Rechtspraak
Parket bij de Hoge Raad
2019-06-25
ECLI:NL:PHR:2019:678
Strafrecht
2,264 tokens
Inleiding
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 17/05721
Zitting 25 juni 2019
Conclusie
T.N.B.M. Spronken
In de zaak
[verdachte] ,
geboren te Hoopeston [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1965,
hierna: de verdachte.
1Inleiding
1.1
Het gerechtshof ’s-Hertogenbosch heeft bij arrest van 5 oktober 2017 de verdachte bij verstek met toepassing van art. 416 lid 2 Sv niet-ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep tegen het vonnis van de kantonrechter van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht van 4 december 2015. Daarbij is de verdachte wegens “overtreding van het bepaalde in artikel 30 lid 4 Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen” veroordeeld tot een geldboete ter hoogte van 550,00 euro subsidiair 11 dagen hechtenis. Voorts is aan de verdachte een ontzegging van de motorrijbevoegdheid opgelegd voor de duur van 6 maanden.
1.2
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en mr. J.J.J. van Rijsbergen, advocaat te Breda, heeft één middel van cassatie voorgesteld.
1.3
Onderhavige cassatieberoep is het gevolg van een ongelukkige samenloop van omstandigheden. De raadsman van de verdachte was tijdig voorafgaand aan de behandeling in hoger beroep aanwezig en wachtte buiten de zittingszaal totdat de zaak van de verdachte, die zelf niet aanwezig was, zou worden uitgeroepen. De raadsman heeft naar zijn zeggen tijdens dit wachten enige minuten “beneden aan de trap” met een collega gesproken. Toen hij terug kwam bleek de zaak al te zijn uitgeroepen en bij verstek te zijn afgedaan.
2Het middel
2.1
Het middel bevat de klacht dat het hof ten onrechte verstek heeft verleend jegens de verdachte.
2.2
In de toelichting op het middel wordt gesteld dat het hof verstek heeft verleend op basis van de onjuiste mededeling van de gerechtsbode dat noch de verdachte noch zijn raadsman zijn verschenen. Gesteld wordt dat de raadsman, toen de zaak op 5 oktober 2017 om 15.00 uur werd behandeld, wél in het gerechtsgebouw aanwezig was. Hij had zich daarvoor gemeld bij de bode en stond te wachten bij de zittingszaal tot de zaak van de verdachte zou worden behandeld. Voor een beschrijving van de feitelijke gang van zaken wordt in de schriftuur verwezen naar een brief van de raadsman die op 19 oktober 2017 is verzonden aan de strafgriffie van het gerechtshof. Die beschrijving houdt – voor zover hier van belang – het volgende in:
“De behandeling van de onderhavige zaak stond op genoemde datum om 15:00u gepland. Na aankomst in het paleis van justitie heb ik mij gemeld bij de bode. De bode heeft vervolgens een vinkje achter de naam van cliënt gezet, ten behoeve van de registratie van mijn aanwezigheid. De bode heeft mij naar de zittingszaal verwezen. Aangekomen bij de zittingszaal, trof ik een confrère. Hij vertelde mij dat ook zijn zaak om 15:00u zou worden behandeld in dezelfde zittingszaal, maar dat de behandeling van eerdere zaken uitliep. Ik heb hierop gewacht voor de zittingszaal. Een bode voor de zittingszaal heb ik niet gezien. Het was na 15:00u dat ik - voor de zittingszaal - nog telefonisch contact had met een kantoorgenoot. Vervolgens zag ik een andere kantoorgenoot onderaan de trap staan. Hier ben ik naartoe gelopen en heb luttele minuten met hem gesproken. De confrère die ook om 15:00u zitting had in die zittingszaal, zat toen ook nog te wachten. Na het korte onderhoud dat ik met mijn kantoorgenoot onderaan de trap had, ben ik weer terug gegaan naar de plek voor de zittingszaal. Die bevond zich bovenaan de trap.
Ik bemerkte dat mijn confrère die ook een zitting om 15:00u in die zittingszaal had, inmiddels weg was. Ik heb de deur van de zittingszaal geopend en zag dat die confrère bezig was met de behandeling van de zaak. Ik zag toen ook de bode in de zittingszaal zitten. Hij kwam de zittingszaal uit en ik vertelde hem dat ik voor onderhavige zaak kwam. Hij vertelde mij dat hij deze reeds had uitgeroepen en de enkelvoudige kamer deze vervolgens ook heeft behandeld. Het verzoek om de onderhavige zaak nogmaals te behandelen na de zitting van mijn confrère, werd afgewezen.”
2.3
Het proces-verbaal van de terechtzitting van 5 oktober 2017 houdt in dat de voorzitter de zaak tegen de verdachte heeft doen uitroepen en dat het hof heeft vastgesteld dat de verdachte niet is verschenen, terwijl hij naar behoren is gedagvaard. Nadat verstek is verleend, is het onderzoek ter terechtzitting voortgezet en heeft de voorzitter het onderzoek gesloten en terstond uitspraak gedaan. Het proces-verbaal bevat niets omtrent een al dan niet aanwezige raadsman.
2.4
Onderhavige zaak vertoont gelijkenis met een zaak waarover de Hoge Raad op 9 december 2013 (ECLI:NL:HR:2003:AM0201, NJ 2004/133), uitspraak heeft gedaan. Ook in deze zaak was noch de verdachte noch zijn raadsman ter terechtzitting verschenen en had het hof jegens de verdachte verstek verleend. In cassatie werd ter verklaring van de afwezigheid van de raadsman en de verdachte aangevoerd dat zij, nadat zij zich hadden gemeld bij de portiersloge van het hof, ten gevolge van een misverstand hadden plaats genomen bij de ingang van de verkeerde zittingszaal en dat, toen dat misverstand ontdekt werd, bleek dat de zaak reeds door het hof was behandeld en afgedaan. Uit de gedingstukken bleek wel dat art. 51 oud Sv (thans art. 48 Sv) was nageleefd en dat de raadsman een afschrift van de dagvaarding had ontvangen.
Mijn voormalig ambtgenoot Wortel brak in zijn voorafgaande conclusie een lans voor een verdergaande onderzoeksplicht voor feitenrechters ten aanzien van de afwezigheid van de raadsman, dan slechts een controle op de naleving van art. 51 oud Sv. Hij stelde een onderzoeks- en motiveringsplicht voor die niet alleen inhield dat wordt onderzocht of de raadsman mag worden geacht op de hoogte te zijn van de terechtzitting, maar ook dat wordt nagegaan waarom de raadsman, hoewel met de terechtzitting bekend, niet is verschenen. Bij een ‘onverklaarde afwezigheid’ van de raadsman, diende volgens hem de rechter dan ook – door contact te (laten) leggen met de raadsman of diens kantoor – vast te stellen of de raadsman nog binnen redelijke tijd voornemens was op de terechtzitting te verschijnen, zodat ‘ongevallen’, die mogelijk ook (ten dele) de ondersteuning van het rechterlijk apparaat kunnen zijn aan te rekenen, konden worden voorkomen. De inspanningen van AG Wortel ten spijt, kwam de Hoge Raad tot een andere conclusie en overwoog:
“3.3. Tot de aan de Hoge Raad gezonden stukken van het geding behoort een brief van de raadsman van 16 oktober 2002 aan de strafgriffie van het Hof, waarin hij zich, onder vermelding van datum en tijd van de terechtzitting in hoger beroep als raadsman van de verdachte stelt. Een aantekening op het dubbel van de dagvaarding in hoger beroep houdt in dat op 6 november 2002 een afschrift van de dagvaarding aan verdachtes raadsman is verstrekt.
Het Hof heeft kennelijk — gelijk het kon doen — op grond van een en ander aangenomen dat de raadsman op de hoogte was van het tijdstip van de behandeling in hoger beroep. Zulks in aanmerking genomen, noopte, anders dan het middel wil, de enkele omstandigheid dat de raadsman niet ter terechtzitting in hoger beroep was verschenen het Hof niet tot een onderzoek naar diens afwezigheid. Daarom kan het middel, dat evenmin als de daarop gegeven toelichting inhoudt dat het 'misverstand' waarvan die toelichting gewaagt, een niet voor rekening van de verdachte en diens raadsman komende omstandigheid betrof, niet tot cassatie leiden.”
2.5
Uit deze zaak kan worden afgeleid dat de Hoge Raad, in een zaak waarin de reden voor de afwezigheid van de verdachte en diens raadsman gelegen is in een kennelijk verkeerd begrepen instructie van de bode over de zittingzaal waar de zaak wordt behandeld, geen grond ziet voor cassatie.
Conclusie
3.1
Het middel slaagt.
3.2
Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
3.3
Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het hof ’s Hertogenbosch, teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Vgl. o.m. HR 5 februari 2019, ECLI:NL:HR:2019:172, HR 11 juli 2017, ECLI:NL:HR:2017:1293, HR 22 november 2016, ECLI:NL:HR:2016:2721 en HR 19 maart 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ3924, NJ 2013/416, m.nt. Borgers.