medeverdachte heeft bij de politie verklaard dat hij de donderdag ervoor op de markt te Rotterdam met een biljet van € 100,- ijsbergsla had willen kopen, maar dat de verkoper geen wisselgeld had. Hij heeft voorts verklaard dat er toen twee heren waren die dat biljet voor hem hebben gewisseld voor twee briefjes van vijftig. Eén van die briefjes had hij op 18 oktober 2016 nog. Hij was die dag vanaf zijn huis naar de broodjeszaak gelopen, dat was een kwartiertje lopen. Hij had daar een Turkse pizza en iets te drinken besteld. Toen hij betaalde, werd hem verteld dat het geld niet goed was. De verdachte heeft verklaard dat hij dat niet wist.
Het hof acht het volstrekt onwaarschijnlijk en ongeloofwaardig dat de verdachte en de medeverdachte, die op dat moment een relatie met elkaar hadden, onafhankelijk van elkaar op verschillende tijdstippen ieder met een briefje van €100,- naar de markt in Rotterdam respectievelijk Den Haag zijn gegaan en allebei een vals biljet van € 50,- met hetzelfde serienummer hebben ontvangen, waarmee ze vervolgens in dezelfde winkel op dezelfde dag, zonder met elkaar afgesproken te hebben en kort (ongeveer 5 minuten) na elkaar een Turkse pizza bestelden, zonder dat zij wetenschap hadden van de valsheid van het geld. Voorts wekt het bevreemding op dat beide verdachten kennelijk met biljetten van € 100,- naar de markt gaan, waar het doorgaans juist ongebruikelijk is met dergelijke grote, geldbedragen te betalen. Deze feiten en omstandigheden in onderling verband en samenhang bezien maakt de verklaring van de verdachte (en haar mededader) dat zij niet wisten dat het een vals biljet was niet geloofwaardig.
Het hof is van oordeel dat de gedragingen van de verdachte en de medeverdachte in zodanig nauw verband stonden en zo kort op elkaar volgden op dezelfde plaats en naar de uiterlijke verschijningsvorm gericht waren op de verwezenlijking van hetzelfde doel, te weten het uitgeven van valse bankbiljetten, dat kan worden gesproken van een gezamenlijke opzet en een nauwe en bewuste samenwerking van de verdachte en de medeverdachte, waarbij beiden een wezenlijke bijdrage aan de uitvoering hebben geleverd. Het hof verwerpt het verweer.
Het hof acht derhalve wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte samen met de medeverdachte opzettelijk valse bankbiljetten heeft uitgegeven op de wijze als hierna bewezenverklaard.”
3Het derde middel
3.1
Het middel bevat, zoals gezegd, de klacht dat het bewezenverklaarde opzet ontoereikend is gemotiveerd. Daartoe wordt onder meer aangevoerd dat de bewijsvoering van het hof innerlijk tegenstrijdig is, omdat het hof verklaringen van de verdachte en de medeverdachte tot het bewijs heeft gebezigd, terwijl het hof deze verklaringen “volstrekt onwaarschijnlijk en ongeloofwaardig” acht.
3.2
Uit de weergegeven bewijsvoering van het hof blijkt dat het hof de bewezenverklaring mede heeft doen steunen op:
(i) de in bewijsmiddel 2 opgenomen verklaring van de verdachte, inhoudende onder meer dat, kort gezegd, zij het 50 eurobiljet waarmee zij de pizza heeft betaald als wisselgeld heeft terugontvangen van het 100 eurobiljet waarmee zij op de markt in Den Haag heeft betaald; en
(ii) de in bewijsmiddel 3 opgenomen verklaring van de medeverdachte, inhoudende onder meer dat, kort gezegd, hij het 50 eurobiljet waarmee hij de pizza en de drank ging betalen een biljet is dat hij heeft ontvangen van twee heren die op de markt in Rotterdam een 100 eurobiljet voor hem hebben gewisseld en dat hij, medeverdachte, niet wist dat dit 50 eurobiljet vals was.
3.3
In zijn hiervoor weergegeven overwegingen heeft het hof tot uitdrukking gebracht dat het de juistheid van deze uitlatingen van de verdachte en van de medeverdachte onwaarschijnlijk en ongeloofwaardig acht, maar niet dat het die uitlatingen als kennelijk leugenachtig tot bewijs bezigt. Het hof heeft dus onderdelen van de verklaringen van de verdachte en van de medeverdachte, die niet redengevend (kunnen) zijn voor de bewezenverklaring, onder de bewijsmiddelen opgenomen.
Conclusie
5.1
Het eerste en het derde middel slagen. Het tweede middel behoeft mijns inziens geen afzonderlijke bespreking.
5.2
Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
5.3
Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, voor zover deze aan het oordeel van de Hoge Raad is onderworpen, en tot zodanige beslissing tot verwijzing of terugwijzing als de Hoge Raad gepast voorkomt.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Zie “akte partieel intrekking cassatie” van 1 augustus 2018.